← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080904.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080904.5 Rolnummer: Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 17:51 Fiche Eenmaal de echtscheiding op grond van art. 229 §1 BW definitief is, kan de in het kader van de echtscheidingsprocedure vastgestelde fout voor de rechter in kort geding worden ingeroepen ter afwijzing als ongegrond van een vordering tot het bekomen van een persoonlijke onderhoudsuitkering. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Dringende en voorlopige maatregelen Vrije woorden: Art. 1280 Ger.W.-voorlopige maatregelen echtscheiding - persoonlijke onderhoudsuitkering - grove fout Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de ter Kamer ________ Terechtzitting van 04 september 2008 ________ 2007/RK/318 - In de zaak van: P........... J..........., technisch ingenieur, wonende te ................................, appellant, hebbende als raadsman mr. TEINTENIER Lieve, advocaat te 9600 RONSE, Franklin Rooseveltplein 42/2, tegen: V.................... B....................., luidens de termen van het "verzoek tot hoger beroep" en van de "eerste conclusie in hoger be-roep" namens deze partij in het dossier van de rechtspleging gevoegd: wonende te ......................., luidens de termen van de "syntheseconclusie in hoger beroep" namens deze partij in het dossier van de rechtspleging gevoegd: .............................................., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BRABANT Peter, advocaat te 9600 RONSE, Fostierlaan 36, velt het hof het volgend arrest: De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking verleend op 11 oktober 2007 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Daarin werd gestatueerd over de gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting bij monde van hun raadslieden. De dossiers van de rechtspleging en de overgelegde stukken werden ingezien. de relevante feiten, de procedurevoorgaanden en de vorderingen

  1. De partijen huwden op 12 april 1974 zonder huwelijkscontract. Zij hebben twee uit hun huwelijk geboren kinderen. Deze zijn in-middels meerderjarig en niet meer te hunnen laste. Bij vonnis dat op 19 februari 2008 werd gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zevende kamer bis, werd, op vordering van de geïntimeerde, de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken op grond van art. 229 § 1 B.W. (onherstelbare ontwrichting van het huwelijk) (stuk III geïntimeerde). Dit vonnis werd betekend aan de appellant op 5 maart 2008 en is inmiddels in kracht van gewijsde getreden. De tegenvordering van de appellant tot het bekomen van een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding van 500 EUR per maand werd als niet gegrond afgewezen.
  2. In de bestreden beschikking werd de tegenvordering van de appellant tot het bekomen van een persoonlijke onderhoudsuitkering afgewezen als niet gegrond. Er werd overwogen dat de appellant deels zelf de verantwoorde-lijkheid draagt van zijn onvoldoende inkomen door zijn veelvuldig drankverbruik en dat hij anderzijds, als alleenwonende, meer invaliditeit- en werkloosheidsvergoeding zal ontvangen. Het werd billijk geacht dat de appellant, gelet op de kosten die hij zou hebben om te verhuizen, meubels te kopen, huurwaarborg te betalen, uit de gemeenschappelijke spaargelden een bedrag van 4.000 EUR zou ter beschikking worden gesteld. De beslissing over de kosten werd bij de grond van de zaak gevoegd. 3.
  3. Het hoger beroep had aanvankelijk betrekking op de voorlopige maatregelen inzake: - het afzonderlijk verblijf; - het gebruiksrecht van bepaalde goederen; - de inventarisering van de goederen afhangende van de huwgemeenschap en van de eigen goederen; - de persoonlijke onderhoudsuitkering, ondergeschikt het afhalen van een welomschreven bedrag van de gemeenschappelij-ke spaargelden. In zijn conclusies, neergelegd ter terechtzitting van 05 juni 2008, doet de appellant afstand van de vorderingen in hoger beroep behoudens deze met betrekking tot het persoonlijk onderhoudsgeld en de kosten van de procedure. De geïntimeerde ondertekende deze conclusies voor akkoord met de afstand. 3.
  4. De appellant betracht met zijn aldus beperkt hoger beroep de ge-intimeerde te doen veroordelen tot de betaling van een persoon-lijke onderhoudsuitkering van 500 EUR per maand, betaalbaar de eerste van de maand in handen van de appellant en dit vanaf de datum van de eerste beschikking (sic).
  5. De geïntimeerde concludeert tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het hoger beroep. Zij vordert te zeggen voor recht dat de voorafname door de ap-pellant van 4.000 EUR geen persoonlijke alimentatie uitmaakt. Ondergeschikt vraagt zij te zeggen voor recht dat de geïntimeerde hoogstens kan gehouden zijn tot het betalen van een persoonlijke onderhoudsuitkering van 100 EUR per maand gedurende maximaal vijf maanden. Tevens vordert de geïntimeerde de appellant te veroordelen tot de kosten van het geding. beoordeling het voorwerp en de ontvankelijkheid van het hoger beroep N.a.v. de behandeling van de zaak ter terechtzitting van het hof deed de appellant afstand van zijn vorderingen in hoger beroep behoudens wat betreft de persoonlijke onderhoudsuitkering. Deze afstand werd aanvaard door de geïntimeerde. Het tot de persoonlijke onderhoudsuitkering beperkt hoger be-roep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. De door de geïntimeerde ingeroepen exceptie van onontvankelijkheid wordt niet gestaafd en faalt naar recht. Er zijn evenmin ambtshalve in te roepen gronden van onontvankelijkheid. de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellant
  6. De beoordeling van de schuldvraag in het raam van art. 1280 Ger.W. is in beginsel irrelevant. Het komt de voorzitter rechtsprekend in kort geding en, in graad van hoger beroep, het hof van beroep niet toe om zich -recht-streeks dan wel onrechtstreeks- uit te spreken over de gegrond-heid van de echtscheidingsvordering, nu het uitsluitend aan de echtscheidingsrechter behoort om de grond van het geschil tus-sen de echtgenoten, namelijk de ingeroepen grieven, te beoordelen. De voorzitter en a fortiori het hof kan wèl rekening houden met de fout in hoofde van de onderhoudsschuldeiser indien hij over de vordering tot persoonlijke onderhoudsuitkering slechts uitspraak doet nadat de echtscheiding reeds bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis is uitgesproken. In dat geval rijst immers het probleem dat de voorzitter zou vooruitlopen op de beslissing van de echtscheidingsrechter aangaande het voorhanden zijn van fouten niet. Het Hof van Cassatie (Cass. 22 december 2006, T.Fam., 2007/1, 2) aanvaardt dat eenmaal de echtscheiding definitief is, de in het kader van de echtscheidingsprocedure vastgestelde fout voor de kortgedingrechter ingeroepen kan worden door de verwerende echtgenoot.
  7. In het nieuwe echtscheidingsrecht heeft een echtgenoot nog steeds de mogelijkheid om het wangedrag van de andere echtgenoot aan te voeren. Dit is dan niet langer om op die basis de echtscheiding als sanctie tegen hem te doen uitspreken, maar wèl om op grond daarvan het bewijs te leveren van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk (art. 229 § 1 B.W.). In casu kan de stelling die door de rechtspraak werd ontwikkeld onder het oude echtscheidingsrecht derhalve getransponeerd worden. Niets belet immers dit hof om rekening te houden met het wan-gedrag van de appellant als onderhoudsschuldeiser; wangedrag dat in het voormeld in kracht van gewijsde getreden echtscheidingsvonnis voor bewezen werd verklaard. In desbetreffend echtscheidingsvonnis werd immers overwogen wat volgt: ‘Eiseres kan de echtscheiding vorderen wanneer zij het bewijs levert van een onherstelbare ontwrichting van het huwelijk. Eiseres stelt dat verweerder te kampen heeft met een zware al-coholverslaving. Verweerder meent dat hij eerder te kampen heeft met andere medische problemen. Uit de voorgelegde stukken blijkt echter voldoende dat verweerder een zwaar alcoholprobleem heeft; er zijn niet alleen de foto's van de lege flessen, grotendeels sterke dranken, maar ook de medische stukken waaruit de alcoholproblematiek blijkt, ondermeer de opname hiervoor in het ziekenhuis. Dat er ook andere medische problemen zijn sluit het alcoholmisbruik niet uit. Overi-gens is er ook een attest inzake de kwetsuur door het gooien van een zoutvat naar eiseres, wat verweerder niet betwist. Hiermee is deze grief voldoende bewezen. Deze feiten zijn dermate zwaarwichtig dat het samenleven tussen de echtgenoten en de hervatting ervan onmogelijk is geworden, wat inhoudt dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht is. De echtscheiding kan dan ook onmiddellijk worden uitgesproken.'
  8. Te dezen heeft de geïntimeerde -ter staving van de ongegrond-heid van de vordering tot het bekomen van een persoonlijke on-derhoudsuitkering- expliciet gewezen op de grove fouten (drank-misbruik en partnergeweld) met de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk tot gevolg (zie meer in het bijzonder haar syn-theseconclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 5 februari 2008, p 6). In haar vorige conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 14 december 2007 (p. 6) had zij een gelijkaardig verweer opgebouwd geconcentreerd op de alcoholabusus. De appellant kon daarop reageren in zijn conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 28 januari
  9. In de gegeven omstandigheden dient ook voor het hof de vordering tot persoonlijke onderhoudsuitkering te worden afgewezen, weze het op voormelde gronden. Een onderzoek van de andere beroepsgrieven kan niet tot een andersluidend besluit leiden en komt overbodig voor. de kosten Er zijn evenmin redenen tot hervorming van de bestreden beschikking wat betreft de beslissing over de kosten. Deze kosten zijn immers niet het voorwerp van het hoger beroep. De appellant blijft gehouden tot de kosten in deze aanleg als in het ongelijk gestelde partij. Gelet op art. 1017, 4de lid Ger.W. kunnen de rechtsplegingsvergoedingen over de partijen evenwel worden omgeslagen. Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; geeft akte aan de appellant van de afstand van zijn hoger beroep met betrekking tot: - het afzonderlijk verblijf; - het gebruiksrecht van bepaalde goederen; - de inventarisering van de goederen afhangende van de huwgemeenschap en van de eigen goederen; verklaart het hoger beroep voor het overige hetzij met betrekking tot de persoonlijke onderhoudsvordering- ontvankelijk, doch wijst het af als niet gegrond; bevestigt de bestreden beschikking binnen de perken van het nog hangende beroep; verwijst de appellant in de eigen kosten van het hoger beroep; verstaat dat deze niet nuttig te begroten zijn vermits ze te zijnen laste blijven; slaat de rechtsplegingsvergoedingen in deze aanleg over de partijen om, in toepassing van art. 1017, 4de lid Ger.W.; verstaat dat art. 1024 Ger.W. onverminderd geldt. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op vier september tweeduizend en acht. Aanwezig: mevrouw Sabine De Bauw raadsheer, wn. kamervoorzitter; mevrouw An Van Wijnsberge adjunct-griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.