← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080310.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080310.4 Rolnummer: 2006/AR/3203 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-03-14 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-07-02 17:10 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Borgtocht Vrije woorden: Bevrijding van de echtgenote die zich persoonlijk zeker stelde voor de schulden van haar echtgenoot/gefailleerde -- Onsplitsbaar geschil waarbij alle schuldeisers van de zekerheidsteller - die de verklaring van artikel 63 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 hebben neergelegd - moeten betrokken worden -- De wet voorziet niet in de mogelijkheid om nog vòòr de afsluiting van het faillissement van har echtgenoot uitsdpraak te doen over haar bevrijding. Tekst van de beslissing Nr. 2006/AR/3203 ------------------------- in de zaak van : N.V. EUROPABANK, appellante, hebbende als raadsman mr. Jacques De Decker, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Steendam 77-79, tegen

  1. C.D., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Johan Houtman, advocaat met kantoor te 8900 Ieper, Lombaardstraat 26,
  2. N.V. AREMAS, geïntimeerde, welke niet verschijnt ter terechtzitting van 4 februari 2008, noch iemand voor haar,
  3. N.V. CENTEA, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Pol Tanghe, advocat met kantoor te 8400 Oostende, Mercatorlaan 17a,
  4. P.L.
  5. Mr. Jan VANDENBRAEMBUSSCHE, advocaat met kantoor te 8940 Wervik (Geluwe), Nieuwstraat 38, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van P.L., voornoemd, geïntimeerden, welke niet verschijnen ter terechtzitting van 4 februari 2008, noch iemand voor hen, velt het Hof volgend arrest :
  6. Gegevens van de zaak in beroep: 1.
  7. EUROPABANK NV stelde op 27 december 2006 hoger beroep in tegen het vonnis van 27 november 2006 van de rechtbank van koophandel te Ieper. De blijvende betwisting betreft de vraag of de schuldeisers - die overeenkomstig artikel 63, 2de lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997 opgave hebben gedaan van de persoonlijke zekerheidstelling van C.D. voor de schuldvordering waarvan zij aangifte hebben gedaan in het faillissement P. L. - de rechtbank van koophandel kunnen vatten met de vordering, om nog vóór de afsluiting van het faillissement P. L. uitspraak te doen over de bevrijding van C.D. - alhoewel C.D. als echtgenote van de gefailleerde - nog geen verklaring overeenkomstig artikel 72bis van de faillissementswet van 8 augustus 1997 heeft neergelegd, waarin zij om haar bevrijding vraagt. EUROPABANK NV, CENTEA NV en C.D. werden gehoord in raadkamer op 4 februari 2008; de stukken werden ingezien. 1.
  8. De eerste rechter stelde op volgende relevante overwegingen vast, dat er - bij gebrek aan een verklaring van de persoonlijke zekersteller - geen aanleiding was voor een uitspraak over de vervroegde bevrijding: 'Conform artikel 80 Fail.W. kunnen zowel de schuldeisers als de zekerstellers, die daartoe een verklaring aflegden, vanaf zes maanden na de datum van faillietverklaring de rechtbank verzoeken om uitspraak te doen over de bevrijding van deze zekerstellers. Waar de schuldeiser van de gefailleerde, die geniet van een persoonlijke zekerstelling, daarvan conform artikel 63, tweede lid Fail.W. melding moet maken in zijn aangifte van schuldvordering of uiterlijk binnen de zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring, tenzij het faillissement eerder wordt afgesloten, is er in artikel 72bis Fail.W. voor de natuurlijke personen, die zich kosteloos zeker stelden voor de gefailleerde, geen vervaltermijn voorzien om hun verklaring neer te leggen waarin zij bevestigen dat hun verbintenis niet in verhouding is met hun inkomsten en hun patrimonium, althans voor zover het faillissementsvonnis dateert van na de inwerkingtreding van de Wet van 20 juli
  9. Conform de overgangsbepalingen van deze wet, meer bepaald artikel 10, was er voor de faillissementen, die nog niet afgesloten waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van de Wet van 20 juli 2005, wel degelijk een vervaltermijn voorzien. ‘Anderzijds is de tekst van artikel 72bis en 80 Faill.W. duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Er kan enkel geoordeeld worden over de bevrijding van persoonlijke zekerstellers die daartoe een verklaring hebben neergelegd. Waar de wetgever het nodig vond het artikel 24bis Faill.W., zoals ingevoerd bij artikel 3 van de Wet van 20 juli 2005 te wijzigen en aan te vullen bij artikel 7 van de Wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, bleef de tekst van artikel 72bis en 80 Faill.W. ongewijzigd. In de oorspronkelijke versie van artikel 24bis Faill.W. was de tenuitvoerlegging ten laste van de kosteloze persoonlijke zekersteller geschorst vanaf het vonnis van faillietverklaring tot aan de sluiting van het faillissement. De woorden "tot aan de sluiting van het faillissement" zijn thans geschrapt en bovendien is aan artikel 24bis Faill.W. een zin toegevoegd: "... Wanneer de persoonlijke borg door de rechtbank niet volledig van zijn verplichting is ontslagen, verkrijgen de schuldeisers opnieuw het recht om individueel een vordering op zijn goederen in te stellen ...". Volgens de memorie van toelichting bij de Wet van 20 juli 2006 had de wetgever met die wetswijziging de bedoeling een gebrek aan incoherentie te verhelpen in één van de bepalingen die waren aangenomen in het kader van de Wet van 20 juli 2005, die betrekking had op de bevrijding van de persoonlijke borgen van de gefailleerde. In de mate er van uitgegaan werd dat de rechtbank zich pas moest uitspreken over de bevrijding bij sluiting van het faillissement was er sprake van incoherentie. Die incoherentie ontstond pas nadat de wetgever, ingevolge de goedkeuring van een aantal amendementen, de mogelijkheid invoerde van vervroegde bevrijding, zodat de beslissing nopens de bevrijding en het einde van de opschorting van de middelen van tenuitvoerlegging niet noodzakelijk meer samen vielen. De memorie stelt dat het ontwerp van wijziging ertoe strekt dit samengaan opnieuw in te voeren. De dringende noodzakelijkheid van die rechtzetting vindt, steeds volgens de memorie, haar oorsprong in de aanzienlijke en onrechtvaardige financiële gevolgen die voor de betrokkenen uit die situatie kunnen voortvloeien (Parlementaire Handelingen, Doe. 51 2518/001 (2005/2006). Het was inderdaad onlogisch in eenzelfde wet enerzijds de mogelijkheid tot vervroegde uitspraak nopens de bevrijding van de zekersteller te voorzien en anderzijds te bepalen dat elke tenuitvoerlegging tegen de zekersteller geschorst bleef tot aan de sluiting van het faillissement. ‘Niettemin blijft het een feit dat noch artikel 72bis, noch artikel 80 Faill.W. werden gewijzigd en dat er bijgevolg aan de persoonlijke zekersteller geen termijn wordt opgelegd voor het neerleggen van zijn verklaring. Daar waar de overgangsregeling in artikel 10, 30 van de Wet van 20 juli 2005 een strikte termijn bepaalde voor de neerlegging van de verklaring, zijnde vijf maanden na de inwerkingtreding of tot zeven januari 2006, bevat de algemene regeling geen termijnbepaling. In principe is de neerlegging van de verklaring tot aan de sluiting van het faillissement dus mogelijk. Uit de tekst van artikel 80, zesde lid Fail.W. volgt dat, zolang de kosteloze zekersteller geen verklaring heeft afgelegd, er geen vervroegde uitspraak kan worden gedaan. Bij gebrek aan een verklaring van de zekersteller, zal de schuldeiser, die wel zijn verklaring neerlegde, bijgevolg de sluiting van het faillissement moeten afwachten om de niet-bevrijding te horen vaststellen. In de huidige stand van de wetgeving is het dus niet mogelijk vervroegd uitspraak te doen nopens de bevrijding van de persoonlijke zekersteller, zolang deze persoonlijke zekersteller de verklaring, bedoeld in artikel 72bis en 72ter Faill.W., niet heeft neergelegd. Er anders over oordelen zou betekenen dat een wettelijke voorwaarde om uitspraak te kunnen doen over de bevrijding van de persoonlijke zekersteller wordt miskend. ‘Zoals de persoonlijke zekersteller een belang zou kunnen hebben bij zijn vervroegde bevrijding omdat de verbintenissen voortvloeiende uit de zekerstelling op dat ogenblik niet in verhouding zijn met zijn inkomsten en met zijn patrimonium, kan het omgekeerde ook het geval zijn, namelijk dat de persoonlijke zekersteller liever wacht omdat hij op dat ogenblik niet in aanmerking zou komen voor bevrijding. Daardoor worden de rechten van de schuldeiser niet noodzakelijk gefnuikt, aangezien artikel l24bis Faill.W. de schuldeiser niet de mogelijkheid ontneemt om de nodige bewarende maatregelen te nemen lastens de vermogende zekersteller in afwachting van een uitspraak nopens de bevrijding. De persoonlijke zekersteller kan ook nog om een andere reden belang hebben bij een uitstel. Hij kan namelijk de vereffening van het faillissement afwachten in de hoop dat de schuldvordering, waarvoor hij zich zeker stelde, aangezuiverd wordt. Niets belet de rechter trouwens zelf de uitspraak nopens de bevrijding of niet bevrijding van de persoonlijke zekersteller uit te stellen tot de afsluiting van het faillissement, indien er aanwijzingen bestaan dat de schuld, gewaarborgd door een kosteloze persoonlijke zekerstelling, geheel of gedeeltelijk zal kunnen worden aangezuiverd in het kader van de vereffening van het faillissement. ‘De rechtbank kan dus alleen maar vaststellen dat de voorwaarden om vervroegd uitspraak te doen nopens de niet-bevrijding van de persoonlijke zekersteller in casu niet vervuld zijn bij gebreke aan de verklaring van de zekersteller conform artikel 72bis en 72ter Faill.W.'.
  10. Beoordeling 2.
  11. Het Hof stelt vast dat het hoger beroep van EUROPABANK NV geen vordering inhoudt tegenover P.L., de curator en de rechter-commissaris van het faillissement P. L. en het Openbaar Ministerie. Zij zijn geen betrokken partij in hoger beroep. De curator en de rechter-commissaris van het faillissement P. L. evenmin als het Openbaar Ministerie waren trouwens partij in het bestreden vonnis. 2.
  12. EUROPABANK NV betrok AREMAS NV en CENTEA NV wel - en dit terecht - bij haar hoger beroep. AREMAS NV en CENTEA NV waren ook voor de eerste rechter betrokken partij; als schuldeisers die overeenkomstig artikel 63, 2de lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997 opgave hadden gedaan van de persoonlijke zekerheidstelling door C.D. voor de schuldvordering waarvan zij aangifte in het faillissement P. L. hadden gedaan, werden zij overeenkomstig artikel 80, 3de lid van de faillissementswet opgeroepen om gehoord te worden over de bevrijding van C.D.. Waar de bevrijding tegenover meerdere persoonlijke zekerheidstellers van elkaar kunnen afgescheiden worden en geen onsplitsbaar geding is, geldt dit wel voor het geding die de bevrijding van (één van) de persoonlijke zekerheidsteller betreft. Tegenover alle schuldeisers die overeenkomstig artikel 63, 2de lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997 opgave hebben gedaan van de persoonlijke zekerheidstelling door C.D., moet de rechtbank van koophandel zich uitspreken over de bevrijding en de mate waarin de schuldeisers eventueel hun vordering nog verder zouden kunnen verhalen. De vordering van één schuldeiser om nog vóór de afsluiting van het faillissement P. L. uitspraak te doen over de bevrijding van C.D., die zich persoonlijk zeker heeft gesteld voor de kredieten die P.L. bij EUROPABANK NV heeft bekomen, kan overeenkomstig artikel 753, lid 4 van het gerechtelijk wetboek niet toegelaten worden, wanneer één van de schuldeisers die overeenkomstig artikel 80, 3de lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997 in raadkamer moeten gehoord worden, niet overeenkomstig artikel 753, lid 1 en 751, § 1, tweede lid van het gerechtelijk wetboek werd verwittigd van de zitting waarop arrest zal gevorderd worden. Het Hof stelt vast dan aan deze voorwaarden tegenover AREMAS NV niet werd voldaan, zodat de vordering van EUROPABANK NV en CENTEA NV in deze stand niet kan toegelaten worden. 2.
  13. Er dringt zich evenwel geen heropening van de debatten op, waar het Hof in hoofde van C.D. als echtgenote van de gefailleerde, geen reden onderkent om haar het voordeel van de opschorting van uitwinning te ontnemen vooraleer de rechtbank van koophandel zich zal uitgesproken hebben over de bevrijding van haar echtgenoot/gefailleerde. De echtgenote die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van haar echtgenoot/gefailleerde, wordt - van rechtswege - overeenkomstig artikel 82, lid 2 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 van die verplichting bevrijd, indien haar echtgenoot/gefailleerde bevrijd wordt. Zij wordt immers ook samen met de gefailleerde op de gemeenschappelijke goederen door de curator uitgewonnen. Zij moet dan ook niet om haar bevrijding verzoeken. De wet voorziet niet in de mogelijkheid, dat de rechter vóór de afsluiting van het faillissement van haar echtgenoot al uitspraak zou doen over haar bevrijding. BESLUITEN Het Hof verklaart - op tegenspraak en gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken - het hoger beroep van EUROPABANK NV ontvankelijk, maar ongegrond. Het bevestigt het bestreden vonnis, waar het vaststelde dat er geen aanleiding was voor een uitspraak over de vervroegde bevrijding van C.D.. Het verwijst EUROPABANK NV en CENTEA NV in de gedingkosten, die het aan de zijde van C.D. begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 1.200 EUR. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door A. Ferdinande, griffier en uitgesproken door de kamer-voorzitter in openbare terechtzitting op tien maart tweeduizend en acht. A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele H. Debucquoy Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.