← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080925.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080925.3 Rolnummer: 2008/AR/374 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-10-27 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 17:59 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Algemeen Vrije woorden: Vereffening en verdeling - onroerend goed - staat - vraag tot aanstelling van een deskundige. Tekst van de beslissing EINDARREST - In de zaak met het rolnr. 2008/AR/374 van:

  1. PP, zaakvoerder, wonende te ...
  2. PA, gepensioneerde, wonende te ... appellanten tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de vijfde kamer dd. 6-11-2007,oorspronkelijk eisers in de zaak AR nr. 96/55901 en verweerders in de zaak AR nr. 96/60993; hebbende als raadsman mr. DEBUSSCHERE Eddy, advocaat te 8500 Kortrijk, Pres. Rooseveltplein 1 ; tegen :
  3. PM, zonder beroep, wonende te ... eerste geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster in de zaak AR nr. 96/55901 en eiseres in de zaak AR nr. 96/60993, hebbende als raadslieden - mr. MONTAGNE Yves, advocaat te 8500 Kortrijk, Pr. Rooseveltplein 5/2; - mr. GITS Arnold, advocaat te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 4A;
  4. PJ, wonende te ..... tweede geïntimeerde, - TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND - oorspronkelijk eiser in de zaak AR nr. 96/55901 en verweerder in de zaak AR nr. 96/60993,
  5. PJM, wonende te .... derde geïntimeerde, - TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND - oorspronkelijk verweerder in de zaak AR nr. 96/55901 en in de zaak AR nr. 96/60993, velt het hof het volgend arrest.
  6. 1.
  7. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 februari 2008, hebben appellanten tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 6 november 2007 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, vijfde kamer, en waarbij geoordeeld werd over de zwarigheden van appellanten op het lastenkohier dat op 14 juni 2006 werd opgesteld door de boedelnotarissen Callens Christine en Laga Stefaan tot vaststelling van de verkoopvoorwaarden van de onverdeelde woningen gelegen te ..... Het beroep is beperkt. Het heeft enkel betrekking op de weigering van de eerste rechter om een deskundige aan te stellen. Zoals appellanten het stellen in het verzoekschrift hoger beroep hadden ze aangedrongen dat er een staat van bevinding van de gebouwen (tegensprekelijk) zou worden opgemaakt met een beschrijving van de schade, een raming van de herstelkosten en van het waardeverlies en een bepaling van de normale huurwaarden van de panden na herstelling. Volgens hen was ook een bepaling gevorderd van de huurwaarde van de panden, die sinds 17 februari 1994 tot 16 februari 2003 verhuurd werden aan MP. Voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° (artikel 748 bis Ger.W. ) vervangen de syntheseconclusies, die op 10 juni 2008 tijdig werden neergelegd, de gedinginleidende akte en de conclusies, die voor die datum werden genomen. 1.
  8. MP vraagt dat het hoger beroep zou worden afgewezen als ongegrond. Ze vraagt appellanten te veroordelen tot alle berokkende schade door het boycotten van de verkoop sedert september
  9. Ze heeft haar middelen uiteengezet in haar syntheseconclusies, die neergelegd werden op 19 juni 2008 en die overeenkomstig artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek alle vorige conclusies vervangen. 1.
  10. De andere geïntimeerden zijn niet verschenen en werden niet vertegenwoordigd op de terechtzitting van 26 juni 2008 die vastgesteld was op grond van artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk wetboek. Tegen hen werd door appellanten een arrest op tegenspraak gevorderd.
  11. 2.
  12. Partijen zijn de kinderen en enige wettelijke erfgenamen van wijlen JP (+ ....) en JL (+ ....). MP, echtgenote van BL en woonachtig sinds 1964 te ... sloot op 17 februari 1994 een overeenkomst met haar moeder waarbij zij de voornoemde panden huurde voor de duur van 9 jaar die geëindigd zijn op 16.02.2003 : zie de notariële akte verleden voor notaris Vandemeulebroecke op 17.02.
  13. Appellanten hebben ter gelegenheid van het uitbrengen van hun zwarigheden op het lastenkohier gezegd dat ze het huurcontract betwisten. Uit een door MP voorgelegd vonnis van de vrederechter van het eerste kanton te Kortrijk d.d. 27 juli 1994 (stuk 8) blijkt dat appellanten en een andere broer bij dagvaarding van 3 juni 1994 een vordering instelden voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk strekkende tot onbekwaamverklaring van de verhuurster, hun moeder, en tot nietigverklaring van de notariële huurovereenkomst d.d. 17.02.
  14. Over de afloop van deze procedure is verder niets meegedeeld. Door Maes Hubert van het expertisebureau C.G.S. werd met betrekking tot elk pand een proces-verbaal van plaatsbeschrijving opgemaakt en door de verhuurster en de huurster ondertekend. Deze plaatsbeschrijvingen die dateren van 24.02.1994 en 14.12.1994 en die thans werden voorgelegd, waren niet ter kennis gebracht van de eerste rechter (stuk 1 van MP). Kort na het overlijden van JL is er door gerechtsdeurwaarder Joseph Hiltrop een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt ten verzoeke van MP, nl. op 21.02.
  15. De toestand van de genoemde panden werd beschreven en door foto's verduidelijkt. De zoon van MP deelde aan de gerechtsdeurwaarder mee dat zijn moeder nooit het genot heeft gehad van de gezegde huizen vermits aldaar allerhande goederen gebleven zijn die toebehoren aan andere familieleden en/of de NV Prevost-Filleul in vereffening. Ook dat stuk was niet ter kennis gebracht van de eerste rechter. Ingevolge een dagvaarding van appellanten en JP d.d. 9 mei 1994 en ingevolge een dagvaarding van MP d.d. 23 februari 1996 werd op 26 november 1996 een vonnis geveld door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, waarbij de vereffening en verdeling werd bevolen van de ontbonden huwgemeenschap en de nalatenschappen van JP en JL. De boedelnotarissen die door de rechtbank zijn gelast met de werkzaamheden van vereffening en verdeling, zijn Christine Callens en Stefaan Laga. Door de partijen is geen verdere uitleg gegeven bij de positie van notaris L. de Mûelenaere waarvan uit de stukken is gebleken dat hij op verzoek van MP een opdracht als sekwester heeft gekregen, die al terug gaat tot 19.02.
  16. Op zijn verzoek heeft hij in tegenwoordigheid van de appellanten en MP een nieuwe plaatsbeschrijving laten opmaken door gerechtsdeurwaarder Joseph Hiltrop. Dit gebeurde voor de woningen ....op 12.08.1998 ten gevolge van het plaatsbezoek op 04.03.
  17. Na afloop van het plaatsbezoek werden de woningen afgesloten met de sleutels van MP. Deze plaatsbeschrijving omvat geen aanwijzingen over het gebruik dat er toen was gemaakt van de woningen. Wat betreft de woning nr 27 blijkt uit een bewijs van bewoning van Stad Kortrijk (stuk 26) dat de woning onbewoond is sinds 25.06.
  18. Een ander attest toont aan dat de woning nr 29 onbewoond is sinds 29.11.
  19. De woningen nrs 28 en 29 stonden al in 2005 op de inventaris van de leegstaande gebouwen en/of woningen. 2.
  20. In het lastenkohier werd er voor geopteerd om de goederen te koop te stellen in BLOK. Notaris Callens gaf in haar schrijven van 9 januari 2007 uitleg over de omstandigheden waarin dat werd beslist. Landmeter Paul Demyttenaere werd gelast met een bezichtiging van de woningen om desgevallend over te gaan tot het opmaken van een metingsplan. Na zijn bezoek deelde hij mee dat het quasi onmogelijk is om de goederen apart te verkopen en apart op te meten. Het zijn immers "oudere eigendommen die in elkaar verweven zijn derwijze dat het ene huisnummer soms voor een klein deel boven het andere huisnummer komt wat hun waarde vermindert" De notaris stelde nog in haar brief van 09.01.2007: "gezien de staat en de ouderdom van de gebouwen denk ik dat de belangstelling voor de gebouwen enkel zal komen voor afbraak, minstens toch voor het binnengebouw waarschijnlijk met behoud van de gevels" De kwestie van het al dan niet te koop aanbieden in blok is een tijd in betwisting geweest maar daaraan is een einde gekomen. Volgens het lastenkohier zou de openbare tekoopstelling gehouden worden op 19 september
  21. De eventuele tweede zitdag zou doorgaan op 10.10.
  22. De aanmaning om inzage te nemen van de verkoopsvoorwaarden en om aanwezig te zijn op de openbare verkoop gebeurde bij gerechtsdeurwaardersexploot dat betekend werd op 22.06.2006 aan de heren P en op 23.06.2006 aan MP. Op de betekening werd gereageerd door appellanten bij schrijven van 30.06.
  23. In zijn schrijven maakte AP de volgende opmerking: "
  24. er dient een staat van bevinding van de vrijgegeven gebouwen te worden opgesteld, met beschrijving van de schade, raming van herstellingskosten, waardeverlies, etc." PP maakte de volgende opmerking: "- per aangetekend schrijven de dato veertien februari tweeduizend en zes werd not. De Muelenaere (sekwester aangesteld op vraag van Marg. Libert) door mij in gebreke gesteld te laten overgaan tot plaatsbeschrijving, raming van de schade, duur van de herstellingswerken van de panden van het ....(zie copie van mijn brief in bijlage) Mijn verzoek/ingebrekestelling dd 14.02.06 wordt hierbij herhaald en bevestigd. Ik vraag eveneens dat de deskundige de huidige normale huurwaarde van de 3 panden in kwestie (d.i. na herstelling) bepale" In het advies van de boedelnotarissen wordt het volgende gezegd in verband met de opmerkingen 4 en 5 van AP waarbij onder punt 5 gezegd was dat de huurovereenkomst van 1994 formeel betwist is: "Het gaat om voormelde huur aan mevrouw MP. Deze huur is inmiddels beëindigd. Het goed wordt verkocht in de staat waarin het zich bevindt. Geschillen over gebeurlijke schade door de huurder is geen reden om de openbare verkoop uit te stellen. Gezien de koper pas drie maand na de definitieve toewijs het gebruik zal hebben blijft er voldoende tijd om indien nodig een staat van bevinding te laten opstellen." Dat advies werd hernomen in verband met de hoger geciteerde opmerking van PP. 2.
  25. Nadat notaris Callens de stukken had neergelegd ter griffie bij schrijven van 6 september 2006 werden de partijen overeenkomstig artikel 1219 § 2 Ger.W. opgeroepen om te verschijnen ter zitting van 14.11.
  26. 2.
  27. Over deze betwisting werd voor de eerste rechter het volgende gesteld in conclusies. In eerste conclusies zegde AP dat hij zich aansluit bij de eis van PP dat vóór de tekoopstelling een expertise zou uitgevoerd worden. PP lichtte zijn eis toe als volgt: "MP heeft in die huizen allerlei werken uitgevoerd die wellicht de waarde ervan verminderen, ook de huidige toestand moet voor de verkoop beschreven worden zodat achteraf na de verkoop geen bezwaren kunnen komen vanwege kopers. Concluant eist daarom een plaatsbeschrijving van de panden voor de verkoop en steunt erop dat er ook schatting van de herstellingskosten en huurwaarde gebeurt." In volgende conclusies stelde PP dat het echt nodig is dat een voorafgaandelijke staat van bevinding wordt opgemaakt "gezien de inhoud van het verslag van de vastgoedexpert hem onbekend is". Verder luidde het als volgt: " en dat hieruit blijkt dat de huizen vervallen staan en gezien de sequester gewag maakt van noodzakelijke dakwerken, waarvan concluant in beide zaken geen weet heeft. De huizen waren in goede staat bij ingang van de huurovereenkomsten. Het feit dat deze huizen thans vervallen staan is te wijten aan mevrouw MP gezien zij deze huizen heeft verwaarloosd. Gelet op de onenigheid tussen de erfgenamen is het passend dat de rechtbank een deskundige aanstelt met opdracht een vergelijking op te maken tussen de staat van de woningen bij het aanvatten van de huurovereenkomst en op heden." In laatste conclusies voor de eerste rechter stelde AP dat hij vordert dat een deskundige zou gelast worden met het opmaken van een plaatsbeschrijving met raming van de herstelkosten en de duur van de herstellingskosten met het berekenen van de huurwaarde van de panden voor en na de herstellingswerken. 2.
  28. Tijdens het geding in eerste aanleg heeft notaris de Mûelenaere naar aanleiding van een plaatsbezoek meegedeeld aan de deelgenoten dat er dringend dakwerken dienen te geschieden teneinde het pand te vrijwaren van snelle waardevermindering. Hij stelde data voor waarop de deelgenoten voorafgaandelijk de werken de panden zouden kunnen bezichtigen (schrijven van 8 maart 2007). Uit de briefwisseling die volgde blijkt dat er een problematiek rees in verband met de mogelijkheid voor A en PP om de sleutels te bekomen als ze de panden alleen zouden willen bezichtigen. Laatstgenoemde deelde in een brief van 14.03.2007 mee aan notaris de Mûelenaere dat ze tot een plaatsbeschrijving wilden overgaan met raming van herstelkosten en de duur van de noodzakelijke herstellingswerken. Tevens werd gezegd dat de appellanten de voorziene dakwerken voorlopig beschouwden als niet dringend en overbodig. Notaris de Mûelenaere heeft op 7 mei 2007 de sleutels van de panden ontvangen van MP. De bezichtiging van de woningen was door de notaris gepland op 8 mei
  29. 2.
  30. De eerste rechter maakte de opmerking dat er bij het afsluiten van de huurovereenkomst op 17.02.1994 geen tegensprekelijke plaats-beschrijving werd opgemaakt en dat evenmin een dergelijke plaatsbeschrijving werd gemaakt bij het beëindigen van de huur op 16.02.
  31. Hij hield niet alleen rekening met de onmogelijkheid om een staat van vergelijking op te maken van de staat van de panden bij de aanvang en het einde van de huur. Hij oordeelde ook dat appellanten ruimschoots de tijd en de gelegenheid hebben gehad om een deskundigenonderzoek nopens de staat van de panden, de huurwaarde, de herstellingswerken enz. uit te lokken. Hij vond het onverantwoord dat de verkoop zou uitgesteld blijven in afwachting van een expertise wanneer nog een tegensprekelijke staat kan opgemaakt worden binnen de drie maanden na de definitieve toewijzing.
  32. Terecht merken appellanten op dat de eerste rechter heeft geoordeeld zonder kennis te hebben van het bestaan van de plaatsbeschrijvingen bij aanvang van de huur en van de processen-verbaal van gerechtsdeurwaarder J. Hiltrop. Dat betekent echter niet dat zijn beslissing anders zou geweest zijn, had hij daarvan wel kennis gehad. Het Hof dat wel kennis heeft van deze stukken, ziet daarin geen reden om de zwarigheid van appellanten welke hier aan de orde is, gegrond te verklaren. Het lastenkohier maakt duidelijk dat de panden, waarvan er twee werden vermeld als zijnde opgenomen op de inventaris van de leegstaande gebouwen sinds 2005, te koop werden gesteld vrij van huur. Bij schrijven van 25 april 2006 had MP daarmee haar akkoord betuigd. Het feit dat zij toen nog in het bezit was van de sleutels betekent geenszins dat zij toen de hoedanigheid had van huurster van deze panden. Het staat alleen vast dat ze toen onverdeelde eigenaar was. Het is juist wat PP beweerde, nl. dat hij bij schrijven van 14.02.2006 aan not Luc de Mûelenaere vroeg dat hij samen met een deskundige een plaatsbeschrijving zou overgaan tot een plaatsbeschrijving maar er werd toen geenszins gezegd dat dit iets te maken had met een vordering ten aanzien van MP. Bij het meedelen van hun zwarigheid zegden appellanten ook nog niet dat dit daarmee iets te maken had. Met betrekking tot de huurovereenkomst blijkt er, behoudens de vordering tot nietigverklaring, nooit een vordering ingesteld te zijn tegenover MP. Zoals de zwarigheden luiden werd het noodzakelijk geacht dat de verkoop zou voorafgegaan worden door een plaatsbeschrijving. Deze noodzaak werd echter geenszins aangetoond. Er werd door appellanten overigens ook niet gezegd wat met de inhoud van de expertise in het kader van de tekoopstelling van de panden zou moeten gebeuren. Eenmaal de zwarigheden waren meegedeeld, hebben appellanten hun vraag om een deskundige te gelasten met de gezegde opdracht meer en meer in verband gebracht met MP als huurster. Tegen deze laatste in hoedanigheid van huurster is er tot op heden nochtans geen vordering ingesteld, althans niet volgens de stukken die voorliggen. De in de overeenkomst bepaalde huurperiode van 9 jaar, die ten einde liep op 16.02.2003 is inmiddels ook al meer dan 5 jaar verstreken. In zover appellanten een geschil hebben met MP uit hoofde van haar hoedanigheid van huurster is dat een geschil dat niet mocht beletten de panden te verkopen vrij van huur en in de staat waarin ze zich bevonden, temeer dat er heel wat tijd is verlopen waarin appellanten het nodige hadden kunnen doen ter vrijwaring van de rechten die ze meenden te kunnen inroepen tegen MP. In zover appellanten het noodzakelijk vonden om zich tegen MP te kunnen beroepen op een nieuwe plaatsbeschrijving van een deskundige en op een waardebepaling door deze laatste moesten ze zich gewend hebben tot MP en niet tot de sekwester, waarvan ze zeggen dat ze hem in dat verband herhaaldelijk brieven stuurden. Het beroep van appellanten wordt op grond van die afwegingen ongegrond verklaard.
  33. MP stelde in haar eerste conclusies voor de eerste rechter, neergelegd op 12.01.2007 dat de procedure tergend en roekeloos is. Ze vorderde bij tegeneis te zeggen voor recht dat A en PP uitsluitend en alleen gehouden zijn tot betaling van alle gebeurlijke belastingsheffingen wegens leegstand en/of krotverklaring door de bevoegde instanties. De eerste rechter stelde het volgende: "Gezien de problematiek van de verhaalbaarheid van de eventuele belastingsheffingen met betrekking tot de panden Plein 28 en 29 een post uitmaken van de verdere werkzaamheden van de vereffening en verdeling, kan thans enkel hieromtrent voorbehoud worden verleend aan mevrouw MP." Tegen de beslissing van de eerste rechter met betrekking tot de wedereis heeft MP geen incidenteel beroep ingesteld. Ze stelde wel dat het beroep tergend en roekeloos is met als gevolg belangrijke schade wegens het blokkeren van de verkoop van de panden gedurende reeds twee jaar. In zover het beroep tergend en roekeloos is, kan enkel de schade die het gevolg is van het instellen van het beroep in aanmerking komen om vergoed te worden. MP gaat dus in alle geval te ver als ze in beroep vordert dat appellanten zouden worden veroordeeld tot alle berokkende schade door het boycotten van de verkoop sedert september
  34. Er wordt geoordeeld dat het beroep niet tergend en roekeloos is. Appellanten hebben zich laten leiden door de gedachte dat het van belang was voor de beoordeling van hun zwarigheid dat de rechter in beroep in kennis werd gesteld dat er in 1994 een plaatsbeschrijving was opgemaakt van de panden en dat er in 1996 en in 1998 processen-verbaal van vaststelling zijn opgemaakt. Het is niet bewezen dat kwade trouw in hoofde van appellanten aan de basis ligt van het beroep en dat appellanten door het instellen van het beroep een houding hebben aangenomen die niet in overeenstemming is met de houding van een voorzichtig en bedachtzaam mens die zich in dezelfde omstandigheden bevindt. In de gegeven omstandigheden ontbreekt ook elke wettige reden om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding die de appellanten als de in het ongelijk gestelde partijen ten laste valt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak voor elke partij, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond ; Verklaart de vordering van MP, gesteund op het beweerd tergend en roekeloos karakter van het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond ; Bevestigt het vonnis in de mate dat het is bestreden ; Verwijst appellanten in de kosten van het hoger beroep ; Begroot de kosten van de aanleg in hoger beroep voor geïntimeerde MP op 1.200 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 25-9-
  35. Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.