← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080306.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080306.3 Rolnummer: 2006/AR/2897 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht Invoerdatum: 2009-01-12 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 17:10 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Algemeen (echtscheiding (oud)) Vrije woorden: vereffening en verdeling na ontbinding van het huwelijksstelsel -zwarigheden (tussenarrest) - eindarrest zie nr. N-20081106-18 Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 06 maart 2008 TUSSENARREST HEROPENING DER DEBATTEN dd. 2-10-2008 om 10 uur - In de zaak met het rolnummer 2006/AR/2897van: V.R., appellant tegen de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, op tegenspraak gewezen door de zevende kamer dd. 22-3-2006 en dd. 20-9-2006, oorspronkelijk verweerder op hoofdeis en eiser op tegeneis, hebbende als raadsman mr. LAGROU Luc, advocaat te 8630 Veurne, Astridlaan 2a tegen : V.M.J., geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres op hoofdeis en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman mr. VANLERBERGHE Oswald, advocaat te 8600 Diksmuide, Woumenweg 109 velt het hof het volgend arrest. 1. 1.1. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 november 2006, heeft appellant tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen, die de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, zevende kamer, heeft uitgesproken op 22 maart 2003 en op 20 september 2006 en waarbij ten dele al geoordeeld werd over de zwarigheden op de staat van vereffening en verdeling die werd opgemaakt door S.V.D. naar aanleiding van de ontbinding van het huwelijksstelsel ten gevolge van een echtscheidingsvonnis van 4 mei 2000 . In het vonnis van 22 maart 2006 werd het volgende gezegd: - in het kader van het geschil inzake de waarde van de villa en inzake de woonstvergoeding wordt een plaatsbezoek bevolen; - de zwarigheid van geïntimeerde met betrekking tot de waarde van de lichamelijke roerende goederen ten belope van 7.920,20 EUR is, zoals gezegd in het advies van de notaris onder punt 7, gegrond in die mate dat het bedrag wordt verhoogd tot 8.019,36 EUR; - met betrekking tot de waardeschatting van de aandelen wordt het verslag van de deskundige gevolgd en de terugnemingen zijn vervat in de schatting van de deskundige; - R.V. moet duidelijkheid brengen over de periodes 1.1.1996 tot 1.10.1999 omtrent de volgende bankrekeningen: 385-0133064-43, 380-0050962-11, 380-1450549-87, 010-5308750-21 en 119-551092-51; In het vonnis van 20 september 2006 werd het volgende gezegd: - een deskundige werd aangesteld met betrekking tot de verkoopswaarde en de jaarlijkse huurwaarde van het onroerend goed; - de eerste rechter volgt hetgeen de boedelnotaris in zijn advies zegde onder punt 2 aangaande de herwaardering van de vergoedingen, verschuldigd door de huwgemeenschap aan appellant op basis van artikel 1435 B.W.; - wat betreft de dakwerken, uitgevoerd aan de gemeenschappelijke woning door appellant zijn de bezwaren van de ene en de andere zijde ongegrond; - de eerste rechter volgt hetgeen de boedelnotaris in zijn advies zegde onder punt 4 en 5; - betreffende de personenwagen PROBE: "wij bepalen de waarde van dit voertuig ex aequo et bono op 3000 euro, of het bedrag dat verweerder aan de huwgemeenschap verschuldigd is." - betreffende rekeningen zijn stukken voorgebracht door R.V. en op dat vlak en op het vlak van de vennootschap is de zaak niet in staat van wijzen; - een dwangsom wordt opgelegd aan R.V. ten belope van 1000 EUR per week vertraging na de betekening van het vonnis bij de voorlegging van de bankrekeningen, hierboven reeds gepreciseerd; - met betrekking tot de rekening courant met de vennootschap o.a. wat betreft de financiering van enkele meubels dient afgeweken te worden van de visie van de notaris om redenen, die de eerste rechter uiteenzette; 1.2. Het beroep van appellant strekt ertoe de vonnissen teniet te doen en opnieuw recht doende de zwarigheden van M.J.V. af te wijzen als ongegrond en zijn zwarigheden gegrond te verklaren en de notaris te bevelen de gevraagde aanpassingen te verrichten. 1.3. Geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep zou worden afgewezen als ongegrond. Zij stelde tevens tegen dezelfde vonnissen incidenteel beroep in, hetgeen gebeurde op rechtsgeldige wijze. 2. Partijen huwden op 12.05.1972. Uit het proces-verbaal van 3 januari 2001 blijkt dat ze huwden onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract. Uit het huwelijk zijn 2 kinderen geboren. De echtelijke woning gelegen te ... behoorde tot de gemeenschap. Volgens het schattingsverslag van Philip Derck dd 20.04.2001 was dat onroerend goed toen 11.000.000 oude BEF waard: deze deskundige was aangesteld door de boedelnotaris ingevolge een overeenkomst tussen partijen. Op 1 oktober 1999 liet geïntimeerde een dagvaarding in echtscheiding betekenen aan appellant, die op dat ogenblik nog alleen was blijven wonen in de echtelijke woning. Bij vonnis van 4 mei 2000 werd de echtscheiding uitgesproken in het voordeel van appellant en in het nadeel van geïntimeerde. Op 14 december 2000 volgde een vonnis waarbij de echtscheiding ook werd uitgesproken in het nadeel van appellant. Op 21 juni 2000 werd door de boedelnotaris al een inventaris opgemaakt in de echtelijke woning. Op 3 januari 2001 werd overgegaan tot verderzetting van de inventaris en het opnemen van de verklaringen. Uit het proces-verbaal van 3 januari 2001 blijkt dat er op de villa te ... een hypotheek was gevestigd ingevolge de kredietopening die bij de Kredietbank was aangegaan voor 2.200.000 oude BEF ter financiering van de aankoop op 15.09.1995. Er werd ook melding gemaakt van een hypothecaire volmacht die op 15 september 1995 was toegestaan in het voordeel van de Kredietbank teneinde het goed gelegen te ... en het goed gelegen te ..., intussen verkocht, te hypothekeren, doch enkel tot beloop van 5.600.000 oude BEF in hoofdsom en 560.000 oude BEF voor aanhorigheden. In hetzelfde proces-verbaal werd gewag gemaakt van twee bankrekeningen op naam van appellant nl. 385-0132993-69 en 474-1129511-80 en één bankrekening op naam van geïntimeerde 385-0133008-84, het boekje BBL nr 380-4148952-45 buiten beschouwing gelaten omdat het na de feitelijke scheiding was geopend. Uit stuk 22 van geïntimeerde betreffende de boeking van het bedrag van 1.001.400 oude BEF zou moeten blijken dat de rekening 385-0132993-69 sprak op beide echtgenoten. Uit stuk 23 van geïntimeerde (meer bepaald de verrichting van afschrift 87 ten belope van 500.000 oude BEF) blijkt dat appellant nog een rekening had: nr 380-4150549-87. Uit stuk 23 van geïntimeerde (meer bepaald de verrichting van afschrift 94 ten belope van 100.000 oude BEF) blijkt dat appellant nog een rekening had: nr 119-5501092-51 (Federale Kas voor Beroepskre-diet/Participatiefonds) Een overzicht van de verrichtingen op rekening nr 474-1129511-80 over de periode van 01.01.1996 tot 01.10.1999 ligt voor (stuk 7 van geïntimeerde). Eenzelfde overzicht ligt voor wat betreft de rekening 385-0132993-69 (stukken 2 en 6 van geïntimeerde). Appellant bezat alle aandelen (75 in aantal) van de BVBA Vanderplasschen. Bij de inventaris was tussen partijen overeengekomen dat de waarde van de aandelen op bindende wijze zou geschat worden door Luc Dedecker. Het verslag van deze laatste , daterend van 24 april 2001, maakt gewag van een waarde van 1.533 oude BEF per aandeel. De BVBA Vanderplasschen had kennelijk volgende rekeningen: - BBL nr 385-0133064-43 (zie het stuk 5 van geïntimeerde meer bepaald het uittreksel betreffende de storting Kas van 50.000 oude BEF op 16.12.1997 door V. - V. aan de BVBA Vanderplasschen; - nr 380-4150548-86 (zie stuk 23 meer bepaald de debetverrichting van 105.000 oude BEF). Er liggen geen stukken voor aangaande de geldbewegingen op de volgende rekeningen: - de rekening van de BVBA Vanderplasschen nr 385-0133064-43; - de rekening van de BVBA Vanderplasschen nr 380-4150548-86 - de rekening van R.V. nr 380-4150549-87; - de rekening van R.V. nr 119-5501092-51. 3. wat betreft hetgeen beslist werd in verband met het verschaffen van duidelijkheid aangaande bepaalde bankrekeningen over de periode 01.01.1996 tot 01.10.1999. De eerste rechter sommeerde geïntimeerde om duidelijkheid te brengen aangaande bepaalde bankrekeningen over de periode 01.01.1996 tot 01.10.1999. Hij heeft deze sommatie niet gemotiveerd. Het Hof is van oordeel dat hij geen redenen kon opgeven voor wat betreft de rekening 010-5308750-21 en voor rekening 380-0050962-11 nu het Hof ook niet heeft kunnen achterhalen in welke stukken deze rekeningen ter sprake zijn gekomen. Overigens is thans aangetoond dat de laatst genoemde rekening niet gekend is bij de bankinstelling Fortis. Wegens het gemis aan motivering voor de sommatie was er geen voldoende grondslag om in het vonnis van 20.09.2006 een dwangsom op te leggen. Wegens het feit dat er in beroep voldoende verduidelijking is gebracht waardoor in de laatste syntheseconclusies geen gewag meer werd gemaakt van een gemis aan verduidelijking met betrekking tot de rekeningen 385-0133064-43, 380-41450549-87 en 119-5501092-51 (en niet rekening 119-551092-51) kan thans gezegd worden dat de vordering(

  1. en)van geïntimeerde betreffende de vraag tot verduidelijking thans zonder voorwerp is. 4. wat betreft het gemeenschappelijk onroerend goed 4.1. In de staat van vereffening en verdeling dd 25.03.2004 werd bij het onroerend actief een waarde opgenomen van 272.682,88 EUR (11.000.000 oude BEF) voor de villa en dit op basis van een schatting van 20.04.2001. Rekening houdend met de vraag tot overname van de appellant heeft de boedelnotaris dat onroerend goed in de kavel gelegd van appellant. Rekening houdend met de zwarigheid van geïntimeerde aangaande deze waardebepaling zegde de eerste rechter in zijn vonnis van 20.09.2006 dat een nieuwe schatting diende te gebeuren, waarvoor hij een deskundige aanstelde. De zwarigheid heeft ertoe geleid dat het onroerend goed op 07.12.2006 werd verkocht en dat bij het onroerend actief melding zal moeten gemaakt worden van de verkoopsopbrengst, nl. 395.000 EUR 4.2. Geïntimeerde vraagt dat de kosten van de schatting door Philip Derck ten belope van 923,85 EUR (37.268 oude BEF) ten laste zouden worden gelegd van appellant. In de staat van vereffening en verdeling werd onder Romeins cijfer IV "De kosten van deze vereffening en verdeling" gewag gemaakt van deze kosten. Geïntimeerde heeft op het ogenblik dat zij een zwarigheid maakte m.b.t. de waardebepaling van het onroerend goed niet gezegd dat er ook aangaande de kosten een zwarigheid werd gemaakt. Voor zover deze zwarigheid ontvankelijk zou zijn is deze in alle geval ongegrond omdat blijkens het proces-verbaal van 3 januari 2001 een overeenkomst van beide partijen aan de basis ligt van het deskundigenonderzoek, dat voor beide partijen zinvol is geweest. 4.3. In de staat werd rekening gehouden met een door appellant verschuldigde woonstvergoeding van gemiddeld 750 EUR van 01.10.1999 tot (voorlopig gerekend) 31.05.2003 (samen 42.000 EUR). Geen van beide partijen kon zich daarmee verzoenen. Voor appellant is 750 EUR overdreven en was de berekening van de totale som verkeerd omdat een juiste berekening resulteert in 33.000 EUR in de plaats van 42.000 EUR. Voor geïntimeerde dient de woonstvergoeding minstens 1.000 EUR per maand te bedragen. De notaris heeft gewezen op een misslag zodat het bedrag van 42.000 EUR wel gerechtvaardigd is: hij rekende tot 31.05.2004. De staat van vereffening en verdeling zal dienen aangepast te worden in die zin dat door appellant woonstvergoeding verschuldigd is voor de periode van 01.10.1999 tot 22.10.2006. Het is door de partijen niet aangetoond dat de boedelnotaris bij de bepaling van de gemiddelde huurwaarde in de periode van 01.10.1999 tot 31.05.2004 als basis voor de berekening van de woonstvergoeding verkeerd heeft geoordeeld. Nu het duidelijk is dat er in de periode van 31.05.2004 tot 22.10.2006 nog een waardevermeerdering gebeurde die niet gering is geweest, moet met betrekking tot deze periode een gemiddelde woonst-vergoeding van 975 EUR in aanmerking genomen worden. 5. wat betreft de roerende goederen 5.1. In de staat van vereffening en verdeling dd 25.03.2004 werd onder de rubriek ‘lichamelijke roerende goederen' een waarde opgenomen van 7.920,20 EUR. De boedelnotaris nam de totale waarde van de roerende goederen volgens de inventarissen nl. 366.300 oude BEF en bracht daarop in mindering: - 5.900 oude BEF zijnde roerend goed toebehorend aan de BVBA Vanderplasschen; - 4.000 oude BEF zijnde roerend goed toebehorend aan de kinderen; - 36.900 oude BEF zijnde roerend goed toebehorend aan de nalatenschap V.; Zo bereikte hij het bedrag 7.920,20 EUR dat hij volgens zijn advies bereid was op te trekken tot 8.019,36 EUR. Het verschil betreft het hogervermeld bedrag van 4.000 oude BEF betrekking hebbend op dubbelbed, kleerkast en wandmeubel plus kast (3.000 oude BEF) en stereoinstallatie Sony (1.000 oude BEF). Wat betreft de schatting van deze goederen werd er nooit eerder een betwisting gevoerd, dus is er geen zwarigheid dienaangaande aanhangig gemaakt. De zwarigheid van geïntimeerde werd niet gegrond geacht door de boedelnotaris en door de eerste rechter wat betreft de vermindering met 5.900 oude BEF en 36.900 oude BEF. Het bedrag van 5.900 oude BEF werd blijkbaar in mindering gebracht omdat geïntimeerde in een schrijven aan haar raadsman dd 24.10.00 (zie inventaris van 03.01.2001) aanvaardde dat de goederen, waarvan appellant in een schrijven van 25.09.2000 zegde dat ze van de BVBA waren, niet toebehoorden aan de huwgemeenschap. Alleen van de werkbank met materiaal, houten ladder en wandrekken aanvaardde ze niet dat dit van de BVBA was. Het is dus terecht dat volgende goederen uit de inventaris niet meer in aanmerking werden genomen: - zes stoelen geschat op driehonderd frank; - bibliotheekkast geschat op vijfhonderd frank; - een bureelmeubel in metaal geschat op vijfhonderd frank; - een computer Brother met laserprinter Brother HL4 geschat op tweeduizend frank; - drie barkrukken in chroom geschat op twaalfhonderd frank; - computer in kamer van Kim; Waar het bedrag van 36.900 oude BEF in mindering werd gebracht, werd gewag gemaakt van goederen van de nalatenschap V.. Appellant had in een schrijven van 25.09.2000 gezegd dat deze goederen voortkomen van een nalatenschap V.. Geïntimeerde erkende in haar schrijven van 24.10.2000 dat deze goederen gekregen werden van de moeder van appellant. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze goederen, die voorwerp zijn geweest van een schenking door de moeder van appellant, toch zouden behoren tot de gemeenschap. Deze goederen werden in de inventaris geschat op de hierna volgende wijze wat neerkomt op een totaal van 12.900 oude BEF in de plaats van 36.900 oude BEF.: - theeservies voor 6 personen in Chinees porcelein geschat op tweeduizend vijfhonderd frank; - twee koperen vaasjes en twee kleine koperen kandelaars geschat op achthonderd frank; - een medische encyclopedie in drie delen - antiek - geschat op duizend vijfhonderd frank; - een oude wasset bestaande uit kruik, pomp, borstel- en zeephouder geschat op duizend tweehonderd frank; - een grote cache-pot geschat op driehonderd frank; - een koperen paraplubak geschat op tweehonderd frank; - een telefoonkastje geschat op vierhonderd frank; - een haardstel in koper geschat op vierhonderd frank; - een koperen kruisbeeld met jesuskindje geschat op vijfhonderd frank; - een koperen ketel geschat op zeshonderd frank; - twee bronzen hagedissen geschat op tweeduizend frank; - een oosterse vaas in aardewerk geschat op vijfhonderd frank; - twee kaders met familieportretten geschat op vijfhonderd frank; - schilderij voorstellende hoeve tijdens onweer getekend Laporte geschat op duizend vijfhonderd frank; De zwarigheden van geïntimeerde doen het Hof besluiten dat de vermindering die de boedelnotaris toepaste op het bedrag van 366.300 oude BEF - hogervermeld - slechts aanvaardbaar is voor 5.900 oude BEF en voor 12.900 oude BEF zodat in de plaats van 7.920,20 EUR een bedrag diende vermeld te worden van 8.614,30 EUR (347.500 oude BEF) ware het niet van de latere ontwikkelingen. Wat betreft de goederen, die vermeld zijn in de inventaris van 21 juni 2000 en in het bezit waren gelaten van appellant, is er verandering gekomen in de toestand ten gevolge van de ontruiming van de woning, nadat deze was verkocht. Rekening houdend met de conclusies van geïntimeerde, waarin werd gezegd dat zij en de zonen K. en D. bepaalde goederen hebben kunnen afhalen bij de ontruiming, dat in wederzijds akkoord goederen zijn afgegeven aan familie en dat bepaalde goederen zijn afgegeven aan een kringloopwinkel kan besloten worden dat nog enkel volgende gemeenschapsgoederen - met de schatting zoals gedaan in de inventaris - worden vermeld als zijnde onder bewaring van appellant: - een stereoinstallatie met merk Sony tuner-versterker en twee klankkasten geschat duizend frank; - een tapijt geschat vierhonderd frank; - een luster geschat twintigduizend frank; - een sierbord geschat tweehonderd vijftig frank; - een schotel met zes glazen in glas geschat tweehonderd frank; - een scheepslog geschat driehonderd frank; - een bestek voor twaalf personen in inox geschat vierduizend frank; - een encyclopedie Lekturama twintigdelig geschat tweeduizend frank; - zeven inox opdienschotels geschat driehonderd vijftig frank; - huislinnen geschat pro memorie; - een maquette van een zeilboot geschat tweeduizend frank; - een luster in glaspasta geschat vijfentwintigduizend frank; - een vaas in aardewerk geschat tweehonderd frank; - twee longrifles één mauser en één jachtgeweer samen geschat op twintigduizend frank; - een antieke koffer geschat op vijftienduizend frank; - een koperen scheepslamp geschat driehonderd frank; - een stoffen canapé geschat zeshonderd frank; - een lederen salon bestaande uit een driezit, een tweezit en een fauteuil geschat op vijftienduizend; - een kleurentelevisie merk Toshiba en video Merk Goldstar geschat vierduizend frank; - een carcas van een schildpad opgezet als lamp geschat vijfhonderd frank; - twee wollen tapijten geschat duizend vijfhonderd frank - een elektrische wekker geschat twee honderd frank; - een stofzuiger en een strijkplank en strijkijzer geschat vijfhonderd frank; - een dubbelbed, kleerkast en wandmeubel plus kast geschat drieduizend frank; - een elektrisch verwarmertje geschat op vijftig frank; - een batterij potten en pannen geschat duizend frank; - divers keukenmateriaal en gebruikelijk elektrisch huisgerief geschat vierduizend frank; - een microwave merk Mors geschat duizend frank; - een werkbank met allerhande knutsel- en doe-het-zelfmateriaal geschat zesduizend frank; - een houten ladder geschat tweehonderd frank; - drie oude herenfietsen geschat duizend vijfhonderd frank; - een oude grasmachine (volgens verklaring defect) geschat tweehonderd frank; - een wandrek geschat honderd frank; - revolver type Smith en Weston geschat vijfduizend frank; Deze lichamelijke roerende goederen van de gemeenschap, geacht in het bezit te zijn van appellant, belopen een totaal bedrag van 3.355,24 EUR (135.350 oude BEF). De lichamelijk roerende goederen van de gemeenschap, waarvan geïntimeerde verklaarde bezit te hebben genomen belopen een totaal bedrag van 557,76 EUR (22.500 oude BEF) en worden hierna opgesomd: - een sierbord geschat op tweehonderd vijftig frank; - ivoren slagtand geschat op duizend frank; - sierpaardjes geschat op tweehonderd frank; - antieke Franse wandklok geschat op vijftienduizend frank; - grote kader met papyrus geschat op vijfhonderd frank; - twee beelden in zamac geschat op duizend frank; - lamp op tinnen voet geschat op vijfhonderd frank; - gordijnen en overgordijnen geschat op vierduizend frank; - elektrisch mes geschat op vijftig frank; 5.2. Tot de lichamelijke roerende goederen behoort ook de personenwagen Probe, die eerst in dienst was genomen in 1994. Van deze sportwagen was in de inventaris melding gemaakt maar hij werd toen niet geschat: er werd toen gezegd dat de airco en de catalysatoren volgens verklaring defect waren en dat de raming later zou opgegeven worden. In zijn advies deed de boedelnotaris een waardebepaling van 3.000 EUR zonder daarover uitleg te geven. Het blijkt dat gezocht is geworden naar een koper en dat geen enkel der partijen er zelf in slaagde een koper te vinden. Uiteindelijk werd door de tussenkomst van de expert die de waarde van de wagen bepaalde op 1.200 EUR, het voertuig verkocht als wrak voor 100 EUR. De zware cilinderinhoud van de wagen en het feit dat hij niet meer rijvaardig, was maken dat geen hogere waarde dan 100 EUR moet aanvaard worden. 5.3. In de aangepaste staat zal in de rubriek ‘lichamelijke roerende goederen‘ het bedrag van 7.920,20 EUR uiteindelijk vervangen worden door het bedrag van. 4.033 EUR. (3.355,24 EUR + 577,76 EUR + 100 EUR) 5.4. In de staat van 25.03.2004 werd bij de waardebepaling van de aandelen rekening gehouden met de bindende schatting door Luc Dedecker, welke dateerde van 2001. De globale waarde van alle 75 aandelen van de BVBA Vanderplasschen is bepaald op 115.000 Oude BEF (1.533 oude BEF per aandeel). Bij de zwarigheden werd niets opgemerkt nopens deze waardebepaling van de aandelen. In haar eerste conclusies voert geïntimeerde aan dat appellant weigerde om aan de deskundige Dedecker de gevraagde aanvullende inlichtingen te bezorgen en dat hij daardoor de taak van de deskundige onmogelijk maakte. Volgens geïntimeerde moet de waarde daarom bepaald worden op 1.500.000 oude BEF (zie conclusies van 5 januari 2005, p. 3 bovenaan): vermoedelijk heeft de deskundige zich daarvoor laten leiden door de overtuiging dat het handelsfonds, bestaande uit de ..., verkocht is geworden voor 1.500.000 oude BEF. Wanneer geïntimeerde alle kansen heeft laten voorbijgaan om op te merken dat het door Dedecker meegedeeld verslag geen nuttige basis kon zijn voor de waardebepaling moet deze opmerking worden afgewezen als zijnde laattijdig. Het Hof moet trouwens vaststellen dat in de synthesebesluiten van 1 juni 2007 geen zwarigheid nopens de waardebepaling van de aandelen ter sprake is gebracht. Terecht merkte appellant in zijn conclusies op dat op deze waardebepaling niet meer kan worden teruggekeerd. 5.5. Er kan hier ook nog worden opgemerkt dat in de syntheseconclusies van geïntimeerde op pagina 12 sub 15 gezegd wordt wat volgt: "Ontvangen bedragen overname Zeegat, daar alles grotendeels gefinancierd werd door de huwgemeenschap." De beslissing nopens dat punt wordt aangehouden omdat dit punt verband houdt met andere punten die verder nog ter sprake komen. 6. wat betreft de lening bij W.V. en de terugneming van 750.000 oude BEF. In de staat van vereffening en verdeling komt de lening toegestaan door W.V. twee keer ter sprake. Bij de zwarigheden van geïntimeerde komt de lening drie keer ter sprake. Het stuk D 46 bevat de stavingsstukken waarmee de boedelnotaris blijkbaar rekening heeft gehouden. De lening wordt in de staat van vereffening en verdeling een eerste keer vermeld bij het passief, dat er op deze lening per 1.1.2004 nog een saldo diende betaald te worden van 4.957,87 EUR (200.000 oude BEF). De lening komt dan een tweede keer in de staat ter sprake onder ‘III Staat van terugnemingen en vergoedingen' in fine van punt 2 waar melding wordt gemaakt van een vergoeding die de gemeenschap verschuldigd is aan appellant ten belope van 5.174,68 EUR (208.746 oude BEF), omdat appellant, te rekenen vanaf 1.9.1999 175.000 in hoofdsom had afbetaald en 33.746 oude BEF aan intresten had betaald. Geïntimeerde is niet akkoord dat deze bedragen worden opgenomen in de staat van vereffening en verdeling: zie de brief met zwarigheden van geïntimeerde dd. 18 mei 2004 onder punt 3 en punt 11. De lening komt bij de zwarigheden een derde keer ter sprake in het kader van terugnemingen waarop de huwgemeenschap volgens geïntimeerde recht zou hebben. Haar standpunt is dat de geleende som van 750.000 oude BEF meer bepaald heeft gediend voor de BVBA Vanderplasschen om de ... over te nemen. Deze handelszaak zou volgens geïntimeerde overgenomen zijn op 1.6.1996. Daarin vindt geïntimeerde de reden om te zeggen: - dat met de lening geen rekening mag gehouden worden in het passief van de gemeenschap en bij de beheersrekening (vergoedingen); - dat het geld aan de gemeenschap terug moet uitgekeerd worden, zeker als de handelszaak die ermee werd aangekocht, opnieuw is overgelaten door appellant; Partijen krijgen geen klaarheid in die betwisting en dat is hoofdzakelijk toe te schrijven aan appellant die geen of weinig informatie prijsgeeft over de gelden die de BVBA Vanderplasschen via de echtgenoten heeft ontvangen. Teneinde een antwoord te vinden op de vele vragen die rijzen vraagt het Hof het volgende : a. dat appellant zou voorleggen: - de overeenkomst van overname van het handelsfonds ... in 1996; - de bewijzen aangaande de aanwending van de ontleende gelden; - de overeenkomst van de overlating van het handelsfonds ..., gedaan na de ontbinding van de gemeenschap; - de bewijzen van ontvangst van de overnameprijs; b. dat appellant zou uitleggen hoe de gelden die via de echtgenoten bij de B.V.B.A. Vanderplasschen terecht kwamen, werden verwerkt in de boekhouding; onder meer de gelden die het voorwerp zijn geweest van de leningsovereenkomst op 31.05.1996 gesloten tussen partijen en W.V. (stuk 1 van geïntimeerde waaruit blijkt dat het BTW nummer van de BVBA Vanderplasschen erin werd vermeld) voor zover ze hebben gediend voor deze B.V.B.A. 7. wat betreft de lening bij KBC van 1.000.000 oude BEF (zie brief zwarigheden geïntimeerde punt 5, nl. terugneming van 1.000.000 oude BEF + punt 11, nl. terugbetaling leningen voor 49.309,52 EUR) Stuk 29 - zijnde een rekeninguittreksel van 10.05.1999 - toont aan dat er op de rekening van appellant nr. 474-1129511-80 1.000.000 oude BEF werd uitgekeerd onder de vermelding uitbetaling lening op afbetaling 990-4281265-41. Een lening KBC dd. 10 mei 1999 is in de staat van vereffening en verdeling vermeld onder ‘Passief van de Gemeenschap' met een nog verschuldigd bedrag van 14.960,80 EUR. Het is niet duidelijk of ook deze lening is bedoeld waar de boedelnotaris in de staat op p. 6 zegt dat er diverse bancaire leningen door appellant zijn terugbetaald voor een bedrag van 49.309,52 EUR. Ook hier dienen meerdere onduidelijkheden opgeklaard te worden. Het Hof verlangt verduidelijking van appellant op volgende punten. a. de terugbetaling van de lening aan de KBC Op grond van welke gegevens heeft de boedelnotaris in het passief gezegd dat er een passief was van 14.960,80? b. Wat betreft het bedrag van 49.309,52 EUR: - zijn er daarin ook bedragen begrepen die een terugbetaling zijn van de lening op afbetaling 990-4281265-41 en voor welk bedrag? - Hoe komt de boedelnotaris aan het bedrag van 49.309,52 EUR, m.a.w. op basis van welke gegevens heeft de boedelnotaris geoordeeld (het stuk D46 van appellant verduidelijkt niet voldoende en heeft slechts betrekking op 1.722.291 oude BEF of 42694.48 EUR)? c. de aanwending voor de BVBA Vanderplasschen van de som van 600.000 oude BEF van het geleend bedrag van 1.000.000 oude BEF. Er ligt een bewijs voor : - dat dit geld ten belope van 500.000 oude BEF werd gebruikt voor de BVBA. Vanderplasschen, die het bedrag ontving op haar rekening nr 385-0133064-43 (zie stukken 29,30,31 en 32 van geïntimeerde); - dat dit geld ten belope van 100.000 oude BEF werd gebruikt voor de BVBA. Vanderplasschen, die het bedrag ontving op haar rekening nr 385-0133064-43 (zie stukken 30,33 en 34 van geïntimeerde); Appellant zal dienen te verklaren waarom er volgens hem geen sprake kan zijn van een schuld van de BVBA Vanderplasschen aan de huwgemeenschap voor 600.000 oude BEF, m.a.w. van een schuldvordering van de huwgemeenschap tegenover de BVBA Vanderplasschen; d. er dient nog uitleg verschaft te worden over de aanwending van het resterende bedrag van 400.000 oude BEF in zover in twijfel wordt getrokken dat de aanwending gebeurde ten bate van de gemeenschap. . 8. wat betreft een vergoeding door de huwgemeenschap aan appellant t.b.v. 32.592,87 EUR (1.453.838 oude BEF - 139.045 oude BEF = 1.314.793 oude BEF) Uit een afrekening dd 15 december 1997 aangaande de nalatenschap van de vader van appellant blijkt dat deze laatste recht had op de betaling van 1.453.838 oude BEF. Notaris Dufaux schreef ten belope van 1.453.838 oude BEF een cheque uit aan order van appellant en dat bedrag werd geboekt op de rekening 385-0132993-69 op 16.12.1997. Geïntimeerde heeft bij het uitbrengen van haar zwarigheid er rekening mee gehouden dat appellant verkreeg waar hij volgens voornoemde afrekening recht op had. Zij vroeg toen alleen dat er bij de bepaling van de vergoeding ten voordele van appellant rekening zou mee gehouden worden dat het bedrag niet volledig in de gemeenschap is gekomen. Daarom moesten bepaalde bedragen in mindering worden gebracht op de som van 1.453.838 oude BEF, nl. 50.000 oude BEF + 803.628 oude BEF + 178.839 oude BEF. Uit de laatste syntheseconclusies blijkt dat geïntimeerde haar zienswijze nopens deze zwarigheid enigszins heeft bijgestuurd. Daarbij brengt geïntimeerde tweemaal hetzelfde bedrag van 139.045 oude BEF in mindering: de vraag rijst of hier geen vergissing in het spel is. Het Hof blijft in het ongewisse over het nettobedrag waarvan geïntimeerde aanvaardt dat appellant dit heeft ontvangen uit de nalatenschap van G.V.. Geïntimeerde zal daarover duidelijkheid moeten scheppen. Verder rijst de vraag of de andere bedragen die geïntimeerde vermeldt, ook in mindering moeten worden gebracht op dat netto-bedrag nl. : - 50.000 oude BEF : zie op stuk 21 van geïntimeerde de vermelding dat dit bedrag is overgeschreven op rekening 385-0133064-43 ten gunste van de BVBA Vandenplassche; - 803.628 oude BEF : zie op stuk 21 van geïntimeerde de vermelding dat dit bedrag werd overgeschreven ten gunste van ‘financiering vervroegde terugbetaling fin 85/029533/1'2; - 178.839 oude BEF: zie op stuk 21 van geïntimeerde de vermelding ‘eurocheque nr 410245' 100.000 oude BEF: zie op stuk 21 van geïntimeerde de vermelding ‘overschrijving ten gunste van Immo Buro Termote rekening nr 463-6170101-05' ; Het Hof vraagt: - dat appellant alle nuttige gegevens zou verschaffen om geïntimeerde inzicht te geven in de genoemde financiering 85/029533/12; - dat appellant uitleg zou geven aangaande het bedrag van 178.839 oude BEF dat gedebiteerd werd op de rekening 385-0132993-69; - dat appellant duidelijkheid zou scheppen over de tussenkomst van Immo Buro Termote die herhaaldelijk ter sprake komt (zie bv op stuk B1 van appellant met vermelding Immo Termote commissie 94.380 oude BEF en stuk 25 van geïntimeerde waar sprake is van 117.800 oude BEF betaald op 1/4/ 1998) en waarvan niet sprake of de tussenkomst betrekking heeft en uitsluitend betrekking heeft op het vermogen van de moeder van appellant; 9. wat betreft een vergoeding door de huwgemeenschap aan appellant ten belope van 56.128,03 EUR uit hoofde van schenking van een effectenrekening van zijn moeder G.V.. Uit de staat blijkt hoe het bedrag van 56.128,03 EUR (2.264.199 oude BEF) is samengesteld. Het gaat om de optelsom van volgende bedragen: - 425.548 oude BEF welk bedrag op 14.05.1996 geboekt werd op de rekening van appellant nr 474-1129511-80 met de vermelding ‘Remise Betaaldocumenten O.G.V. (stuk 35 van geïntimeerde); - 8.045 oude BEF dat is het bedrag dat op 20.05.1997 geboekt werd op de rekening van de partijen nr. 385-0132993-69 met de vermelding saldo-liquidatie rekening 081-7785210-35 van V.D.D.G. (stuk B 2 en B 3 van appellant) ; - 1.093.420 oude BEF , dat is een opbrengst van de verkoop van een kasbon ten belope van 1.001.400 oude BEF, wat geboekt werd op de rekening van partijen nr 385-0132993-69 + intresten ten bedrag van 92.020 oude BEF waarvan niet bewezen is dat dit geld door de huwgemeenschap werd opgenomen; - 477.690 oude BEF, dat is een opbrengst van de verkoop van een Kasbon Gemeentekrediet 3 jaar 7,10 % 1995/1998 ten belope van 400.000 oude BEF + 77.690 oude BEF intresten daarop, welke bedragen werden geboekt op de rekening van de partijen nr 385-0132993-69 (zie stukken B 2 en B 3 van appellant); - 259.496 oude BEF, welk bedrag op 29.07.1998 geboekt werd op de rekening van de partijen nr 385-0132993-69 met de vermelding ‘cheque onder gewoon voorb.' (stuk B 2 en B 3 van appellant) . Hierna wordt geoordeeld over de zwarigheden betreffende deze bedragen, die volgens de staat zouden moeten vergoed worden; a. omtrent het bedrag van 425.548 oude BEF Er ligt geen bewijs voor dat dit bedrag iets te maken heeft met een schenking van een effectenrekening door G.V.. In de staat van vereffening en verdeling werd door de boedelnotaris overigens niet gezegd hoe hij ertoe is gekomen om een verband te leggen tussen dat bedrag en een schenking van een effectenrekening door G.V.. b. omtrent het bedrag van 8.045 oude BEF Dat bedrag afkomstig van G.V.D.D. heeft gediend om het bedrag in debet op de rekening van de echtgenoten te verminderen. Dat bedrag komt voor vergoeding in aanmerking. c. omtrent het bedrag van 1.093.420 oude BEF In dat bedrag zijn voor 92.020 oude BEF intresten begrepen welke krachtens artikel 1405, 2 B.W. gemeenschappelijk zijn en welke door appellant werden ontvangen op 26.02.1996 Het resterende bedrag van 1.001.400 oude BEF is het bedrag van de terugbetaling van twee soorten kasbons op datum van 10.07.1996. Er liggen twee documenten voor van het Gemeentekrediet betreffende de terugbetaling: - van 800.000 oude BEF terugbetalingsprijs van Kasbon 3 jaar eindvervaldag 1/7/96 rentevoet 6,30 % + 136.408 oude BEF aan intresten; - van 150.000 oude BEF terugbetalingsprijs van kasbon 1 jaar eindvervaldag 16/5/1996 rentevoet 5,5 % + 7.012 oude BEF aan intresten; Hier wordt ook rekening gehouden met artikel 1405,2 B.W. Appellant heeft recht op vergoeding van 950.000 oude BEF omdat bewezen is dat dit bedrag door de huwgemeenschap is opgenomen (zie boeking op de rekening 385-0132993-69 op 15/7/1996). Volgens de traditionele rechtspraak moet bewezen worden dat de gemeenschap er voordeel uit putte (bv bewijs van aankoop of uitgaven). Recente rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie en het Hof van Beroep te Luik staan evenwel een vergoeding toe op het enkele bewijs dat de eigen gelden in het gemeenschappelijk vermogen zijn terechtgekomen. Hierbij volstaat het dat wordt aangetoond dat eigen gelden werden vermengd met gemeenschappelijke gelden zonder dat de specifieke wijze waarop deze gelden werden besteed door het gemeenschappelijk vermogen wordt aangetoond door de echtgenoot-eiser. Het tegenbewijs kan door de andere echtgenoot geleverd worden door bv te bewijzen dat de gelden uitsluitend voor persoonlijke doeleinde werden gebruikt. Dit Hof volgt de recente rechtspraak. Geïntimeerde beweert maar bewijst niet dat appellant het bedrag van 1.001.400 oude BEF besteed heeft aan de inschrijving van effecten. Na 15/7/1997 zijn er met de rekening 385-0132993-69 betalingen gedaan waarvan niet bewezen wordt dat het ging om persoonlijke uitgaven van appellant. d. omtrent het bedrag van 477.690 oude BEF In dat bedrag zijn voor 92.020 oude BEF intresten begrepen welke krachtens artikel 1405, 2 B.W. in alle geval gemeenschappelijk zijn en welke op 26.02.1996 door appellant werden ontvangen op de rekening 385-0132993-69 van beide echtgenoten. Het Hof stelt vast dat agentschapsdirecteur P. V. van Dexia Waregem in een brief van 27.06.2000 bevestigt dat de waarden, indertijd toebehorend aan Mevr G.V.D.D. bij de vervaldagen werden overgeplaatst op naam van haar zoon R.. Verder verklaart hij dat hij R.V. zelf nooit heeft weten fondsen beleggen in dit agentschap. Gelet op dat schrijven en het bewijs van inschrijving voor 400.000 oude BEF kasbons Gemeentekrediet 3 jaar 7,10 % 1995/1998 is het uitgesloten dat deze kasbons werden aangekocht door appellant met gelden van de gemeenschap. Het komt bewezen voor dat G.V.D.D. deze kasbons heeft aangekocht en ze later heeft geschonken aan haar zoon. Geïntimeerde stelde dat er daarmee een betaling is gedaan van 114.960 oude BEF voor de begrafeniskosten van de moeder (factuur R.A.). Dat is door appellant niet betwist geworden zodat het aangenomen wordt dat dit bedrag werd aangewend voor een persoonlijke uitgave. Ze stelde dat er daarmee ook 117.800 oude BEF werd betaald aan Immoburo Termote ter vereffening van een rekening die betrekking had op de verkoop van de woning van G.V.D.D.. Dat is door appellant ook niet betwist geworden zodat het aangenomen wordt dat dit bedrag werd aangewend voor een persoonlijke uitgave . Tenslotte staat vast dat er daarmee ook 200.000 oude BEF werd betaald aan de BVBA Vanderplasschen. Hiervan kan niet gezegd worden dat het gaat om een persoonlijke uitgave. Appellant heeft derhalve slechts recht op vergoeding voor volgend bedrag: 400.000 oude BEF - 114.960 oude BEF - 117.800 oude BEF; dit is 167.240 oude BEF. De boedelnotaris heeft onvoldoende uitgelegd wat hem deed besluiten dat appellant recht heeft op een vergoeding van 477.690 oude BEF. e. omtrent het bedrag van 259.496 oude BEF Er ligt geen bewijs voor dat dit bedrag iets te maken heeft met een schenking van een effectenrekening door G.V.. In de staat van vereffening en verdeling noch in zijn advies zegde de boedelnotaris hoe hij ertoe is gekomen om een verband te leggen tussen dat bedrag en een schenking van een effectenrekening door G.V.. Alvorens te besluiten wijst het Hof erop dat in de verklaring van appellant in de inventaris van 3 januari 2001 alleen gewag werd gemaakt van een schenking van een effectenportefeuille door zijn moeder in juni 1994 via het Gemeentekrediet voor een bedrag van 1.400.000 oude BEF. Het besluit van het Hof is dat de zwarigheid van geïntimeerde in bepaalde mate gegrond is waardoor de boedelnotaris de staat zal dienen aan te passen in die zin dat het recht op vergoeding uit hoofde van de schenking van een effectenrekening van G.V.D.D. herleid wordt van 56.128,03 EUR tot 27.895,09 EUR (dit is 8.045 oude BEF + 950.000 oude BEF + 167.240 oude BEF). 10. wat betreft de kosten uitgevoerd aan de villa In de staat van vereffening en verdeling werd gezegd dat appellant recht heeft op een vergoeding van 6.925,97 EUR voor de kosten, die hij uitgaf voor de werken, die aan de villa werden uitgevoerd. Dat bedrag is samengesteld uit volgende bedragen: - 197.238 oude BEF (4.889,40 EUR) : dat bedrag komt voor in stuk D 43 van appellant zijnde een factuur van BVBA Tortelboom dd 05.6.2000 (voor uitgevoerde werken aan platform ...); - 18.063 oude BEF ( 447,77 EUR) : dat bedrag komt voor in stuk D 34 van appellant zijnde een factuur van G.V. dd 13.04.2000; - 64.092 oude BEF ( 1.588,80 EUR): dat bedrag komt voor in stuk D 36 van appellant dat gewaagt van isolatie dak en gedateerd is 29.04.2000. Appellant werd derhalve niet volledig gevolgd in zijn stelling (zie stuk D 28 van appellant) dat hij gedane kosten voor dakwerken en instandhouding kan inbrengen voor 335.914 oude BEF op basis van door hem betaalde facturen en voor 183.000 oude BEF op basis van zijn werkuren voor het vernieuwen van het dak (366 x 500 oude BEF). Het is duidelijk dat appellant niet akkoord gaat met het door de boedelnotaris weerhouden bedrag maar zijn zwarigheid mist duidelijkheid en preciesheid. Hij dient duidelijk te zeggen wat hij nog in rekening wil laten nemen. Hij moet duidelijk aangeven op welke werken zijn zwarigheid betrekking heeft, wanneer deze werken werden uitgevoerd en welke bewijsstukken hij daarvoor aanbrengt. Het onderscheid moet gemaakt worden tussen:
  2. a)werken - ongeacht wanneer ze zijn uitgevoerd - , waarvoor hij eigen gelden aanwendde en
  3. b)werken die sinds 01.10.1999 nodig moesten uitgevoerd worden en die door hem alleen zijn betaald geworden spijts het gaat om een woning in onverdeeldheid. Geïntimeerde is van haar kant niet akkoord dat de boedelnotaris in de staat rekening heeft gehouden met een recht op vergoeding ten belope van 6.925,97 EUR uit hoofde van werken aan het dak in 2000. De zwarigheden omtrent de kosten voor werken aan de woning zullen samen beoordeeld worden nadat de gewenste verduidelijking is gegeven door de partijen, voornamelijk door appellant. Verduidelijking betekent dat een uitvoerige beschrijving wordt gegeven van de uitgevoerde werken die begrepen zijn in de voornoemde bedragen 335.914 oude BEF en 183.000 oude BEF (stuk D 28 van appellant) en dat het Hof desgevallend een deskundige zal aanstellen indien de noodzakelijkheid van de werken alsook de omvang en de kostprijs in vraag worden gesteld. 11. personenbelasting 1999:1.511,63 EUR Geïntimeerde verklaarde slechts akkoord te gaan met de opname in de staat van vereffening en verdeling van deze post voor zover er een bewijs van betaling voorligt. Uit stuk D14 dat een door de bank afgestempelde strook van een overschrijvingsformulier bevat blijkt de betaling. De zwarigheid van geïntimeerde is ongegrond 12. sociale bijdrage 1998 en 1999 (133.773 oude BEF) en de personenbelasting inkomsten 1999 (53.950 oude BEF) 12.1. Appellant merkte als zwarigheid op dat deze gedane uitgaven dienden opgenomen te worden in de staat (samen 187.723 oude BEF of 4.653,53 EUR). De boedelnotaris was bereid om de staat aan te passen omdat hij de zwarigheid gegrond achtte. Geïntimeerde is slechts akkoord dat rekening wordt gehouden voor zover de betalingsbewijzen worden voorgebracht en voor zover het gaat om bijdragen tot 1.10.1999. 12.2. De sociale bijdragen. Het stuk D 15 van appellant gaat uit van ASKZ (sociale verzekeringsfonds), dateert van 26.10.2000 en bevat een opgave van achterstallige betalingen waaronder de 4 kwartalen van 1998 voor een totaal bedrag van 42.224 oude BEF. Alleen dat bedrag kan door de boedelnotaris aanvaard worden indien appellant nog een bewijs van betaling voorlegt bestaande uit een bewijs dat dit bedrag van de rekening van appellant werd gedebiteerd ofwel het attest van de schuldeiser dat het verschuldigde werd betaald Het Hof werd niet ingelicht waarom voor 1998 nog eens 30.237 oude BEF is gerekend: geen enkel stuk geeft verduidelijking en er is ook geen aanwijzing dat appellant bewijzen van betaling ten belope van dat bedrag heeft voorgebracht. Het Hof heeft ook geen stukken gezien met betrekking tot de sociale bijdragen van 1999. De zwarigheid wordt zonder meer afgewezen waar deze betrekking heeft op de sociale bijdrage 1998 ten belope van 30.237 oude BEF, de sociale bijdrage 1999 ten belope van 31.144 oude BEF en de sociale bijdrage 1999 ten belope van 30.168 oude BEF. 12.3. De personenbelasting inkomsten 1999. Het Hof heeft geen stukken gezien met betrekking tot de personenbelasting inkomsten 1999 ten belope van 1.486,12 EUR (59.950 oude BEF). De zwarigheid van appellant aangaande de personenbelasting inkomsten 1999 is derhalve ongegrond met dien verstande dat nog de mogelijkheid wordt geboden om de betaling van 59.950 oude BEF te bewijzen ten overstaan van de boedelnotaris aan de hand van een bankuittreksel of het attest van de schuldeiser. 13. Betaling aan R.R. verschuldigd uit hoofde van en verhaalbelasting van de gemeente Deerlijk (825,31 EUR) Deze post is ten onrechte opgenomen in de staat. De boedelnotaris was akkoord om de staat aan te passen omdat er geen bewijs voorhanden was dat het hier gaat om een betaling van een schuld van de huwgemeenschap. In conclusies heeft appellant niet aangetoond dat deze correctie niet gerechtvaardigd is. De zwarigheid van geïntimeerde moet op dat punt gegrond worden verklaard. 14. premie brandverzekering m.b.t. de meubelen Appellant had het rustig genot en bezit van de meubelen. De boedelnotaris zegde terecht in zijn advies dat er in de staat niets moest voorzien worden in dat verband. Deze zwarigheid van appellant is ongegrond. 15. de in artikel 1436, tweede lid B.W. bedoelde intresten In zover door appellant wordt opgemerkt dat er in de staat van vereffening en verdeling geen toepassing is gemaakt en/of voorzien van artikel 1436 tweede lid B.W. met betrekking tot de vergoedingen, verschuldigd door de gemeenschap aan appellant voor de gelden die uit zijn vermogen naar het gemeenschappelijk vermogen zijn gegaan zolang de gemeenschap heeft bestaan, is dat terecht. De boedelnotaris heeft in zijn advies sub 17 gezegd dat met deze intresten rekening zou gehouden worden bij de aanpassing van de staat. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de beroepen van appellant ontvankelijk uitgezonderd het beroep tegen het vonnis van 22 maart 2006 voor zover daarin het plaatsbezoek werd bevolen; Verklaart de beroepen gegrond in de hierna bepaalde mate; Doet dit vonnis 22.03.2006 teniet behalve in de mate dat een plaatsbezoek werd bevolen; Doet tevens het vonnis van 20.09.2006 teniet; En opnieuw wijzende; Zegt dat de vordering(
  4. en)van geïntimeerde betreffende de vraag tot verduidelijking bij bepaalde bankrekeningen thans zonder voorwerp is (zijn); Zegt dat de zwarigheid van geïntimeerde waarbij een herschatting werd gevraagd van het onroerend goed thans zonder voorwerp is en dat in de staat melding zal gemaakt worden van het onroerend actief bestaande uit de verkoopsopbrengst van 395.000 EUR; Zegt dat de vordering van geïntimeerde om de kosten van de schatting door Philip Derck ten laste te leggen van appellant, onontvankelijk is; Zegt dat de boedelnotaris de staat van vereffening en verdeling zal dienen aan te passen in die zin: - dat de door appellant verschuldigde woonstvergoeding wordt berekend aan een gemiddeld bedrag van 750 EUR per maand voor de periode van 01.10.1999 tot 31.05.2004 en aan een gemiddelde van 975 EUR voor de periode van 01.06.2004 tot en met oktober 2006; - dat in de rubriek ‘lichamelijke roerende goederen‘ het bedrag van 7.920,20 EUR vervangen wordt door het bedrag van 4.013 EUR en dat er rekening zal mee gehouden worden dat de goederen die in het bezit zijn gekomen van geïntimeerde 557,76 EUR bedragen en de goederen die in het bezit zijn van appellant, 3.355,24 EUR + 100 EUR; - dat het recht op vergoeding uit hoofde van de schenking van een effectenrekening van G.V.D.D. herleid wordt van 56.128,03 EUR tot 27.895,09 EUR (dit is 8.045 oude BEF + 950.000 oude BEF + 167.240 oude BEF); - dat het passief van de huwgemeenschap en de aanbedeling hiervan aan appellant moet verminderd worden met 825,31 EUR; - dat in de staat toepassing moet worden gemaakt van artikel 1436, tweede lid B.W. op de vergoedingen, die verschuldigd zijn door de gemeenschap aan appellant voor de gelden die uit zijn vermogen naar het gemeenschappelijk vermogen zijn gegaan tijdens de duur dat een huwelijksvermogen bestond (dus tot 1.10.1999); Zegt dat de zwarigheid van geïntimeerde betreffende de personenbelasting 1999 ad 1.511,63 EUR ongegrond is; Zegt dat de zwarigheid van appellant met betrekking tot de sociale bijdragen enkel gegrond is met betrekking tot het bedrag van 1046,70 EU (42.224 oude BEF) in zover het betalingsbewijs dat nog moet voorgelegd worden aan de boedelnotaris een ondubbelzinnig bewijsstuk is (ofwel een rekeninguittreksel ofwel een attest van de schuldeiser); Zegt dat de zwarigheid van appellant met betrekking tot andere bedragen die hij beweert betaald te hebben aan sociale bijdrage ( sociale bijdrage 1998 ten belope van 749,55 EUR/30.237 oude BEF) en sociale bijdragen 1999 ten belope van 772,039 EUR/31.144 oude BEF en 747,84 EUR/30.168 oude BEF ongegrond is; Zegt dat de zwarigheid van appellant met betrekking tot een bedrag van 1.486,12 EUR uit hoofde van de personenbelasting inkomsten 1999 enkel gegrond is voor 9/12den en in zover het betalingsbewijs dat nog moet voorgelegd worden aan de boedelnotaris een ondubbelzinnig bewijsstuk is (ofwel een rekeninguittreksel ofwel een attest van de schuldeiser); Zegt dat de zwarigheid van appellant aangaande de premie brandverzekering voor de meubelen ongegrond is; Heropent de debatten teneinde partijen meer duidelijkheid te laten scheppen aangaande de punten waarover nog geen beslissing werd genomen, te weten: - aangaande ontvangen bedragen overname ... zoals ter sprake gebracht in de syntheseconclusies van 1 juni 2007 op pagina 12 sub 15 (hoger sub 5.5.); - aangaande de lening van W.V. en de terugneming ten belope van het bedrag van 18.592,01 EUR waarbij appellant gevolg zal moeten geven aan de vragen die gesteld zijn sub 6; - aangaande de lening bij KBC ten belope van 24.789,35 EUR waarbij de vragen zullen moeten beantwoord worden, die ter sprake komen sub 7; - aangaande de in de staat vermelde terugneming van 32.592,87 EUR uit hoofde van de nalatenschap van G.V., waarbij de vragen zullen moeten beantwoord worden die ter sprake komen sub 8; - aangaande de kosten uitgevoerd aan de villa hetgeen veronderstelt dat appellant aangeeft wat hij nog in rekening wil laten nemen, daarbij een onderscheid makend tussen:
  5. a)werken - ongeacht wanneer ze zijn uitgevoerd - , waarvoor hij eigen gelden aanwendde en
  6. b)werken die sinds 01.10.1999 nodig moesten uitgevoerd worden en die door hem alleen zijn betaald geworden spijts het gaat om een woning in onverdeeldheid, waarbij hij zal aangeven : Ø wat de aard is van de werken waarop zijn zwarigheid betrekking heeft; Ø wanneer deze werken werden uitgevoerd; Ø wat de omvang was van deze werken; Ø welke de kostprijs was van deze werken Ø welke bewijsstukken hij daarvoor aanbrengt; Ø hoe noodzakelijk deze werken waren; Stelt de zaak vast op de terechtzitting van DONDERDAG 2 oktober 2008 om 10 uur (40 min) ; Bepaalt de te volgen conclusietermijnen voor partijen als volgt, waarbij de conclusies uiterlijk moeten worden toegezonden aan de andere partij en neergelegd ter griffie: - voor appellant op 28 april 2008; - voor geïntimeerde op 23 juni 2008; - voor appellant op 4 augustus 2008; - voor geïntimeerde op 15 september 2008; Reserveert de uitspraak over de kosten. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 6-3-2008. Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.