id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 19 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080519.2 Rolnummer: 2006/AR/2695 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2008-06-03 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 17:30 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht Vrije woorden: Auteursrecht (auteursrecht m.b.t. stads-TV -- format voor TV) Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ________ Terechtzitting van 19-05 2008 Nr. 2006/AR/2695 ------------------------- in de zaak van :
- B.V.B.A. TAS, met maatschappelijke zetel te 8500 Kortrijk, Zwevegemstraat 192, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nr. 136.757 en met ondernemingsnummer 0456.465.667,
- J.D.B., appellanten, hebbende als raadsman mr. Alex Trappeniers, advocaat met kantoor te 3140 Keerbergen, Achiel Cleynhenslaan 32, tegen
- V.Z.W. WESTVLAAMSE TELEVISIE REGIO ZUID, met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, Kwadestraat 151 B en met ondernemingsnummer 0431.247.746,
- N.V. REGIONALE MEDIA MAATSCHAPPIJ, afgekort RMM, met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, Kwadestraat 151 B en met ondernemingsnummer 0475.952.274, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Tillo Mestdagh, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, Doorniksewijk 66,
- V.Z.W. FOCUS TELEVISIE, met maatschappelijke zetel te 8400 Oostende, Koningstraat 104 en met ondernemingsnummer 0448.696.363, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Rita Slabbinck, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, Koningstraat 104 bus 8, velt het Hof volgend arrest : I . Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Bestreden beslissing: het vonnis van de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk (05/1258/A) van 11 juli
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 26 oktober
- Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
- De overblijvende betwisting betreft de vragen of: 1) de B.V.B.A. Tas (hierna ‘Tas') en / of de heer D.B. over een auteursrecht beschikken met betrekking tot de stads-TV die door de geïntimeerde partijen gemaakt en uitgezonden wordt; 2) zo ja, één of meerdere geïntimeerden dit auteursrecht geschonden hebben door gelijkaardige uitzendingen te maken met derden.
- De eerste rechter zette de feiten correct uiteen. Het Hof verwijst ernaar (pp. 2 - 3 van het bestreden vonnis).
- De eerste rechter verklaarde de vordering ongegrond omdat de format voor het TV-programma volgens hem niet in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming bij gebrek aan originaliteit. III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
- De B.V.B.A. Tas en de heer D.B. werpen de volgende grief op: het bestreden vonnis faalt in feite en in rechte waar het verwerpt dat 1) de heer D.B. de auteur is van de televisieformat van de stads-TV, zoals neergelegd in hun stuk 1; 2) de format auteursrechtelijke bescherming verdient. Tas en de heer D.B. herhalen hun oorspronkelijke vordering. Zij vorderen op grond van artikel 1382 B.W. een schadevergoeding wegens het maken en uitzenden van het programma door WTV en Focus TV, wat een inbreuk uitmaakt op de morele en patrimoniale auteursrechten van appellanten.
- De V.Z.W. Focus Televisie (hierna "Focus TV"), de V.Z.W. Westvlaamse Televisie Regio Zuid (hierna "WTV Zuid") en de N.V. Regionale Media Maatschappij (hierna "RMM") vragen de bevestiging van het bestreden vonnis. IV. Beoordeling Het concept en de ‘format' van stadstelevisie - algemeen
- Een concept of idee is niet vatbaar voor bescherming op grond van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (hierna "Auteurswet"). Om beschermd te kunnen worden op grond van die wet is een vorm vereist. Een ‘format', die Tas en de heer D.B. ook omschrijven als een scenario (p. 8 van hun conclusie), kan een concrete vormgeving zijn van een idee. Een creatie verkrijgt bescherming op grond van de Auteurswet wanneer het werk een eigen vormgeving vertoont, die verwijst naar de persoon van de maker ervan en de uitdrukking is van zijn of haar intellectuele inspanning. Deze intellectuele inspanning verleent een werk zijn individueel karakter waardoor een schepping ontstaat (zie o.a. Cass., 27 april 1989, Cass., 25 oktober 1989 en Cass., 2 maart 1993, alle te vinden via www.cass.be; Brussel, 1 februari 2002, A.J.T., 2001-2002, 748; Gent, 15 november 2001, onuitgegeven). Noodzakelijk onderscheid tussen de gemaakte televisieprogramma's en de format
- In hun verzoekschrift en conclusie in hoger beroep maken Tas en de heer D.B. niet steeds voldoende het onderscheid tussen de bestaande uitzendingen, die beide gedurende de 3 jaren dat de overeenkomst uitgevoerd werd, gemaakt hebben en de format op zichzelf, waarvan de heer D.B. ook het auteurschap opeist. Dit is onder meer het geval met betrekking tot punt 2c op p. 14 van de beroepsconclusie van de heer D.B. en Tas. Met betrekking tot de gemaakte uitzendingen, waarop Tas en D.B. eventueel een auteursrecht in de zin van de Auteurswet zouden kunnen laten gelden, hebben zij afstand gedaan van hun morele en vermogensrechtelijke aanspraken op grond van artikel 6 van de overeenkomst. Artikel 6 is als volgt omschreven: "De heer J.L.D.B. verklaart aangesloten te zijn bij de auteursvereniging SABAM. Hij verklaart uitdrukkelijk ten aanzien van de opdrachtgevers geen enkele aanspraak te maken op welke vergoeding ook uit hoofde van auteursrechten m.b.t. de producties die zullen worden aangemaakt in het kader van deze overeenkomst. Hij verklaart ervan op de hoogte te zijn dat de opdrachtgevers het programma "TREFPUNT", voorwerp van deze overeenkomst, laten aanmaken met afstand van rechten ten aanzien van de opdrachtgevende gemeenten en steden, zodat hij dan ook ten aanzien van deze steden en gemeenten geen aanspraak maakt op enige vergoeding uit hoofde van auteursrechten, onder voorbehoud van zendrechten, kabelrechten en reproductierechten die kunnen gevraagd worden ten aanzien van derden.". Voor zover de vordering betrekking heeft op de format, het scenario zelf, wordt hierna geoordeeld. Het is onvoldoende bewezen dat de heer D.B. de auteur is van de format (en dat hij zijn vermogensrechtelijke rechten overdroeg aan de B.V.B.A. Tas)
- Terecht werpen WTV Zuid, Focus TV en RMM op dat de heer D.B. en Tas niet de auteur zijn van de format op basis waarvan de programma's ‘Trefpunt' en ‘Kiosk' gemaakt zijn. Minstens is dit auteurschap niet bewezen. - De drie geïntimeerde partijen bewijzen naar genoegen van recht dat in 1999 de regionale omroep TV Limburg reeds voor de stad Genk een programma maakte, waarbij informatie verschaft werd over de Stad en waarbij soms de burger zelf aan het woord gelaten werd (stuk 6 van het dossier van geïntimeerden). De heer D.B. en Tas weerleggen ook niet dat er voor het najaar 2001 al een televisieprogramma bestond dat de werking van de provincie voor de burger uiteen zette - zij het dat in het kader van dit dossier niet is aangetoond welk scenario precies gevolgd werd voor dat programma. - Geen enkel element uit de dossiers ondersteunt de bewering van Tas en de heer D.B. dat zij naar de televisiezenders gestapt zijn en dat zij dus het initiatief genomen hebben voor stadstelevisie bij Focus TV en WTV Zuid - De bewoordingen en de inhoud van de overeenkomst die partijen afsloten op 24 oktober 2001 bevestigen het voorgaande. Artikel 1 bepaalt: "De opdrachtgevers [huidige geïntimeerden] zijn in het najaar gestart op de regionale zenders Focus en WTV met de uitzending van een informatief programma "TREFPUNT" waarbij aan de steden en gemeenten en gebeurlijk andere overheden een wekelijkse zendtijd ter beschikking gesteld wordt met het oog op de communicatie van deze overheden met de burger. De opdrachtgevers zijn akkoord om de productie van deze uitzending toe te vertrouwen aan B.V.B.A. T/A/S en aan de heer L. D.B. als regisseur.". Artikel 2 schrijft voor: "B.V.B.A. T/A/S en de heer J.L. D.B. verbinden er zich toe in te staan voor de realisatie van het programma "TREFPUNT" op de regionale zenders WTV en Focus. Hun opdracht omvat volgende aspecten: A. Voorbereidende werkzaamheden · ruggensteun bij de opstart van het programma met inbegrip van de aanmaak van een nulnummer, dat zowel voor de opdrachtgevende overheden als voor de zenders aanvaardbaar is; · aanmaak van programma intro, buffer, eindgeneriek, pancartes, trailers en tune; · camera - anchor training B. Periodieke werkzaamheden · denktank en supervisie bij elke beeldopname en montage; · planning en tijdsbewaking m.b.t. de realisaties; · selectie van de muziek (...) · nagaan of interactie met andere locale communicatie-kanalen tot de mogelijkheden behoort". In artikel 3 is overeen gekomen: "De opdrachtgevers verlenen exclusiviteit aan B.V.B.A. T/A/S in de persoon van de heer D.B. voor het uitvoeren van deze opdracht. ...". Uit deze afspraken blijkt dat Tas en de heer D.B. belast waren met een uitvoerende opdracht. Enkel in de beginfase was de opdracht ruimer. Nergens kan uit afgeleid worden dat het scenario voor de televisieprogramma's een creatie van de heer D.B. was, dat terug te brengen is tot zijn persoon en zijn intellectuele inspanning. Ook uit artikel 6 kan niet afgeleid worden dat de heer D.B. op de één of andere manier auteur is van het algemene scenario dat ten grondslag ligt aan de uitzendingen. In artikel 6 wordt enkel gesproken over de auteursrechten van de programma's die de heer D.B. en Tas zullen maken in uitvoering van de overeenkomst. - De sequens die op de eerste pagina van de werknota beschreven wordt (stuk 1 van het dossier van appellanten) toont geen intellectuele inspanning die naar de persoon van de heer D.B. verwijst en die een eigen vormgeving uitmaakt. Het gaat om "intro programma, verwelkoming anchor, buffer met reportagetitel, reportage, anchor met tussenpresentatie voor de ‘kijkersvraag', kijker stelt in beeld een vraag aan zijn / haar stadsbestuur, geanimeerde pancarte met antwoord stadbestuur of bevoegde dienst, afkondiging anchor + vermelding teletekstpagina's, website, ... + vermelding volgende uitzending en eindgeneriek met identificatiegegevens (vb e-mail WTV). Deze programma opbouw lijkt veeleer standaard te zijn, ook al in
- Het voorgaande geldt ook voor de volgende bladzijden van de werknota. Van een oorspronkelijk werk is geen sprake. Het is niet omdat de nota vrij gedetailleerd weergeeft wat het scenario is en volgens welk stramien gewerkt zal worden, dat het om een oorspronkelijk werk gaat, waaruit de intellectuele inspanning van de heer D.B. blijkt. Bovendien is niet aangetoond dat deze werknota inderdaad geheel van de hand van de heer D.B. zou zijn en niet het geschreven verslag vormt van een vergadering tussen alle betrokken partijen, waarbij niet meer kan aangetoond worden wie welk idee geopperd heeft en waarbij het resultaat niet de vrucht is van de intellectuele inspanning van de heer D.B. waardoor het naar zijn persoon verwijst. - Tas en de heer D.B. tonen niet aan dat zij de format, of het nu onder de vorm van stuk 1 van hun dossier of onder een andere vorm is, gedeponeerd hebben bij SABAM en of het daar is ingeschreven. De heer D.B. en Tas beroepen zich op het Angelsaksische copyright teken, dat op zijn werknota - denkoefening is aangebracht om het auteursrecht op te eisen. Zij verwijzen naar artikel 3,§1 van de Auteurswet, dat het onder meer heeft over de beroepsgebruiken, om het auteursrecht over de format op te eisen. Artikel 3, § 1 van de Auteurswet bepaalt het volgende: "De vermogensrechten zijn roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of gedeeltelijke overdracht, volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Zij kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht. Ten aanzien van de auteur worden alle contracten schriftelijk bewezen. De contractuele bedingen met betrekking tot het auteursrecht en de exploitatiewijzen ervan moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp dat een werk omvat, leidt niet tot het recht om het werk te exploiteren; met het oog op de uitoefening van zijn vermogensrechten moet de auteur op een redelijke manier toegang tot zijn werk behouden. Voor elke exploitatiewijze moeten de vergoeding voor de auteur, de reikwijdte en de duur van de overdracht uitdrukkelijk worden bepaald. De verkrijger van het recht moet het werk overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken exploiteren. De overdracht van de rechten betreffende nog onbekende exploitatievormen is nietig, niettegenstaande enige daarmee strijdige bepaling.". Uit deze bepaling kan in deze zaak niet afgeleid worden dat het gebruik van het copyright teken, op een nota, die door geen der geïntimeerde partijen is ondertekend en evenmin door één der appellanten en waarvan de dossiers niet toelaten te oordelen of deze al dan niet aan één of meerdere der geïntimeerden werd overgemaakt, één of beide appellanten auteursrechten verschaft heeft. - Uit het loutere feit dat de heer D.B. (en eventueel Tas) gedurende 3 jaren programma's gemaakt hebben, kan hun auteursrecht op de format niet afgeleid worden. De heer D.B. en Tas argumenteren dat de heer D.B. gedurende de 3 jaren dat de overeenkomst uitgevoerd werd, "in de praktijk beslist heeft hoe zijn format er op de televisie zou gaan uitzien, doordat hij als scenarist, regisseur en artistiek producer integraal het programma creëerde" (p. 10 van de conclusie van appellanten). Zijn bijdrage zou niet gestopt zijn bij het louter bedenken en uitwerken van de inhoud en de vorm van zijn format. Deze bewering is te weinig concreet om een bewijs van auteurschap te kunnen opleveren. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat niet bewezen is dat het oorspronkelijke scenario van de hand van de heer D.B. is. Het is nu aan de hand van de dossiers ook niet mogelijk uit te maken of en welke verdere evolutie de programma's doorgemaakt hebben en in welke mate dat zou te wijten geweest zijn aan de eigen intellectuele inspanning van de heer D.B..
- Gelet op al het voorgaande wordt niet verder ingegaan op de overige middelen en argumenten van partijen. Het bestreden vonnis wordt bevestigd, zij het met een enigszins verschillende motivering. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden appellanten tot betaling van de kosten veroordeeld. De hoofdeis is deels een vordering die niet in geld waardeerbaar is en deels een vordering tot betaling van een schadevergoeding, die voorlopig geraamd is op euro 25.200 en euro 6.
- De basis rechtsplegingvergoeding voor vorderingen tussen de euro 20.000 en euro 40.000 bedraagt euro 2.
- Dit bedrag wordt aan de drie geïntimeerden gezamenlijk toegekend, nu zij een gelijklopend belang hebben en door één raadsman verdedigd worden en zij niet ter zitting verschenen zijn. V. Beslissing Het hoger principaal beroep is toelaatbaar, maar ongegrond. Het Hof: - bevestigt het bestreden vonnis, zij het met een enigszins andere motivering; - veroordeelt appellanten tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: geïntimeerden gezamenlijk: rechtsplegingvergoeding: euro 2.000 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door A. Ferdinande, griffier en uitgesproken door de kamer-voorzitter in openbare terechtzitting op negentien mei tweeduizend en acht. getekend: A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele H. Debucquoy Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.