id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080310.16 Rolnummer: 2007/AR/462 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-04-10 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 17:11 Fiche Een mailbericht dat werd verstuurd via interne bedrijfsmail heeft geen bewijswaarde omdat de ontvangst van een bericht door de bestemmeling niet vaststaat vermits de beheerder volledige controle heeft over het systeem dat werkt zonder toezicht van een onafhankelijke internetprofider. De datum van verzending kan dus gemanipuleerd zijn. Het weigeren van enige bewijswaarde dringt zich ook op omdat uit andere elementen vermoedens in dezelfde zin kunnen worden afgeleid. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BEWIJS IN HANDELSZAKEN - Algemeen (bewijs in handelszaken) Vrije woorden: Bewijs in handelszaken - e-mailbericht -bewijswaarde - datum Nota: 2007/AR/462 dd. 10.03.2008 Noot: De bewijswaarde van een mailbericht
- Het vastleggen van gegevens m.b.t. rechtshandelingen via elektronische middelen wordt in de eerste plaats beheerst door de W. 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet en de W. 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij . Aan de basis van deze wetgeving ligt o.m. het idee dat aan deze elektronische vastlegging van rechtshandelingen een gelijke juridische waarde moet kunnen toekomen als aan de klassieke geschreven vastlegging via direct leesbare lettertekens op een traditionele drager. Deze regel wordt bevestigd door art. 16 § 2 W. 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, dat stelt dat voor het sluiten van een contract langs juridische weg 'aan de vereiste van een geschrift is voldaan door een opeenvolging van verstaanbare tekens die toegankelijk zijn voor latere raadpleging, welke ook de drager en de transmissiemodaliteiten ervan zijn.' Vereist is dat de tekenvastlegging op een latere datum rechtstreeks of onrechtstreeks door de mens kan worden geconsulteerd en dat de inhoud ervan verstaanbaar kan worden gemaakt met behulp van computerapparatuur, de nodige software en eventueel de nodige programma's voor de decodering van de informatie. Principieel kan dus een mailbericht met een geschrift worden gelijkgesteld.
- Een volgend vereiste is dat zekerheid bestaat dat de inhoud van het elektronisch vastgelegde bericht niet kan worden gewijzigd. Dit gebeurt via een 'elektronische handtekening', een techniek waarbij wordt gepoogd de oorsprong en de integriteit van de elektronisch gegenereerde informatie te doen vaststaan. Deze handtekening beoogt m.a.w. de informatie zowel wat haar oorsprong, als wat haar inhoud betreft met zekerheid aan een bepaald persoon te koppelen. Krachtens art. 4 § 5 W. 9 juli 2001 tot vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridische kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten kan geen rechtsgeldigheid aan een elektronische handtekening worden ontzegd en mag ze niet als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures worden geweigerd louter op grond van het feit dat: - de handtekening in elektronische vorm is gesteld, of - niet is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat, of - niet is gebaseerd op een door een geaccrediteerd certificatiedienstverlener afgegeven certificaat, of - zij niet met een veilig middel is aangemaakt. Dit betekent o.m. dat principieel een elektronisch bericht in aanmerking komt als bewijsmiddel. Dit artikel bevestigt m.a.w. dat de bewijswaarde (het kunnen dienen als bewijsmiddel) van het bericht in principe niet wordt aangetast door zijn elektronisch karakter. Principieel kan dus perfect met een mailbericht worden bewezen.
- De rechter blijft echter vrij om de bewijskracht (de mate waarin het bericht dienstig is om het aangevoerde waarschijnlijk te maken) van een elektronisch bericht te weigeren indien hij meent dat aan de criteria die daarvoor moeten worden vooropgesteld, niet werd voldaan. Een van de gevolgen van de vrije bewijsvoering in handelszaken is immers dat de rechter vrij de bewijskracht bepaalt van de door partijen gehanteerde bewijsmiddelen, andere dan deze die in het Burgerlijk Wetboek werden opgenomen en waarvan de bewijskracht wettelijk vaststaat. In bovenstaand geval meende het Hof dat aan de tekst van het bericht, het feit van de verzending ervan aan de bestemmeling en aan de in het bericht vermelde datum van verzending geen bewijskracht kon toekomen. Het Hof legt er daarbij - na raadpleging van een deskundige - de nadruk op dat deze elementen principieel konden worden gemanipuleerd. Het Hof haalt verder een aantal feiten aan die laten vermoeden dat ze ook effectief werden gemanipuleerd. G.L. Ballon Annotaties Publicaties: T.G.R. 2009 - G.L. Ballon - 2009 blz. 28 - 29 Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7bis Kamer ________ Terechtzitting van 10-03-2008 2007/AR/462 in de zaak van: CSWARE B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 8501 HEULE, Bissegemsestraat 45/47, ingeschreven met KBO-nummer 0861.294.969, appellante, hebbende als raadsman mr. LEYSEN Jan, advocaat te 8500 KORTRIJK, Koning Albertstraat 24 bus 1 tegen: D.P., wonende te , ingeschreven met KBO-nummer , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. CALLEWAERT Guido, advocaat te 8710 WIELSBEKE, Bavikhoofsestraat 71 velt het Hof het volgend arrest: Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien.
- Bij verzoekschrift, neergelegd op 15 februari 2007, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 25 maart 2005 en van 24 november 2006 op tegenspraak gewezen door de 3de kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk (AR. A/2821/04). Het laatste vonnis a quo werd aan appellante betekend op 17 januari
- Feiten en procedure in eerste aanleg
- P.D. (hierna: "geïntimeerde") voerde "consultancy" prestaties uit voor BVBA CSWARE, een informaticabedrijf dat zorgt voor systeem- en netwerkbeheer bij bedrijven (hierna: "appellante"), waarvan hij destijds vennoot was. Bij dagvaarding, betekend op 6 juli 2004, vorderde geïntimeerde betaling lastens appellante van 10 facturen en/of kostennota's, verminderd met 2 facturen die hij aan appellante verschuldigd is, van: 13.633,86 EUR (hoofdsom) + 416,32 EUR (9,5% conventionele rente) + 1.363,39 EUR (10% schadebeding) = 15.413,57 EUR. Appellante vorderde bij tegeneis betaling lastens geïntimeerde van de 2 facturen (die deze laatste erkent verschuldigd te zijn) ten belope van 3.297,35 EUR in hoofdsom, méér 12% conventionele rente, méér 10% schadebeding of 329,73 EUR. Vooreerst stelt appellante dat er op 25 oktober 2003 was overeengekomen om géén enkele factuur meer te aanvaarden wanneer er niet vooraf een door haar goedgekeurde opdracht of offerte zou worden ondertekend, wat zij per e-mail aan geïntimeerde (die dit ten zeerste betwist) zou hebben medegedeeld. Verder stelde appellante dat zij na deze datum de thans gevorderde facturen telkens per e-mail heeft geprotesteerd. Geïntimeerde betwist met klem deze e-mails ontvangen te hebben, stellende dat dergelijke stukken achteraf kunnen worden opgemaakt met een afdoende kennis van de electronische mogelijkheden. Bij het tussenvonnis a quo van 25 maart 2005 verklaarde de eerste rechter de hoofd- en de tegeneis ontvankelijk. Alvorens ten gronde te oordelen stelde hij Ir. Philippe WUYLENS aan als deskundige om de waarachtigheid van de opmaak, de verzending en de ontvangst van de betrokken e-mails te onderzoeken. Het eindverslag werd door de deskundige op 26 oktober 2005 ter griffie neergelegd. Bij het eindvonnis a quo van 24 november 2006 verklaarde de eerste rechter de hoofdvordering gegrond en veroordeelde appellante tot betaling aan geïntimeerde van de som van 15.413,57 EUR, méér de gerechtelijke rente aan een rentevoet van 9,5% per jaar op 13.633,86 EUR en aan de wettelijke rentevoet op 1.363,39 EUR, telkens vanaf dagvaarding tot betaling, méér de gedingkosten. De tegenvordering werd als ongegrond afgewezen. Procedure in hoger beroep
- Het hoger beroep werd aangetekend door de oorspronkelijke verweerster. Appellante stelt dat de beweerde manipulatie van haar ingeroepen e-mails géénszins wordt bewezen, zodat de bewijswaarde ervan niet ontkracht wordt. Bedrog moet bewezen worden. Ondergeschikt verzoekt ze machtiging tot getuigenbewijs en/of persoonlijke verschijning van partijen te bevelen. Geïntimeerde vraagt integrale bevestiging van de vonnissen a quo. Voor de gedetailleerde uiteenzetting van de grieven en argumenten van partijen kan verwezen worden naar de beroepsakte en de conclusies. Beoordeling
- De vraag welke aan de expert werd gesteld was of de e-mail berichten, die van essentieel belang zijn voor de beoordeling van dit geschil, wel degelijk werden verstuurd via interne bedrijfsmail aan geïntimeerde, hem hebben bereikt en door hem werden gelezen. In zijn expertiseverslag besluit de deskundige o.a.: "Het mailsysteem van verweerster (= appellante) is een intern systeem dat niet via het internet (world wide web) passeert en derhalve werkt zonder controle van een onafhankelijke internetprovider." (blz. 4, punt 4a) ; "Verweerster is beheerder (systeemadministrator) van haar eigen mailserver. Dit impliceert dat verweerster een onvoorwaardelijke toegang heeft tot de mailbox en eigenschappen van alle mailgebruikers. Dit betekent dat verweerster in het mailsysteem kan inloggen onder een andere naam (bv. de naam van eiser) en alle handelingen kan stellen onder een andere naam... M.a.w. gegeven het intern concept van het mailsysteem van verweerster, kan a posteriori niet met technische zekerheid worden besloten dat eiser kwestieuze mails heeft ontvangen en gelezen." (blz. 5, punt b en blz. 7, besluiten 6a en 6b) ; "In theorie is het mogelijk dat verweerster in zijn hoedanigheid van systeembeheerder de tijdsklok van de server heeft gemanipuleerd en derhalve e-mails heeft verzonden - al dan niet in eigen naam - met een foute datum. Via een eenvoudig commando kan de klok van een computer willekeurig worden ingesteld en bijv. worden geantidateerd. Vanuit praktisch standpunt is dit minder eenvoudig omdat de systeemklok van de mailserver van toepassing is op alle e-mails van het systeem zodat alle e-mails qua datum gewijzigd worden." (blz. 5, punt d en blz. 7, besluit 6c). Waar appellante beweert dat ze bepaalde mailberichten heeft verstuurd naar geïntimeerde waarbij werd "afgesproken" dat geen enkele factuur nog zou worden aanvaard zonder voorafgaande goedkeuring van de opdracht door appellante, of waarbij de betrokken facturen/kostennota's werden geprotesteerd, moet zij dit bewijzen. Samen met de eerste rechter leidt het Hof uit de bevindingen van de deskundige af dat appellante niet slaagt in haar bewijslast. De voorgelegde "outprints" van mails (stukken 1 tot 4 appellante) hebben géén bewijswaarde.
- Dit oordeel wordt nog versterkt door volgende gegevens: Het blijkt dat een collega van geïntimeerde, de heer T. B., waarnaar appellante eveneens dergelijke mail zou hebben verstuurd, deze evenmin heeft ontvangen (stuk 24 geïntimeerde). Ook werden bepaalde facturen en kostennota's die werden opgemaakt in de periode oktober 2003 - januari 2004 (dus nà de beweerde e-mail van 25 oktober 2003), wèl zonder voorbehoud betaald door appellante niettegenstaande ook voor deze nota's vooraf nooit bestelbons waren opgemaakt en goedgekeurd en deze evenmin waren ondertekend (stukken 16 tot 22 geïntimeerde). Tenslotte is appellante slechts met het "verslag" en de beweerde protestberichten (stukken 1 tot 4 appellante) naar voor gekomen nà dagvaarding.
- De laatste facturen van geïntimeerde (zijn stukken 2 tot 5) en kostennota's (stukken 8 tot 13) bleven onbetaald. Appellante bewijst niet deze ooit tijdig als handelaar geprotesteerd te hebben, zelfs niet nadat zij 2 formele ingebrekestellingen tot betaling van resp. 21 april 2004 en 9 juni 2004 (stukken 14-15 geïntimeerde) had ontvangen. Geïntimeerde legt zijn factuurboek voor waaruit blijkt dat de facturen er regelmatig zijn ingeschreven op hun datum (stuk 27 geïntimeerde). De kostennota's moesten niet worden opgenomen in de boekhouding, vermits het enkel de terugbetaling betrof van door geïntimeerde voor appellante voorgeschoten en bewezen kosten (stukken 28 en 31 geïntimeerde). Verkeerdelijk stelt appellante dat geïntimeerde de bewijslast zou hebben omtrent het beweerde "bedrog" inzake de mailberichten. Het is integendeel aan appellante om haar "afspraken" en "protesten" te bewijzen door opmaak, verzending en ontvangst van de ingeroepen mails aan te tonen. Het Hof acht verdere onderzoeksmaatregelen naar het al dan niet verstuurd en ontvangen zijn van de beweerde mails niet meer opportuun, vermits een deskundige (die ook alle betrokken personen kon horen en het concrete systeem heeft onderzocht) reeds grondig deze vraag heeft geanalyseerd. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde is aldus gegrond bij gebrek aan bewezen protest van de openstaande facturen/kostennota's. Het hoger beroep is ongegrond. O M D E Z E R E D E N E N H E T H O F: Rechtdoende op tegenspraak ; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken ; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond ; Bevestigt de bestreden vonnissen ; Veroordeelt appellante tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, vereffend in hoofde van geïntimeerde op 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (K.B. 26 oktober 2007) ; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, ZEVEN bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van TIEN MAART TWEEDUIZEND EN ACHT. Aanwezig : Frank DESCHOOLMEESTER Raadsheer, alleenrechtsprekend, Frank JODTS Griffier, Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.