← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080402.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HB

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921), op de artikelen 1, 2, 11, 15, 26 bis 1 ° en 4° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931), buiten de aankoop of, het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, onder bezwarende titel of om niet, verdovingsmiddelen, te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd, namelijk het zogenaamde product cocaïne dat substanties bevat die onder de wetenschappelijke benaming cocainum opgenomen zijn in artikel 1, nr 19 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930, terzake te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd aan meerderjarige personen. 1. Met de omstandigheid dat ze daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging in de hoedanigheid van leidend persoon (art.

§§ 1, 4b en 5 Wet 24.02.1921).

B. Bij inbreuk op de artikelen 1,

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921), op de artikelen 1, 2, 11, 26 bis 1 ° en 4° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931), buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, onder bezwarende titel of om niet, verdovingsmiddelen, in bezit te hebben gehad of aangeschaft, namelijk het zogenaamde product cocaïne dat substanties bevat die onder de wetenschappelijke benaming cocainum opgenomen zijn in artikel 1, nr 19 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930, terzake te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd aan meerderjarige personen. 1. Met de omstandigheid dat ze daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging in de hoedanigheid van leidend persoon (art.

§§ 1, 4b en 5 Wet 24.02.1921).

C. Bij inbreuk op de artikelen 1,

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921), op de artikelen 1, 2, 3 al.1,11, 26 bis 1 ° en 4° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931)., zonder voorafgaande vergunning vanwege de Minister van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid, verdovingsmiddelen te hebben ingevoerd, namelijk het zogenaamde product cocaïne dat substanties bevat die onder de wetenschappelijke benaming cocainum opgenomen zijn in artikel 1, nr 19 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930, terzake te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd aan meerderjarige personen. 1. Met de omstandigheid dat ze daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging in de hoedanigheid van leidend persoon (art.

§§ 1, 4b en 5 Wet 24.02.1921).

D. Bij inbreuk op de artikelen 1,

§ 1

, 4 (§§ 1 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921), op de artikelen 1, 2, 5 al. 1, 11, 26 bis 1 ° en 4° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931), zonder voorafgaande vergunning vanwege de Minister van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid, verdovingsmiddelen te hebben uitgevoerd, namelijk het zogenaamde product cocaïne dat substanties bevat die onder de wetenschappelijke benaming cocainum opgenomen zijn in artikel 1, nr 19 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930, terzake te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd aan meerderjarige personen. 1. Met de omstandigheid dat ze daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging in de hoedanigheid van leidend persoon (art.

§§ 1, 4b en 5 Wet 24.02.1921).

E. Leidend persoon te zijn geweest van een criminele organisatie zoals bedoeld in art.324 bis van het Strafwetboek Met de omstandigheid dat de verdachte in staat van wettelijke herhaling verkeert, aangezien het nieuwe misdrijf gepleegd werd nadat hij veroordeeld werd op 07.07.2000 bij vonnis van de correctionele rechtbank te Gent tot een gevangenisstraf van 3 jaar en een geldboete van 2000 Bef wegens bezit, invoer en uitvoer van verdovende middelen als deelneming aan de daden van een vereniging, vonnis dat kracht van gewijsde had op het ogenblik van de nieuwe feiten, voordat vijf jaren zijn verlopen sinds de datum waarop hij zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is. Met de omstandigheid dat de verdachte in staat van bijzondere herhaling verkeert, aangezien de feiten werden gepleegd binnen de vijf jaar na een veroordeling wegens overtreding van de wet van 24.2.1921 of van de besluiten ter uitvoering ervan, nI. na het in kracht van gewijsde getreden vonnis dd. 07.07.2000 van de correctionele rechtbank te Gent waarbij hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 3 jaar en een geldboete van 2000 Bef wegens bezit, invoer en uitvoer van verdovende middelen als deelneming aan de daden vaneen vereniging Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 19° correctionele Kamer, not.nr. 60.41.102732102, dd. 22 januari 2007 op tegenspraak en op verzet gewezen werd, toepassing makend van artikel 65 Sw., als volgt beslist Verklaart het verzet toelaatbaar. Beschouwt de veroordelingen uitgesproken in hoofde van P.M. bij vonnis bij verstek van deze rechtbank en kamer d.d. 19 december 2005 voor niet bestaande en wijst wat hem betreft opnieuw ten gronde: Veroordeelt de opposant P.M. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen Al, B1, Cl, D1 en E, allen qepleeqd in staat van bijzondere en wettelijke herhalinq, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van TWAALF JAAR en een GELDBOETE van TIENDUIZEND ( euro 10.000) EURO. Verhoogt de geldboete met veertig opdecimes, aldus gebracht op VIJFTIGDUIZEND EURO. Beveelt dat bij gebreke van betaling binnen de termijn bepaald bij art. 40 van het Strafwetboek, de geldboete zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf van DRIE MAANDEN. Zegt dat de opposant verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EURO, verhoogd met 45 opdeciemen, aldus gebracht op HONDERD ZEVENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdrage tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Veroordeelt de opposant M.P. in de kosten van het eerste vonnis en in al de door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en betekening van het vonnis, ten bate van de Staat, begroot op 91.065,02 EURO, waarvan 90.884,68 EURO HOOFDELIJK met een medebeklaagde in het verstekvonnis, het verstek aan de opposant te wijten zijnde. Legt de veroordeelde M.P. eveneens een vergoeding op van VIJFENTWINTIG EURO in uitvoering van artikel 71 van de wet van 28 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 tot wijziging van artikel 91 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd door K.B. 24.12.1993 en bij K.B. 11.12.

  1. Verklaart verbeurd overeenkomstig art. 42.1° Sw de overtuigingsstukken neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank te Gent onder nummer 2002 4707, eigendom van de opposant en een medebeklaagde en gediend hebbend om de misdrijven te plegen. - Beveelt de overmaking aan het openbaar ministerie van de overtuigingsstukken neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank te Gent onder nummers 2003 2160 2003 4923 2003 5587 2003 5588 2003 5589 2003 5590 2003 5591 2003 5592 2003 5593 2003 5594, om te handelen als naar recht. Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld: 1) op 1 februari 2007 door de beklaagde; 2) op 1 februari 2007 door het Openbaar Ministerie. Gehoord in openbare terechtzitting van 5 december 2007 in de Nederlandse taal, waarbij de zaak in haar geheel werd hernomen met de huidige samenstelling van deze kamer: - de beklaagde in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door Meester Kristiaan Vandenbussche, advocaat te Gent, door wie hij werd vertegenwoordigd; - mevrouw Annemie Serlippens, Substituut Procureur des Konings te Gent, in haar vordering. Procesrechtelijk De door de beklaagde alsook door het Openbaar Ministerie op 1 februari 2007 tegen het op tegenspraak en op verzet gewezen vonnis van de 19° Kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent zetelend in correctionele zaken dd. 22 januari 2007 ingestelde hoger beroepen zijn regelmatig naar tijd en vorm. . Elk hoger beroep is ontvankelijk. Deze zaak werd naar de Correctionele rechtbank te Gent verwezen bij beschikking, verleend door de Raadkamer te Gent op 14 september 2005, na aanneming van verzachtende omstandigheden. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het verzet van de beklaagde tegen het verstekvonnis verleend door de 19° kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent van 19 december 2005 terdege ontvankelijk was, zodat de eerste rechter de veroordelingen uitgesproken bij het voormeld verstekvonnis terecht voor niet bestaande heeft gehouden. De verjaring van de strafvordering is op heden niet ingetreden. Kwalificaties De in het bestreden vonnis op verzet opgenomen kwalificaties A, B, C en D inzake de drugwet, zoals vervat in de verwijzingsbeschikking, zijn op zich correct, doch dienen vervolledigd te worden daar deze geen enkele melding maken van de meerdere wijzigende wetsbepalingen, die aan de basis liggen van de erin opgesomde artikelen en dit als volgt In elke kwalificatie dient telkens na de Wet van 24.2.1921 te worden vermeld : " zoals laatst gewijzigd bij wetten van 4 april 2003 en 3 mei 2003"; tevens dient in elke kwalificatie telkens na het K.B. van 31.12.1930 ... te worden vermeld : " zoals laatst gewijzigd bij K.B. van 16 mei 2003 (B.S. 2.6.2003)'. In zoverre de strafvordering ontvankelijk zou zijn en in zoverre de feiten, voorwerp van deze kwalificaties, bewezen zouden worden geacht, zal toepassing dienen te worden gemaakt van het artikel 2, lid 2 Strafwetboek. Strafrechtelijk Ontvankeliikheid van de strafvorderinq
  2. In eerste aanleg Het Hof is van oordeel dat de eerste rechter op correcte gronden, verwoord sub 4.3.5., het verzoek tot uitstel dat door de verdediging was geformuleerd tijdens de verzetsprocedure heeft afgewezen en de zaak ten gronde kon behandelen. Artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 bepaalt immers expliciet : " Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een Overeenkomstsluitende Partij is berecht, kan door een andere Overeenkomstsluitende Partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten..." Uit het zittingsblad van 15 januari 2007 bleek dat de Procureur des Konings te Gent had toegelicht dat de opposant de verkorte uitleveringsprocedure niet had aanvaard. Er werd aan zijn raadsman geen tweede uitstel verleend, met verwijzing naar het belang van het rechtspreken binnen een redelijke termijn (een recht dat gewaarborgd is door het artikel 6 E.V.R.M.), gezien aan de verdediging reeds een uitstel was verleend op de terechtzitting van 27 november
  3. De eerste rechter was weliswaar op de hoogte van de quasi gelijktijdige behandeling van de zaak door het Hooggerechtshof te Madrid, doch kon zonder het artikel 54 SUO te schenden rechtsgeldig beslissen om de zaak te behandelen en op verzet te vonnissen, gezien er op het ogenblik waarop het vonnis door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent werd verleend, nog geen einduitspraak was te Madrid. De regelgeving vervat in het artikel 54 SUO vormde op 22 januari 2007, tijdstip van het thans bestreden vonnis op verzet, geen enkel beletsel om de beklaagde/opposant strafrechtelijk te veroordelen.
  4. in graad van hoger beroep 2.
  5. Probleemstelling In graad van hoger beroep is de probleemstelling veel pertinenter P.M., de huidige beklaagde/appellant, werd inmiddels bij vonnis van het Hooggerechtshof te Madrid dd. 19 februari 2007 veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar en één dag en tot een geldboete van euro 11.200.000,00 meer de betaling van vijf/elfde deel van de kosten. Uit het voor dit Hof neergelegde stukkenbundel, nl. uit het attest van de Griffie van het Hooggerechtshof te Madrid dd. 29 mei 2007, blijkt tevens dat het vonnis van het Hooggerechtshof te Madrid dd. 19 februari 2007 kracht van gewijsde heeft verkregen en dat het onherroepelijk vonnis wordt uitgevoerd. De beklaagde zit deze gevangenisstraf uit in het penitentiair centrum te Madrid V. Het Openbaar Ministerie heeft zijn vordering in graad van hoger beroep, rekening houdend met dit vaststaand gegeven, deels aangepast en vordert alsnog een effectieve gevangenisstraf van drie jaar, al dan niet gekoppeld aan een geldboete. Het Openbaar Ministerie stelt dat er wel eenheid van opzet kan zijn met de feiten waarvoor de beklaagde in Spanje is veroordeeld, doch dat de onderliggende strafbare feiten verschillend kunnen zijn van de strafbare feiten, die door hem in België werden gepleegd. Daarbij beklemtoont het Openbaar Ministerie vooral de feiten, voorwerp van de tenlastelegging E, waarbij de beklaagde vervolgd wordt uit hoofde van een leidend persoon te zijn geweest van een criminele organisatie zoals bedoeld in het artikel 324 bis Strafwetboek. Dit vergt een feitelijke appreciatie door dit Hof. De verdediging bepleit daarentegen om de strafvordering onontvankelijk te verklaren overeenkomstig het artikel 54 SUO. 2.
  6. 1 n rechte Het Hof van Cassatie had bij arrest van 5 oktober 2004, AR P.04.0265.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.9, met conclusie van Advocaat-generaal Timperman o.m. de volgende voor de huidige zaak relevante prejudiciële vraag gesteld aan het H.v.J.E.G. : " Moet het artikel 54 SUO, gelezen in samenhang met het artikel 71 SUO, aldus worden uitgelegd dat strafbare feiten van bezit ter fine van uitvoer en invoer, die betrekking hebben op dezelfde verdovende middelen en psychotropische stoffen van enige aard, cannabis inbegrepen, en die respectievelijk als uit- en invoer vervolgd worden in verschillende landen die de Schengenuitvoeringsovereenkomst hebben ondertekend of waar het Schengen-acquis uitgevoerd en toegepast wordt, beschouwd als "dezelfde feiten" zoals bedoeld in het vermelde artikel 54" ? Op 9 maart 2006 heeft de Tweede Kamer van het Europees Hof van Justitie arrest uitgesproken in deze zaak (L.H.V.E., C-436/04, Jur. H.v.J. 2006, 1-2333, §§ 25-42). Daarin verklaarde het Hof van Justitie voor recht het volgende "Artikel 54 van deze Overeenkomst moet aldus worden uitgelegd dat: - het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang; - strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen waarvoor in verschillende staten die partij zijn bij deze overeenkomst, vervolging is ingesteld, in beginsel dienen te worden beschouwd als "dezelfde feiten" in de zin van artikel 54, maar het aan de bevoegde nationale instanties is om dit uiteindelijk te beoordelen." Op basis van hoger aangehaald arrest van het H.v.J.E.G. heeft het Hof van Cassatie bij arrest van 16 mei 2006 het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, in zoverre het de beklaagde V.E. veroordeelde op de rechtsgrond dat zijn veroordeling in Noorwegen vervolging en veroordeling in België niet in de weg staat, niet naar recht verantwoord geacht. Voornoemde rechtspraak werd nogmaals bevestigd, ditmaal door de Eerste Kamer van het Hof van Justitie in het arrest van 28 september 2006 in de zaak V.S. (C-150/05, Jur. H.v.J. 2006, 1-9327, §§ 40-53). Net als in V.E. handelde deze zaak over grensoverschrijdende drugsmisdrijven, waarbij de betrokkene in verschillende lidstaten vervolgd werd. In deze laatste zaak waren de strafbare feiten niet geheel gelijklopend. Het H.v.J. herhaalt bijna woordelijk de hoger aangehaalde principes uit de zaak V.E., doch voegt er in deze zaak aan toe dat wat drugsdelicten betreft, het niet vereist is dat de hoeveelheden drugs in de twee staten of de van deelneming aan de feiten in de twee staten verdachte personen, gelijk zijn. De bevoegde nationale instanties dienen na te gaan of de in twee staten vervolgde strafbare feiten van uitvoer en invoer van verdovende middelen, die niet geheel gelijk zijn qua hoeveelheden, al dan niet een geheel van feiten vormen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn ( cfr. N.C. 2007 nummer 1, blz. 39-45 en noot : S. DEWULF: Het Hof van Justitie over "bis" en "idem" in V.S. en G., ibidem blz.53 nr.5). Het Hof van Cassatie had bij arrest van 6 september 2005, AR P.05.0583.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.4, met conclusie van Advocaat-generaal Timperman opnieuw voor de huidige zaak relevante prejudiciële vragen gesteld aan het H.v.J.E.G. in de zaak K. (cfr.RABG 2008/1, blz.39-40 nr.20). In het arrest van 18 juli 2007 oordeelde de Tweede Kamer van het Hof van Justitie het volgende (dl RABG 2008/1, b)z.36 nr.68; N.C.2007 nummer 6 b(z.41 5 nr.36) : "Artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, ondertekend te Schengen (Luxemburg) op 19 juni 1990, moet aldus worden uitgelegd dat: - het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, onafhankelijk van de juridische kwalificatie van deze feiten of van het beschermde rechtsbelang; - verschillende feiten, met name bestaande in, enerzijds, het in een overeenkomstsluitende staat voorhanden hebben van geldsommen afkomstig uit handel in verdovende middelen, en anderzijds het omzetten in wisselkantoren in een andere overeenkomstsluitende staat van geldsommen die eveneens afkomstig zijn uit dergelijke handel, niet als „dezelfde feiten" in de zin van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord zijn aan te merken enkel op grond dat de bevoegde nationale rechterlijke instantie vaststelt dat die feiten door hetzelfde misdadig opzet verbonden zijn; - het aan die nationale instantie staat om te beoordelen of de mate van gelijkheid en van verbondenheid van alle feitelijke omstandigheden die moeten worden vergeleken, van dien aard is dat gelet op bovengenoemd relevant criterium kan worden vastgesteld dat het om „dezelfde feiten" in de zin van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord gaat." Op basis van dit hoger aangehaald arrest van het H.v.J.E.G. heeft het Hof van Cássàtie bij *arrest van 27 november 2007 het bestreden arrest van dit Hof , achtste kamer, anders samengesteld, van 15 maart 2005 vernietigd, in zoverre de beklaagde N.K. wordt veroordeeld, stellende dat uit het arrest van het Hof van Justitie blijkt dat de verwijzing in artikel 71 SUO naar de bestaande verdragen van de Verenigde Naties (in casu artikel 36.2.a.i--en ii van het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake de verdovende middelen, opgemaakt op 30 maart 1961 te New York) niet aldus mag begrepen worden dat zij in de weg staat aan de toepassing van het in artikel 54 SUO neergelegde beginsel ne bis in idem. Het Hof van Cassatie oordeelde voor het overige dat de vaststellingen van de appelrechters m.b.t. het bestaan van een eenheid van opzet tussen de in België gepleegde witwasdelicten en dezelfde misdrijven gepleegd in Nederland niet toelaten te oordelen in welke mate deze feiten al of niet kunnen worden aangemerkt als "dezelfde feiten" in de zin van artikel 54 SUO, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. 2.
  7. Ten gronde Aan de hand van de hoger uiteengezette interpretatie door de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en door het Hof van Cassatie van de artikelen 54 en 71 SUO dient thans in concreto te worden nagegaan of de initieel ontvankelijke strafvordering na de uitspraak van het Hooggerechtshof te Madrid van 19 februari 2007 alsnog voortgang kan vinden. De huidige strafvervolging viseert in hoofde van de beklaagde eenzelfde feitengeheel, dat reeds het voorwerp was van de Spaanse strafprocedure. Dit blijkt uit de bewoordingen van het vonnis nr.6/07, verleend door het Spaanse Hooggerechtshof te Madrid, strafkamer, vierde afdeling, van 19 februari 2007, dat door het Openbaar Ministerie ter terechtzitting van 5 december 2007 (met eensluidende vertaling) werd neergelegd. Hieruit blijkt: - dat de thans geïncrimineerde feiten zich in eenzelfde tijdsperiode afspelen, nl.: van 1 januari 2002 tot en met 23 mei 2003; - dat aan deze feiten identieke voorbereidingshandelingen zijn voorafgegaan (contacten met dezelfde Spaanse leden van de organisatie, contacten met dezelfde leveranciers uit Zuid-Amerika, gebruik van dezelfde marmerfirma als dekmantel in België, dezelfde testzendingen vanuit Zuid-Amerika naar de haven van Antwerpen); - dat het transport van cocaïne (293,6 kg)verborgen in een granietblok, dat door de Spaanse politie na een gerichte observatie werd onderschept in Iles Medes, waar het bedrijf "M.R.", eigendom van J.R.S gevestigd is, identiek hetzelfde transport betreft dat vertrok vanuit Ecuador naar Antwerpen en van Antwerpen naar Reus (Spanje). Het lijdt geen twijfel dat de integrale hoeveelheid cocaine, ingevoerd vanuit Ecuador in België via de haven van Antwerpen (tenlastelegging C) en naderhand uitgevoerd met eindbestemming Spanje (tenlastelegging D) aangekocht werd (tenlastelegging B) met het oog op verkoop via de afzetmarkt gelegen in Spanje. (tenlastelegging A). Al deze tenlasteleggingen zijn verbonden door eenheid van opzet in de zin van het artikel 65 lid 1 Strafwetboek. Het is ook niet zonder belang te vermelden dat de beklaagde vanuit Spanje op 8 mei 2003 samen met zijn echtgenote reeds naar België vertrok en dat hij in codetaal gedurende zijn verblijf in België telefonisch inlichtingen doorgaf aan G.L.A., de vertegenwoordiger van de Zuid-Amerikaanse organisatie in Spanje i.v.m. de grote lading die zou ontscheept worden in Antwerpen. Hij kwam ook gelijktijdig met de lading opnieuw naar Spanje, waar hij samen met T.B. werd aangehouden. Al deze in België gepleegde misdrijven, waarvoor de beklaagde in eerste aanleg werd veroordeeld, maken echter over de landsgrenzen heen deel uit van de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet, nu de feiten, gepleegd in Spanje onlosmakelijk verbonden zijn met de feiten, gepleegd op het Belgisch grondgebied. Zij vormen één enkele strikt georganiseerde illegale drugstrafiek. Al deze feiten in globo beschouwd, worden door het Hof dan ook aanzien als dezelfde feiten in de zin van het artikel 54 SUO, op basis waarvan de beklaagde definitief werd bestraft door het Hooggerechtshof te Madrid. Daarbij rijst de vraag of de verzwarende omstandigheid, verbonden aan elk van deze tenlasteleggingen, alsook de tenlastelegging E in hoofde van de huidige beklaagde, zijnde daden van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging in de hoedanigheid van leidend persoon van een criminele organisatie, zoals bedoeld in het artikel 324bis Strafwetboek, eveneens de toetsing aan het criterium van ne bis in idem - beginsel kunnen doorstaan. Het Hof verwijst voor het bestaan van een criminele organisatie en de leidinggevende rol van de beklaagde naar de pertinente motieven zoals verwoord door de eerste rechter sub 4.3.6.op het 16° en 170 blad van het bestreden vonnis. De beklaagde verbleef lange tijd in Spanje; was diegene die internationaal actief was en meerdere reizen maakte naar Zuid-Amerika ; de geldstromen gebeurden langs hem om, wat ook blijkt uit de resultaten van de rogatoire commissie met Spanje (OKI 0 st. 126). Het Hof verwijst wat dit aspect betreft tevens naar de overwegingen van het vonnis van het Hooggerechtshof te Madrid op de bladzijden 38-
  8. Uit deze overwegingen blijkt enerzijds het gezamenlijk optreden van de Spaanse en de Zuidamerikaanse burgers versus anderzijds T.B., de vriend van de huidige beklaagde en het bundelen van hun krachten om de drugs in Spanje te laten aankomen. Er staat tevens letterlijk _dat vanaf het moment dat P.M. aanvaardt om mee te helpen met de invoer van cocaïne in Spanje, hij de persoon is die, op materieel vlak, het directe gewicht vormt in de onderhandelingen met de drie sectoren, nl. de groep van de organisatie in Spanje, de Zuid-Amerikaanse groep die hen van de substantie zal bevoorraden en warvan enkel G.L.A. berecht wordt, en de vertrouwenspersoon van P. die als legale en materiële dekmantel fungeert voor het verbergen van de drugs, en de reeds vernoemde T.B....". Op blz.45 van het vonnis van het Hooggerechtshof te Madrid wordt tevens expliciet (cfr. vertaling) gesteld : " Gelet op de bewijzen tijdens de plenaire zitting lijdt het niet de minste twijfel dat de hier veroordeelden deel uitmaakten van het netwerk van een organisatie.... de groep van personen die hier berecht werden was constant met elkaar verbonden, via verschillende van de leden en dan voornamelijk M.D., P.M. en G.L.A. ; welnu in de groep van de beschuldigden kan geen onderscheid gemaakt worden tussen chefs en ondergeschikten, maar enkel tussen verschillende functies, alhoewel ze in werkelijkheid allemaal als missie hadden om de drugs te verdelen eenmaal die op Spaans grondgebied zou aankomen..." Allen werden uiteindelijk veroordeeld als "crimineel aansprakelijke daders", met als enig onderscheid qua strafmaat een zwaardere bestraffing voor diegenen die in staat van recidive verkeerden. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het Hooggerechtshof te Madrid in zijn overwegingen heeft gewezen op het bestaan en het handelen van de diverse beklaagden in het licht van een vereniging en tevens de uiterst gewichtige rol van de beklaagde in deze criminele organisatie in feite en in rechte heeft beoordeeld. Het feit dat geen aparte juridische kwalificatie was voorzien als leidend persoon is dan ook niet langer relevant. Besluitvorming Het Hof stelt derhalve vast : - dat de beklaagde onherroepelijk op basis van deze illegale drugstrafiek van cocaïne is veroordeeld door het vonnis van het Hooggerechtshof te Madrid van 19 februari 2007; - dat dit vonnis daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, gezien de beklaagde in uitvoering van dit vonnis opgesloten is te Madrid ; - dat de beklaagde in België vervolgd werd voor dezelfde drugsfeiten, vervat in deze buitenlandse veroordeling, die met hetzelfde misdadig opzet zijn begaan, in het kader van een criminele organisatie, waarin hij een belangrijke rol speelde. Het Hof besluit dat verdere rechtsvervolging in graad van hoger beroep op grond van artikel 54 SUO onmogelijk is geworden door deze tussengekomen buitenlandse veroordeling, nu zowel Spanje als België tot deze Overeenkomst zijn toegetreden, resp. op 25 juni 1991 en op 31 maart 1993 (B.S.15.10.1993). De kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, dienen ten laste van de Staat te worden gelegd. OP DEZE GRONDEN, het Hof, rechtdoende op. tegenspraak Gelet op - de artikelen 13 en 24 van de Wet van 15 juni 1935 ; - de artikelen 185, 190, 194, 210 en 211 Wetboek van Strafvordering ; - de artikelen door de eerste rechter aangehaald inzake de drugwet, zoals laatst gewijzigd bij wetten van 4 april en 3 mei 2003 en bij K.B.van 16 mei 2003 ; - de artikelen 54 en 71 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985; al deze wetsbepalingen aangehaald op de terechtzitting van heden ; Vervolledigt de tenlasteleggingen A, B, C en D zoals in het motiverend gedeelte vermeld onder "kwalificaties " door toevoeging van de meest recente wijzigende wetsbepalingen ; Verklaart elk hoger beroep ontvankelijk en erover beslissend: Stelt vast dat P.M. bij vonnis van 19 februari 2007 door het Hooggerechtshof te Madrid werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar en één dag en tot een geldboete van euro 11.200.000,00 meer de betaling van vijf/elfde deel van de kosten; Stelt vast dat de feiten, voorwerp van de strafprocedure op basis waarvan de beklaagde bij voormeld vonnis door het Hooggerechtshof te Madrid werd veroordeeld, een onlosmakelijk geheel van feiten vormen, verbonden door eenheid van opzet met de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A, B, C, D en E, op basis waarvan in België vervolging was ingesteld en dat deze feiten dezelfde zijn als de feiten vervat in de eerstvermelde veroordeling ; Zegt voor recht dat, bij toepassing van artikel 54 SUO, de lastens de beklaagde rechtsgeldig ingestelde strafvervolging geen voortgang meer kan vinden ingevolge de inmiddels tussengekomen definitieve veroordeling door het Hooggerechtshof te Madrid op 19 februari 2007 die daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd. Legt de kosten, in beide aanleggen gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, ten laste van de Staat. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN ACHT. Aanwezig : I. Mallems Raadsheer wnd.-Voorzitter, M. Ryde en M. De Busscher, Raadsheren, L. Decreus, Advocaat-generaal, M. Schittecatte, e.a. Adjunct-griffier. . Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060516.9 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071127.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.