← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071025.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071025.3 Rolnummer: 2006/AR/1067 Rechtsgebied: Overige - Familierecht Invoerdatum: 2007-11-28 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 16:13 Fiche 1 In alle procedures tot echtscheiding op grond van fout en tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding ingeleid vóór 1 september 2007 blijven de oude echtscheidingsgronden overspel [art. 229 (oud) B.W.], gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen [art. 231 (oud) B.W.] en feitelijke scheiding van minstens twee jaar [art. 232 (oud) B.W.] van toepassing. Deze echtscheidingsprocedures worden dus nog volledig afgehandeld volgens de oude echtscheidingswetgeving (zie art. 42, § 2, 1ste lid W. 27 april 2007). Deze overgangsbepaling geldt naar het oordeel van het hof niet enkel voor de procedures in eerste aanleg, doch ook voor de procedures in hoger beroep en dit ongeacht het ogenblik waarop het hoger beroep wordt aangetekend, hetzij vóór, hetzij nà 1 september

  1. De tekst van de wet laat geen beperking tot de procedures in eerste aanleg toe en maakt geen onderscheid tussen hogere beroepen aangetekend vóór of nà 1 september
  2. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Overgangsrecht Vrije woorden: Echtscheiding - wet van 27 april 2007 - Overgangsbepalingen - Art. 42 §2, 1° lid - Toepasselijke wet - ingeleid voor 01 september 2007 - procedure hangend in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wet - 27-04-2007 - 42 §2, 1° lid Fiche 2 De provisionele onderhoudsuitkering is gesteund op artikel 301 (oud) B.W.. Het criterium waarmee rekening gehouden moet worden bij het bepalen van het bedrag van de provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding is niet de behoeftigheid van degene die dergelijke provisionele onderhoudsuitkering vordert in de zin van diens directe noden. Bij de begroting moet dus rekening gehouden worden met de inkomsten én de mogelijkheden van de geïntimeerde teneinde haar op die manier een gelijkwaardige levensstandaard te waarborgen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Algemeen Vrije woorden: Echtscheiding door feitelijke scheiding - provisionele onderhoudsuitkering - criterium Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 301 (oud) Tekst van de beslissing 2006/AR/1067 in de zaak van: SN, bediende, wonende te .... appellant, hebbende als raadsman mr. DE MUER Karin, advocaat te 9900 EEKLO, Visstraat 20 tegen: VCR, huisvrouw, wonende te ..... geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANDE ROSTYNE Frank, advocaat te 9950 WAARSCHOOT, Molenstraat 38 wijst het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het bestreden tussenvonnis van 28 februari 2006 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, vijfde kamer, waartegen de appellant principaal hoger beroep en de geïntimeerde incidenteel hoger beroep hebben ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting. De neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien. de relevante procedurevoorgaanden en vorderingen
  3. In het bestreden tussenvonnis werden de hoofdvordering van de geïntimeerde en de tegenvordering van de appellant toelaatbaar en als volgt gegrond verklaard. De echtscheiding tussen de partijen werd uitgesproken in het voordeel van de geïntimeerde op grond van art. 231 (oud) B.W.. De vereffening-verdeling van het ontbonden huwelijksvermogenstelsel werd bevolen, met aanwijzing van notaris Frank DE RAEDT met standplaats te Waarschoot. Notaris Ann CHIJS met standplaats te Knesselare werd aangewezen als gerechtelijk bewaarder in de zin van art. 1209, 3de lid Ger.W.. Alvorens over de gegrondheid van de tegenvordering van de appellant te beslissen werd hij toegelaten door alle middelen en inzonderheid door getuigen te bewijzen dat:
  4. de geïntimeerde de appellant het leven onmogelijk maakt door haar bazige en tiranniserende houding en door hem volledig van de buitenwereld af te snijden, hetgeen ze bewerkstelligd heeft door hem elk contact met zijn familie, vrienden en kennissen te ontzeggen en door hem te verbieden ook maar één hobby uit te oefenen;
  5. de geïntimeerde de appellant onophoudelijk verwijten naar het hoofd slingert en hem beledigt en er plezier in schept hem tegenover derden als ‘de slechterik' en ‘de onmogelijke man' af te schilderen;
  6. de geïntimeerde de kinderen steeds tegen hun vader opgezet heeft en belet heeft dat hij een normale relatie met de kinderen kon opbouwen en steeds zijn deelname aan de opvoeding van de kinderen heeft gedwarsboomd. Er werd bepaald dat de aanvraag tot het houden van het getuigenverhoor moest worden neergelegd binnen de zes maanden vanaf de datum van uitspraak van het tussenvonnis en verstaan dat het tegenbewijs de geïntimeerde rechtens vrijstond. De appellant werd veroordeeld tot de betaling aan de geïntimeerde van een provisionele maandelijkse persoonlijke onderhoudsuitkering van euro 400,00 per maand, met indexbinding overeenkomstig art. 301 § 2 (oud) B.W., vanaf de dag dat het beschikkend gedeelte van het echtscheidingsvonnis is overgeschreven. De uitspraak over de kosten werd aangehouden en de zaak werd naar de bijzondere rol verwezen.
  7. Met zijn hoger beroep beoogt de appellant het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke echtscheidingsvordering van de geïntimeerde als ongegrond af te wijzen. Wat betreft zijn oorspronkelijke tegenvordering vraagt hij deze ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg de echtscheiding tussen partijen uit te spreken in het nadeel van geïntimeerde op grond van de bepalingen van art. 231 (oud) B.W.. Ondergeschikt vraagt hij de machtiging om de hierboven gequoteerde echtscheidingsgrieven te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen. Voorts vraagt hij het vervullen van de formaliteiten voor publiciteit voorzien in art. 1275, §2 Ger.W.. Naast het bevel tot vereffening-verdeling van de ontbonden huwgemeenschap verzoekt hij om de aanstelling van notaris Annelies WYLLEMAN met standplaats te Evergem-Sleidinge als boedelnotaris. Hij vraagt de geïntimeerde te verwijzen in de kosten van het geding in beide instanties, zoals nader begroot. Uiterst ondergeschikt, voor het geval het hof de geïntimeerde onderhoudsgerechtigd zou achten, betracht hij de gevorderde onderhoudsuitkering te doen herleiden en in de tijd te doen beperken.
  8. De geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis, met uitzondering van de persoonlijke onderhoudsuitkering, waarvoor zij incidenteel hoger beroep instelt dat ertoe strekt de appellant te doen veroordelen tot de maandelijkse betaling van een bedrag van 800,00 EUR, jaarlijks indexeerbaar. Meest ondergeschikt vordert zij haar toe te staan om volgende echtscheidingsgrieven te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, met name dat:
  9. de appellant zich schuldig maakt aan opzettelijke slagen en verwondingen jegens zijn invalide echtgenote, derwijze dat zij telkens ernstig wordt toegetakeld, zodat zelfs tussenkomst van een dokter aangewezen is;
  10. de appellant zich schuldig maakt aan verbale agressie, waarbij hij er niet voor terugschrikt zijn echtgenote met de dood te bedreigen;
  11. de appellant geen affectie noch respect heeft voor zijn echtgenote en haar veeleer als zijn persoonlijke onderhoudsmeid beschouwt. Zij vraagt de verwijzing van de appellant in de kosten van beide instanties, zoals nader begroot. De appellant besluit tot de afwijzing van het incidenteel hoger beroep als niet gegrond. beoordeling de toelaatbaarheid van de beroepen
  12. De appellant meldt in zijn beroepsakte dat het bestreden vonnis van 28 februari 2006 hem werd betekend op 30 maart 2006 en dit wordt niet tegengesproken. De appèlakte werd op 27 april 2006 ter griffie neergelegd. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm.
  13. Ook het incidenteel hoger beroep is regelmatig. de impact van de wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht (B.S. 7 juni 2007)
  14. In alle procedures tot echtscheiding op grond van fout en tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding ingeleid vóór 1 september 2007 blijven de oude echtscheidingsgronden overspel [art. 229 (oud) B.W.], gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen [art. 231 (oud) B.W.] en feitelijke scheiding van minstens twee jaar [art. 232 (oud) B.W.] van toepassing. Deze echtscheidingsprocedures worden dus nog volledig afgehandeld volgens de oude echtscheidingswetgeving (zie art. 42, § 2, 1ste lid W. 27 april 2007). Deze overgangsbepaling geldt naar het oordeel van het hof niet enkel voor de procedures in eerste aanleg, doch ook voor de procedures in hoger beroep en dit ongeacht het ogenblik waarop het hoger beroep wordt aangetekend, hetzij vóór, hetzij nà 1 september
  15. De tekst van de wet laat geen beperking tot de procedures in eerste aanleg toe en maakt geen onderscheid tussen hogere beroepen aangetekend vóór of nà 1 september
  16. Eén en ander heeft in onderhavige procedure tot gevolg dat de hoofdvordering tot echtscheiding van de geïntimeerde ex art. 231 (oud) B.W., ingesteld bij dagvaarding d.d. 5 juni 2003, in casu wordt berecht op de oude echtscheidingsgronden. Dit geldt ook voor de in de conclusies d.d. 31 oktober 2005 ingestelde tegenvordering tot echtscheiding van de appellant ex art. 231 (oud) B.W..
  17. In alle gevallen waarin de echtscheidingsprocedure werd ingeleid uiterlijk op 31 augustus 2007 op grond van fout of op grond van twee jaar feitelijke scheiding blijft het recht op een onderhoudsuitkering na echtscheiding bepaald op basis van de oude artikelen 301, 306, 307 en 307bis B.W., zowel wat betreft het gerechtigd zijn op onderhoudsuitkering na echtscheiding als wat betreft de omvang en de modaliteiten van deze onderhoudsuitkering na echtscheiding (zie art. 42, § 2, 2de lid W. 27 april 2007). De mogelijke toepassing van art. 301, § 4 B.W. wordt hierna toegelicht. de verslagen in het kader van de procedure ex art. 1280 Ger.W. Het stuk 8 van de appellant, dat echter ook deel uitmaakt van andere stukken (bv. stuk 15 appellant), betreft het verslag van de kinderpsychologen Heidi DE BRUYNE en Nadine VAN HOECKE. Het stuk 10 van de appellant en het stuk 26 van de geïntimeerde betreffen het evaluatieverslag van de ontmoetingsruimte rond het omgangsrecht van respectievelijk 8 december 2005 en 7 juni
  18. Het hof maakt evenwel abstractie van deze stukken en de daarop geënte argumentatie in het kader van de beoordeling van de schuldvraag in de voorliggende echtscheidingsprocedures. Immers kaderen deze onderzoeken in de procedure strekkende tot het bekomen van voorlopige maatregelen voor de kinderen hangende de echtscheidingsprocedure en kunnen zij slechts dat doel en meer bepaald het belang van de kinderen dienen. de hoofdvordering tot echtscheiding van de geïntimeerde
  19. De eerste rechter achtte de vordering toewijsbaar. Hij verwees in het bijzonder naar medische attesten, foto's en/of klachtenbrieven (stukken 1, 2, 3, 22, 23 en 25 geïntimeerde), waaruit hij weerhoudt dat de appellant op zeer agressieve en brutale wijze opzettelijk slagen toebrengt aan geïntimeerde en het dochtertje van partijen JA. De appellant acht de beweerde feiten niet bewezen. Hij ontkent het toebrengen van slagen en verwondingen. Hij stelt dat de verklaringen van geïntimeerde éénzijdig zijn, dat hij in diverse processen-verbaal valselijk wordt beschuldigd, dat de eerste rechter zich baseerde op een onvolledig strafdossier dat nog in onderzoek was en dat de strafdossiers, die hij integraal voorlegt, intussen zijn geseponeerd. Hij besluit dan ook dat de echtscheiding door de eerste rechter ten onrechte in zijn nadeel werd uitgesproken.
  20. De partijen huwden op .... Nog vóór hun huwelijk ontsproten uit hun relatie twee kinderen: JA, geboren op ..... en JN, geboren op...... De eerste rechter kan niet gevolgd worden waar hij verwijst naar het stuk 3 van de geïntimeerde. Dit stuk behelst beweerde feitelijkheden van 12 juli 2000, hetzij voorafgaand aan het huwelijk tussen de partijen en dus niet relevant in deze.
  21. De eerste echtscheidingsgrief zoals door de geïntimeerde in het gedinginleidend exploot aangehouden betrof deze dat:
  22. ‘de (appellant) zich schuldig maakt aan opzettelijke slagen en verwondingen jegens zijn invalide echtgenote, derwijze dat zij telkens ernstig wordt toegetakeld, zodat zelfs tussenkomst van een dokter aangewezen is'. In conclusies weerhoudt de geïntimeerde klaarblijkelijk ook door de appellant gepleegd geweld op de kinderen. Het hof beperkt zich vooreerst tot het onderzoek van geweldplegingen op de geïntimeerde zelf, los van de stukken 1 en 22 waarnaar de eerste rechter verwees. Het hof beklemtoont daarbij dat het niet is omdat huishoudelijk geweld niet tot strafrechtelijke vervolging zou hebben geleid dat het geen grove belediging in de zin van art. 231 (oud) B.W. zou kunnen uitmaken.
  23. Op 3 juni 2003 deed de geïntimeerde aangifte van opzettelijke slagen en verwondingen haar door de appellant toegebracht op 27 mei 2003 (stuk 2 geïntimeerde). Zij verklaarde dat de appellant dacht dat zij hem zou aanvallen, haar bij de beide bovenarmen vast greep, optilde en in de gang tot in een hoek duwde. Hij gaf volgens haar ook enkele schoppen op haar rechtervoet. Het medisch attest van dr. J. KYNDT d.d. 27 mei 2003 vermeldt ‘hematomen bovenarmen en re enkel' en is met deze verklaring congruent. Twee foto's laten bovendien bloeduitstortingen zien op beide bovenarmen van geïntimeerde. Het verhoor van appellant dateert van 27 juni 2003 (stuk 24 appellant). In de schermutseling die ontstond  waarbij de appellant voorhoudt eerst door de geïntimeerde te zijn geslagen  geeft de appellant toe de geïntimeerde bij de bovenarmen te hebben geklemd en haar een paar passen naar achter te hebben geduwd tot tegen de muur, een paar fracties van een seconde lang. De geweldpleging die de appellant op 27 mei 2003 pleegde staat objectief vast. Het is overigens na haar verhoor van 3 juni 2003 over deze feiten van 27 mei 2003 dat de geïntimeerde op 5 juni 2003 overgaat tot dagvaarding in echtscheiding en voorlopige maatregelen.
  24. In de loop van de procedure volgen er nog twee klachten wegens opzettelijke slagen en verwondingen ten laste van de appellant, wegens feiten van 17 januari 2004 (stuk 23-24 geïntimeerde) en wegens feiten van 21 september 2005 (stuk 25 geïntimeerde). Deze feiten kaderen in de uitoefening van het omgangsrecht van de appellant met de kinderen. 5.
  25. Volgens de verklaring van de geïntimeerde heeft de appellant op 17 januari 2004 de toegangsdeur van het appartementsgebouw, waarin de geïntimeerde intussen verbleef, met volle geweld geopend waardoor haar knie in aanraking kwam met de brievenbussen en zij door de kracht tegen de muur werd geslingerd. Zij zat als het ware geklemd tussen de deur en de muur. De appellant bleef, niettegenstaande het roepen van de geïntimeerde, nog wat kracht bijsteken op de deur. Zij had pijn aan haar knie en rug, aan de rechterkant en heeft via de wachtdienst een dokter gecontacteerd (stuk 23 geïntimeerde). Het medisch attest van dr. P. DE BAETS d.d. 17 januari 2003 (2004?) 19.15 uur vermeldt letsels met arbeidsongeschiktheid die sluitend zijn met de verklaring van de geïntimeerde. Deze arts nam akte van de verklaring van de geïntimeerde over het trauma dat zij rond 18.05 uur opliep en bevestigde dat de uitleg aannemelijk was. Daarbij ging hij zijn bevoegdheden als arts niet te buiten. De andere onder stuk 23 overgelegde medische attesten van dr. D. GYSELINCK d.d. 19 januari 2004 en 22 januari 2004 bevestigen de gevolgen en de arbeidsongeschiktheid tot en met 1 februari
  26. De politie vermeldde onder de rubriek ‘Inlichtingen' in het vervolgblad aan proces-verbaal nr. ....d.d. 20 januari 2004 dat de geïntimeerde bij de klacht zeer overstuur was en het moeilijk had om haar verhaal te doen. Deze feiten werden door de appellant tevergeefs ontkend (proces-verbaal van verhoor d.d. 2 maart 2004, 8 december 2004 en 27 april 2005, stuk 15 appellant). Immers vindt de verklaring van de geïntimeerde steun in de beschrijving van de medische gevolgen die verenigbaar zijn met haar specifieke klacht, ondersteund door de inlichtingen verstrekt door de verbalisanten. 5.
  27. Op 21 september 2005 was er een incident aan de schoolpoort. Het verhoor van de geïntimeerde dateert van die dag (stuk 25a geïntimeerde), dat van de appellant van 24 september 2005 (stuk 14b appellant). Na schooltijd ging de zoon van partijen mee met de appellant (die toen omgangsrecht had), maar de geïntimeerde wou de boekentas van het kind meenemen. De geïntimeerde verklaarde plots een harde duw in de rug te hebben gekregen van de appellant. Deze begon haar dan te slaan en wilde de boekentas afnemen. Er is een medisch attest van dr. Dirk GYSELINCK d.d. 21 september 2005 die relaas doet van het aan hem gebracht verhaal van de geïntimeerde, hetgeen hem als arts toegelaten is. Hij beschreef ook de klachten (pijn in de linkerhand, de neus, rechterlies en rug), verenigbaar met de letsels (verminderde mobiliteit linkerwijsvinger, contusie neus, elongatietrauma buik- en lange rugspieren) én met de verklaring van de geïntimeerde, één en ander met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Er is ook een foto van de geïntimeerde met de omzwachtelde linkerwijsvinger (stuk 25 geïntimeerde). De appellant ontkende aan de geïntimeerde een duw in de rug te hebben gegeven. Wel gaf hij toe dat de partijen samen een twee- tot drietal minuten staan trekken hebben aan de boekentas van JN en dat het mogelijk is dat de geïntimeerde daarbij gewond is geraakt. De getuigenverklaring van onderwijzer HVL doet aan het voormelde naar het oordeel van het hof geen afbreuk (stuk 14b appellant). Deze getuige zag dat de geïntimeerde zich naar de schoolpoort haastte teneinde de schooltas van JN af te nemen, waarop de appellant dezelfde schooltas in handen wou krijgen. Volgens deze getuige hield de moeder de schooltas achter haar rug verborgen en trachtte de vader deze prompt in zijn handen te krijgen. Hij wees ook op hulpkreten van de moeder. Hij getuigde dat op aanraden van hemzelf de vader de omstrengeling verbroken heeft. De indruk van de getuige dat de hulpkreten overdreven leken overtuigt niet gelet op de draagwijdte van het medisch attest en vooral nu de geïntimeerde invalide is (stuk 10 geïntimeerde). Belangrijk is bovendien dat het enkel op aandringen van de getuige is dat de appellant zijn greep loste.
  28. Het staat op grond van wat voorafgaat onmiskenbaar vast dat de appellant de geïntimeerde verschillende keren al te hardhandig heeft aangepakt. Beweerde uitlokkende gedragingen in hoofde van geïntimeerde  nog afgezien de vraag of deze bewezen zijn  kunnen deze gewelduiting in hoofde van de appellant op generlei wijze verantwoorden. Compensatie van schuld is inzake echtscheiding trouwens onbestaande. De door de appellant overgelegde geschreven getuigenverklaringen (stukken 11, 12 en 13 van de appellant) hebben geen betrekking op de hoger aangehaalde feiten en behelzen ten dele de persoonlijkheid van de appellant. Zij zijn niet van aard het voormeld besluit te ontkrachten. Het verder onderzoek van de andere door de geïntimeerde ingeroepen feitelijkheden  waaronder beweerd geweld gepleegd op de kinderen  is irrelevant. Deze nopen enerzijds niet tot een andere beslissing en doen anderzijds geenszins afbreuk aan voormelde bewijslevering. Zogezegde valse beschuldigingen tegenover de appellant voor andere feiten staan er niet aan in de weg dat de voormelde drie geweldplegingen ten genoegen van recht zijn bewezen. Evenmin dienen de andere echtscheidingsgrieven nog te worden ontmoet. De beslissing van de eerste rechter met betrekking tot de hoofdvordering tot echtscheiding van de geïntimeerde wordt door het hof bijgetreden, evenwel op voormelde gronden. de tegenvordering tot echtscheiding van de appellant
  29. De appellant dringt aan op de inwilliging van zijn echtscheidingseis de plano. Hij verwijst daartoe naar zijn stukken 11, 12 en 13, hetzij getikte en ondertekende getuigenverklaringen van een collega van de appellant, van een gemeenschappelijke kennis en van een vriend van de appellant. De schriftelijke weerslag van deze getuigenverklaringen volstaat vooralsnog niet als bewijs van de door de appellant aangehaalde grieven. Trouwens, voor de geïntimeerde  die de aantijgingen ontkent  moet tegenbewijs mogelijk zijn.
  30. Het inroepen van een verklaring van de geïntimeerde in een strafklacht op 3 juni 2003  waarin zij relateerde dat de moeilijkheden tussen de partijen escaleerden omdat zij wilde dat de appellant zijn sport zou opgeven voor zijn gezin  volstaat tot dusver evenmin als bewijs van de eerste echtscheidingsgrief. Bovendien verduidelijkt de geïntimeerde dit verzoek vanuit haar ervaring dat zij volledig werd alleen gelaten voor de opvoeding van de kinderen (stuk 2 geïntimeerde).
  31. De appellant steunt zich nog op de inhoud van strafklachten van de geïntimeerde en beweert dat de geïntimeerde hem overal zwart maakt ten overstaan van de verbalisanten, de dokters en op school en dit door de waarheid geweld aan te doen. Volgens zijn syntheseconclusie weet de appellant zich ernstig beledigd door volgens hem onterechte aantijgingen van de geïntimeerde (blz. 9-10). 3.
  32. Meer in het bijzonder gaat het om door JN op 7 maart 2001 en door JA op 8 juni 2003 opgelopen kwetsuren, waarvoor de geïntimeerde voorhoudt dat dit door toedoen was van de appellant, terwijl deze laatste gewaagt van een ongeval. Wat betreft de feiten d.d. 7 maart 2001 wil de appellant door stukken bewijzen dat hij toen op zijn werk was en daar door de geïntimeerde werd verwittigd van een ongeval van JN (stuk 23 appellant). Van deze feiten ligt geen politioneel onderzoek voor. Louter op grond van de overlegging van een foto van JN  waarop één arm in het gips  met de vermelding door de geïntimeerde dat de vader heel hard aan zijn arm had getrokken, van een bewijs van medische tussenkomst op die dag en van de éénzijdige versie van de feiten door de appellant kunnen geen gevolgen worden getrokken over de oorzaak van het door het kind opgelopen trauma. De verklaringen van de collega's geven geen uitsluitsel, dit vooral nu het tijdstip van het voorval niet vast staat. Wat betreft de feiten d.d. 8 juni 2003 legde de geïntimeerde klacht neer. De geïntimeerde relateerde dat de appellant naar JA is gevlogen en haar bij de nek heeft gegrepen, waardoor streepvormige bloeduitstortingen te zien waren. Zij voegde eraan toe dat de appellant vervolgens met geweld de openstaande kastdeur dicht smeet tegen JA die als het ware nog in de kastopening stond. Het kind kreeg de kastdeur tegen haar elleboog en de linkerbovenarm (stuk 1 geïntimeerde). Het medisch attest d.d. 9 juni 2003 beschrijft letstels die met deze verklaring verenigbaar zijn. In de gegeven omstandigheden is geen onterechte aantijging in hoofde van de appellant bewezen. De appellant gaf aan de verbalisanten overigens toe dat hij de schoenkast met een klap heeft willen dichtgooien, waardoor JA de deur op haar arm kreeg (stuk 25 appellant). Tenslotte werd de hoofdvordering van de geïntimeerde alvast gegrond verklaard wegens objectief bewezen geweldplegingen op haar persoon d.d. 27 mei 2003, 17 januari 2004 en 21 september
  33. Van valse beschuldigingen door de geïntimeerde is daarbij geen sprake. 3.
  34. De appellant verwijst nog naar een klacht van de geïntimeerde d.d. 3 februari en 4 maart 2006 in verband met achterstallige indexatie van verschuldigde alimentatie (stuk 21 appellant). Deze achterstallen werden volgens eigen verklaring van de appellant betaald op 16 maart
  35. Dit is gevolg aan de klacht zodat deze niet vergeefs werd neergelegd. Wat betreft de klacht van de geïntimeerde d.d. 15 september 2005 in verband met het overnachten van JN bij zijn vader is deze het gevolg van een van de beschikking afwijkende onderlinge afspraak tussen de partijen. Inderdaad werd de beschikking nageleefd, doch volgens de geïntimeerde niet de afspraak die tussen raadslieden was gemaakt. In die omstandigheden is dergelijke klacht niet als beledigend te aanzien. Rest nog de vermelding door de geïntimeerde naar aanleiding van een bepaalde klacht van haar ongerustheid over religieuze denkpatronen bij de appellant, waarbij zij ook verwees naar de lesgever VL. Laatstgenoemde bevestigde te weten dat de appellant een grote christelijke overtuiging had, doch dat daar niets mis mee was. Deze uitlating van de geïntimeerde wordt in de gegeven omstandigheden niet als grof beledigend aangezien.
  36. De appellant legde diverse klachten neer wegens niet-naleving van het omgangsrecht bij hem, zo bijvoorbeeld op 20 oktober 2003, (stuk 14 a, appellant), 9 december 2003, 12 januari 2004, 25 mei 2004, 28 juni 2004, 13 juli 2004, 3 augustus 2004, 24 augustus 2004, 7 februari 2005, 29 oktober 2005 (stuk 14 b, appellant). In de beschikking kort geding van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 1 april 2004 werd, ingevolge akkoord van de partijen, besloten tot een deskundigenonderzoek met het oog op het bepalen van het omgangsrecht van de appellant met de kinderen (stuk 2 appellant). In de beschikking d.d. 4 november 2004 werd het omgangsrecht met de appellant uitgebreid en werd om een evaluatieverslag van dezelfde psychologen verzocht (stuk 3 appellant). In de beschikking d.d. 16 december 2004 werd naast het opleggen van een welbepaald omgangsrecht voor de kerstvakantie de tussenkomst van een neutrale ontmoetingsruimte vooropgesteld (stuk 4 appellant). In de beschikking d.d. 13 juni 2005 werd erop gewezen dat beide partijen het eens zijn dat het omgangsrecht goed verloopt, zij het zonder overnachting. Beiden vorderden een voorlopige voortzetting ervan (stuk 5 appellant). In de beschikkingen d.d. 14 december 2005 en 23 januari 2006 werd telkenmale akte gegeven aan de partijen van hun akkoord (stukken 6 en 7 appellant). Dat er een problematische omgang was met de vader staat aldus vast, maar dat een laakbaar gedrag in hoofde van de geïntimeerde daaraan ten grondslag lag, wordt niet éénduidig aangetoond, vooral wanneer men rekening houdt met de door de partijen afgesloten akkoorden over het deskundigenonderzoek, over de tussenkomst van de neutrale ontmoetingsruimte en over het uitwerken van bepaalde regelingen. Gelet op de stukken waarop het hof in het kader van deze echtscheidingsprocedure vermag acht te slaan is de derde grief dan ook vooralsnog niet naar eis van recht bewezen.
  37. De eerste rechter heeft terecht beslist dat een getuigenverhoor onder eed zich opdringt. de provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering voor de geïntimeerde
  38. Niettegenstaande de ontbinding van het huwelijk op hoofdvordering van de geïntimeerde in het nadeel van de appellant op grond van art. 231 (oud) B.W. blijft de tegenvordering van de appellant op grond van art. 231 (oud) B.W. hangende. In casu kan de geïntimeerde dan ook principieel aanspraak maken op een provisionele onderhoudsuitkering ten laste van de ex-echtgenoot.
  39. Deze provisionele onderhoudsuitkering is gesteund op artikel 301 (oud) B.W.. Het gaat om een provisionele onderhoudsuitkering, hetgeen inhoudt dat de ex-echtgenote die de uitkering voorlopig ontvangt, verplicht is om de ontvangen bedragen integraal terug te betalen aan de andere ex-echtgenoot ingeval naderhand de tegenvordering gegrond verklaard wordt.
  40. Het criterium waarmee rekening gehouden moet worden bij het bepalen van het bedrag van de provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding is niet de behoeftigheid van degene die dergelijke provisionele onderhoudsuitkering vordert in de zin van diens directe noden. Het criterium is dat van artikel 301 (oud) B.W.. Bij de begroting moet dus rekening gehouden worden met de inkomsten én de mogelijkheden van de geïntimeerde teneinde haar op die manier een gelijkwaardige levensstandaard te waarborgen. Daarbij verwijst de wet naar de gemiddelde levensstandaard van de echtgenoten vanaf de huwelijkssluiting (in casu 25 mei 2001) tot aan de feitelijke scheiding (in casu 6 oktober 2003). Anderzijds moet de draagkracht van de onderhoudsplichtige in aanmerking genomen worden, dit alles op het ogenblik van de echtscheiding en niet op het ogenblik van de feitelijke scheiding. Ter bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt rekening gehouden met zijn werkelijke inkomsten en met zijn werkelijke lasten. De onderhoudsuitkering wordt voorts bekomen uit de inkomsten én goederen van de onderhoudsplichtige echtgenoot, met deze beperking weliswaar dat de uitkering één derde van de netto-inkomsten (niet de goederen) van de onderhoudsplichtige niet mag overschrijden. Ook de fiscale repercussies voor beide partijen hebben invloed. 4.
  41. de gelijkwaardige levenstandaard als tijdens het samenleven Het aanslagbiljet personenbelasting en aanvullende belastingen aanslagjaar 2003, inkomsten 2002, weerhoudt een gezamenlijk belastbaar inkomen van het gezin van 47.078,48 EUR, hetzij in hoofde van de appellant 39.178,48 EUR en in hoofde van de geïntimeerde 7.900,- EUR (stuk 32 geïntimeerde). Er was een opleg van 1.949,49 EUR te betalen. Het aanslagbiljet personenbelasting en aanvullende belastingen aanslagjaar 2004, inkomsten 2003, weerhoudt een gezamenlijk belastbaar inkomen van het gezin van 51.015,30 EUR, hetzij in hoofde van de appellant 41.428,62 EUR en in hoofde van de geïntimeerde 9.586,68,- EUR (stuk 33 geïntimeerde). Er was een opleg van 1.518,62 EUR te betalen. Andere relevante gegevens ontbreken. 4.
  42. de financiële positie van de appellant De appellant is boekhouder bij de dienst informatica van het staalbedrijf .... De appellant legt een overzicht over van zijn inkomsten in het jaar 2003 waaruit blijkt dat hem netto 28.877,66 EUR werd betaald, hetzij gemiddeld 2.406,- EUR per maand (stuk 17 appellant). Volgens hetzelfde stuk bedraagt zijn brutomaandwedde in juni 2003 3.382,07 EUR. Hij bewoont een eigen woning waarvoor de hypothecaire leninglast 392,91 EUR bedraagt (stuk 18 appellant). Reeds in de  niet bestreden  beschikking kort geding d.d. 6 oktober 2003 werd besloten dat de appellant geen bijkomende inkomsten (meer) geniet als voetbaltrainer. 4.
  43. de financiële positie van de geïntimeerde De geïntimeerde bewijst dat zij in december 2006 een werkloosheidsuitkering ontving van 1.013,22 EUR per maand (stuk 31 geïntimeerde). De appellant voert aan dat de geïntimeerde haar verdienvermogen niet zou uitputten. Of dit reëel bestaat valt, gelet op de leeftijd van de geïntimeerde (geboren op 5 augustus 1960), haar beperkte kwalificaties en werkervaring en haar gezondheidstoestand, te betwijfelen. De huurlast van de geïntimeerde bedraagt 589,76 EUR per maand vanaf november 2006 (stuk 36 geïntimeerde). De afbetalingen voor een autolening met 24 mensualiteiten vanaf 10 mei 2004 zijn inmiddels achter de rug (stuk 37 geïntimeerde). De overige uitgaven waarvan de geïntimeerde gewag maakt (autoverzekering, autobelasting, brandverzekering, hospitalisatieverzekering voor de kinderen, nutsvoorzieningen, provinciebelastingen, algemene belastingen, poetshulp, mutualiteitsbijdrage) zijn normale kosten van een éénoudergezin. Voor beide kinderen samen ontvangt zij een onderhoudsbijdrage van in het geheel 450,- EUR (stuk 2 appellant), naast een verhoogde kinderbijslag. Deze onderhoudsbijdragen en kinderbijslag komen ten goede aan de kinderen en spelen geen rol bij de begroting van de persoonlijke onderhoudsuitkering, tenzij desgevallend naar de draagkracht van de appellant toe. 4.
  44. In kort geding werd aan de geïntimeerde een onderhoudsuitkering toegekend tot beloop van 400,00 EUR per maand vanaf 1 december 2003 (beschikking d.d. 1 april 2004; stuk 2 appellant), laatst bevestigd bij beschikking van 13 april 2007 (stuk 27 geïntimeerde). Daaruit blijkt dat de geïntimeerde voor de kort gedingrechter vanaf 1 januari 2007 wegens gewijzigde omstandigheden een verhoging vorderde tot 480,- EUR per maand, terwijl zij in huidige instantie een onderhoudsuitkering vordert van 800,- EUR. Deze vordering is, zelfs rekening gehouden met het verschil in de toe te passen begrotingscriteria, weinig ernstig te noemen. Op basis van het geheel van de voorgaande elementen, namelijk de gelijkwaardige levensstandaard als tijdens het samenleven en de financiële positie van beide partijen, is een provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding van 450,- EUR per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke regels terzake. Dit bedrag is minder is dan één derde van de inkomsten van appellant zodat de regel bepaald in artikel 301, § 4 (oud) B.W. werd nageleefd. 4.
  45. De appellant vraagt het verschuldigd zijn van deze provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding in de tijd te beperken gelet op de korte duur van het huwelijk. Artikel 42, § 5 van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat het nieuwe artikel 301, § 4 B.W., zoals gewijzigd door artikel 7 van dezelfde wet, van toepassing is op de onderhoudsuitkering na echtscheiding die is vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet op 1 september
  46. Artikel 42, § 2, 2de lid van de wet van 27 april 2007 bepaalt dat zelfs indien de echtscheiding pas vanaf 1 september 2007 uitgesproken wordt op grond van de oude echtscheidingsgronden van artikel 229, 231 of 232 B.W., paragraaf § 5 van artikel 42 eveneens toepassing vindt. Het nieuwe artikel 301, § 4 B.W. bepaalt dat de duur van de uitkering niet langer mag zijn dan die van het huwelijk. Deze beperking in de tijd vindt vanzelfsprekend eveneens toepassing in geval van het toekennen, zoals in casu, van een slechts provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding. De wet van 27 april 2007 laat aan de rechter geen mogelijkheid om deze maximumtermijn niet toe te passen, zodat het niet nodig is voor dit punt de debatten te heropenen. Immers voorziet de enige door de wet bepaalde uitzondering in geval van buitengewone omstandigheden slechts in een verlenging bij het verstrijken van de oorspronkelijk door de rechter bepaalde maximumduur, zodat het ab initio toekennen van een verlenging onmogelijk is. de aanstelling van de boedelnotaris. De eerste rechter stelde notaris Frank DE RAEDT aan. Dit gebeurde op verzoek van de geïntimeerde. De appellant vroeg daarnaast tevens de aanstelling van notaris Annelies WYLLEMAN doch opperde voor het overige geen bezwaar tegen notaris Frank DE RAEDT. Er zijn geen redenen om over te gaan tot de benoeming van twee boedelnotarissen louter omdat elke partij zijn ‘eigen' notaris zou kunnen laten aanstellen. Van de aangestelde boedelnotaris wordt immers de nodige objectiviteit verwacht bij de uitoefening van zijn ambt. de kosten De eerste rechter heeft terecht de beslissing nopens de kosten aangehouden. De appellant faalt in zijn hoger beroep, zodat de kosten daarvan ten zijnen laste blijven. Gelet op de hoedanigheid van de partijen worden in dit familiegeschil de rechtsplegingsvergoedingen in deze aanleg omgeslagen. Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het principaal en incidenteel hoger beroep toelaatbaar. Wijst het principaal hoger beroep af als niet gegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep als volgt gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, dus ook waar het, op hoofdvordering van de geïntimeerde, de echtscheiding heeft uitgesproken tussen: SNH geboren te .... op ....... en VCR, geboren te .... op ..... met elkaar gehuwd te ..... op ........ in het nadeel van de appellant; en met dien verstande dat: - de provisionele persoonlijke onderhoudsuitkering wordt verhoogd tot 450,- EUR, onverminderd de bepaalde indexatie; - verstaan wordt dat de duur van de uitkering niet langer mag zijn dan de duur van het huwelijk. Verwijst de zaak in toepassing van art. 1068, tweede lid Ger.W terug naar de eerste rechter. Verwijst de appellant in de kosten van hoger beroep, niet nuttig te begroten wat hem betreft. Slaat de rechtsplegingsvergoedingen over de partijen in deze aanleg om. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: S. DE BAUW, raadsheer-wnd. voorzitter, A. DEENE, raadsheer, A. COLPAERT, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.