id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071008.9 Rolnummer: 2006/AR/290 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-12-21 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 16:06 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht - Schuldenaar-borg Vrije woorden: Bevrijding van de borg -- geen bevrijding van de met de handelaar samenwonende partner die zich als natuurlijke person zekerstelde voor de handelsschulden van haar partner, en met haar vermogen - waarop zij nog niet werd uitgewonnen- de schuld kan (af)betalen Tekst van de beslissing Nr. 2006/AR/290 ------------------------- in de zaak van : C.H., appellante, hebbende als raadsman mr. Filip Ducheyne, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Nieuwe Gentweg 39, tegen N.V. KBC BANK, met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2 en met ondernemingsnummer 0462.920.226, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Pol Tanghe, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, Mercatorlaan 17a, velt het Hof volgend arrest :
- Gegevens van de zaak in beroep: 1.
- C.H. stelde op 7 februari 2006 hoger beroep in tegen het vonnis van 16 januari 2006 van de eerste bis kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge. KBC-BANK NV vordert de bevestiging van het vonnis en de ongegrondverklaring van het hoger beroep van C.H.. 1.
- De blijvende betwisting betreft de aanspraak van C.H., om - bij toepassing van artikel 10, 4° van de wet van 20 juli 2005 - als natuurlijke persoon die zich in het voordeel van KBC-BANK NV kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor M.D., die op 17 januari 2005 failliet werd verklaard, bevrijd te worden. De feitelijke gegevens kunnen als volgt worden samengevat: - Bij onderhandse akte van 21 oktober 2002 stelde C.H. zich solidair en ondeelbaar borg voor de verbintenissen die M.D. opnam t.a.v. KBC-BANK NV uit hoofde van een lening op afbetaling voor een hoofdsom van 18.500,00 EUR, terug te betalen in 60 maandelijkse termijnen van 397,22 EUR. De lening diende tot het bekostigen van de inrichting van de bakkerij die M.D. uitbaatte. - M.D. werd failliet verklaard bij vonnis van 17 januari 2005, waarop KBC-BANK NV een aangifte van schuldvordering heeft neergelegd, die strekte tot de betaling van een nog verschuldigd saldo van 13.582,53 EUR. - Op 02 september legde KBC-BANK NV een bijkomende verklaring neer overeenkomstig artikel 10, 1° van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen, waarin zij vermeldde dat zij tot waarborg van haar schuldvordering op M.D. over een solidaire borgstelling beschikte vanwege C.H.. - C.H. legde op 17 oktober 2005 een verklaring neer, waar zij stelt dat haar verbintenis tegenover KBC-BANK NV niet in verhouding is met haar inkomsten en haar patrimonium. - Bij vonnis van 7 december 2005 werd de gefailleerde, M.D., verschoonbaar verklaard. 1.
- KBC-BANK NV verzet zich tegen de gehele of gedeeltelijke bevrijding van de verbintenissen, die C.H. als hoofdelijke borg heeft opgenomen in het contract van lening op afbetaling van 18 oktober
- Zij is van oordeel dat C.H. zich niet kosteloos heeft zeker gesteld, waar zij met de schuldenaar samenwoont en actief heeft deelgenomen aan de uitbating van de handelszaak, die de leefgemeenschap van M.D. en C.H. van inkomsten heeft voorzien. C.H. zou minstens niet aantonen, dat haar verbintenissen onevenredig zijn met haar inkomsten en haar patrimonium. Zij zou over ruimere inkomsten beschikken dan wat zij aangeeft in haar verklaring. 1.
- Op volgende relevante overwegingen weerhield de eerste rechter dat C.H. in beginsel het voordeel van de bevrijding kon genieten, maar niet bewijst dat haar verbintenissen niet in verhouding staan met haar inkomsten en patrimonium: 1.4.
- ‘Het faillissement van M.D. werd geopend bij vonnis van 17.01.
- De wet van 20 juli 2005 waarbij de mogelijkheid tot bevrijding van de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker heeft gesteld voor de gefailleerde is ingevoerd, trad in werking op 07.08.
- Krachtens artikel 10 van voormelde wet gelden de voorgeschreven overgangsbepalingen voor de lopende faillissementen die nog niet afgesloten zijn op het moment dat de wet in werking treedt. Huidige vordering dient derhalve beoordeeld met toepassing van de overgangsbepalingen. ‘Krachtens artikel 10, 4° van de wet van 20 juli 2005 bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat zijn verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en zijn patrimonium is. Dit alles tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde. (...) ‘Daar waar KBC-BANK NV betwist dat de zekerstelling door C.H. kosteloos zou zijn, komt het haar toe dit te bewijzen. Uit geen enkel stuk of gegeven blijkt echter dat C.H. daadwerkelijk een voordeel heeft gehaald uit de zekerstelling voor de gefailleerde. Het feit dat zij zou samenwonen met de gefailleerde leidt niet ipso facto tot de vaststelling dat zij een voordeel haalt uit de zekerstelling als niet is aangetoond waaruit dit voordeel dan wel zou bestaan. C.H. en de gefailleerde zijn niet gehuwd. Wat de invloed van de zekerstelling is op de eventuele samenleving en de leefgemeenschap van de betrokkenen, wordt niet aangetoond. Deze leefgemeenschap wordt bovendien betwist door C.H.. Evenmin leidt in casu de vaststelling dat C.H. zou medegewerkt hebben in de bakkerij van de gefailleerde tot de vaststelling, dat de zekerstelling niet kosteloos zou zijn gebeurd. C.H. betwist niet dat zij occasioneel zou hebben medegewerkt. (...) De lening en de zekerstelling dateren van 22.10.2002 daar waar het schrijven van de gefailleerde waarin hij gewag maakt van een continue medewerking dateert van anderhalf jaar later. (...) 1.4.
- ‘Anderzijds dient C.H. aan te tonen dat de verbintenissen die zij heeft opgenomen niet in verhouding zijn met haar patrimonium en haar inkomsten op het ogenblik dat zij de verklaring conform artikel 10, 3° van de wet van 20 juli 2005 doet. ‘Uit de aangifte van schuldvordering van KBC-BANK NV blijkt dat de gefailleerde nog een bedrag van 13.582,53 EUR verschuldigd is aan haar. De verbintenis van C.H. heeft aldus betrekking op de betaling van dit bedrag. ‘C.H. verschaft echter geen volledige duidelijkheid nopens de samenstelling en de omvang van haar patrimonium en haar inkomsten. Uit de behandeling ter zitting is gebleken dat zij een escortbureau uitbaat te Meetkerke. Dit wordt bevestigd door het stuk nr. 4 van KBC-BANK NV waaruit blijkt dat zij uitbaatster is van een café en een escortbureau en in die hoedanigheid is gekend bij de RSZ en de BTW-administratie. Zij zou 4 werknemers deeltijds in dienst hebben. Nopens de exploitatie van deze handelszaak en de resultaten verschaft zij echter geen enkel gegeven, alhoewel zij als handelaarster gehouden is tot het voeren van een boekhouding dag aan dag. Evenmin ligt de laatste aangifte in de personenbelasting voor (dit moet de aangifte aanslagjaar 2005 - inkomsten 2004 zijn) zoals bepaald door 10, 1° van de wet van 20 juli 2005 en artikel 72ter van de faillissementswet van 8 augustus
- ‘Anderzijds blijkt zij eigenares te zijn van twee onroerende goederen met een totaal geïndexeerd kadastraal inkomen van 2.133,00 EUR. Voor deze onroerende goederen moet zij weliswaar nog een lening afbetalen, doch deze goederen kunnen een daadwerkelijk inkomen genereren, nu zij niet dienen tot gezinswoning. Eén van de onroerende goederen is trouwens verhuurd tegen een maandelijkse huurprijs van 550,00 EUR. Het tweede onroerend goed zou leegstaan. De reden waarom dit niet kan worden verhuurd blijkt niet. ‘Artikel 72ter, ook van toepassing in het kader van de overgangsbepalingen, draagt de zekersteller op om het overzicht van alle activa of passiva die zijn patrimonium vormen en elk ander stuk dat van aard is om precies de staat weer te geven van zijn bestaansmiddelen en lasten, voor te leggen. C.H. verschaft de rechtbank slechts gedeeltelijke en onvolledige informatie. Het komt haar toe volledige duidelijkheid te verschaffen bij gebrek waaraan de rechtbank niet kan vaststellen dat haar verbintenissen niet in verhouding zijn met haar inkomsten en patrimonium. Het verzoek tot bevrijding is in casu dan ook ongegrond.'
- Beoordeling Het Hof onderschrijft integraal de hierboven weerhouden overwegingen van het vonnis, die het juist bevindt. Aanvullend laat het Hof nog volgende overwegingen gelden. 2.
- Artikel 80, alinea 2 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt behalve in geval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed, door de rechtbank verschoonbaar wordt verklaard. Artikel 82, alinea 2 van de faillissementswet bepaalt dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting. In aansluiting met deze bepalingen voorziet artikel 80, alinea 3 van de faillissementswet (dat ingevoegd werd bij artikel 7 van de wet van 20 juli 2005) in de gehele of gedeeltelijke bevrijding van elke natuurlijke persoon, die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zijn verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en met zijn patrimonium. - Met deze bepaling kwam de wetgever tegemoet aan het arrest van 30 juni 2004 van het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof), dat in de vorige wetgeving een ongelijke behandeling had vastgesteld tussen ‘de verschoonbaarheid waarover de gefailleerde geniet' en ‘de bevrijding waarvan de borg genoot en die automatisch volgde uit de verschoonbaarheid van de gefailleerde'. De gefailleerde wordt immers uitgewonnen op de goederen die de curator na het openvallen van het faillissement in de faillissementsboedel aantreft en realiseert. Zijn verschoonbaarheid verhindert geen verkoop van de goederen die in de faillissementsboedel aanwezig zijn en evenmin het innen van zijn schuldvorderingen in het voordeel van zijn schuldeisers. - Met deze bepaling kwam de wetgever ook tegemoet aan een tweede ongelijkheid die het arrest van 30 juni 2004 van het Grondwettelijk Hof in de vorige wetgeving had vastgesteld en die inhield, dat ‘een borg van een gefailleerde rechtspersoon nooit kon bevrijd worden' in tegenstelling tot ‘de borg van een gefailleerde natuurlijke persoon'. - Voordien had het Grondwettelijk Hof in een arrest van 28 maart 2002 ook vastgesteld ‘dat ook al impliceert de regeling van de borg dat hij in principe tot zijn borgtocht gehouden blijft wanneer de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, [. . .] het [. . .] onverantwoord [is] dat een rechter [niet] wordt toegestaan te beoordelen of er geen aanleiding is om hem te bevrijden, in het bijzonder wanneer zijn verbintenis van belangeloze aard is'. 2.
- Binnen dit wettelijk kader stelde de eerste rechter op juiste gronden vast, dat C.H. als borg in beginsel het voordeel van de bevrijding kan genieten. - De wet bepaalt dat ‘de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker stelde (in het Frans ‘gratuite') in aanmerking komt voor de bevrijding. Het begrip, ‘kosteloos' is eenduidig en duidelijk en vraagt geen nadere interpretatie. Van Dale Groot Woordenboek definieert kosteloos als ‘niets kostend, d.w.z. zonder kosten voor degene die ervan profiteert' (zie ook het arrest van 6 december 2006 van het Hof van Beroep te Gent met noot van Kurt Creyf in R.W. 2006-07, pg. 1277). KBC-BANK NV bewijst hier ‘geen aanwijsbaar financieel voordeel voor C.H., dat rechtstreeks uit de borgstelling zou volgen. - En zelfs als zou worden aangenomen, dat een onrechtstreeks economisch voordeel zou volstaan om de natuurlijke borg meteen het voordeel van een mogelijke bevrijding te ontzeggen, stelt het Hof vast dat een onrechtstreeks voordeel uit de borgstelling hier allerminst bewezen is. De ‘LAT-verhouding' die C.H. met de gefailleerde M.D. aanhield/houdt, verklaart ongetwijfeld dat zij (om andere dan financiële redenen) bereid was, om zich borg te stellen voor M.D.. Daaruit volgt nog niet dat hun relatie - die mogelijks wel enig financieel voordeel voor haar inhield/houdt - ook grondt op haar borgstelling voor de lening op afbetaling, die haar partner bij KBC-BANK NV heeft afgesloten, of dat de ‘LAT-verhouding' verder aangehouden wordt dank zij die borgstelling. Dat C.H. enige vergoeding zou ontvangen hebben uit de handelszaak van M.D. - zoals KBC-BANK NV beweert maar niet bewijst - impliceert op zich evenmin, dat zij deze loonvergoedingen te danken had aan haar borgstelling. Zo zij arbeidsprestaties in het voordeel van de handelszaak van M.D. zou geleverd hebben, dan was deze vergoeding gerelateerd aan haar prestaties en niet aan haar borgstelling. - Het Hof moet zich niet uitspreken over eventuele gevolgen van de wet van 3 juni 2007 - dat hoofdstuk V bestaande uit de artikelen 2043bis tot 2043octies met als opschrift « Kosteloze borgtocht » in het burgerlijk wetboek voegde - op de bevrijding van de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker stelde voor de gefailleerde. Deze wet voerde een nieuwe rechtsfiguur in het burgerlijk wetboek in en de slotbepaling van deze wet bepaalt, dat de wet eerst van toepassing is op de borgtochtovereenkomsten die zijn afgesloten na haar inwerkingtreding. Na de vaststelling dat C.H. hier als kosteloze borg in beginsel het voordeel van een eventuele bevrijding kan genieten, dringt evenmin een nader onderzoek op, naar een eventuele discriminatie van de niet-gehuwde levensgezel die meteen - ingevolge enig economisch voordeel (zowel rechtstreeks als indirect) - het voordeel van de bevrijding zou ontzegd worden, in tegenstelling tot de echtgenoot van de gefailleerde die ingevolge de verschoonbaarheid van de gefailleerde/echtgenoot bevrijd wordt. 2.
- Binnen het hierboven aangehaald wettelijk kader, stelde de eerste rechter - bij zijn verder onderzoek naar de proportionaliteit - op juiste gronden vast, dat de borgstelling van C.H. in het voordeel van KBC-BANK NV voor de lening, waarop de hoofdsom van 12.545,41 EUR onbetaald bleef op 17 januari 2005, in verhouding staat met haar inkomsten en haar patrimonium. - Hierboven werd al verwezen naar de situatie van de gefailleerde/hoofdschuldenaar, die eerst na uitwinning op zijn goederen die in de faillissementsboedel werden weerhouden, voor de toekomst verschoonbaar wordt verklaard van verdere schulden. - C.H., die over eigen middelen beschikt, bewijst geen enkele vorm van uitwinning op haar goederen, waaronder een studio te Koksijde, Ter Duinenlaan 5 en een appartement te Koksijde, Zeelaan
- BESLUITEN Het Hof verklaart - op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken - het hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond. Het bevestigt het bestreden vonnis. Het verwijst C.H. in de kosten van het hoger beroep, die het aan de zijde van KBC-BANK NV vaststelt op de rechtsplegingvergoeding van euro 242,94 (de vordering strekt niet tot de betaling van een geldsom van meer dan euro 2.500). Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op acht oktober tweeduizend en zeven. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div