id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071203.10 Rolnummer: 2007/JZ/64 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-11-19 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 16:25 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen de persoon - Onopzettelijke doding en slagen Vrije woorden: jeugdrechtbank - m.o.f. - schadeverwekkend feit gepleegd door kinderoppas van 14 en een half jaar - verkeerde keuze - mede-aansprakelijkheid van de burgerlijke partijen voor deze verkeerde keuze - Tekst van de beslissing 15 e kamer jeugd het hof van beroep te Gent, Vijftiende kamer, recht doende in jeugdzaken, in nakoming van de wet van 8 april 1965 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
- nr. A.E.,
- nr. A.R.,
- nr. V.T., aanvankelijk gedagvaard om zich te verantwoorden ter zake van: de eerste: Te Ieper op 27 augustus 2006 Door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, onopzettelijk de dood van D.E. (geboren ...) te hebben veroorzaakt. Artikel 418-419 Sw. de tweede en de derde: Gedagvaard ten einde zich burgerlijk en hoofdelijk verantwoordelijk te horen veroordelen met zijn/haar minderjarig kind tot de betaling van de kosten van onderhavige rechtspleging, tot teruggave en tot schadevergoeding (art. 1384 BW en art. 61 wet 8 april 1965). Gedagvaard in zijn/haar hoedanigheid van onderhoudsplichtige ingevolge art. 71 van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming. allen: In voorkomend geval, indien uit de genomen maatregelen onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten zouden voortvloeien, hun bijdrage hierin te horen bepalen (art. 71 lid 1 wet 8 april 1965) ***** aan wie zich hebben gevoegd als burgerlijke partijen: D.P., en zijn echtgenote D.J., D.B., en zijn echtgenote D.P., NV DE TROMPET, allen vertegenwoordigd door Mr L. Vanryckeghem, advocaat te Ieper D.W., en zijn echtgenote P.S. vertegenwoordigd door Mr J. Houtman, advocaat te Ieper en als vrijwillig tussenkomende partijen:
- NV FIDEA, met zetel te 2018 ANTWERPEN, Van Eycklei 14 vertegenwoordigd door Mr Ch. Van Haesebrouck, advocaat te Kortrijk
- NV AXA BELGIUM, met zetel te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25 vertegenwoordigd door Mr F. Busschaert, advocaat te Kortrijk * * * Bij vonnis van de jeugdrechtbank te Ieper, d.d. 06 april 2007, recht doende op tegenspraak ten opzichte van de drie gedaagden, met inachtneming van o.a. de volgende overwegingen: " Toegepast op de specifieke persoon van de eerste gedaagde, die 14 jaar en 6 maanden was op het moment van het voorval, blijft de culpa levissima in de zin van art. 418 Sw haar toerekenbaar. Zij was immers schuldbekwaam nu zij reeds tot de jaren des onderscheids was gekomen en aldus kon beseffen wat zij deed en wat de gevolgen waren van haar handelen. ..... Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat er voor het overige geen eigen verantwoordelijkheid bij de ouders van E.D. kan gelegd worden. Daar de eerste gedaagde - die ontegensprekelijk nog relatief jong was - voordien reeds herhaaldelijk tot hun grote tevredenheid als babysit had gefungeerd, was hun handelen ingebed in een sfeer van begrijpelijk vertrouwen. ..... Verder is het kennelijk zo dat er geen formele instructie was gegeven tot het in bad stoppen van de baby. Het betrof een (ongetwijfeld welmenend) eigengereid optreden van de babysit hetwelke niet strikt noodzakelijk was voor de verzorging van het kind en evenmin per definitie tot het kerntakenpakket van een babysit behoort. ..... Het openbaar ministerie heeft qua op te leggen maatregel gevorderd dat de minderjarige overeenkomstig art. 37 §2, 1° Jeugdbeschermingswet streng zou berispt worden. Alle concrete elementen van de zaak in acht genomen, is de rechtbank evenwel van oordeel dat het leveren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut in de zin van art. 37 §2, 4° Jeugdbeschermingswet, onder de concrete vorm van een sociale vaardigheidstraining ten belope van 15 uur, een meer adequate maatregel is. ..... werd als volgt beslist: " Verklaart de tenlastelegging bewezen. Bepalen dat de eerste gedaagde een prestatie van opvoedkundige aard en/of van algemeen maatschappelijk nut in de zin van art. 37 §2, 4° van de Jeugdbeschermingswet behoort te leveren, meerbepaald onder de vorm van een alternatieve maatregel bestaande uit een sociale vaardigheidstraining ten belope van 15 uur onder toezicht van de dienst DIVAM te IEPER, Poperingseweg
- Stelt de zaak ter evaluatie van de voormelde alternatieve maatregel voor verdere behandeling op de zitting van 5 oktober 2007 te 9.30 uur. Houdt de beslissing omrent de gedingskosten in afwachting voorlopig verder aan. Op burgerlijk gebied: Stelt de eerste vrijwillig tussenkomende partij NV FIDEA buitenzake zonder kosten. Verklaart de burgerlijke partijstellingen ontvankelijk en in volgende mate gegrond. Veroordeelt A.E., A.R. en V.T. en de tweede vrijwillig tussenkomende partij NV AXA BELGIUM solidair om te betalen ten titel van schadevergoeding: · aan de eerste burgerlijke partijen D.P. en D.J.: de som van dertigduizend driehonderdzevenentwintig euro en zes cent (30.327,06 euro) ten definitieve titel uit hoofde van materiële schade (5.327,06 euro) en morele schade (25.000,00 euro), telkens meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 27 augustus 2006 (datum van de feiten) tot op heden en meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf heden tot de dag der algehele betaling. Verleent hen tevens voorbehoud om aanvullende vorderingen te stellen uitsluitend inzoverre betrekking hebbende op de kosten van vervoer ziekenwagen. · aan de tweede burgerlijke partijen D.B. en D.P. de som van drieduizend honderdentwaalf euro (3.112,00 euro) ten definitieve titel uit hoofde van materiële schade (112,00 euro) en morele schade (3.000,00 euro), telkens meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 27 augustus 2006 (datum van de feiten) tot op heden en meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf heden tot de dag der algehele betaling. · aan de derde burgerlijke partij NV DE TROMPET: de som van duizend zeshonderdzevenentachtig euro negenenzestig cent (1.687,69 euro) ten definitieve titel uit hoofde van materiële schade, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 27 augustus 2006 (datum van de feiten) tot op heden en meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf heden tot de dag der algehele betaling. · aan de vierde burgerlijke partijen D.W. en P.S.: de som van drieduizend euro (3.000,00 euro) ten definitieve titel uit hoofde van morele schade, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 27 augustus 2006 (datum van de feiten) tot op heden en meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf heden tot de dag der algehele betaling. Wijst het meergevorderde als ongegrond af. Houdt de beslissing over de burgerlijke belangen voor het overige ambtshalve aan inzoverre zij niet reeds middels huidig vonnis werden beoordeeld. Beveelt de voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis, behalve wat betreft de proceskosten en de uitgesproken veroordelingen op burgerlijk gebied. ***** Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld: · op 18.04.2007, voor en namens NV AXA BELGIUM, vrijwillig tussenkomende partij, tegen al de beschikkingen ervan · op 20.04.2007, voor en namens D.W. en P.S., burgerlijke partijen, tegen al de beschikkingen ervan · op 20.04.2007, voor en namens D.P., D.J., D.B., D.P. en NV DE TROMPET, burgerlijke partijen, tegen al de beschikkingen ervan · op 20.04.2007, voor en namens V.T., derde gedaagde, tegen al de beschikkingen ervan · op 20.04.2007, voor en namens A.E., eerste gedaagde, tegen al de beschikkingen ervan ***** Bij tussenarrest van het Hof van beroep te Gent, van deze kamer, dd. 18.06.2007, werd het volgende beslist: Ontvangt de hoger beroepen doch vooraleer verder te oordelen Beveelt dat een maatschappelijk onderzoek zal worden uitgevoerd. Daarin zal naast de algemene gegevens meer in het bijzonder moeten worden gepeild naar de persoonlijkheid van E., naar het soort opvoeding die zij krijgt, naar de betrokkenheid van de ouders van E., naar haar huidige situatie en gedrag. Tevens wordt gevraagd om te adviseren over het al of niet nodig zijn van een pedagogische maatregel en desgevallend over welke maatregel is aangewezen. Dit maatschappelijk onderzoek zal worden uitgevoerd door de Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank van Ieper. Verzoekt partijen om bij de Gezinsbond te vragen vanaf welke leeftijd jongeren daar kinderoppas kunnen doen. Verzoekt P.D. en J.D. om te melden of en welke tussenkomst het ziekenfonds heeft gedaan voor het vervoer van E. per ziekenwagen. Stelt de zaak in voortzetting op de terechtzitting van maandag 26 november 2007 om 9 uur. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Verklaart dit arrest voorlopig uitvoerbaar. * * * Werden gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands en buiten de aanwezigheid van andere minderjarigen: · NV AXA BELGIUM, vrijwillig tussenkomende partij, in haar tussenkomst en conclusie, vertegenwoordigd door Mr F. Busschaert, advocaat te Kortrijk · D.W. en P.S., burgerlijke partijen, in hun eis en conclusie, vertegenwoordigd door Mr J. Houtman, advocaat te Ieper · D.P., D.J., D.B., D.P. en NV DE TROMPET, burgerlijke partijen, in hun eis en conclusie en een dossier, vertegenwoordigd door Mr L. Vanryckeghem, advocaat te Ieper. D.P. en D.J. verschijnen tevens in persoon · V.T., derde gedaagde, in haar middelen van verdediging en conclusie en een dossier, in persoon, bijgestaan door Mr Ch. Onraet, advocaat te Ieper · A.E., eerste gedaagde, in haar middelen van verdediging en een conclusie en een dossier, in persoon, bijgestaan door Mr H. Bourry, advocaat te Staden · NV FIDEA, vrijwillig tussenkomende partij, in haar tussenkomst en een conclusie, vertegenwoordigd door Mr Deleu loco Mr Ch. Van Haesebrouck, beiden advocaat te Kortrijk · Het openbaar ministerie, in zijn mondelinge conclusie, bij monde van substituut-procureur-generaal I. t'Hooft · A.R., tweede gedaagde, in zijn middelen van verdediging, in persoon * * * De tenlastelegging is bewezen gebleven zoals de eerste rechter haar bewezen heeft verklaard. Het is immers boven elke twijfel verheven dat er in hoofde van E. een gebrek aan voorzichtigheid is geweest. Zij had de zorg over een zuigeling. Zij heeft E.D. alleen achtergelaten in een bad met 21,4 cm water. Of het zitje waarin het slachtoffertje zat nu wel of niet 100 procent veilig was, of E. E. alleen liet om kleertjes te halen dan wel om zich op de rekenaar bezig te houden, doet hier niet terzake. De dood van E. is op protectioneel vlak te wijten aan het feit dat de oppas haar alleen achterliet. Als E. zoals het woord zelf zegt op de zuigeling had gepast, zou er niets gebeurd zijn. E. was op het ogenblik van het thans geïncrimineerde feit 14 jaar en ongetwijfeld oud genoeg om te beseffen dat zij een onvoorzichtigheid beging. Materieel én moreel bestanddeel van de tenlastelegging zijn aanwezig. Er dient te worden nagegaan of en welke maatregel er nodig is. Daartoe wordt rekening gehouden met wat aan het licht is gekomen in het maatschappelijk onderzoek dat werd overgemaakt op 16 oktober
- Uit dat maatschappelijk onderzoek blijkt dat E. kind is van gescheiden ouders. Dat heeft weliswaar kwalijke gevolgen gehad voor E.. Zo werd zij door moeder voor een stuk als vriendin behandeld veeleer dan als kind. Zij moest optreden als toeverlaat voor moeder in haar moeilijke tweede huwelijk. Daardoor kreeg E. een rol toebedeeld die niet de normale rol is van een 14-jarig kind. Na de feiten is echter gebleken dat er geen problematische opvoedingssituatie aanwezig is. De band met vader werd nauwer aangehaald. En vooral: er is op blijvende wijze en op vrijwillige basis naar hulp gezocht. Die hulp duurt nog steeds voort. Het afdwingbaar optreden van de jeugdgerechten dient slechts in ondergeschikte orde te komen: het principe van de subsidiariteit. In hoc casu, in deze zaak is durende afdwingbare hulp niet nodig. Wel moet E. berispt worden. Dat zal voldoende spoorslag zijn om te beseffen dat ook vanuit de gemeenschap verwacht wordt dat de vrijwillige hulpverlening wordt verder gezet. In de jeugdbescherming is het in het algemeen zo dat het als misdrijf omschreven feit op zich niet in direct verband staat met de aard van een op te leggen maatregel. Dat algemeen principe dient ook hier toepassing te vinden. Temeer daar E. door volwassenen toegelaten werd in een rol waarvoor zij in wezen te jong was (zie de brief van de Gezinsbond waarnaar hieronder nader wordt verwezen). De kosten van de publieke vordering in eerste aanleg en in hoger beroep dienen te worden gedragen door E.. Art. 1384, 2e alinea B.W. vestigt een vermoeden juris tantum van aansprakelijkheid in hoofde van de ouders. Die verantwoordelijkheid is gevestigd op een vermoeden van fout in de opvoeding en/of het toezicht op de minderjarige. Beide fouten moeten niet samen aanwezig zijn en hoeven ook door niemand bewezen te worden. Het komt integendeel de ouder in kwestie toe het tegenbewijs te leveren en met andere woorden aan te tonen dat er geen fout in de opvoeding en het toezicht is. De ouders van E. bewijzen niet dat zij geen fouten in de opvoeding begingen. Zij zijn net zoals in eerste aanleg burgerrechtelijk aansprakelijk. Moeder haalt even aan dat zij wèl een goede opvoeding gaf. Daarin faalt zij. Zij had de materiële hoede over E. ten tijde van de feiten. Zij is de ouder die heeft toegestaan dat E. op E. ging passen. Moeder had beter moeten weten dan haar 14-jarige dochter daar toelating voor te geven. Bovendien had moeder reeds vroeger meerdere keren zo'n risicovolle toelating gegeven (zie haar eigen verklaring: stuk 24 in de map "opsporingsonderzoek"). In haar conclusie verwijst moeder ten onrechte naar het maatschappelijk verslag om haar gelijk te halen. Een maatschappelijk verslag dient niet om aansprakelijkheden te beoordelen. Over alle overtuigingsstukken wordt het beslag opgeheven. Die overtuigingsstukken worden ter beschikking gesteld van het openbaar ministerie. In verband met de aard van de uitgesproken maatregel dient geen bijdrage te worden bepaald in de kosten van uitvoering ervan. De eerste rechter oordeelde terecht dat N.V. Fidea geen dekking moet verlenen. Fidea is de gezinsverzekeraar van de echtelieden C.H. -T.V.. Het staat objectief vast dat T.V. en E.A. op het ogenblik van de feiten reeds niet meer inwoonden bij C.H.. Het koppel was namelijk uit elkaar gegaan. Net zoals de eerste rechter deed, moet ook nu vastgesteld worden dat op 15 augustus 2006 T.V. een brief schreef naar Axa Belgium. Naar aanleiding van het opzeggen van een pensioencontract meldt zij daar dat zij en haar man uit elkaar zijn. Niets wijst erop dat de echtgenoten H - V zich nadien zouden verzoend hebben. Fidea wijst terecht naar haar polisvoorwaarden. Daarin staat dat gedekt wordt de aansprakelijkheid van de samenwonende partner en elke andere inwonende persoon (in hoc casu, meer bepaald E.A., kind van T.V. uit een vorig huwelijk). Het is niet zo dat E.A. en/of T.V. tijdelijk elders verbleven zoals bedoeld in de polis van Fidea. Waar E.A. en T.V. ingeschreven waren in het bevolkingsregister doet daarbij niet terzake. Even juist meende de eerste rechter dat Axa wèl dekking moet verlenen. Axa is de gezinsverzekeraar van de ouders van T.V. namelijk J.V. en H.L.. Na de feitelijke scheiding is T.V. bij hen gaan inwonen. T.V. had weliswaar in haar voormelde brief aan Axa wel geschreven dat zij reeds op 24 augustus 2006 alleen zou wonen. Maar in de feitelijke orde is het anders gelopen. Uit stuk 27 van de map "opsporingsonderzoek" blijkt dat de verblijfplaats van E. en haar moeder op het ogenblik van de feiten nog steeds bij de grootouders langs moederszijde van E. was, in de .... in ..... Axa voert ook ten onrechte aan dat zij geen dekking moet verlenen omdat de schade veroorzaakt zou zijn binnen het kader van een overeenkomst. De schade is ontstaan buiten overeenkomst en door een delict (it est, in dit geval een als misdrijf omschreven feit). De huidige burgerrechtelijke vordering is gestoeld op de protectionele tenlastelegging die bewezen werd verklaard. De daad van E. én de aansprakelijkheid van T.V. vallen onder art. 1.2.c van de polisvoorwaarden van Axa. Zij zijn beiden bij de verzekeringnemer inwonende personen. E.A. betwist haar burgerlijke aansprakelijkheid. Zij doet dat ten onrechte. Haar wijze van handelen maakt zonder meer een fout uit. Een zuigeling van nog geen acht maanden mag onder geen enkel beding alleen gelaten worden in een bad vol water. Ook al rinkelt de telefoon. Ook al wordt er gebeld aan de voordeur. Ook al liggen de kleertjes niet klaar. Ook al wil de oppas naar de computer. Een ander aspect van dit betwisten van de aansprakelijkheid is de vraag of E. de volle aansprakelijkheid moet dragen dan wel of de ouders van het slachtoffertje medeaansprakelijk zijn. E. was ongeveer 14 en een half jaar op het ogenblik van de feiten. Zij had de nacht van 26 op 27 augustus 2006 reeds doorgebracht in de woning van de ouders van het slachtoffertje. Om 5.30 uur op 27 augustus 2006 waren de ouders van het slachtoffertje vertrokken naar een rommelmarkt in Sint-Jan. E. moest op E. passen tot de ouders terug waren van de rommelmarkt. E. had de paar maanden voor de feiten reeds een aantal keren op E. gepast. Daarbij had E. E. al eens in bad gestopt. De ouders van E. waren daar opgekomen omdat zij vroeger thuis kwamen van de rommelmarkt. Zij hadden E. daar geen opmerking over gemaakt. Er kan alleen worden vastgesteld dat het een verkeerde keuze is om een kind van 14 en een half jaar op een zuigeling van minder dan 8 maanden te laten passen zonder dat daar iemand anders bij aanwezig is. Die mening wordt objectief bevestigd door het feit dat de Gezinsbond slechts jongeren toelaat voor kinderoppas vanaf het jaar dat ze 16 worden. In de afdeling Ieper moeten de oppassers zelfs reeds 16 jaar oud zijn (zie de brief van de Gezinsbond in het stukkendossier van T.V.). Dat E. reeds een aantal keren op E. gepast had zonder ongelukken doet daar niets van af. De risicovolle keuze van de ouders van E. is telkens opnieuw genomen. Het telkens opnieuw genomen risico verdwijnt niet omdat het niet vroeger kwalijke gevolgen heeft. Dat met een webstek op het internet wordt aangetoond dat er zelfs nog jongere kinderen kinderoppas spelen, doet daar niets van af. Dat de ouders van E. erop zouden gewezen hebben dat E. niet mocht alleen gelaten worden doet daar evenmin iets van af. Dat verandert immers allemaal niets aan de vaststelling dat het gewoon een verkeerde keuze was om een zo jonge oppas te vragen. In deze omstandigheden zijn de ouders van het slachtoffertje voor de helft aansprakelijk voor hun eigen schade. Hun eigen fout heeft hun schade voor de helft mede veroorzaakt. Voor de schade van de andere schadelijders dienen E. en haar ouders volledig zelf in te staan. Die andere schadelijders begingen immers geen eigen fout. a) De vordering van de ouders P.D.-J.D. Er is geen betwisting over de posten begrafeniskosten, factuur De Plancke, bloemen Flora, opleg ziekenhuis Jan Yperman. Het stuk 8 in het dossier van P.D. en J.D. bewijst dat er geen tussenkomst van het ziekenfonds was in het vervoer met de ziekenwagen. De post opleg ziekenhuis is gegrond. In de pijnlijke omstandigheden van deze zaak kan aangenomen worden dat de ouders van het slachtoffertje het bad en de keukentafel hebben vervangen. Er moet mee rekening gehouden worden dat noch bad noch tafel nieuw waren. Ex aequo et bono, in billijkheid kan voor beide samen een bedrag van euro 700 worden toegekend. Som van de materiële schade: 3 595,65 + 131,97 + 496,50 + 51,56 + 2,94 + 700 = 4 978,
- Wat betreft de morele schade die beide ouders leden kan in billijkheid euro 10 000 worden toegekend aan elk van de ouders. Een hogere vergoeding is niet aangewezen. Het gaat uiteindelijk om een zeer spijtig ongeval dat door niemand gewild is. Het morele leed dient op dat vlak gesitueerd te worden. De bijkomende argumenten die de ouders van E. aanhalen doen daaraan geen afbreuk. Samengevat: aan P.D. komt toe: 10 000 : 2 = euro 5 000 aan J.D. komt toe: 10 000 : 2 = euro 5 000 aan beiden samen komt toe: 4 978,62 : 2 = euro 2 489,31 b) De vordering van B.D. - P.D. E. werd begraven in een grafkelder met grafzerk van haar overgrootouders langs moederszijde. Het zijn die mensen, de echtelieden R.D.-C.C. die de concessie en de grafkelder en de zerk betaald hebben. Het komt hen toe om daaromtrent een eventuele eis te stellen. De eerste rechter dient eveneens gevolgd te worden waar hij stelde dat de vlucht van L.D. en diens partner vanuit Canada geen schade uitmaakt in hoofde van de huidige burgerlijke partijen. De gedenksteen vormt een terechte uitgave. Waar het hier over gaat is een eigen gedenksteen van de grootouders, niet de gedenksteen van de ouders van het slachtoffertje. Er is geen reden om meer toe te kennen dan een morele schadevergoeding van euro 1 250 per persoon. Ook hier betreft het hetzelfde spijtige ongeval dat door niemand gewild werd. De argumenten die de burgerlijke partijen aanhalen doen daaraan geen afbreuk. Samengevat: aan B.D. komt toe: euro 1 250 aan P.D. komt toe: euro 1 250 aan beiden samen komt toe: euro 112 c) De vordering van W.D. en S.P. Om dezelfde reden als hierboven kan ook aan de grootouders langs vaderszijde slechts euro 1 250 per grootouder toegekend worden. d) De vordering van N.V. De Trompet De eerste rechter redeneerde zeer terecht dat er menselijkerwijze moet van uitgegaan worden dat de uitbating gedurende drie dagen werd stopgezet. De uitbaters zijn de grootouders langs moederszijde van het slachtoffertje. Hun dochter J.D. werkt nu en dan mee in de zaak. In deze omstandigheden kan van de uitbaters niet verwacht worden dat zij op slag een vervanger voor de uitbating vonden. Nog veel minder kan verwacht worden dat zij zelf staande bleven om de zaak open te houden. Het gevraagde bedrag van drie maal euro 500 als geschat inkomstenverlies in volle toeristisch seizoen op de ... in .... moet worden toegekend. Zoals de eerste rechter stelde lijdt de werkgever die het loon moet doorbetalen aan een arbeidsongeschikt personeelslid een eigen schade. Die schade moet vergoed worden door wie ze veroorzaakte of ervoor burgerlijk aansprakelijk is. Het maakt daarbij niet uit dat de betrokken werknemer mede burgerlijk aansprakelijk is voor deze schade. Samengevat komt aan deze burgerlijke partij toe: 1 500 + 187,69 = euro 1 687,
- OM DEZE REDENEN HET HOF, op tegenspraak, Gelet op Art. 24 Wet 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken Art. 162 - 190 - 211 Sv De door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen Al deze wetsbepalingen ter zitting van heden voorgebracht door de voorzitter, Ontvangt het incidenteel beroep van de consorten D.-D., de consorten D.-D. en N.V. De Trompet. Bevestigt het bestreden vonnis waar de tenlastelegging bewezen werd verklaard, waar T.V. en R.A. burgerlijk aansprakelijk werden verklaard, waar werd vastgesteld dat er geen aanleiding is om een bijdrage te bepalen in het uitvoeren van de maatregel, waar N.V. Fidea buiten de zaak werd gesteld, waar werd geoordeeld over de schade-eis van N.V. De Trompet. Doet het bestreden vonnis teniet op het punt van de maatregel en opnieuw wijzende: Berispt E.A. Heft het beslag op over alle overtuigingstukken. Stelt die stukken ter beschikking van de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep van Gent Bevestigt het bestreden vonnis waar het oordeelde over de schade-eis van P.D. en J.D. met dien verstande dat de hoofdsom wordt teruggebracht tot euro 12 489,
- Bevestigt het bestreden vonnis waar het oordeelde over de schade-eis van B.D. en P.D. met dien verstande dat de hoofdsom wordt teruggebracht tot euro 2
- Bevestigt het bestreden vonnis waar het oordeelde over de schade-eis van W.D. en S.P. met dien verstande dat de hoofdsom wordt teruggebracht tot euro 2
- Veroordeelt E.A., R.A. en T.V. hoofdelijk tot de kosten van de publieke vordering in hoger beroep. Aan de zijde van het openbaar ministerie worden deze kosten begroot op euro 362,
- Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div