id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080310.3 Rolnummer: 2007/AR/7 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-03-14 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 17:10 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht Vrije woorden: Bevrijding van de borgen -- 'zaakvoerder en echtgenote' na afweging van de proportionaliteit Tekst van de beslissing Nr. 2007/AR/7 ------------------------- in de zaak van : N.V. DELTA LLOYD BANK, appellante, hebbende als raadsman mr. Stefaan De Rouck, advocaat met kantoor te 8900 Ieper, Nijverheidsstraat 2, tegen
- R.M.
- S.C. geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Geert Waeterloos, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Willem van Nassaustraat 4, velt het Hof volgend arrest :
- Procedure in hoger beroep Appellante heeft op 2 januari 2007 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep aangetekend tegen het door de rechtbank van koophandel te Oudenaarde op respectievelijk 22 juni 2006 en 26 oktober 2006 gewezen tussen- en eindvonnis in de zaak A.R. F/06.
- Het eindvonnis werd volgens de beroepsbesluiten van geïntimeerden op 8 december 2006 betekend. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Partijen werden in raadkamer gehoord in hun middelen en besluiten, alsook de stukken werden ingezien.
- Feiten en procedure in eerste aanleg 2.
- De N.V. MITKA werd bij akte van 17 juli 2001 opgericht met een volledig volstort kapitaal van 62.500 EUR. Op 22 augustus 2001 werd door N.V. FORTIS BANK een krediet toegestaan voor een bedrag van 136.200 EUR onder de vorm van : 75.000,00 EUR documentair krediet 50.000,00 EUR disconto van wissels 11.200,00 EUR huurwaarborg. Tot zekerheid van dit krediet werd een pand op de handelszaak in eerste rang verleend voor een bedrag van 137.500,00 EUR, en stelden geïntimeerden zich ook solidair borg. Op 16 juli 2002 nam appellante voormeld krediet over en verleende zij aan N.V. MITKA een kredietlijn voor onbepaalde duur ten belope van 125.000,00 EUR met als zekerheden : - een pand op de handelszaak in tweede rang, - een solidaire borgstelling van geïntimeerden, - een schuldsaldoverzekering op naam van R.M. met appellante als begunstigde; welke verzekering werd afgesloten door Delta Lloyd. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde van 10 november 2005 werd de N.V. MITKA in staat van faillissement verklaard. Appellante diende op 21 november 2005 haar aangifte van schuldvordering in, stelde geïntimeerden in gebreke tot nakoming van hun als borg aangegane verbintenissen, en nam bij dagvaarding van 16 december 2005 het initiatief tot het verwerven van een uitvoerbare titel lastens geïntimeerden. Op 28 april 2006 legden elk van de geïntimeerden in toepassing van artikel 72 bis en ter Faill.W. een verklaring neer waarbij zij aanspraak maakten op de volledige bevrijding van de verbintenissen die zij als persoonlijke zekerheidsteller ten aanzien van N.V. DELTA LLOYD BANK hadden aangegaan. 2.
- Overeenkomstig artikel 80, zesde lid Faill.W. verzocht appellante bij verzoekschrift van 11 mei 2006 de rechtbank van koophandel te Oudenaarde om uitspraak te doen over de eventuele bevrijding van geïntimeerden in hun hoedanigheid van solidaire borgen. Bij tussenvonnis van 22 juni 2006 werden de debatten heropend teneinde geïntimeerden toe te laten aanvullende stukken voor te leggen met betrekking tot de aanvankelijk met N.V. FORTIS BANK afgesloten kredietovereenkomst, nu dit volgens de eerste rechter van belang kon zijn "bij de beoordeling of het krediet tot stand is gekomen met de bedoeling voor de kredietnemers hierdoor grotere winsten voor zichzelf te realiseren en aldus persoonlijk voordeel na te streven, dan wel dat het krediet uitsluitend heeft gediend om de start en de kapitalisatie van een vennootschap mogelijk te maken". Bij het eindvonnis van 16 oktober 2006 werden geïntimeerden volledig bevrijd van hun borgstelling ten aanzien van appellante op grond van de overwegingen dat : - geïntimeerden zich enkel hebben verbonden als persoonlijke zekerheidstellers opdat de hoofdschuldenaar, de N.V. MITKA, voldoende fondsen zou kunnen verwerven voor de opstart en de realisatie van het maatschappelijk doel, - deze persoonlijke zekerheidstelling zonder enige concrete tegenprestatie voor de borgen en zonder enige bedoeling van financiëel voordeel voor henzelf werd bedongen, - het inkomen dat geïntimeerden uit de vennootschap hadden de tegenprestatie vormde voor hun werkzaamheden als bestuurders en dit inkomen het kosteloos karakter van de zekeheidstelling niet uitsluit, - de borgstellingsverbintenis van geïntimeerden buiten verhouding is tot hun vermogen en de volledige bevrijding zich opdringt.
- Grieven/voorwerp van het hoger beroep 3.
- Appellante ontwikkelt de volgende beroepsgrieven : - zowel het tussenvonnis als het eindvonnis houdt een schending in van het begrip "kosteloos" in de zin van artikel 24 bis, 72 bis en 80, derde lid Faill.W., - de eerste rechter heeft de door geïntimeerden verleende borgstelling ten onrechte als kosteloos gekwalificeerd, - zelfs indien de borgstelling als kosteloos gekwalificeerd zou moeten worden, dan werd ten onrechte tot de algehele bevrijding besloten. Appellante vordert dan ook de hervorming van de bestreden vonnissen. Zij vordert dat voor recht zou worden gezegd dat geïntimeerden noch geheel noch gedeeltelijk bevrijd worden, noch kunnen worden, van hun borgstellingsverplichting voor de schulden van de N.V. MITKA ten aanzien van appellante. Geïntimeerden vorderen daarentegen de integrale bevestiging van de bestreden vonnissen. 3.
- Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep werd akte genomen van het akkoord van partijen om de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep vast te stellen op het door het K.B. van 26 oktober 2007 op 1.200,00 EUR bepaalde basisbedrag voor geschillen die betrekking hebben op niet in geld waardeerbare vorderingen.
- Beoordeling 4.
- Artikel 80, alinea 2 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt behalve in geval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed, door de rechtbank verschoonbaar wordt verklaard. Artikel 82, alinea 2 van de faillissementswet bepaalt dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting. In aansluiting met deze bepalingen voorziet artikel 80, alinea 3 van de faillissementswet (dat ingevoegd werd bij artikel 7 van de wet van 20 juli 2005) in de gehele of gedeeltelijke bevrijding van elke natuurlijke persoon, die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zijn verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en met zijn patrimonium. - Met deze bepaling kwam de wetgever tegemoet aan het arrest van 30 juni 2004 van het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof), dat in de vorige wetgeving een ongelijke behandeling had vastgesteld tussen ‘de verschoonbaarheid waarover de gefailleerde geniet' en ‘de bevrijding waarvan de borg genoot en die automatisch volgde uit de verschoonbaarheid van de gefailleerde'. De gefailleerde wordt immers uitgewonnen op de goederen die de curator na het openvallen van het faillissement in de faillissementsboedel aantreft en realiseert. Zijn verschoonbaarheid verhindert geen verkoop van de goederen die in de faillissementsboedel aanwezig zijn en evenmin het innen van zijn schuldvorderingen in het voordeel van zijn schuldeisers. - Met deze bepaling kwam de wetgever ook tegemoet aan een tweede ongelijkheid die het arrest van 30 juni 2004 van het Grondwettelijk Hof in de vorige wetgeving had vastgesteld en die inhield, dat ‘een borg van een gefailleerde rechtspersoon nooit kon bevrijd worden' in tegenstelling tot ‘de borg van een gefailleerde natuurlijke persoon'. - Voordien had het Grondwettelijk Hof in een arrest van 28 maart 2002 ook vastgesteld ‘dat ook al impliceert de regeling van de borg dat hij in principe tot zijn borgtocht gehouden blijft wanneer de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard, [. . .] het [. . .] onverantwoord [is] dat een rechter [niet] wordt toegestaan te beoordelen of er geen aanleiding is om hem te bevrijden, in het bijzonder wanneer zijn verbintenis van belangeloze aard is'. 4.
- Binnen dit wettelijk kader weerhoudt het Hof, dat R.M. zowel als S.C. als persoonlijke borg in beginsel het voordeel van de bevrijding kunnen genieten en ‘niet meteen' uitgesloten worden van het voordeel van een eventuele bevrijding. - De wet bepaalt dat ‘de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker stelde (in het Frans ‘gratuite') in aanmerking komt voor de bevrijding. Het begrip ‘kosteloos' is eenduidig en ondubbelzinnig. Het vraagt dan ook geen nadere interpretatie. Van Dale Groot Woordenboek definieert kosteloos als ‘niets kostend, d.w.z. zonder kosten voor degene die ervan profiteert' (zie ook het arrest van 6 december 2006 van het Hof van Beroep te Gent met noot van Kurt CREYF in R.W. 2006-07, pg. 1277). - N.V. DELTA LLOYD BANK bewijst geen bedongen of verkregen aanwijsbaar financieel voordeel voor R.M. en S.C., dat rechtstreeks uit hun borgstelling zou volgen. Ook het verschil tussen de oorspronkelijke borgstelling bij N.V. FORTIS BANK ( ten belope van 136.200,00 EUR) en deze bij N.V. DELTA LLOYD BANK (ten belope van 125.000,00 EUR) maakt geen direct aanwijsbaar financiëel voordeel uit nu de omvang van de borgstellingverplichtingen van R.M. en S.C. enkel werden verminderd in die mate dat ook het krediet werd verminderd. 4.
- Het Hof moet zich niet uitspreken over eventuele gevolgen van de wet van 3 juni 2007 - dat hoofdstuk V bestaande uit de artikelen 2043bis tot 2043octies met als opschrift « Kosteloze borgtocht » in het burgerlijk wetboek voegde - op de bevrijding van de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker stelde voor de gefailleerde. Deze wet voerde een nieuwe rechtsfiguur in het burgerlijk wetboek in en de slotbepaling van deze wet bepaalt dat de wet eerst van toepassing is op de borgtochtovereenkomsten die zijn afgesloten na haar inwerkingtreding. 4.
- De vaststellingen onder punt 4.2 en 4.3 hierboven impliceren, dat R.M. en S.C. hier als kosteloze borgen in beginsel het voordeel van een eventuele bevrijding kunnen genieten (zie verder punt 4.5 dat het onderzoek naar de proportionaliteit inhoudt). Er dringt zich dan ook geen nader onderzoek meer op naar een eventueel indirect voordeel die hun borgstelling zou ingehouden hebben. En zelfs als zou worden aangenomen dat een onrechtstreeks economisch voordeel zou volstaan om de natuurlijke borg meteen het voordeel van een mogelijke bevrijding te ontzeggen, stelt het Hof vast dat dergelijk onrechtstreeks voordeel hier niet bewezen is. Uit niets blijkt dat de door R.M. en S.C. ontvangen vergoedingen een tegenprestatie, vergoeding of voordeel vormen dat zij hebben bekomen wegens de borgstelling; maar integendeel de directe tegenprestatie vormen voor hun inzet en arbeidsprestaties in het kader van de uitoefening van hun vennootschapsmandaat. Het faillissement van hun vennootschap hield verder meteen het verlies in van een verhoopte uitgestelde vermogensaangroei of inkomen en dit bovenop het verlies van de eigen middelen, die de vennoten hebben ingebracht om te voorzien in de geldbehoeften van de handelszaak. Het Hof weerhoudt verder alleen nog aanvullend de volgende vaststellingen. 4.4.
- Het verwijst vooreerst naar de eigen vaststellingen, die N.V. DELTA LLOYD BANK in haar beroepsakte en beroepsbesluiten zelf weerhoudt : " Het kan niet ernstig betwist worden dat de bestuurders-meerderheidsaandeelhouders - die partijen M.-C. niet ontkennen te zijn - met hun persoonlijke borgstelling voor zichzelf een direct en/of indirect economisch voordeel nagestreefd hebben : de kredietverlening, waarvoor de borgstelling door de bank als voorwaarde of als één van de voorwaarden was gesteld, diende immers om de vennootschap-kredietneemster toe te laten economische activiteiten te ontwikkelen en de bestuurders hebben beoogd zich op die wijze van een inkomen te verzekeren, de vennootschap winst te laten maken en op die manier het in de aandelen geïnvesteerde kapitaal te laten renderen" (zie beroepsakte op pagina 5, randnummer 2.
- - Stuk 1 gerechtsbundel) " (...) als bestuurders en aandeelhouders van de debitrice hadden zij immers indirect geldelijk voordeel vermits het krediet bestemd was om de vennootschap-debitrice toe te laten handelsactiviteiten te ontwikkelen en daarmee o.m. een wedde te genereren voor geïntimeerden en het door hen ingebrachte kapitaal te laten renderen." (zie beroepsconclusie op pagina 2, randnummer 2 - Stuk 10 gerechtsbundel): Deze vaststellingen kunnen vertaald worden naar de gefailleerde natuurlijke persoon toe. Zij wijzen op een volledig analoge situatie: ook de gefailleerde natuurlijke persoon neemt een krediet op voor zijn handelszaak, waaruit hij inkomen haalt. In het geheel van het economisch en sociaal beleid - dat er toe strekte om het risico eigen aan het handeldrijven op evenwichtige wijze te spreiden en om zij die een handelsrisico opnamen niet blijvend voor de rest van hun dagen met het passief uit een handelsactiviteit op te zadelen en te stationeren aan de rand van het maatschappelijk en economisch leven - verhinderden deze vaststellingen de wetgever evenwel niet, om de handelaars natuurlijke personen het voordeel te gunnen van de verschoonbaarheid. 4.4.
- Deelnemers aan het handelsverkeer - of zij nu in eigen naam dan door tussenkomst van een vennootschap het handelsrisico opnemen - beschikken veelal niet over voldoende geldmiddelen, om te voorzien in de nodige liquiditeiten voor de handelszaak. Naast de inbreng van hun arbeid, aanvaarden zij voor het welslagen van de beoogde handel een kredietrisico. Het kredietrisico situeert zich dus niet uitsluitend aan de zijde van de kredietverstrekker; het situeert zich ook aan de zijde van de kredietnemer en de borgstellers: de mogelijkheid bestaat dat zij voor het opgenomen krediet zullen worden uitgewonnen. De kredietverstrekking in het voordeel van een handelszaak van de rechtspersoon is daarenboven in vele gevallen geen eenrichtingsverkeer, dat van de bankier/kredietverstrekker uitgaat: de vennoten/bestuurders participeren ook mee in de kredietvraag van de handelszaak en brengen eigen middelen in om tegemoet te komen aan de geldbehoeften van de handelszaak. 4.4.
- Het loon en de vergoeding die bestuurders opnemen is in vele gevallen gerelateerd aan hun prestaties en niet aan het opnemen van een krediet. Verder is voldoende bekend, dat in persoonsgebonden vennootschappen veel bestuurders voor hun inzet alleen maar een matige vergoeding uit de handelszaak opnemen, om hun handelszaak leefbaar te houden of met het oog op verhoopte latere winsten en meerwaarden. Ook in deze zaak blijkt dit het geval te zijn nu de bezoldigingen die R.M. en S.C. voor de jaren 2001 tot 2005 genoten, zich cijfermatig als volgt voordoen : 2001 2002 2003 2004 2005 M. 8.034 7.000 12.000 12.000 4.000 C. 5.466 5.250 11.250 12.000 4.000 Handelsverrichtingen en arbeidsprestaties worden in beginsel verricht tegen vergoeding en voor het nemen van het handelsrisico en zijn persoonlijke inzet is de bestuurder - net zoals de natuurlijke persoon - dan ook op vergoeding gerechtigd. Het enkele feit van het bestaan van deze vergoeding laat dan ook niet toe om meteen te besluiten tot een indirect voordeel dat de bestuurders zouden halen uit hun borgstelling in het voordeel van de vennootschap. Zoals hiervoor onder punt 4.
- vermeld wordt een dergelijk voordeel hier niet bewezen. 4.
- Binnen het hierboven aangehaald wettelijk kader, dringt zich wel een verder onderzoek op naar de proportionaliteit : ‘staat de borgstelling van R.M. en S.C. in het voordeel van N.V. DELTA LLOYD BANK voor het krediet dat N.V. MITKA bekwam, in verhouding tot hun verdere inkomsten en hun patrimonium'. Uit de voorliggende gegevens blijkt dat het saldo op het handelskrediet dat N.V MITKA heeft bekomen en dat aan N.V. DELTA LLOYD BANK verschuldigd blijft, alleen nog zou kunnen verhaald worden op de inkomsten die R.M. en S.C. na de faillietverklaring van N.V. MITKA kunnen verwerven. R.M. en S.C. worden door N.V. DELTA LLOYD BANK immers niet tegengesproken in hun stelling dat, wat hun patrimonium betreft, zij niets bezitten dan hun persoonlijke zaken, het noodzakelijke meubilair en een voertuig dat inmiddels zeven jaar oud is en ongeveer 200.000 km op de teller heeft. Er bestaat geen betwisting over het inkomen van S.C. dat op een maandelijks bedrag van ongeveer 1.400,00 EUR kan worden vastgesteld. Over het inkomen van R.M., die pas sinds 1 maart 2006 opnieuw aan de slag kon als zelfstandig vertegenwoordiger bestaat wel discussie. In tegenstelling tot wat N.V. DELTA LLOYD BANK voorhoudt heeft R.M. bij zijn op 28 april 2006 ter griffie neergelegde verklaring ex artikel 72 bis en ter Faill.W. van meet af aan volledige duidelijkheid verstrekt omtrent zijn financiële situatie. Zelfs de op 28 februari 2006 met de B.V.B.A. TEAM MANAGER afgesloten overeenkomst van zelfstandig vertegenwoordiger werd voorgelegd. (gerechtsbundel procedure a quo - stuk 15) Uit de door R.M. aanvullend voorgelegde BTW aangiftes over het jaar 2006, alsook de aangifte in de personenbelasting (Aj. 2007 - Ink. 2006) blijkt dat het beroepsinkomen van betrokkene als zelfstandig vertegenwoordiger, vòòr belastingen, op een bedrag van (13.810,00 EUR brutowinst - 6.316,69 EUR beroepskosten) 7.493,31 EUR op jaarbasis kan worden begroot; hetzij 624,44 EUR per maand. Rekening houdend met voormelde aanvullende elementen met betrekking tot het inkomen van R.M. - hetgeen door de eerste rechter ten onrechte als niet verifieerbaar werd bestempeld - dringt de bevestiging van het bestreden vonnis zich niettemin op waar het tot de vaststelling kwam dat de verbintenissen die R.M. en S.C. hebben aangegaan niet in verhouding staan met hun inkomen en hun patrimonium en het tot hun volledige bevrijding besloot. Gelet op : - de voormelde inkomsten van betrokkenen, - de vaste maandelijkse uitgaven waaraan zij als feitelijk gezin het hoofd dienen te bieden, en waarvan zij aan de hand van de nodige stukken het bewijs bijbrengen, (stukken 15 en 16 - gerechtsbundel procedure a quo), - het feit dat, zoals bij de behandeling van de zaak in graad van beroep werd meegedeeld, er sedert een tweetal maanden een tweede kind ten laste is, - de algemene kosten van levensonderhoud, waaronder voeding en kledij, moet immers worden vastgesteld dat het budget van het feitelijk gezin M. -C. duidelijk geen bijkomende belasting verdraagt. Door een zelfs gedeeltelijke nakoming van de als persoonlijke zekerheidsteller aangegane verbintenissen en/of uitwinning door N.V. DELTA LLOYD BANK zou de financiële toestand van het feitelijk gezin verder afglijden naar totale uitzichtloosheid, wat de economische en sociale reclassering van betrokkenen onmogelijk maakt en wat ook de economie in zijn geheel niet ten goede komt. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, maar wijst het af als ongegrond, Bevestigt, zij het deels op andere en aanvullende gronden, de bestreden vonnissen, Verwijst N.V. DELTA LLOYD BANK in de kosten van het hoger beroep, en begroot deze kosten aan de zijde van R.M. en S.C. gezamenlijk op 132,45 EUR als kosten betekening bestreden vonnis en 1.200,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door A. Ferdinande, griffier en uitgesproken door de kamer-voorzitter in openbare terechtzitting op tien maart tweeduizend en acht. A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele H. Debucquoy Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div