← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080613.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 13 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080613.6 Rolnummer: 2006/AR/3100 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-06-30 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 17:39 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - CONSUMENTENRECHT - NATIONAAL RECHT - Consumentenkrediet - Kredietovereenkomst Vrije woorden: Krdietovereenkomst -- opeisbaarstelling -- wederbeleggingsvergoeding -- patronaatsverklaring -- geldigheid -- resultaatsverbintenis Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ________ Terechtzitting van 16-06 2008 Nr. 2006/AR/3100 ----------------------- in de zaak van : N.V. KBC BANK, appellante, hebbende als raadsman mr. Pol Tanghe, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, Mercatorlaan 17a, tegen

  1. B.V.B.A. BDI-CONSTRUCT,
  2. K.V.
  3. G.D. geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Gerard Soete, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 8 bus 1, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
  4. Appellante heeft op 15 december 2006 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het door de derde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 13 oktober 2006 gewezen vonnis in de zaak AR A/3618/
  5. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, alsook de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg
  6. Met een kredietbevestigingsbrief van 14 april 1999 stond appellante aan de B.V.B.A. B.D.I. DESIGN, thans B.V.B.A. BDI CONSTRUCT, een krediet toe van 148.736,11 EUR. Deze kredietbrief bevat volgend "bijzonder beding" : "De akkoordverklaring van de bank is slechts van toepassing mits de onherroepelijke verbintenis van de heer en mevrouw K.V. - D.G. het aansprakelijke vermogen van de vennootschap te allen tijde minstens te bepalen op 25% van het balanstotaal. Onafhankelijk hiervan verbinden de heer en mevrouw K.V. - D.G. zich, indien de kredietaanvragende vennootschap haar betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de haar toegestane kredietlijnen, om welke reden ook, niet zou kunnen nakomen, de vennootschap onmiddellijk te voorzien van de nodige gelden teneinde deze in staat te stellen aan deze verplichtingen te voldoen." Bij aangetekend schrijven van 10 augustus 2005 heeft appellante het krediet van de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT zonder voorbericht opgezegd. De heer en mevrouw K.V. - D.G. werden bij aangetekend schrijven van diezelfde datum in kennis gesteld van de kredietopzeg en meteen in gebreke gesteld om hun verbintenis na te komen. Vermits geen vergelijk mogelijk bleek nam appellante het initiatief tot de procedure waarbij zij van de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT betaling vorderde van een bedrag van 79.238,92 EUR, meer intresten en gedingkosten. Ten aanzien van de heer en mevrouw K.V. - D.G. vorderde appellante aanvankelijk enkel dat het tussen te komen vonnis hen gemeen en tegenstelbaar zou worden verklaard. Nadat de heer en mevrouw K.V. - D.G. bij tegeneis vorderden dat voor recht zou worden gezegd dat zij niets aan appellante verschuldigd waren, en B.V.B.A. BDI CONSTRUCT verder te kennen gaf dat zij de vordering niet kon voldoen, breidde appellante haar oorspronkelijke vordering uit tot een solidaire veroordeling van de heer en mevrouw V. - D. tot hetgeen van de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT werd gevorderd.
  7. Het bestreden vonnis :

(1)veroordeelde de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT tot het gevorderde, evenwel met herleiding tot de wettelijke rentevoet van de verwijlintresten vanaf de opzeg van het krediet tot de dagvaarding, alsook van de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding,
(2)wees de vordering tot veroordeling van de heer en mevrouw V. - D. af als ongegrond en stelde op tegeneis vast dat zij geen verbintenissen ten aanzien van appellante hadden opgenomen,
(3)veroordeelde B.V.B.A. BDI CONSTRUCT tot de gedingkosten. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
  1. Appellante kan zich niet verzoenen met de herleiding van de gevorderde rentevoet, alsook met de afwijzing van haar vordering ten aanzien van de heer en mevrouw V. - D. en het dictum dat zij uit hoofde van het aan BVBA DBI CONSTRUCT toegestane krediet geen verbintenissen ten overstaan van appellante hebben aangenomen. 4.
  2. Appellante die erop wijst dat de wederbeleggingsvergoeding en de verwijlintresten elk een eigen en van elkaar te onderscheiden schade slaan, is van oordeel dat zij wel degelijk aanspraak kan maken op de conventionele verwijlrente die geenszins overdreven voorkomt. 4.
  3. Appellante is verder van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte vaststelde dat de in hoofde van de heer en mevrouw V. - D. aangehaalde verbintenis niet bewijskrachtig was. Zij wijst erop dat het door de heer en mevrouw V. - D. in de kredietbrief ondertekend "bijzonder beding" een zogenaamde patronaatsverklaring betreft die als persoonlijke zekerheid een resultaatsverbintenis uitmaakt. Vermits - aldus nog appellante - het beloofde resultaat niet werd bereikt, is zij naar haar oordeel gerechtigd de heer en mevrouw V. - D. bij wijze van een vordering tot uitvoering bij equivalent aan te spreken. Nog volgens appellante maakt deze patronaatsverklaring een verbintenis uit eenzijdige wilsuiting uit waarop artikel 1325 B.W. en ook artikel 1326 B.W. niet van toepassing zijn, welke bepalingen door de eerste rechter dan ook ten onrechte in aanmerking werden genomen. 4.
  4. Appellante vordert dan ook de vernietiging van het eerste vonnis in de mate waarin het werd bestreden en de hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden tot betaling van een bedrag van 83.762,06 EUR, meer de moratoire en de gerechtelijke intresten vanaf 06/03/2006, berekend aan de basisrentevoet van het kaskrediet verhoogd met 5% op een bedrag van 74.424,04 EUR, en meer de gedingkosten.
  5. BVBA BDI CONSTRUCT sluit zich aan bij de overwegingen die de eerste rechter ertoe brachten om de conventionele verwijlrente tot de wettelijke rentevoet te herleiden, en vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De heer en mevrouw V. - D. betwisten de door appellante voorgehouden persoonlijke verbintenis te hebben aangegaan en besluiten dat appellante over geen enkel vorderingsrecht beschikt. Zij houden verder voor dat voor zover de kredietbrief van 14 april 1999 een wederkerige overeenkomst dan wel een onderhandse belofte mocht bevatten, deze in elk geval niet voldoen aan de respectievelijke voorschriften van artikel 1325 en 1326 B.W., hetgeen de eerste rechter naar hun mening terecht vaststelde. De heer en mevrouw V. - D. laten verder gelden dat wanneer appellante met hen een overeenkomst wou afsluiten waarbij zij enige verbintenis aangingen, het aan appellante toekwam om de terzake geëigende stukken op te maken, hetzij onder de vorm van een wederkerige overeenkomst, hetzij onder de vorm van een onderhandse belofte, hetzij onder de vorm van een overeenkomst van borgstelling; wat niet het geval is. Nog volgens de heer en mevrouw V. - D. blijkt uit niets dat zij zich in eigen naam akkoord zouden hebben verklaard met de inhoud van de kredietbrief, laat staan dat zij ermee zouden hebben ingestemd om bepaalde in de kredietbrief omschreven verbintenissen op te nemen. Om diezelfde reden maakt de kredietbrief naar hun oordeel ook geen begin van bewijs door geschrift uit dat kan worden aangevuld met getuigen en vermoedens. Overigens, aldus nog de heer en mevrouw V. - D., is de door appellante ingeroepen verbintenis nietig bij gebrek aan bepaalbaar voorwerp (artikel 1129 B.W.). Zij zijn het niet eens met de eerste rechter die het tegendeel aannam, en kanten zich tevens tegen de impliciete stellingname van de eerste rechter als zou B.V.B.A. BDI CONSTRUCT hen kunnen verplichten om de ontbrekende gelden aan haar te betalen. Wat dit laatste punt betreft stellen zij incidenteel beroep in. De heer en mevrouw V. - D. wijzen er verder op dat het "bijzonder beding" in de kredietbrief niet als een beding ten behoeve van een derde kan worden bestempeld De door appellante ontwikkelde argumentatie met betrekking tot de zogenaamde patronaatsverklaring wijzen de heer en mevrouw V. - D. als niet terzake dienend van de hand om reden dat hoe dan ook elk bewijs van een door hen in eigen naam aangegane verbintenis ontbreekt. Tenslotte zijn de heer en mevrouw V. - D. van oordeel dat appellante ernstig is tekort gekomen aan haar elementaire verbintenis om, bij het toestaan van een krediet, klare en duidelijke informatie te verschaffen zo omtrent het voorwerp van het krediet als omtrent de waarborgen. Zij houden voor dat op geen enkel ogenblik werd meegedeeld dat er van hen een persoonlijke verbintenis verwacht werd, dat er nooit werd gesproken van een waarborg en hen evenmin een ontwerp van overeenkomst of van een eenzijdige verbintenis werd voorgelegd. Zij bestempelen de handelwijze van appellante als precontractueel foutief en zelfs bedrieglijk. Dergelijk foutief handelen noopt naar hun mening tot schadevergoeding die in casu bestaat in de uitwissing van de rechtsgevolgen die bij hypothese uit de zogenaamde eenzijdige verbintenis voortvloeien. De B.V.B.A. BDI CONSTRUCT en de heer en mevrouw V. - D. vorderen dan ook : - de afwijzing van het principaal hoger beroep, - de inwilliging van hun incidenteel beroep en aldus te horen zeggen voor recht dat een vordering van B.V.B.A. BDI CONSTRUCT ten aanzien van hen, zoals door de eerste rechter impliciet aanvaard, onbestaande is, - de verdere bevestiging van het bestreden vonnis, behoudens waar het B.V.B.A. BDI CONSTRUCT veroordeelde tot betaling van de aan de zijde van de heer en mevrouw V. - D. gevallen gedingkosten. Beoordeling
  6. Zoals hiervoor vermeld kan appellante zich vooreerst niet verzoenen met de door de eerste rechter doorgevoerde herleiding van de nalatigheidsintresten, die conventioneel werden gelijkgesteld met de basisrentevoet voor kaskrediet, verhoogd met een marge van 5%. Volgens de laatst neergelegde besluiten van appellante evolueerde deze nalatigheidsintrest over de periode van juni 2003 tot juni 2007 van 11,80% naar 13,80%. 6.
  7. Het is ongetwijfeld correct dat ingeval van een daadwerkelijk uitgevoerde vervroegde terugbetaling de schade die appellante lijdt volledig gedekt is door de conventioneel vastgestelde wederbeleggingsvergoeding. De vaststelling dat deze wederbeleggingsvergoeding in de algemene voorwaarden wordt omschreven als een vergoeding voor het renteverlies dat de bank lijdt door de vervroegde terugbetaling hoeft niet te verwonderen. Zoals appellante terecht opmerkt is de wederbeleggingsvergoeding immers bedoeld om, naast andere kosten die met de vervroegde beëindiging en de herbelegging gepaard gaan, de kredietgever te vergoeden voor de improductiviteit van het geleend kapitaal gedurende de tijdspanne tussen de vervroegde terugbetaling en het vinden van een nieuwe investering voor de geleende fondsen. De begroting van de wederbeleggingsvergoeding in artikel 36.
  8. van de algemene voorwaarden, waarbij enkel rekening wordt gehouden met de op het krediet toepasselijke rentevoet en niet met de conventionele nalatigheidsintrest die in geval van opzegging van toepassing is, beantwoordt aan voormeld uitgangspunt. 6.
  9. De wederbeleggingsvergoeding dekt evenwel niet volledig de schade van appellante wanneer na de vervroegde opeisbaarstelling van het krediet de daadwerkelijke terugbetaling ervan uitblijft. De schade die appellante lijdt door het uitblijven van de eisbare schuld wordt vergoed door de voormelde conventionele nalatigheidsintresten. Deze conventionele nalatigheidsintresten en de wederbeleggingsvergoeding hebben elk de vergoeding van een andere schade op het oog. De eerste rechter kan dan ook niet worden bijgetreden waar hij de in artikel 17 van de algemene voorwaarden van appellante bedongen nalatigheidsintrest als een strafbeding kwalificeert. Deze bepaling houdt enkel een toegelaten conventionele afwijking in van artikel 1153 B.W. dat als vergoeding voor de vertraging in de betaling de wettelijke intrest voorziet. Dit evenwel onverminderd de bevoegdheid van de rechter om overeenkomstig artikel 1153 laatste lid B.W. de als schadevergoeding wegens vertraging in de betaling bedongen intrest, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij ambtshalve te herleiden indien deze intrest de ten gevolge van de vertraging geleden schade kennelijk te boven gaat. 6.
  10. Rekening houdend met de voor het termijnkrediet op 4,25% op jaarbasis vastgestelde rentevoet, gaat de door appellante gevorderde conventionele nalatigheidsintrest, die op 13 juni 2007 reeds 13,80% bedroeg, de ten gevolge van de vertraging in de betaling geleden schade kennelijk te boven en werd deze door de eerste rechter terecht tot de wettelijke rentevoet herleid. Het hoger beroep van appellante komt op dit punt dan ook ongegrond voor. Het bestreden vonnis wordt terzake bevestigd, zij het op andere gronden.
  11. Overeenkomstig de artikelen 1315 B.W. en 870 Ger.W. rust op appellante de bewijslast van het bestaan van de voorgehouden resultaatsverbintenis waarvan hij de uitvoering bij equivalent vordert. Terzake beroept appellante zich uitsluitend op de kredietbrief van 14 april 1999 en het daarin opgenomen "bijzonder beding". Hieromtrent stelde de eerste rechter reeds het volgende vast : De rechtbank stelt vast dat op dat stuk alle bladzijden zijn geparafeerd door [de heer en mevrouw V. - D.] en onderaan de laatste bladzijde de volledige handtekening van [de heer en mevrouw V. - D.] is aangebracht met geschreven vermelding "voor akkoord" en daaronder "voor BDI, zaakvoerder". Helemaal onderaan volgt nog een tweede maal de volledige handtekening van [de heer en mevrouw V. - D.] zonder enige nadere bepaling. Daarenboven is het "bijzonder beding" op blz. 2 van deze brief, waar [de heer en mevrouw V. - D.] zich verbinden om de vennootschap van voldoende geld te voorzien om haar verplichtingen ten laste van [appellante] te kunnen uitvoeren, eveneens voorzien van de volledige handtekening van [de heer en mevrouw V. - D.]." Het Hof treedt deze vaststellingen - die in volledig in overeenstemming zijn met de voormelde kredietbrief van 14 april 1999 - volledig bij. Uit voormelde vaststellingen blijkt naar het oordeel van het Hof dat de heer en mevrouw V. - D. ten onrechte blijven voorhouden dat zij in eigen naam geen verbintenissen ten aanzien van appellante hebben aangegaan. Zij hebben zowel in hun hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA BDI CONSTRUCT als in eigen naam niet enkel de kredietbrief ondertekend, maar ook naast het "bijzonder beding", waarbij zij in eigen naam verbintenissen opnamen, hun handtekening geplaatst. Hun argumentatie dat wanneer appellante met hen een overeenkomst wou afsluiten waarbij zij persoonlijk enige verbintenis aangingen, het aan appellante toekwam om de terzake geëigende stukken op te maken, hetzij onder de vorm van een wederkerige overeenkomst, hetzij onder de vorm van een onderhandse belofte, hetzij onder de vorm van een overeenkomst van borgstelling komt niet relevant voor. In hoofde van appellante bestaat geen dergelijke verplichting en zoals zij terecht opmerkt is de kredietbrief van 14 april 1999 een instrumentum waarin enerzijds de wederzijdse verbintenissen tussen appellante en de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT en anderzijds de door de heer en mevrouw V. - D. in eigen naam aangegane verbintenissen zijn opgenomen. Ook hun argumentatie dat op geen enkel ogenblik werd meegedeeld dat er van hen een persoonlijke verbintenis verwacht werd, dat er nooit werd gesproken van een waarborg en hen evenmin een ontwerp van overeenkomst of van een eenzijdige verbintenis werd voorgelegd, kan bij gebrek aan enig bewijs of aanbod daartoe niet in aanmerking worden genomen. De rechter kan immers niet steunen op de beweringen van een partij in haar eigen zaak, tenzij deze door andere gegevens of verdere vermoedens worden gestaafd, wat hier niet het geval is. (Cass. 17.04.1989, RW. 1989/90, pg. 401). In dit verband stelt het Hof integendeel vast dat uit niets blijkt dat de heer en mevrouw V. - D. de briefwisseling van appellante van 10 en 16 augustus 2005 waarbij uitdrukkelijk werd verwezen naar hun krachtens het bijzonder beding opgenomen verbintenissen, tot uitvoering waarvan zij daarenboven werden aangemaand, ooit hebben tegengesproken. Meteen staat ook vast dat louter op grond van deze niet nader bewezen bewering hoe dan ook geen precontractuele tekortkoming, laat staan bedrog in hoofde van appellante kan worden weerhouden.
  12. Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat de voormelde kredietbrief, in de verhouding tussen appellante en de heer en mevrouw V. - D. en de door deze laatste opgenomen verbintenissen, geen wederkerige overeenkomst uitmaakt. Terecht merkt appellante op dat zij enkel aan de BVBA BDI CONSTRUCT krediet heeft verstrekt en geen enkele verbintenis en/of verplichting ten aanzien van de heer en mevrouw V. - D. heeft opgenomen als tegenprestatie voor de door laatstgenoemden krachtens het "bijzonder beding" aangegane verbintenissen. Het is niet omdat de bank bereid is om aan de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT krediet toe te staan op voorwaarde dat het bijzonder beding door de heer en mevrouw V. - D. wordt onderschreven, dat zij een verbintenis tegenover laatstgenoemden opnemen. Dit leidt meteen tot de vaststelling dat de kredietbrief, die in de verhouding tussen appellante en de heer en mevrouw V. - D. geen wederkerige overeenkomst bevat, niet onderworpen is aan de formele vereisten van artikel 1325 B.W.. Ook in de verhouding tussen appellante en de BVBA BDI CONSTRUCT is artikel 1325 B.W. niet van toepassing vermits het om een handelskrediet gaat. Het bestreden vonnis kan dan ook niet worden bijgetreden waar het besluit dat de kredietbrief strijdt met de bepalingen van artikel 1325 B.W..
  13. Ook in de mate dat de eerste rechter nog vaststelt dat de kredietbrief van 14 april 1999 niet voldoet aan de formele vereisten van artikel 1326 B.W., kan dit evenmin worden bijgetreden. Vooreerst heeft artikel 1326 B.W enkel betrekking op eenzijdige verbintenissen die de betaling van een geldsom of een waardeerbare zaak tot voorwerp hebben, en is deze bepaling niet van toepassing op eenzijdige verbintenissen met een ander voorwerp. De door de heer en mevrouw V. - D. blijkens het "bijzonder beding" opgenomen eenzijdige verbintenis om de BVBA BDI CONSTRUCT van de nodige gelden te voorzien om haar betalingsverplichtingen ten aanzien van appellante na te komen in het geval dat de BVBAB BDI CONSTRUCT in gebreke blijft, is pas dan onderworpen aan artikel 1326 B.W. als zij slaat op een belofte die een geldsom of een waardeerbare zaak tot voorwerp heeft; dit wil zeggen waarvan het bedrag of de hoeveelheid bekend is op het ogenblik van de verbintenis en door een cijfer kan worden uitgedrukt. Vermits de eenzijdige verbintenis van de heer en mevrouw V. - D. afhankelijk is van de handelwijze van de BVBA BDI CONSTRUCT, zodat het bedrag of de hoeveelheid ervan op het ogenblik van het aangaan ervan niet bekend was en niet door een cijfer kon worden uitgedrukt, kan ook artikel 1326 B.W. geen toepassing vinden. (Cass. AR 7913, 26 februari 1993 http://www.cass.be ; Arr. Cass. 1993, 230; , Bull. 1993, 220; , Pas. 1993, I, 220; , R. Cass. 1993, 94; R.W. 1993-94, 22.)
  14. De heer en mevrouw V. - D. houden verder ten onrechte voor dat de door appellante ingeroepen eenzijdige verbintenis nietig voorkomt bij gebrek aan bepaalbaar voorwerp. Ingevolge de artikelen 1108 en 1129 B.W. is voor de geldigheid van een overeenkomst vereist dat een bepaald voorwerp de inhoud van de verbintenis vormt en dat dit voorwerp bepaald of althans bepaalbaar is.Het voorwerp is bepaalbaar wanneer het aan de hand van de objectieve elementen van de verbintenis en de daaruit blijkende wil kan worden bepaald, zonder nieuwe tussenkomst van de partij(en).. (Cass. AR 8968, 21 februari 1991, http://www.cass.be ; Arr. Cass. 1990-91, 679; Bull. 1991, 604; Pas. 1991, I, 604.) Waar de heer en mevrouw V. - D. er zich toe hebben verbonden om, indien de BVBA BDI CONSTRUCT haar betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de kredietlijnen - om welke reden ook - niet zou nakomen, de vennootschap onmiddellijk van de nodige gelden te voorzien teneinde deze in staat te stellen aan deze verplichtingen te voldoen; staat het naar het oordeel van het Hof vast dat deze eenzijdige verbintenis een bepaalbaar voorwerp heeft in de zin van voormelde bepalingen.
  15. Voormelde eenzijdige verbintenis kwalificeert appellante terecht als een patronaatsverklaring die hier een persoonlijke zekerheidstelling van de heer en mevrouw V. - D. uitmaakt, nu deze verklaring erop gericht is om een bepaalde garantie te verschaffen aan een kredietverlener teneinde deze laatste te bewegen tot het verstrekken of handhaven van kredieten aan de verbonden (rechts)persoon. Deze eenzijdige verbintenis die ertoe strekt de BVBA BDI CONSTRUCT onmiddellijk van de nodige gelden te voorzien om aan haar verplichtingen tegenover appellante te voldoen, maakt onmiskenbaar een resultaats-verbintenis uit. De enkele vaststelling dat het resultaat niet werd bereikt en de heer en mevrouw V. - D. in gebreke zijn gebleven om de BVBA BDI CONSTRUCT onmiddellijk van de nodige gelden te voorzien, houdt een miskenning van de aangegane resultaatsverbintenis in. Op grond van deze vaststaande wanprestatie, waarvoor de heer en mevrouw V. - D. geen overmacht inroepen, laat staan bewijzen, maakt appellante terecht aanspraak op de uitvoering bij equivalent die haar moet plaatsen in de situatie waarin zij zich zou bevonden hebben indien er geen wanprestatie was geweest, indien de heer en mevrouw V.u - D.f hun verbintenis correct hadden uitgevoerd. De aanspraak die zij tegenover de heer en mevrouw V. - D. formuleert komt dan ook gegrond voor, hetgeen meteen de ongegrondheid van de oorspronkelijke tegenvordering inhoudt. Nu de kredietbrief van 14 april 1999 geen hoofdelijkheid voorziet en daartoe verder ook geen wettelijke basis voorhanden is, kunnen de heer en mevrouw V. - D. enkel in solidum met de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT tot betaling van de aan appellante verschuldigde bedragen worden veroordeeld.
  16. Zoals hiervoor onder randnummer 5 reeds vermeld, kanten de heer en mevrouw V. - D. zich tegen de impliciete stellingname van de eerste rechter als zou B.V.B.A. BDI CONSTRUCT hen kunnen verplichten om de ontbrekende gelden aan haar te betalen, en stellen zij daartoe incidenteel beroep in. Uit het bestreden vonnis blijkt dat de gewraakte impliciete stellingname enkel en alleen te situeren is binnen het kader van de door de eerste rechter gemaakte overwegingen om de vordering van appellante, voor zover gesteund op het beding ten behoeve van een derde, af te wijzen. Vermits het beding ten behoeve van een derde door appellante niet meer wordt ingeroepen en hiervoor reeds werd vastgesteld dat de heer en mevrouw V. - D. zich enkel ten aanzien van appellante hebben verbonden, is voormeld incidenteel beroep zonder voorwerp.
  17. Zonder dit uitdrukkelijk als een incidenteel beroep te bestempelen, komt de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT tenslotte nog op tegen het bestreden vonnis waar dit haar tot betaling van de aan de zijde van de heer en mevrouw V. - D. gevallen kosten veroordeelde. Deze opmerking komt terecht voor nu B.V.B.A. BDI CONSTRUCT voor de eerste rechter geen enkele hoofd- of tussenvordering tegen de heer en mevrouw V. - D. had ingesteld, en dan ook niet in de aan de zijde van laatstgenoemden gevallen kosten kon worden verwezen. De hiernavermelde hervorming van het bestreden vonnis als gevolg van de beoordeling van de vordering van appellante ten aanzien van de heer en mevrouw V. - D., komt aan deze terechte opmerking tegemoet zodat het Hof daarop niet verder ingaat. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep zonder voorwerp, Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat dit : - de hoofdvordering van appellante ontvankelijk verklaart, - B.V.B.A. BDI CONSTRUCT veroordeelt tot betaling aan appellante van de som van 77.357,28 EUR, te vermeerden met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 12 oktober 2005 tot de dag van de volledige betaling op een bedrag van 76.489,00 EUR, - de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk verklaart, Doet het bestreden vonnis voor het overige teniet en, opnieuw rechtdoende, Verklaart de hoofdvordering van appellante tevens gegrond ten aanzien van de heer en mevrouw V.K.oen - D.G. en veroordeelt laatstgenoemden om, in solidum met de B.V.B.A. BDI CONSTRUCT aan appellante te betalen de som van 77.357,28 EUR, te vermeerden met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 12 oktober 2005 tot de dag van de volledige betaling op een bedrag van 76.489,00 EUR, Wijst de oorspronkelijke tegenvordering van de heer en mevrouw V.K. - D.G. af als ongegrond, Veroordeelt B.V.B.A. BDI CONSTRUCT en de heer en mevrouw V.K. - D.G. in solidum tot de betaling van de aan de zijde van appellante gevallen kosten van de beide aanleggen, begroot op : Procedure in eerste aanleg : - dagvaarding : 341,14 EUR - rechtsplegingsvergoeding : 364,40 EUR Procedure in hoger beroep : - rolrecht : 186,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding : 3.000,00 EUR Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit H. Debucquoy, kamervoorzitter, G. Vanderstichele, raadsheer, G. De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door A. Ferdinande, griffier en uitgesproken door de kamer-voorzitter in openbare terechtzitting op zestien juni tweeduizend en acht. /getekend/ A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele H. Debucquoy Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.