id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080107.1 Rolnummer: 2005/AR/38 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2008-01-10 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-02 16:50 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Faillissement -- kosteloze borgstelling voor de schulden van een gefailleerde rechtspersoon -- afsluiting van de faling vóór de inwerkingtreding Wet 20.07.2005 die enkel de overgangsbepalingen voor de nog niet afgesloten faillissementen voorziet -- geen schending van de artt. 10 en 11 van de Grondwet doordat de kosteloze borg van een reeds afgesloten faillissement wordt uitgesloten van de mogelijkheid om van zijn verbintenis bevrijd te worden. Tekst van de beslissing Nr. 2005/AR/38 --------------------- in de zaak van : M.V.D., appellant, hebbende als raadsman mr. Marc Schoenmaekers, advocaat met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Prinses Josephine Charlottelaan 71, tegen N.V. FORTIS BANK, met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Meir 48 en met ondernemingsnummer 0403.199.702, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Eugeen De Ridder, advocaat met kantoor te 9200 Dendermonde, Hekkenhoek 5, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
- Appellant heeft op 6 januari 2005 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het door de negende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 7 mei 2004 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak A.R. 03/638/A. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, alsook de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg
- De N.V. Generale Bank, rechtsvoorganger van geïntimeerde, heeft op 14 juli 1998 een lening voor een bedrag van 247.893,52 EUR toegestaan aan de B.V.B.A. S.P.. Appellant, één van de zaakvoerders van B.V.B.A. S.P., onderschreef op 17 juli 1998 een borgstellingsakte tot waarborg van voormeld krediet. Daarenboven werden tot zekerheid van voormeld krediet door de vader van appellant en medezaakvoerder, de heer N.V.D., effecten in pand gegeven tot beloop van een nominale waarde van minimum 99.157,41 EUR. Bij schrijven van 13 februari 2001 werd appellant aangemaand om zijn verbintenissen als borg na te komen en over te gaan tot betaling van een bedrag van 99.157,41 EUR. Bij vonnis van 13 maart 2001 werd de B.V.B.A. S.P. in faling verklaard. Bij dagvaarding van 28 februari 2003 vorderde geïntimeerde de veroordeling van appellant tot betaling van 74.280,22 EUR, meer de conventionele verwijlrente aan 22,62 EUR per dag vanaf 2 december 2002 tot de dag van de volledige betaling. Appellant die de vordering in hoofdorde betwistte, vorderde in ondergeschikte orde de toekenning van zo ruim mogelijke afbetalingsmodaliteiten gelet op zijn benarde financiële situatie. Appellante voerde tevens aan dat hij als borg van een rechtspersoon in de onmogelijkheid verkeerde om te kunnen genieten van de ontheffing van zijn borgstellingsverplichtingen, nu dit op dat ogenblik enkel mogelijk was voor de personen die zich kosteloos zeker hadden gesteld voor de schulden van de gefailleerde natuurlijke persoon. Hij maakte voorbehoud om daarop alsnog aanspraak te maken voor zover de wetgeving zou wijzigen of het Arbitragehof tot een ongelijkheid van behandeling mocht besluiten. Met het thans bestreden vonnis van 7 mei 2004 verklaarde de eerste rechter de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Appellant werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 69.303,82 EUR, meer de intresten aan rentevoet van 5,3% per jaar vanaf 6 april
- Grieven/voorwerp van het hoger beroep
- Appellante is van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte : - onvoldoende aandacht heeft geschonken aan de opgeworpen ongelijkheid in de situatie van de borg van een gefailleerde rechtspersoon enerzijds en van de borg van een gefailleerde natuurlijke persoon anderzijds. - geen gemak van betaling heeft toegestaan. 3.
- Met betrekking tot de eerste beroepsgrief stelt appellant vast dat ingevolge de wetswijziging van 20 juli 2005 - welke wetswijziging geïnspireerd werd door een arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 juni 2004 (arrest nr.114/2004) - thans ook de bevrijding van de persoon die zich kosteloos zeker stelde voor de schulden van de gefailleerde rechtspersoon mogelijk is, ongeacht de problematiek van de verschoonbaarheid. Appellant, die erkent dat het faillissement van de B.V.B.A. S.P. werd afgesloten vòòr het in voege treden van de nieuwe wet en hij prima facie ook geen beroep kan doen op de daarin voorziene overgangsbepalingen, is van oordeel dat hij het slachtoffer is van een nieuwe ongelijkheid. Als borg van een rechtspersoon waarvan het faillissement spoedig werd afgesloten kan appellant geen bevrijding meer vorderen, terwijl in andere reeds vroeger uitgesproken en nog niet afgesloten faillissementen de kosteloze borg wel aanspraak kan maken op de bevrijding. Volgens appellant past het dan ook om deze ongelijkheid middels een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Appellant wijst er nog op dat hij ter vrijwaring van zijn rechten en binnen de in de overgangsmaatregelen voorziene termijnen een verklaring met bijhorende stavingsstukken ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde heeft neergelegd op 23 december
- Hij acht deze beroepsprocedure niet in staat van wijzen en vordert dat deze onbepaald zou worden uitgesteld in afwachting van de beslissing van de rechtbank van koophandel te Dendermonde met betrekking tot voormelde verklaring. 3.
- Appellant die naar zijn oordeel ook voor de eerste rechter de nuttige gegevens met betrekking tot zijn benarde financiële situatie voorlegde, verwijst aanvullend naar de voormelde verklaring van 23 december 2005 en de daaraan toegevoegde stukken. Hij vordert in ondergeschikte orde nog steeds dat hem een zo ruim mogelijke betalingsfaciliteit zou worden toegestaan.
- Geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Beoordeling
- Zoals geïntimeerde terecht vaststelt bestaat de ongelijkheid waarvan appellant voorhoudt het slachtoffer te zijn erin, dat hij geen voordeel kan putten uit de wetswijziging van 20 juli 2005 die enerzijds geldt voor na de inwerkingtreding van deze wetswijziging uitgesproken faillissementen en anderzijds overgangsbepalingen bevat voor hangende - m.a.w. de lopende en nog niet afgesloten - faillissementen. De ongelijkheid waarover appellant zich thans beklaagt bestaat er met andere woorden in, dat artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen, wél voorziet in overgangsbepalingen in geval het faillissement nog niet is afgesloten, maar geen overgangsregeling bevat voor de reeds afgesloten faillissementen. Het Hof is van oordeel dat er bij toepassing van artikel 26 §2, tweede lid, 2° van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 (B.S., 7 januari 1989), thans geen redenen meer zijn om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen : - schendt artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen - in het geval waarin de vordering van de schuldeiser van de gefailleerde rechtspersoon tegen de persoonlijke zekerheidssteller van de gefailleerde in rechte aanhangig is op de datum van de inwerkingtreding van die bepaling - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het wel voorziet in overgangsbepalingen in geval het faillissement nog niet is afgesloten en niet voorziet in overgangsbepalingen in geval het faillissement wel reeds is afgesloten, - schendt artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het voor de borg de mogelijkheid uitsluit om van zijn verbintenis te worden bevrijd enkel omdat het faillissement van de vennootschap waarvoor de borg zich zeker stelde, is afgesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005, terwijl die mogelijkheid van rechtswege bestaat voor de borgen die zich zeker stelden voor vennootschappen waarvan het faillissement werd uitgesproken maar nog niet werd afgesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 20 juli
- Bij arresten van 5 december 2006 (arrest nr. 195/2006) en 18 april 2007 (arrest nr. 63/2007) heeft het Grondwettelijk Hof in antwoord op voormelde vragen en op volgende relevante overwegingen immers reeds geoordeeld dat artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en houdende diverse fiscale bepalingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt : "Artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 bevat overgangsbepalingen voor de faillissementen die nog niet zijn afgesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet. Uit die bepalingen vloeit voort dat de mogelijkheid om de bevrijding van hun verbintenis te verkrijgen onder de in de wet vastgestelde voorwaarden en op voorwaarde dat bepaalde formaliteiten worden vervuld, wordt geboden aan de personen die zich borg hebben gesteld voor een rechtspersoon of een natuurlijke persoon van wie de faillissementsprocedure lopende is op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet. Het is het gewone gevolg van een rechtsregel dat hij, na verloop van een door de wet bepaalde termijn vanaf de bekendmaking ervan, geacht wordt van onmiddellijke toepassing te zijn, zonder dat daardoor het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt miskend. Dat beginsel wordt slechts geschonden indien het tijdstip van inwerkingtreding tot een onderscheid in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Het in de prejudiciële vraag aangehaalde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet reeds afgesloten zijn van het faillissement. In het licht van de in het geding zijnde maatregel is dat verschil in behandeling pertinent aangezien de rechterlijke uitspraak waarbij het faillissement wordt afgesloten, reeds rechtsgevolgen heeft gesorteerd, onder meer op het vlak van het vraagstuk van de verschoonbaarheid. De wetgever heeft geen onredelijke maatregel genomen door aan de bestreden bepaling geen terugwerkende kracht te verlenen, waardoor rechtsonzekerheid in het leven zou worden geroepen. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord."
- In zijn beroepsconclusie bevestigt appellant zelf dat hij zich niet op de in artikel 10 van de wet van 20 juli 2005 voorziene overgangsbepalingen kan beroepen vermits het faillissement van de B.V.B.A. S.P. reeds was afgesloten op het ogenblik van de inwerkingtreding van voormelde wet. De door hem niettemin op 23 december 2005 ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde overeenkomstig voormelde overgangsbepalingen neergelegde verklaring heeft naar het oordeel van het Hof dan ook niet tot gevolg dat onderhavige beroepsprocedure niet in staat van wijzen verkeert en onbepaald zou moeten worden uitgesteld.
- Vermits appellant zijn voor de eerste rechter ontwikkelde verweer met betrekking tot de omvang van de vordering van geïntimeerde niet herneemt en ook de door de eerste rechter uitgesproken veroordeling cijfermatig niet in vraag stelt of betwist, dient het bestreden vonnis te worden bevestigd waar het appellant veroordeelt tot betaling van een bedrag van 69.303,82 EUR meer 5,3% intresten per jaar vanaf 6 april
- Ondergeschikt handhaaft appellant zijn reeds voor de eerste rechter geformuleerd verzoek om gemak van betaling te bekomen. Alhoewel appellant de stukken voorlegt die hij bij zijn op 23 december 2005 voor de rechtbank van koophandel te Dendermonde neergelegde verklaring voegde, moet het Hof vaststellen dat enkel de aanslag in de personenbelasting inkomsten 2003/aanslagjaar 2004 wordt neergelegd en de overige stukken dateren van
- Net zoals de eerste rechter reeds vaststelde laat appellant met de voormelde stukken het Hof in het ongewisse omtrent zijn huidige inkomsten en/of vermogen zodat hij de gegrondheid van zijn verzoek om zo ruim mogelijke betalingsfaciliteiten te bekomen niet aantoont. Daarenboven merkt geïntimeerde terecht op dat appellant sinds de hem op 13 februari 2001 toegestuurde aanmaning tot betaling (stuk 7 - geïntimeerde) geen enkele vrijwillige betaling heeft uitgevoerd en zichzelf bijgevolg reeds gedurende meer dan zes jaar uitstel van betaling heeft verschaft. Er wordt dan ook geen gemak van betaling verleend.
- Op grond van de artikelen 1042 en 1017 Ger.W. wordt appellant tot betaling van de kosten van het hoger beroep veroordeeld. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis, Veroordeelt appellant tot betaling van de aan de zijde van geïntimeerde gevallen kosten van het hoger beroep, begroot op 495,79 EUR als rechtsplegings-vergoeding, Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op zeven januari tweeduizend en acht. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div