← België

ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071224.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2007:ARR.20071224.1 Rolnummer: 2006/AR/635 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-01-08 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 16:33 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid: gemeenschappelijke bepalingen - Oprichting - Oprichtersaansprakelijkheid Vrije woorden: De hoofdelijke en ondeelbare aansprakelijkheid van de oprichters van een CVOA betreft de schulden van de vennootschap en niet de inschrijving en volstorting van het vast gedeelte van het kapitaal dat vastgelegd werd bij de oprichting van de vennootchap Tekst van de beslissing Nr. 2006/AR/635 ---------------------- in de zaak van : Mr. S.K., optredende in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van de C.A., appellante q.q., in persoon verschijnende, tegen

  1. D.D.L., eerste geïntimeerde, welke niet verschijnt ter terechtzitting van 19.11.2007, noch iemand voor hem,
  2. J.H., tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Edward Daneels, advocaat met kantoor te 9040 Gent (Sint-Amandsberg), Maalderijstraat 4,
  3. P.T., derde geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Rik Crivits, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Ezelstraat 25,
  4. M.V.G., vierde geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Hans Spriet, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Maria van Bourgondiëlaan 29/8,
  5. I.G., vijfde geïntimeerde, welke niet verschijnt ter terechtzitting van 19.11.2007, noch iemand voor hem, velt het Hof volgend arrest : I . Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
  6. Bestreden beslissing: het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, zesde kamer (03/2724/A) van 15 december
  7. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 15 maart
  8. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak, behalve tegenover de heren G.I. en D.L.D. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
  9. De overblijvende betwisting betreft de vraag naar de aansprakelijkheid van geïntimeerden voor de volstorting van het kapitaal van de CVOA na het faillissement ervan.
  10. 4.
  11. De coöperatieve vennootschap met onbeperkte en hoofdelijke aansprakelijkheid A. wordt opgericht bij akte van 21 mei 1999, die neergelegd wordt op de griffie op 12 juli
  12. De publicatie in het Belgisch Staatsblad gebeurt op 24 juli
  13. De oprichters zijn de heren G. en D.L., die verstek laten gaan, en de heren H. en T., tweede en derde geïntimeerden. G. en D.L. werden aangesteld als bestuurders van de vennootschap, onmiddellijk na de oprichting. Artikel 5 van de oprichtingsakte bepaalt dat het minimumkapitaal niet minder mag bedragen dan 200.000 BEF ( euro 4.957,87). Dit bedrag moest gestort worden tegen ten laatste 30 juni
  14. G. tekende in op 170 aandelen aan euro 24,79 per aandeel, de drie overige oprichters elk op 10 aandelen, tegen dezelfde waarde. Artikel 7 schrijft voor dat de vennoten hoofdelijk en onbeperkt verbonden zijn, nadat ze de overeenkomst getekend hebben met "goed voor hoofdelijke en onbeperkte verbintenis", wat door allen gedaan werd. 4.
  15. Op 10 september 1999 bevestigen de bestuurders G. en D.L. dat: - zij kennis gekregen hebben van de aanvraag tot uittreding van T.; - dit verzoek conform is met de wet en de statuten; - de uittreding aanvaard is per 9 september
  16. Zij schrijven nog "gezien u uw scheidingsaandeel nog niet heeft volstort, is de vennootschap u niets meer verschuldigd". Dit ontslag wordt pas op 18 augustus 2001 in de Bijlagen bij het Staatsblad gepubliceerd. 4.
  17. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent van 13 juni 2002 wordt de CVOA failliet verklaard en appellante q.q. als curator aangesteld. Zij stelt de heren H., D.L. en T. als vennoten in gebreke bij brief van 18 juli
  18. Er is geen boekhouding voorhanden. Een jaarrekening werd nooit neergelegd.
  19. De eerste rechter wees de vordering tot volstorting van het kapitaal als ongegrond af, in hoofdzaak af, omdat de curator niet aantoont dat het statutair minimumkapitaal niet volstort werd. III . Grieven
  20. De curator, die een beperkt hoger beroep instelt, werpt als grieven op dat de eerste rechter ten onrechte oordeelde dat: - de bewijslast dat het kapitaal niet volstort is op de curator rust; - de kosten van de dagvaardingskosten van tweede en derde geïntimeerden en de kosten van vierde geïntimeerde ten laste van de curator dienen gelegd te worden.
  21. Tweede en derde geïntimeerde stellen incidenteel hoger beroep in en vorderen de vrijwaring door eerste en vijfde geïntimeerde in geval zij veroordeeld worden tot volstorting. Derde geïntimeerde vordert verder het incidenteel beroep van vierde geïntimeerde, M.V.G., niet toelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren.
  22. Vierde geïntimeerde stelt incidenteel hoger beroep in en vordert zijn kosten ten laste te leggen van P.T., derde geïntimeerde. Subsidiair vordert hij het bestreden vonnis te bevestigen. IV. Beoordeling De bewijslast met betrekking tot de volstorting van het kapitaal
  23. Op grond van artikel 1315, tweede lid B.W. berust de bewijslast tot de volstorting van het kapitaal bij de oprichters. De curator is niet gehouden het negatieve te bewijzen. De geïntimeerden tonen niet aan dat het kapitaal ten bedrage van minstens euro 4.957,87 volstort werd. Zij betwisten zelfs niet dat het niet volstort werd. De vordering tot volstorting tegen H.
  24. In graad van beroep vordert de curator niets meer tegen I.G.. Geïntimeerde H. werpt op dat hij hooguit gehouden kan zijn tot betaling van de 10 aandelen waarop hij intekende. De hoofdelijkheid en onbeperktheid waartoe hij zich verbond, strekt zich volgens hem niet uit tot het volledige minimumkapitaal. Artikel 22, lid 1 Wb. Venn. schrijft voor dat ieder vennoot aan de vennootschap verschuldigd is hetgeen hij beloofd heeft daarin te zullen inbrengen. Artikel 352, tweede lid Wb. Venn. bepaalt dat de vennoten van de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap. De schulden van de vennootschap zijn iets anders de inbreng van een oprichter. Artikel 405 Wb. Venn. bepaalt (onder meer) dat de oprichters hoofdelijk jegens de belanghebbenden gehouden zijn voor het kapitaal waarop is ingeschreven, maar dat niet volstort werd. Dit artikel geldt enkel voor de CVBA en is niet van toepassing op de CVOA. Uit de afwezigheid van een dergelijke bepaling blijkt dat de wetgever dit niet gewild heeft. Dit is ook logisch. In geval oprichters en vennoten hun aansprakelijkheid beperken, dient het kapitaal van de vennootschap als waarborg voor de schulden van de vennootschap ten opzichte van derden. In deze zaak is er hoofdelijke en ondeelbare aansprakelijkheid voor de schulden van de vennootschap, zodat de waarborg en buffer van het minimumkapitaal niet vereist is. Uit het voorgaande blijkt dat er geen wettelijke basis is om de oprichters van de CVOA hoofdelijk en ondeelbaar aansprakelijk te stellen voor het onveranderlijke kapitaal van de vennootschap, waartoe beslist werd bij de oprichting. Bijgevolg dient elke inrichter veroordeeld te worden tot het betalen van de inbreng waartoe hij of zij zich statutair verbonden heeft. Ook de statuten leveren geen rechtsgrond om te oordelen dat elkeen hoofdelijk aansprakelijk kan gesteld worden voor de volstorting van het vast gedeelte van het kapitaal. Daarin kwamen de oprichters overeen dat zij zich "onvoorwaardelijk verbonden tot nagemelde inbreng en wel als volgt", waarna opgesomd wordt dat I.G. zich verbindt tot 170 aandelen van 1.000 BEF en D.D.L., J.H. en P.T. elk 10 aandelen, ook aan 1.000 BEF. De ondertekening op het laatste blad, voorafgegaan door "goed voor hoofdelijke en onbeperkte verbintenis", wijzigt niets aan deze afspraak met betrekking tot de inbreng in het vast gedeelte van het kapitaal. Het slaat op het feit dat de oprichters aanvaard hebben een CVOA op te richten. Op grond van het voorgaande wordt J.H. veroordeeld om euro 247,89 te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 15 mei tot aan de algehele betaling. De vordering tot volstorting tegen T.
  25. Deze partij werpt op dat hij onmiddellijk na de oprichting aan de overige oprichters meegedeeld dat hij afzag van zijn deelname aan het project. Dit werd ook enkele maanden later bevestigd door de raad van bestuur (zie feitelijke uiteenzetting). Deze brief is geen dading, nu een dading wederzijdse toegevingen impliceert, wat hier niet gebeurd is. De vraag rijst of dit voldoende is om de vordering tegen P.T. ongegrond te verklaren. Zowel artikel 367 Wb. Venn. als artikel 7 van de statuten bepalen dat het recht om uit te treden enkel mag uitgeoefend worden in de eerste 6 maanden van het boekjaar. De statuten voegen daaraan toe dat dit per aangetekend schrijven met een vooropzeg van 3 maanden moet gebeuren. Statutair is in artikel 7 evenwel bepaald dat de terugbetaling van het kapitaal (het zogeheten ‘scheidingsaandeel') nooit het kapitaal onder het minimum kan brengen. Het scheidingsaandeel is "beperkt tot hetgeen beschikbaar is boven het minimum". Aangezien het aandeel van P.T. nodig is om het minimum te bereiken, kon de Raad van Bestuur niet geldig beslissen dat P.T. niets meer verschuldigd was. Minstens had de Raad van Bestuur het gedeelte van het kapitaal dat P.T. zou inbrengen, op een andere manier moeten doen inbrengen. Tegen de leden van de Raad van Bestuur heeft P.T. evenwel geen vordering in vrijwaring ingesteld. Op grond van het voorgaande wordt P.T. veroordeeld om euro 247,89 te betalen, solidair met de partijen D.L. en H., te vermeerderen met de gerechtelijke verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 15 mei 2003 tot aan de algehele betaling. De vordering in vrijwaring van T. tegen V.G.
  26. P.T. toont niet aan dat zijn raadsman een fout beging in het advies bij zijn uittreding. Minstens is het oorzakelijk verband doorbroken, nu zijn raadsman er hooguit had kunnen op wijzen dat het minimumkapitaal niet meer bereikt zou zijn. De raadsman en evenmin P.T. konden de overige oprichters of de oprichters-bestuurders er toe verplichten ervoor te zorgen, dat op het ontbrekende minimum kapitaal ingeschreven zou worden en dat het volstort zou worden. De vordering in vrijwaring wordt dan ook verworpen. De vordering in vrijwaring van J.H. tegen de bestuurders
  27. J.H. werpt op dat D.D.L. en I.G. de initiatiefnemers en enige bestuurders waren. Hun enige bedoeling met de CVOA zou het ontduiken van sociale lasten geweest zijn. Het feit dat deze partijen initiatiefnemers en enige bestuurders waren is onvoldoende om hen tot vrijwaring van J.H. te veroordelen. Een fout is niet aangetoond. Evenmin is aangetoond dat het (enige) motief van de vennootschap geweest zou zijn het ontduiken of vermijden van de sociale wetgeving. J.H. brengt geen stukken bij waaruit blijkt dat I.G. zich zou verbonden hebben, om het bedrag van de inbreng van J.H. en / of de andere medeoprichters terug te betalen. De vordering in tussenkomst en vrijwaring is dan ook ongegrond. Kosten
  28. Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger. Wb. worden de heren H. en T. solidair tot betaling van de kosten van beide aanleggen veroordeeld, behalve voor wat hierna is bepaald.
  29. Partij T. wordt op dezelfde gronden veroordeeld om de rechtspleging-vergoedingen van beide aanleggen van partij V.G. te betalen. Zijn vordering werd ongegrond verklaard en de vordering van de curator gegrond. V. Beslissing Het hoger principaal en de incidentele beroepen zijn toelaatbaar, en in de volgende mate gegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd, behalve voor zover het de vorderingen toelaatbaar verklaarde. Het Hof: - doet opnieuw recht; - veroordeelt J.H. en P.T. solidair om euro 247,89 te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 15 mei 2003 tot aan de algehele betaling - veroordeelt dezelfde partijen solidair tot betaling aan appellante q.q. van de kosten, bepaald als volgt: appellante q.q.: dagvaardingskosten: euro 278,50 rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 356,97 rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 495,79 - veroordeelt P.T. om aan M.V.G. de kosten te betalen, bepaald als volgt; rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 356,97 rechtsplegingvergoeding hoger beroep: euro 495,79 - verwerpt de vorderingen voor het overige Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door A. Ferdinande, griffier en uitgesproken door de kamer-voorzitter in openbare terechtzitting op vierentwintig december tweeduizend en zeven. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.