← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080310.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080310.1 Rolnummer: 2006/AR/2565 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-03-14 Raadplegingen: 168 - laatst gezien 2026-07-02 17:10 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: C.M.R.-vervoer -- C.I.F.-verkoop waarbij het risico van het vervoer op de koper berust -- vorderingsrecht van zowel de afzender en zijn verzekeraar, als van de geadresseerde, koper van de goederen -- diefstal maakt geen grond van ontheffing van aansprakelijkheid uit (art. 17,2 C.M.R.-Verdrag -- toekenning van gekapitaliseerde interesten aan 5% -- beperking van de schade tot de speciale trekkingsrechten Tekst van de beslissing I. In de zaak nr. 2006/AR/2565 van : --------------------------------------------

  1. B.V.B.A. SELMUS,
  2. WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN N.V.,
  3. AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,
  4. CHIYODA FIRE & MARINE INS. EUROPE Ltd.,
  5. ALPINA VERSICHERUNGS A.G.,
  6. AGRIPPINA VERSICHERUNG A.G.,
  7. ASCO CONTINENTALE VERZEKERINGEN N.V.,
  8. ACE INSURANCE N.V.,
  9. LE CONTINENT,
  10. MITSUI MARINE & FIRE INSURANCE CY (EUROPE),
  11. SOCIETA ITALIANA ASSICURAZIONI & RIASSICURZIONI - S.I.A.T.,
  12. WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN N.V., appellanten, hebbende als raadsman mr. Patricia Leers, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Vlaamse Kaai 76, alwaar zij woonstkeuze doen, tegen
  13. N.V. TRANSPORT MAENHOUT,
  14. N.V. EUROPESE, GOEDEREN- EN REISBAGAGE VER-ZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Lino Verbeke, advocaat met kantoor te 8200 Brugge, Diksmuidse Heerweg 126, II. In de zaak nr. 2006/AR/2762 van : -------------------------------------------- N.V. TRANSPORT MAENHOUT, appellante, hebbende als raadsman mr. Lino Verbeke, advocaat met kantoor te 8200 Brugge, Diksmuidse Heerweg 126, tegen DMH TRUCKING, geïntimeerde, welke niet verschijnt ter terechtzitting van 28 januari 2008, noch iemand voor haar, velt het Hof volgend arrest :
  15. Gegevens van de zaak in beroep: 1.
  16. SELMUS BVBA en haar verzekeraars stelden op 10 oktober 2006 hoger beroep in tegenover MAENHOUT NV en haar verzekeraar betreffende het vonnis van 1 september 2006 van de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde. MAENHOUT NV stelde op 3 november 2006 hoger beroep in tegenover DMH TRUCKING vennootschap naar UK-recht betreffende hetzelfde vonnis. Het Hof voegt beide zaken en partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 28 januari
  17. Op deze zitting die bij toepassing van artikel 803-804 van het gerechtelijk wetboek tegenover haar werd vastgesteld, is DMH TRUCKING vennootschap naar UK-recht niet verschenen. Het Hof stelt vast dat de rechtspleging tegenover haar bij verstek gevoerd werd, waar zij voor het Hof nooit is verschenen en geen conclusie heeft neergelegd. 1.
  18. De blijvende betwisting betreft de uitvoering van een transportopdracht betreffende 14 paletten van 1000 collis DVD-spelers van Aalst naar Heywood (UK), die SELMUS BVBA in februari 2001 aan MAENHOUT NV heeft toevertrouwd en die MAENHOUT NV in onderaanneming heeft uitbesteed aan DMH TRUCKING. Voor deze opdracht werd op 15 februari 2001 de CMR-vrachtbrief nr. 0756012 opgemaakt. De lading DVD-spelers werd tussen Ramsgate en Yorkshire ontvreemd. SELMUS BVBA en haar verzekeraars vorderen van MAENHOUT NV en haar verzekeraar de betaling van een schadevergoeding voor de hoofdsom van 159.000 USD, vermeerderd de intresten aan 5% tot 10 oktober 2006 zij 44.939,58 USD, en vermeerderd met de gerechtelijke intresten op (159.000 + 44.939,58 =) 203.939,59 USD vanaf 11 oktober
  19. MAENHOUT NV en haar verzekeraar betwisten de toelaatbaarheid en gegrondheid van deze vordering. Zij vorderen minstens hun vrijwaring voor een eventuele veroordeling door DMH TRUCKING. 1.
  20. De eerste rechter stelde vast - dat SELMUS BVBA als houder van de CMR-brief wel het vereiste belang bij haar vordering had; - dat de eis van SELMUS BVBA evenwel ongegrond was omdat de Engelse koper, RICHER SOUNDS PLC, het risico van het verlies van de goederen droeg overeenkomstig de tussen hen afgesloten C.I.F.-verkoop. Uit hoofde van deze contractuele bepaling zou SELMUS BVBA geen schade opgelopen hebben voor de diefstal, die gedurende het transport plaats vond; - dat de eis van de verzekeraars van SELMUS BVBA - die over niet meer rechten beschikken dan hun verzekerde - om dezelfde reden ongegrond was; - dat de eis in vrijwaring van MAENHOUT NV tegenover DMH TRUCKING zonder voorwerp was.
  21. Beoordeling 2.
  22. MAENHOUT NV en haar verzekeraar blijven ten onrechte stellen dat SELMUS BVBA en haar verzekeraars over geen vorderingsrecht beschikken, waar zij geen schade leden. - SELMUS BVBA, als opdrachtgever van het vervoer en als afzender vermeld op de CMR-brief, evenals als haar verzekeraars hebben belang bij een vaststelling, dat MAENHOUT NV voor het verlies aansprakelijk is en tot vergoeding van de schade gehouden is. De belangvereiste van artikel 17 gerechtelijk wetboek is niets anders dan de mogelijkheid om een voordeel te halen uit het eventueel gegrondheidsoordeel dat de rechter zal maken (zie o.a. Van Reepingen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel 1964, 41: het bestaat uit ‘ieder stoffelijk of zedelijk voordeel - effectief, maar niet theoretisch - dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt op het ogenblik dat hij ze aanhangig maakt ...'; M.E. Storme, Procesrechtelijke knelpunten bij de geldend making van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bijzonder belang, hoedanigheid en rechtspleging, in: postuniversitaire cyclus Delva 1992-1993, 204, nr. 14: ‘... dat voor de toelaatbaarheid van een vordering uitsluitend het procesrechtelijk belang relevant is en niet het materieelrechtelijk belang, zijnde het belang dat de partij heeft bij de vast te leggen situatie zelf, bij het voorwerp of de uitvoering van de veroordeling of verklaring van recht'). - SELMUS BVBA heeft als opdrachtgever en afzender vermeld op de CMR-brief ook het recht om over de goederen te beschikken (artikel 12, 1° van het CMR-verdrag); zij is gerechtigd op de vergoeding voor het verlies van de goederen, die zij MAENHOUT NV heeft toevertrouwd. MAENHOUT NV kan haar contractuele aansprakelijkheid uit de CMR-vervoeropdracht tegenover SELMUS BVBA niet ontlopen door het inroepen van de koopverkoopovereenkomst die SELMUS BVBA met haar koper, RICHER SOUNDS PLC, heeft afgesloten. De koopovereenkomst staat volledig los van de CMR-vervoeropdracht en de goede uitvoering hiervan (zie Cass. 29 september 2006, rolnummer C040203N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.10, op www.juridat.be: ‘De afzender, die op grond van de overeenkomst vorderingsgerechtigd is voor het verlies of de beschadiging van de lading of voor vertraging in de aflevering, moet het bestaan van de schade in het eigen vermogen niet bewijzen, tenzij de vervoerder door zowel de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken. Uit de regeling die het C.M.R.-Verdrag inhoudt, volgt dat zowel de afzender als de geadresseerde gerechtigd zijn om op grond van artikel 17 een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de vervoerder'). - Niets belet SELMUS BVBA en haar verzekeraars, om hun belangen te bundelen en samen de eis in betaling van schadevergoeding te stellen, waarbij de betaling aan één van hen bevrijdend zal zijn tegenover de andere. De onderlinge afrekening waartoe zij achteraf - na eventuele vaststelling van de fout en de veroordeling - zullen moeten overgaan overeenkomstig hun contractuele verhoudingen, maakt hier het voorwerp niet uit van een betwisting. MAENHOUT NV is geen partij in de contractuele verhoudingen tussen SELMUS BVBA en haar verzekeraars en heeft dan ook geen hoedanigheid, om een betwisting te voeren over punten waarover de rechtstreeks betrokken partijen zelf geen betwisting voeren en die zij in onderling overleg onder elkaar kunnen regelen. 2.
  23. MAENHOUT NV en haar verzekeraar beroepen zich ten onrechte op de ontheffing van aansprakelijkheid die de diefstal inhoudt bij toepassing van artikel 17, 2 van het CMR-verdrag. - De vervoerder is tot een resultaatsverbintenis gehouden. MAENHOUT NV moet dan ook bewijzen, dat de diefstal onafwendbaar was en een bijzonder gewetensvolle vervoerder die uiterst zorgvuldig te werk gaat de diefstal - zoals die hier plaats vond - evenmin had kunnen voorkomen. - MAENHOUT NV verstrekt weinig gegevens over de omstandigheden, waarin de diefstal plaats vond. Zij legt alleen de eigen verklaring van de chauffeur over, zodat de bijzondere omstandigheden waarin de diefstal zou plaats gevonden hebben en die een ontheffingsgrond zouden kunnen opleveren, onbewezen blijven. 2.
  24. MAENHOUT NV beroept zich terecht op de beperking van de schadevergoedingsverplichting, die artikel 23 van het CMR-verdrag inhoudt. - SELMUS BVBA en haar verzekeraars bewijzen niet dat het verlies voorspruit uit opzet of de vervoerder hier een met opzet gelijkgestelde schuld treft, die hem overeenkomstig artikel 29 CMR het beroep op de beperking van de schadevergoedings-verplichting zou uitsluiten. - De eis van SELMUS BVBA en haar verzekeraars kan dan ook niet meer dan 6.000 kg x 8,33 STR = 49.980 speciale trekkingsrechten zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds. 2.
  25. Bij toepassing van artikel 27 van het CMR-verdrag is MAENHOUT NV alleen de wettelijke intrest van 5% verschuldigd vanaf de dag waarop de vervoerder zijn vordering schriftelijk instelt. SELMUS BVBA en haar verzekeraars hebben op 22 februari 2001 hun schriftelijke vordering in betaling van 159.000 USD gesteld (zie stuk 5 in de bundel van SELMUS BVBA), zodat MAENHOUT NV en haar verzekeraar de intresten vanaf die dag verschuldigd zijn. Het CMR-verdrag houdt geen regeling in betreffende de betaling van de vervallen intresten aan 5%, die de vervoerder verschuldigd blijft. Tussen partijen beheerst de Belgische wet hier de betaling van de vervallen intresten. - Artikel 1154 van het burgerlijk wetboek laat de verrekening toe van intresten op intresten, zo de gerechtelijke aanmaning betrekking heeft op intresten die minstens voor een vol jaar verschuldigd zijn. - De neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep kan worden beschouwd als een handeling van gelijke waarde als de gerechtelijke aanmaning, vereist bij art. 1154 van het burgerlijk wetboek, wanneer in het verzoekschrift de aandacht van de schuldenaar in het bijzonder wordt gevestigd op de kapitalisatie van de rente, wat hier het geval is. 2.
  26. De eis van MAENHOUT NV die strekt tot haar vrijwaring door DMH TRUCKING is gegrond. BESLUITEN Het Hof voegt de zaken 2006/AR/2565 en 2006/AR/2762 Het Hof verklaart - bij verstek tegenover DMH TRUCKING vennootschap naar UK-recht en op tegenspraak tegenover de overige partijen en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken - het hoger beroep van SELMUS BVBA en de verzekeraars van SELMUS BVBA ontvankelijk en gegrond. Het vernietigt het bestreden vonnis. Het verklaart de oorspronkelijke vordering die SELMUS BVBA en de verzekeraars van SELMUS BVBA tegenover MAENHOUT NV en EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ NV stelt, ontvankelijk en gegrond voor de hoofdsom van 159.000 USD, vermeerderd de intresten aan 5% vanaf 22 februari 2001 tot 10 oktober 2006 (zij 44.803,15 USD), en vermeerderd met de gerechtelijke intresten op (159.000 + 44.803,15 =) 203.803,15 USD vanaf 11 oktober 2006 tot aan de betaling. Veroordeelt MAENHOUT NV en EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGEVERZEKERINGS-MAATSCHAPPIJ NV tot de betaling hiervan maar met de beperking van de hoofdsom tot 49.980 speciale trekkingsrechten, zoals omschreven door het Internationaal Monetair Fonds en op basis van de waarde van die munteenheid op de dag van het arrest of op de datum die door de partijen in onderling overleg wordt aanvaard. Het verklaart de eis in vrijwaring die MAENHOUT NV tegenover DMH TRUCKING vennootschap naar UK-recht heeft gesteld ontvankelijk en gegrond en veroordeeld DMH TRUCKING vennootschap naar UK-recht tot de vrijwaring van MAENHOUT NV voor de hierboven uitgesproken veroordeling. Het verwijst MAENHOUT NV en EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGE-VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ NV in de kosten van beide aanleggen, die het aan de zijde van SELMUS BVBA en haar verzekeraars vaststelt op: - dagvaarding: euro 434,54 - rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 364,40 - rolrechten euro 186,00 - de basis rechtsplegingvergoeding in hoger beroep: euro 5.000,00 Het verwijst DMH TRUCKING vennootschap naar UK-recht in de kosten van beide aanleggen, die het aan de zijde van MAENHOUT NV vaststelt op: - dagvaarding: euro 395,05 - rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: euro 364,40 - de basis rechtsplegingvergoeding in hoger beroep: euro 5.000,00 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door A. Ferdinande, griffier en uitgesproken door de kamer-voorzitter in openbare terechtzitting op tien maart tweeduizend en acht. A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele H. Debucquoy Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.