id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071025.4 Rolnummer: 2006/AR/1258 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-11-28 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-02 16:13 Fiche Impact van de wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht (B.S. 7 juni 2007) : in alle procedures tot echtscheiding op grond van fout en tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding ingeleid vóór 1 september 2007 is de oude echtscheidingsgronden overspel (oud artikel 229 B.W.), gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen (oud artikel 231 B.W.) en feitelijke scheiding van minstens twee jaar (oud artikel 232 B.W.) van toepassing. Deze echtscheidingsprocedures worden nog volledig afgehandeld volgens de oude echtscheidingswetgeving (zie artikel 42, § 2, 1ste lid W. 27 april 2007). Deze overgangsbepaling geldt niet enkel voor de procedures in eerste aanleg, doch ook voor de procedures in hoger beroep en dit ongeacht het ogenblik waarop het hoger beroep wordt aangetekend, hetzij vóór, hetzij nà 1 september
- In alle gevallen waarin de echtscheidingsprocedure werd ingeleid uiterlijk op 31 augustus 2007 op grond van fout of op grond van twee jaar feitelijke scheiding, blijft het recht op een onderhoudsuitkering na echtscheiding bepaald op basis van de oude artikelen 301, 306, 307 en 307bis B.W., zowel wat betreft het gerechtigd zijn op onderhoudsuitkering na echtscheiding als wat betreft de omvang en de modaliteiten van deze onderhoudsuitkering na echtscheiding (zie art. 42, § 2, 2de lid W. 27 april 2007). Het nieuw artikel 301 § 4 B.W. (gewijzigd door artikel 7 W. 27 april 2007) is, op basis van de uitdrukkelijke overgangsbepalingen van toepassing : - zowel op de onderhoudsuitkering na echtscheiding vastgesteld door een vonnis of arrest dat voorafgaat aan 1 september 2007 (artikel 42, § 5, 1e lid W. 27 april 2007); - als op de onderhoudsuitkering op basis van de oude artikelen 301, 306, 307 en 307 bis B.W., vastgesteld door een vonnis of arrest na 1 september 2007 (artikel 42, § 2, 2e lid W. 27 april 2007). UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Overgangsrecht Vrije woorden: Echtscheiding - wet van 27 april 2007 - Overgangsbepalingen - Art. 42 §2, 1° lid - Art. 42 §2, 2° lid - Toepasselijke wet - ingeleid voor 01 september 2007 - procedure hangend in hoger beroep - toepasselijkheid art. 301 §4 B.W. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-04-2007 - 42 §2, 1° lid Wet - 27-04-2007 - 42 §2, 2° lid oud Burgerlijk Wetboek - 301 §4 Tekst van de beslissing 2006/AR/1258 in de zaak van: DGE, gepensioneerde, wonende te ........ appellante, hebbende als raadsman mr. SCHWAGTEN Werenfried, advocaat te 2650 EDEGEM, Hovestraat 28 tegen: CJ, ambtenaar, wonende te......., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN DER JEUGHT Stefan, advocaat te 9400 NINOVE, Stationsstraat 48, werden in openbare terechtzitting partijen gehoord in hun middelen en besluiten, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. De overgelegde overtuigingsstukken en het dossier van de rechtspleging, omvattende inzonderheid: - het dossier van de rechtspleging van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, waaronder het bestreden vonnis van de 3e kamer van deze rechtbank d.d. 16 maart 2006, gekend onder A.R. 04/2411/A; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 16 mei 2006; werden ingezien. HET HOF WIJST VOLGEND ARREST.
- Middels het bestreden vonnis werd(en): - recht doende op de hoofdvordering resp. de nevenvorderingen van appellante: • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken op grond van artikel 229 (oud) B.W. en op grond van artikel 231 (oud) B.W., dit in het voordeel van appellante; • gezegd dat nadat de echtscheiding tussen partijen werd voltrokken, door het ambt van notaris Evenepoel Ingrid, met standplaats te Ninove, als minuuthouder, en door het ambt van notaris Coppens Ph., met standplaats te Boechout, zal worden overgegaan tot de verrichtingen van vereffening en verdeling van het ontbonden huwelijksstelsel, waarbij: - notaris Pieters Michaël, met standplaats te Ninove, werd aangesteld met de opdracht zoals voorzien in artikel 1209, lid 3 Ger.W.. - werd verstaan dat, in geval partijen het niet eens zijn omtrent de vereffening, er zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 1219 § 2 Ger.W.; • de vordering tot het bekomen van een onderhoudsuitkering ex artikel 301 (oud) B.W. afgewezen als ongegrond; • geïntimeerde veroordeeld tot de kosten van de hoofdvordering, zoals nader begroot aan de zijde van appellante en aan de zijde van geïntimeerde; - recht doende op de tegenvordering resp. de nevenvorderingen van geïntimeerde: • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken op grond van artikel 232 lid 1 (oud) B.W., waarbij de datum der feitelijke scheiding werd bepaald op 18 mei 1993; • de vordering tot omkering van het schuldvermoeden gedeeltelijk gegrond verklaard en dienvolgens gezegd voor recht dat het voortduren van de feitelijke scheiding mede te wijten is aan appellante; • gezegd dat nadat de echtscheiding tussen partijen werd voltrokken, door het ambt van notaris Evenepoel Ingrid, met standplaats te Ninove, als minuuthouder, en door het ambt van notaris Coppens Ph., met standplaats te Boechout, zal worden overgegaan tot de verrichtingen van vereffening en verdeling van het ontbonden huwelijksstelsel, waarbij: - notaris Pieters Michaël, met standplaats te Ninove, werd aangesteld met de opdracht zoals voorzien in artikel 1209, lid 3 Ger.W.. - werd verstaan dat, in geval partijen het niet eens zijn omtrent de vereffening, er zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 1219 § 2 Ger.W.; • partijen elke tot hun eigen kosten veroordeeld, zoals nader begroot aan de zijde van appellante en aan de zijde van geïntimeerde.
- 2.a. Appellante verzoekt dat het hof haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, dienvolgens het bestreden vonnis gedeeltelijk teniet doet (in zoverre hiertegen beperkt hoger beroep werd ingesteld) en opnieuw recht doende: - de initiële vordering van geïntimeerde tot omkering van het schuldvermoeden ongegrond verklaart en dienvolgens hem hiervan afwijst; - geïntimeerde: • in hoofdorde veroordeelt in betaling aan haar van een uitkering na echtscheiding ten bedrage van 818,05 euro per maand, gekoppeld aan de index der kleinhandelsprijzen, betaalbaar op voorhand; • minstens veroordeelt in betaling aan haar van een provisionele uitkering na echtscheiding ten bedrage van 650,00 euro per maand, alsook hem veroordeelt in toepassing van artikel 871 Ger.W. tot overlegging van zijn huidige inkomstenstukken, nl. de aanslagbiljetten inzake de inkomsten over de jaren 2003 en 2004, evenals zijn fiche 281.10 over 2004 en 2005, alsmede al zijn bankattesten inzake spaargelden, waardepapieren, ... in binnen- en buitenland; - haar machtigt om bij gebreke aan vrijwillige betaling binnen de 5 dagen na iedere vervaldag de onderhoudsuitkering rechtstreeks in ontvangst te nemen bij iedere werkgever en/of derde schuldenaar van geïntimeerde. Tevens verzoekt zij dat het hof geïntimeerde veroordeelt tot de gerechtskosten, die zij aan haar zijde begroot op de kosten van beide instanties. 2.b. Geïntimeerde concludeert tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep. Uiterst subsidiair en voor zoveel als nodig verzoekt hij het hof hem voorbehoud te verlenen om nader te concluderen wat betreft de onderhoudsuitkering na echtscheiding. Tevens stelt hij incidenteel hoger beroep in tegen het bestreden vonnis en verzoekt hij dat het hof voor recht zegt dat appellante aan de oorzaak ligt, minstens mede aan de oorzaak, van het ontstaan en het voortduren van de feitelijke scheiding, en dit op grond van de door hem aangehaalde grieven. Tenslotte verzoekt hij dat het hof appellante veroordeelt tot de kosten van de geding, die hij aan zijn zijde begroot op de kosten van deze instantie.
- Het hoger beroep van appellante is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren. Door geïntimeerde werd tevens in regelmatige vorm incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook dit incidenteel hoger beroep is ontvankelijk te verklaren.
- 4.a. Wat betreft de impact van de wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht (B.S. 7 juni 2007) op onderhavige procedure dient gesteld dat in alle procedures tot echtscheiding op grond van fout en tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding ingeleid vóór 1 september 2007 de oude echtscheidingsgronden overspel (oud artikel 229 B.W.), gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen (oud artikel 231 B.W.) en feitelijke scheiding van minstens twee jaar (oud artikel 232 B.W.) van toepassing blijven. Deze echtscheidingsprocedures worden dus nog volledig afgehandeld volgens de oude echtscheidingswetgeving (zie artikel 42, § 2, 1ste lid W. 27 april 2007). Deze overgangsbepaling geldt naar het oordeel van het hof niet enkel voor de procedures in eerste aanleg, doch ook voor de procedures in hoger beroep en dit ongeacht het ogenblik waarop het hoger beroep wordt aangetekend, hetzij vóór, hetzij nà 1 september
- De tekst van de wet laat geen beperking tot de procedures in eerste aanleg toe en maakt geen onderscheid tussen hogere beroepen aangetekend vóór of nà 1 september
- Eén en ander heeft in onderhavige procedure tot gevolg dat de aan het hof ter beoordeling staande echtscheidingsvorderingen worden berecht op de oude echtscheidingsgronden, wijl eveneens de oude procedureregelen van het gerechtelijk wetboek op deze vorderingen toepasselijk blijven. Wat dit laatste betreft wijst het hof er op dat krachtens artikel 21 van de wet van 27 april 2007 het opschrift van afdeling I, boek IV, hoofdstuk XI, van het vierde deel van het gerechtelijk wetboek werd vervangen als volgt: "De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting". De bepalingen van voormelde afdeling kunnen dan ook geen toepassing vinden op de echtscheidingsprocedure die overeenkomstig de overgangsregeling voorzien in artikel 45, §2, 1ste lid van de wet van 27 april 2007 onder de oude echtscheidingswetgeving dient afgehandeld te worden. 4.b. Tevens merkt het hof op dat in alle gevallen waarin de echtscheidingsprocedure werd ingeleid uiterlijk op 31 augustus 2007 op grond van fout of op grond van twee jaar feitelijke scheiding, het recht op een onderhoudsuitkering na echtscheiding bepaald blijft op basis van de oude artikelen 301, 306, 307 en 307bis B.W., zowel wat betreft het gerechtigd zijn op onderhoudsuitkering na echtscheiding als wat betreft de omvang en de modaliteiten van deze onderhoudsuitkering na echtscheiding (zie art. 42, § 2, 2de lid W. 27 april 2007). Wel is het zo dat het nieuw artikel 301 § 4 B.W. (gewijzigd door artikel 7 W. 27 april 2007) op basis van de uitdrukkelijke overgangsbepalingen van toepassing is: - zowel op de onderhoudsuitkering na echtscheiding vastgesteld door een vonnis of arrest dat voorafgaat aan 1 september 2007 (artikel 42, § 5, 1e lid W. 27 april 2007); - als op de onderhoudsuitkering op basis van de oude artikelen 301, 306, 307 en 307 bis B.W., vastgesteld door een vonnis of arrest na 1 september 2007 (artikel 42, § 2, 2e lid W. 27 april 2007).
- 5.a. Gelet op het beperkt principaal hoger beroep en het beperkt incidenteel hoger beroep staan enkel: - de vordering van geïntimeerde tot omkering dan wel relativering van het schuldvermoeden van artikel 306 (oud) B.W.; - voor zover voormelde vordering ongegrond zou worden verklaard, de vordering van appellante tot het bekomen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding; - de beslissing van de eerste rechter omtrent de gerechtskosten; ter beoordeling van het hof. 5.b. Krachtens artikel 306 (oud) B.W. wordt, enkel voor de toepassing van de oude artikelen 299, 300 en 301 B.W., de echtgenoot die de echtscheiding verkrijgt op grond van artikel 232, 1e lid (oud) B.W., geacht de echtgenoot te zijn tegen wie de echtscheiding is uitgesproken, met dien verstande dat de rechtbank er anders kan over beslissen indien de eisende echtgenoot het bewijs levert dat de feitelijke scheiding te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van de andere echtgenoot. Uit de termen van artikel 306, in fine (oud) B.W. mag evenwel niet afgeleid worden dat geïntimeerde alleen maar zou mogen bewijzen dat de feitelijke scheiding uitsluitend aan de fouten en tekortkomingen van appellante te wijten is. Het doen erkennen dat appellante de enige verantwoordelijke is voor het ontstaan en voortduren van de scheiding vereist een dubbel bewijs. Het doen aanvaarden dat appellante mede verantwoordelijk is voor het ontstaan of het voortduren van de feitelijke scheiding vereist slechts één van de twee bewijzen. M.a.w. beschikt overeenkomstig artikel 306 (oud) B.W. de eiser in echtscheiding die het schuldvermoeden wenst te weerleggen in principe over twee mogelijkheden: - hij kan het bewijs leveren dat zowel het ontstaan als het voortduren van de feitelijke scheiding uitsluitend te wijten zijn aan de fouten en tekortkomingen van de verweerder in echtscheiding; indien hij daar in slaagt wordt de echtscheiding geacht uitsluitend tegen de verwerende echtgenoot te zijn uitgesproken (volledige weerlegging of omkering van het schuldvermoeden); - hij kan het bewijs leveren dat het ontstaan en/of het voortduren van de feitelijke scheiding minstens gedeeltelijk te wijten zijn aan de fouten en tekortkomingen van de verweerder in echtscheiding; indien hij daar in slaagt wordt de echtscheiding geacht tegen elk van beide echtgenoten te zijn uitgesproken (gedeeltelijke weerlegging of relativering van het schuldvermoeden). Gezien middels het bestreden vonnis de echtscheiding op hoofdvordering van appellante op grond van artikel 229 (oud) en 231 (oud) B.W. in het nadeel van geïntimeerde werd uitgesproken én zulks in deze instantie niet wordt bestreden, staat de mogelijkheid van een volledige weerlegging c.q. omkering van het schuldvermoeden niet open voor geïntimeerde. Enkel kan het schuldvermoeden nog gedeeltelijk weerlegd worden. 5.c. Geïntimeerde beroept zich, net zoals voor de eerste rechter, op 4 feiten ter (gedeeltelijke) weerlegging van het schuldvermoeden, m.n. het feit dat appellante: - van eind 1992 tot Pasen 1993 een affiche aan de zijdeur van de echtelijke woning hing met als opschrift "....... - zeer slordig was en schromelijk tekort kwam in haar normale huishoudelijke taken; - zeer weinig met hem communiceerde en zij dit op een nogal dominante wijze deed; - éénzijdig de echtelijke woning te koop stelde. Behoudens het laatste feit dat zich situeerde in de loop van 1996, dateren alle feiten van vóór de feitelijke scheiding van partijen, derwijze dat: - de eerste drie ingeroepen feiten enkel dienstig kunnen zijn voor het bewijs dat het ontstaan van de feitelijke scheiding minstens gedeeltelijk te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van appellante; - terwijl het laatste feit enkel dienstig kan zijn dat voor het bewijs dat het voortduren van de feitelijke scheiding minstens gedeeltelijk te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van appellante. Ter relativering van het schuldvermoeden beroept geïntimeerde zich onder meer op het getuigenverhoor dat in uitvoering van het niet bestreden tussenvonnis van de eerste rechter d.d. 7 september 1995 werd gehouden voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Dit getuigenverhoor greep plaats in het kader van de door geïntimeerde oorspronkelijk gestelde tegeneis tot echtscheiding op grond van artikel 231 (oud) B.W. [die na het getuigenverhoor door hem werd omgezet in een echtscheidingsvordering op grond van artikel 232, 1e lid (oud) B.W.]. Gezien het vermoeden "juris tantum" van artikel 306 (oud) B.W. kan worden weerlegd door alle middelen van recht, kan geïntimeerde zich hiervoor inderdaad steunen op de elementen van het getuigenverhoor, gehouden in het kader van zijn initiële echtscheidingsvordering op grond van artikel 231 (oud) B.W.. Omtrent voormelde ter gedeeltelijke weerlegging van het schuldvermoeden ingeroepen feiten vermag het hof het volgende te stellen. a. Het ophangen van een affiche van eind 1992 tot Pasen 1993 aan de zijdeur van de echtelijke woning met als opschrift ..... De eerste rechter overwoog desbetreffend: "Onder zijn stuk 2 toont eiser op tegeneis wel aan dat de affiche met zijn omschrijving als .... inderdaad aan de deur heeft gehangen, goed zichtbaar voor iedereen zodat het inderdaad aannemelijk is dat eiser op tegeneis zich hierdoor beledigd voelde.". Voormeld stuk 2 van geïntimeerde betreft een foto van een glazen deur waaraan een fotoaffiche (of fotoposter) hangt met een titel: ... waarbij het woord vader met een stift werd doorgehaald en vervangen door het woord "....". De enige getuige die naar aanleiding van het getuigenverhoor hieromtrent een getuigenis aflegde was ND. In zijn getuigenverklaring d.d. 12 juni 1996 verklaarde hij: "Mij is enkel bekend dat aan de zijdeur van de woning van partijen op een bepaald ogenblik een opschrift hing .... Ik heb dit eenmaal gezien. Het was een algemeen gerucht en ook algemeen geweten dat partijen naast mekaar leefden." Het feit dat deze fotoaffiche aan de zijdeur van de echtelijke woning van partijen was opgehangen kan aldus niet ernstig betwist worden. Het standpunt van appellante dat geïntimeerde mogelijks de affiche zelf zou opgehangen hebben op een ogenblik dat zij reeds de woning had verlaten kan niet worden onderschreven, aangezien ND het feit dat hij deze affiche zag hangen in zijn verklaring koppelde aan de omstandigheid dat het een algemeen gerucht was en ook algemeen geweten dat partijen naast mekaar leefden. Anderzijds zijn er met betrekking tot dit feit wel een aantal inconsequenties vast te stellen bij geïntimeerde m.n.: - de omstandigheid dat geïntimeerde al in zijn 1e grief tot echtscheiding vooropstelde dat de bewuste affiche aan de voordeur zou zijn opgehangen en hij (spijts de getuigenverklaring van ND waarin gesteld werd dat het de zijdeur betrof) in conclusies voor de eerste rechter na het getuigenverhoor vooropstelde dat hij door het feit dat deze affiche aan de voordeur hing en de postbode, alle bezoekers en voorbijgangers hiermede geconfronteerd werden, hij door appellante aldus op een openlijke en schandelijke manier werd beklad en aldus hierdoor zwaar beledigd werd; - het feit dat het eigenaardig, zoniet ongeloofwaardig, voorkomt dat geïntimeerde deze affiche, waardoor hij zich naar eigen zeggen zwaar beledigd voelde, zomaar zou hebben laten hangen in een periode van eind 1992 tot Pasen
- Los hiervan dient evenwel tevens vastgesteld te worden dat appellante ten stelligste ontkent dat zij deze affiche aan de zijdeur zou hebben opgehangen. Noch uit de getuigenverklaring van ND noch uit enig ander stuk blijkt met rechtens vereiste zekerheid dat het inderdaad appellante was die deze affiche zou opgehangen hebben. In die omstandigheden dient het hof dan ook te besluiten dat het eerste feit ter gedeeltelijke weerlegging van het schuldvermoeden niet bewezen voorkomt. b. Het feit dat appellante zeer slordig was en schromelijk tekort kwam in haar normale huishoudelijke taken. Geïntimeerde laat gelden dat het voor hem onmogelijk was om op een normale wijze mensen in de echtelijke woning te ontvangen, gezien de manifeste rommel en het flagrant gebrek aan elementaire netheid, en dat dit feit (mede) aan de oorzaak ligt van het ontstaan van de feitelijke scheiding. Hij verwijst hiervoor (enkel) naar de door hem voorgelegde foto's (stuk 3 geïntimeerde). Afgezien van de omstandigheid dat het in een huwelijksrelatie aan beide partijen behoort om in te staan voor de huishoudelijke taken en hieromtrent passende afspraken dienen gemaakt te worden, geven deze foto's, waarvan niet wordt aangetoond op welk ogenblik en in welke omstandigheden deze werden genomen, naar het oordeel van het hof geenszins blijk van een manifeste rommel of gebrek aan elementaire netheid in hoofde van appellante. Daarenboven dient vastgesteld te worden dat bepaalde getuigen, door geïntimeerde zelf opgeroepen voor het rechtstreeks verhoor op tegenvordering, verklaarden dat de woning van partijen er netjes bij lag. Het hof verwijst o.m. naar de verklaring van OMJ en AW. Ook naar aanleiding van het tegengetuigenverhoor hebben diverse getuigen verklaard dat de woning er normaal bij lag en geen slordige indruk gaf o.a. HVDME, VDHR, AM, DVC, VTS, VM en NH. De pertinente overwegingen van de eerste rechter dienaangaande op pagina 6 van het bestreden vonnis dienen dan ook te worden bijgetreden. Dit door geïntimeerde ingeroepen feit ter gedeeltelijke weerlegging van het schuldvermoeden is dus evenmin bewezen. c. Het feit dat appellante zeer weinig met geïntimeerde communiceerde en zij dit op een nogal dominante wijze deed. De voorgelegde stukken tonen aan dat appellante communiceerde met geïntimeerde op een wijze die niet binnen een normale huwelijksrelatie kadert. Appellante bracht haar "boodschappen" over aan geïntimeerde op de achterkant van omslagen van radiografieën (stuk 4 geïntimeerde), op papier met een formaat van 1,5 m lengte en 0,5 m breedte (stuk 4'' geïntimeerde) of op de achterkant van een affiche van 60 cm lengte op 40 cm breedte (stuk 4' geïntimeerde). Zij gebruikte daarbij een abnormaal groot handschrift waarbij, naast een aantal "mededelingen" of "opmerkingen" omtrent de kinderen van partijen, appellante een aantal verwijten formuleerde aan het adres van geïntimeerde, alsook eerder cynische of ongepaste opmerkingen neerschreef zoals: - "Ga maar bij Viviane slapen op dit uur" (stuk 4 geïntimeerde); - "Nog iets: is er boven inspectie gekomen op de kamers?" (stuk 4' geïntimeerde); - "Diede en Jef kunnen beter bij Viviane blijven slapen. 't Is de moeite niet meer om naar huis te gaan en bovendien ben ik nog eens slecht gezind" (stuk 4'' geïntimeerde). Getuige ND verklaarde tevens dat op een avond hij was weggeweest met geïntimeerde en de zoon van partijen naar een film in Brussel en toen hij terug aan de woning van partijen kwam onder de ruitenwisser van zijn wagen een groot stuk behangpapier bleek te zitten met het geschrift van appellante. Dit bleek (eens te meer) een "boodschap" te zijn van appellante. De bewering van appellante dat: - zij genoodzaakt was op die wijze met geïntimeerde te communiceren, gelet op diens uithuizigheid en diens frequent laat in de nacht thuis komen; - geïntimeerde niet toeliet op een normale wijze met hem te communiceren; blijkt uit niets. Tevens dient gesteld dat het feit dat geïntimeerde zich denigrerend zou hebben opgesteld opzichtens appellante of dat geïntimeerde zelf middels briefjes zou hebben gecommuniceerd, geen rechtvaardiging kan uitmaken om zelf op een dergelijke wijze met geïntimeerde te communiceren, temeer daar inzake echtscheiding de compensatie van grieven niet is toegelaten. Waar het door geïntimeerde aangehaald en bewezen feit op zichzelf misschien niet voldoende is om te gewagen van een grove belediging in de zin van artikel 231 (oud) B.W., is zulks wel afdoende om aan te tonen dat het ontstaan van de feitelijke scheiding van partijen mede te wijten is aan het gedrag én de houding van appellante. Het behoort niet tot een normale huwelijksrelatie om na ongeveer 25 jaar huwelijk het noodzakelijk te vinden tijdens het samenleven in de echtelijke woning via ostentatieve mega-affiches in "koeien van letters" instructies te geven of verwijten te maken aan een echtgenoot. d. Het feit dat appellante éénzijdig de echtelijke woning te koop stelde. Geïntimeerde laat gelden dat appellante zonder zijn toestemming, en zelfs zonder hem daarvan in kennis te stellen, de echtelijke woning te koop stelde en daarvoor publiciteit liet maken. Hij verwijst hiervoor naar de advertenties in het Gouden Blad .... van .... en ...... (stuk 5 en 6 geïntimeerde). Deze advertenties omschrijven de echtelijke woning zonder evenwel het adres op te geven en het telefoonnummer van appellante werd vermeld als het nummer waarop de geïnteresseerde kopers informatie konden verkrijgen. Waar er geen schriftelijk akkoord tussen partijen voorligt met betrekking tot het te koop stellen van de echtelijke woning tijdens de echtscheidingsprocedure dient evenwel vastgesteld te worden dat geïntimeerde middels fax d.d. 9 september 1996 (stuk 20 appellante) o.m. aan appellante te kennen gaf: "(...)
- ik kan mij deze avond niet vrijmaken wegens mijn drukke agenda; beter ware een dag af te spreken tijdens een weekeinde voor zover er zinnige zaken kunnen besproken worden; in verband met mogelijke kopers kan je hen vragen met mij contact op te nemen om een bezoek af te spreken, enkel tijdens het weekeinde.". Er mag dus aangenomen worden dat er wel degelijk een consensus bestond tussen partijen om de echtelijke woning te koop te stellen, zoniet zou geïntimeerde op dat ogenblik niet aan appellante verzocht hebben om mogelijke kopers te vragen met hem contact op te nemen om een bezoek af te spreken tijdens de weekends. De ontkenning van het eigen faxbericht door geïntimeerde in zijn schrijven d.d. 20 september 1996 (stuk 21 a appellante) is dan ook weinig ernstig te noemen. In die omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat dit ter gedeeltelijke weerlegging van het schuldvermoeden ingeroepen feit niet naar genoegen van recht is bewezen. Besluitend kan worden gesteld dat enkel het derde door geïntimeerde ingeroepen feit op afdoende wijze is bewezen en zulks volstaat om aan te nemen dat het ontstaan van de feitelijke scheiding van partijen mede te wijten is aan het gedrag én de houding van appellante. Het bestreden vonnis dient dan ook bevestigd te worden, met dien verstande dat in deze instantie wordt geoordeeld dat het boven weerhouden feit c in hoofde van appellante mede aan de oorzaak ligt van de feitelijke scheiding van partijen, zodat op deze wijze de vordering tot gedeeltelijke weerlegging c.q. relativering van het schuldvermoeden van artikel 306 (oud) B.W. gegrond is. 5.d. Gezien enkel de volkomen "onschuldige" echtgenoot aanspraak kan maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding oordeelde de eerste rechter terecht dat de vordering van appellante tot het bekomen van onderhoudsuitkering als ongegrond diende te worden afgewezen. 5.e. De eerste rechter oordeelde tevens op een passende wijze over de gerechtskosten, zodat er geen redenen zijn om dienaangaande het bestreden vonnis te hervormen.
- Onder toepassing van artikel 1017, lid 1 Ger.W. dient appellante verwezen te worden in de kosten van huidige instantie, zoals hieronder nader begroot aan de zijde van geïntimeerde. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Bevestigt binnen de perken van de hogere beroepen op anders luidende gronden het bestreden vonnis, met dien verstande dat in deze instantie wordt geoordeeld dat het weerhouden feit c in hoofde van appellante mede aan de oorzaak ligt van de feitelijke scheiding van partijen, zodat op deze wijze de vordering tot gedeeltelijke weerlegging c.q. relativering van het schuldvermoeden van artikel 306 (oud) B.W. gegrond dient te worden verklaard. Verwijst appellante in de kosten van deze instantie en begroot deze aan de zijde van geïntimeerde op 485,87 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: S. DE BAUW, raadsheer-wnd. voorzitter, A. DEENE, raadsheer, A. COLPAERT, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div