← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080925.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080925.8 Rolnummer: 2005/AR/3026 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-10-28 Raadplegingen: 157 - laatst gezien 2026-07-02 17:59 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Overgangsrecht Vrije woorden: Huwelijksvermogensrecht - Vereffening en verdeling na echtscheiding - zwarigheden. Tekst van de beslissing EINDARREST Na tussenarrest 6-3-2008 - In de zaak met het rolnummer 2005/AR/3026 van: VDVJ bediende, geboren te .... op ...., en wonende te ..... appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 15-9-2005, oorspronkelijk eiser, tegen : VLH, bediende, geboren te ..... op ...., en wonende te ...., geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. S Geert, advocaat te 9300 Aalst, Aelbrechtlaan 18 velt het hof het volgend arrest.

  1. Dit Hof, zelfde kamer heeft ingevolge het beroep tegen het vonnis dat de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vierde kamer, op 15 september 2005 tussen partijen heeft gewezen, reeds op 6 maart 2008 een arrest gewezen. Wat betreft de appellant is gebleken dat de op 12 juli 2007 neergelegde conclusies zijn op 9 januari 2007 neergelegde conclusies vervangen en dat appellant gebruik heeft gemaakt van de gelegen-heid, hem geboden door het arrest van 6 maart 2008, om een aanhangsel aan de laatste conclusies neer te leggen. Naast het aanhangsel bij de laatste conclusies legde appellant ook nog neer: - de nota van 20 augustus 2001 - de nota van 18 september 2001 - de aangetekende brief van 25 maart 2008 aan appellant; - de aangetekende brief van 10 juli 2007 aan geïntimeerde - de fax van 21 januari 2008 gericht aan dhr S met de vraag voor stukken - de fax van 10 april 2008 naar de boedelnotaris tot opvraging van de stukken; Op het zittingsblad van de zitting van 29 mei 2008 werd vastgesteld dat appellant niet langer volhardt in de vraag tot vervanging van de boedelnotaris. Geïntimeerde heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid, haar geboden door het arrest van 6 maart 2008, om een aanhangsel aan de laatste conclusies neer te leggen. Louter informatief werd op de zitting van 7 februari 2008 gezegd dat er twee zwarigheden aanhangig zijn door het incidenteel beroep. Deze informatie mag door appellant niet geïnterpreteerd worden als zou geïntimeerde in bepaalde mate hebben verzaakt aan haar incidenteel beroep. Het incidenteel beroep van geïntimeerde is niet beperkt geworden tot 2 zwarigheden.
  2. De zwarigheden 1 en 2 van appellant worden eerst ontmoet. 2.
  3. Bij vonnis van 17.12.1998 werd erenotaris Jean-Marie Wambacq ontslagen van zijn opdracht, gegeven in het echtscheidingsvonnis van 22.12.1994, en werd notaris Pascale Van den Bossche in zijn vervanging aangesteld. Het Hof heeft dat vonnis kunnen aantreffen in het rechtsplegingsdossier van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, zodat het aldaar ook ter inzage was van appellant. 2.
  4. Op 27 september 2001 gebeurde de opening der werkzaamheden waarvan een proces-verbaal eerste vacatie werd opgemaakt. Notaris Moyersoen tekende voor de niet-verschijnende geïntimeerde. Bij schrijven van 24 maart 2003 (zie stuk 68 van appellant) werd appellant door de boedelnotaris uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de opening van werkzaamheden - tweede vacatie - op woensdag 23 april
  5. Op 23 april 2003 gebeurde de tweede vacatie van de opening der werkzaamheden. Bij aangetekend schrijven van 30 maart 2004 (zie stuk 70 van appellant) deelde de boedelnotaris mee aan appellant dat er op dinsdag 18 mei 2004 zal worden overgegaan tot het opstellen van de staat. Tegelijk gebeurde een aanmaning om op genoemde datum aanwezig te zijn en werd gezegd dat er zowel in zijn aanwezigheid als in zijn afwezigheid zal overgegaan worden tot het opstellen van de staat van vereffening en verdeling of bij gebrek aan overeenstemming, tot het opstellen van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden. Op 18 mei 2004 werd de staat van vereffening en verdeling opgesteld door notaris P. Van Den Bossche die daartoe de partijen had opgeroepen op 30 maart 2004, en werd onmiddellijk daarop volgend melding gemaakt van het feit dat de partijen niet akkoord gingen: In het proces-verbaal werd gezegd dat voor de zwarigheden verwezen werd naar de brieven, die werden gehecht aan het proces-verbaal. Het gaat om de brieven van appellant d.d. 8 april 2004, 22 april 2004 en 10 mei 2004 en om het schrijven van de raadsman van geïntimeerde d.d. 3 mei
  6. Appellant weigerde het proces-verbaal te tekenen. Notaris Moyersoen heeft dan getekend. Verder zal rekening gehouden worden met het feit dat de zwarigheden op de staat van 18 mei 2004 eigenlijk de zwarigheden zijn die appellant had voorbereid met inachtneming van het ontwerp dat bestond op het ogenblik dat de boedelnotaris op 30 maart 2004 de uitnodiging voor 18 mei 2004 verstuurde naar partijen. De boedelnotaris heeft afgeweken van de bepaling van artikel 1218 tweede lid Ger.W. waarbij gezegd wordt dat de belanghebbenden worden aangemaand om inzage te nemen van de staat en om aanwezig te zijn bij de voortzetting van de werkzaamheden na verloop van minstens een maand na de dagtekening van de aanmaning. In de mate dat er aan het ontwerp van staat wijzigingen aangebracht zijn geweest en er geen zwarigheden konden gemaakt worden met betrekking tot deze wijziging, zou appellant benadeeld zijn als hem het recht wordt ontzegd om dienaangaande nog een betwisting te voeren. Hierna zal dan wel uitzonderlijk gezegd worden dat een betwisting ontvankelijk is, al is deze betwisting niet gesteund op een van de zwarigheden, vermeld in de staat van 18 mei
  7. 2.
  8. Deze werkzaamheden blijken uit de stukken, die de boedelnotaris ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg neerlegde op 23 juli
  9. De andere werkzaamheden, bestaande uit voorbereidend werk, hebben hun belang gehad omdat ze geleid hebben tot het resultaat dat thans uitsluitend ter beoordeling ligt. Door de genoemde neerlegging is enkel de betwisting aanhangig gemaakt tussen partijen in zover ze een meningsverschil hebben over de staat van vereffening en verdeling van 18 mei
  10. Het geding is geen geding tegen de boedelnotaris, die niet in zake is en die op de aantijgingen aan haar adres niet kan antwoorden. Nu appellant niet volhardt in zijn vraag tot vervanging van de notaris dient de argumentatie waarmee appellant zijn vraag ondersteunde en waaraan hij geen afbreuk heeft gedaan, als dusdanig niet beoordeeld te worden. De argumentatie van appellant over partijdigheid en/of incompetentie van de boedelnotaris kan hier enkel nut hebben in het kader van de beoordeling van de staat van vereffening en verdeling, zijnde het resultaat van de werkzaamheden van de boedelnotaris.. Wat betreft de beoordeling door de eerste rechter van de zwarigheden 1 en 2, welke worden aangetroffen in de nota van 22 april 2004 en waarin appellant bljjkens het aanhangsel volhardt, ziet het Hof geen reden om anders te oordelen dan de eerste rechter, behoudens hetgeen de eerste rechter zegde in de laatste alinea onder de rubriek ‘aangaande de verschillende vacaties' (folio 002483), waarvoor verwezen wordt naar punt 20.
  11. aangaande de bouwspaarrekening ..... (zwarigheid 3 van appellant). Er werd in de staat verwezen: - naar de verklaring van appellant bij de opening der werkzaamheden dat er een bouwspaarrekening ..... bestond; - naar de verklaring van partijen dat er nog een rekening in onverdeeldheid is met name de bouwspaarrekening ..... met een batig saldo op 4 januari 2002 van 2.772,36 EUR; Bij het actief van de gemeenschap werd gewag gemaakt van het saldo van 2.772,36 EUR op datum van 4 januari 2002 en bij de beheersrekening werd ervan uitgegaan dat elke partij reeds in het bezit was van de helft van genoemd bedrag (hetgeen volgens stuk 24 van appellant het gevolg is van een verdeling in juni 2000). De zwarigheid van appellant had betrekking op het ontwerp dat bestond op het ogenblik van de oproeping voor 18 mei
  12. De zwarigheid luidde als volgt: "Wat betreft het saldo op de rekening ..... Het werd in uw ontwerp terug ingebracht maar vooraan in de akte (IV 2°) staat nog steeds een tegenstrijdigheid dat dit wel zou verdeeld zijn. In het advies werd gezegd dat dit punt ondertussen aangepast is in de staat van vereffening en verdeling. Dat blijkt juist te zijn." De eerste rechter zegde terecht dat er geen reden was tot aanpassing op dat punt. Over de datum die werd in acht genomen bij de bepaling van het saldo werd niets gezegd omdat in de zwarigheid aangaande de bouwspaarrekening niets daarover was gezegd. Appellant voert in beroep een nieuwe betwisting aan zonder dat hij aantoont dat de omstandigheden hem niet toelieten deze betwisting samen aan te voeren met de voormelde zwarigheid nr
  13. Deze nieuwe betwisting strekt ertoe in de staat te doen vermelden dat het saldo van de bouwspaarrekening ..... op 7 juni 1994 504.008,55 oude BEF beliep. De nieuwe betwisting komt hierop neer dat volgens appellant geen rekening mag worden gehouden met een door geïntimeerde op 4 augustus 1995 doorgevoerde betaling van een factuur / De Pauw ten belope van 435.411 oude BEF (stuk 25 van appellant). In zijn conclusies van 12 juli 2007 legde appellant uit dat hij bevecht "dat het saldo 12.494,05 euro van de rekening ..... op datum van 7 juni 1994, niet verdeeld werd." Hij vorderde trouwens aldaar in het kader van deze nieuwe betwisting toepassing van art. 1448 B.W., hetgeen ook werd uiteengezet op p. 66 van de conclusies van 12 juli
  14. De nieuwe betwisting, die overigens niets zegt over de mogelijkheid dat de factuur / De Pauw een schuld was van de gemeenschap, wordt niet ontvankelijk verklaard.
  15. aangaande de handelszaak (zwarigheid 5 van appellant). Geïntimeerde heeft vanaf het tweede trimester van 1986 gedurende vijf jaar een winkel uitgebaat. Er is betwisting met betrekking tot de vordering van appellant dat geïntimeerde de gemeenschap ten belope van 24.789,35 EUR zou vergoeden omdat het verlies van deze handelszaak in die mate is bijgepast geweest door de gemeenschap. Deze vordering werd niet ingewilligd door de boedelnotaris, die daarvoor een uitleg gaf: deze afwijzing van de vordering gaf aanleiding tot zwarigheid
  16. De eerste rechter zegde dat appellant geen te weerhouden argumenten aanbracht, die van aard zijn het standpunt van de boedelnotaris te weerleggen. Het standpunt van de boedelnotaris werd dus gevolgd. De redenering van de boedelnotaris en de eerste rechter werd nog steeds niet ontkracht. Terwijl artikel 216 B.W de middelen verschaft om in te grijpen als aan de uitoefening van het beroep door een echtgenoot ernstig nadeel verbonden is voor zijn zedelijke of stoffelijke belangen, heeft appellant daarvan geen gebruik gemaakt en is een verwijzing naar artikel 216 B.W na echtscheiding niet relevant. Ten onrechte stelt appellant dat geïntimeerde volgens artikel 217 B.W. haar eigen vermogen moest aanwenden om het verlies van de handelszaak bij te passen. Wat betreft de bewering van appellant dat hij en geïntimeerde de afspraak hebben gemaakt om de bouwgrond die haar geschonken werd, in de gemeenschap in te brengen als tegenprestatie voor het bijpassen van het verlies van de handelszaak, moet opgemerkt worden dat elk bewijs ontbreekt dat deze afspraak werd gemaakt. Artikel 222 B.W. dat handelt over de gehoudenheid van de andere echtgenoot tegenover de schuldeiser die contracteerde met een echtgenoot, wordt door appellant ten onrechte ingeroepen. De argumentatie van appellant bestaat hoofdzakelijk uit bedenkingen over de volgens hem onheuse behandeling door geïntimeerde, welke geen afbreuk doen aan het feit dat de afwijzing van de vordering van appellant juridisch correct is.
  17. aangaande de stortingen van 2 x 1.239,47 (50.000 oude BEF), de vergoeding van persoonlijk voordeel ten belope van 6.197,34 EUR en aangaande het bedrag van 400.000 oude BEF dat appellant als geleend kapitaal terugbetaalde aan zijn moeder 5.
  18. In de staat van vereffening en verdeling gewaagde de boedelnotaris van de volgende betalingen die appellant aan zijn moeder Magdelena De Keyzer heeft gedaan, in totaal 16.113,08 EUR dit is: - op 21.01.1994: 150.000 oude BEF (3.718,40 EUR) - op 26.01.1994: 500.000 oude BEF (12.394,68 EUR) Deze betalingen werden door de boedelnotaris ten belope van 400.000 oude BEF gezien als een terugbetaling, die aan Magdelena De Keyzer verschuldigd was uit hoofde van lening. 5.
  19. Het bedrag van 400.000 oude BEF is door MDK betaald geworden op de spaarrekening ..... van appellant (zie de staat, vierde blad met verwijzing naar betalingen van 13.02.1991, 28.10.1991 en 19.12.1991). Met betrekking tot een voorgelegd borderel van terugname zegde de boedelnotaris dat daaruit blijkt dat MDK op 18.01.1993 en op 05.04.1993 telkens 50.000 oude BEF heeft afgehaald maar dat niet bewezen is dat zij deze bedragen overhandigde aan appellant. Waar de boedelnotaris in de staat op het vijfde blad besluit dat appellant een vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen ten belope van 6.197,34 EUR heeft dit te maken 1° met de op 26.01.1994 door appellant uitgevoerde betaling aan zijn moeder van 500.000 oude BEF die volgens appellant een terugbetaling is van een totaal geleend bedrag en door de boedelnotaris slechts voor 400.000 oude BEF werd gezien als terugbetaling van een geleend bedrag en 2° met de op 21.01.1994 door appellant uitgevoerde betaling aan zijn moeder van 150.000 oude BEF waarvan appellant beweert dat dit een vergoeding (milddadigheid) is voor geleverde diensten door zijn moeder (zie aanhangsel p 7) . De eerste rechter sprak zich uit : - op folio nr 002486 over de stortingen van 2 x 1.239,47 EUR, door het standpunt van de boedelnotaris te beamen, wat wil zeggen dat volgens de eerste rechter ook een vergoeding voor dat bedrag verschuldigd was aan het gemeenschappelijk vermogen door appellant; - op folio nr 002506 over de voorgehouden lening van 400.000 oude BEF door het standpunt van de boedelnotaris te beamen wat wil zeggen dat volgens de eerste rechter het genoemd bedrag werd uitgeleend door MDK en niet werd geschonken; De eerste rechter sprak zich niet uit over de vraag of appellant aan het gemeenschappelijk vermogen vergoeding verschuldigd is voor het bedrag van 150.000 oude BEF, zoals dit door de boedelnotaris werd begrepen in de som van 6.197,34 EUR, vermeld op het vijfde blad van de staat. In zijn brief van 18 september 2001 legde appellant uit dat hij met de betaling op 21.01.1994 van 150.000 oude BEF de schuldvordering van zijn moeder wilde voldoen, bestaande uit: - 10.600 oude BEF : cheque ziekenhuis kosten Mevr VL; - 58.750 oude BEF kosten voor wagen door haar betaald; - 60.000 oude BEF slijtage voor gebruik 3 jaar intensief gebruik van haar wagen ; - 20.000 oude BEF schade aan de wagen door ongeval; 5.
  20. De eerste rechter heeft evenmin als de boedelnotaris aangenomen dat de door MDK op 18 januari 1993 en 5 april 1993 afgehaalde bedragen van 2 x 50.000 oude BEF betaald zijn geworden aan appellant. Nadat de eerste rechter vaststelde dat appellant op 20 januari 1993 op zijn rekening .... een bedrag van 50.000 oude BEF heeft gestort en op 6 april 1993 op zijn rekening .... een bedrag heeft gestort van 35.000 oude BEF heeft hij gezegd dat het formeel bewijs ontbrak dat deze gelden afkomstig waren van zijn moeder. Appellant kan niet ontkennen dat het formeel bewijs ontbreekt. Kennelijk is hij van oordeel dat op basis van vermoedens moet aangenomen worden dat hij deze stortingen heeft gedaan met gelden die hem uitgeleend zijn door zijn moeder. Hij zegde in conclusies dat hij via een omweg zou kunnen bewijzen dat de gestorte gelden alleen maar kunnen komen van zijn moeder maar dat hij het nut er niet van inziet omdat de eerste rechter had aanvaard dat hij van zijn moeder 500.000 oude BEF had geleend. De eerste rechter aanvaardde een lening van 400.000 oude BEF. Appellant heeft geen vermoedens kunnen inroepen die voldoende zekerheid geven dat MDK tweemaal 50.000 oude BEF heeft betaald aan appellant. Het vonnis kan op dat punt bevestigd worden. 5.
  21. Appellant vecht ten onrechte de staat aan waar deze voorziet in een vergoeding voor het bedrag van 150.000 oude BEF dat appellant op 21.01.1994 heeft betaald aan zijn moeder. Deze betaling is gedaan zonder dat aangetoond is geworden dat een schuldvordering van MDK aan de grondslag van deze betaling ligt. Appellant geeft zelf te kennen dat het gaat om een wederkerige milddadigheid die hij deed aan zijn moeder. Terecht werd in de staat gesteld dat appellant een vergoeding van 150.000 oude BEF verschuldigd is. De gehoudenheid, in toepassing van de artikelen 1415 en 1416 van het Burgerlijk Wetboek, van de echtgenoot om de bestuurshandelingen van de andere echtgenoot m.b.t. het gemeenschappelijk vermogen te eerbiedigen, impliceert niet dat deze laatste geen rekenschap dient te geven over gelden van de gemeenschap waarover hij vóór de feitelijke scheiding of het inleiden van de echtscheidingsprocedure heeft beschikt. De betaling van 150.000 oude BEF is een bestuurshandeling die door de andere echtgenoot dient geëerbiedigd te worden, maar dit neemt niet weg dat er in concreto dient nagegaan of het aannemelijk is dat deze gelden in het belang van het gezin of van het gemeenschappelijk vermogen werden aangewend. Dat laatste is in casu niet aangetoond. Het is terecht dat appellant opmerkte dat er in het vonnis niets werd gezegd over deze zwarigheid maar de zwarigheid zelf is ongegrond. 5.
  22. De eerste rechter heeft zoals de boedelnotaris geoordeeld dat de betalingen van MDK aan appellant zijn gebeurd bij wijze van lening. Geïntimeerde vecht deze zienswijze aan door middel van een incidenteel beroep omdat deze gelden het voorwerp zijn geweest van een schenking. Als zij beweert dat de betalingen ten belope van 400.000 oude BEF geschonken zijn geweest, dient ze dat te bewijzen. De overschrijving waardoor de gelden in het bezit zijn gekomen van appellant is een neutrale rechtshandeling die zowel ten bezwarende titel als om niet kan worden gesteld. Er kan niet bewezen worden dat de rechtshandeling om niet werd gesteld - d.w.z dat een onrechtstreekse schenking gebeurde - zonder te bewijzen dat er gehandeld werd met een animo donandi, hetgeen kan gebeuren met alle middelen van recht (Handboek Estate Planning 2 Schenking p. 132 nr 245). Geïntimeerde meent dat er begeleidende omstandigheden zijn die als afdoende vermoedens kunnen doorgaan. Door de eerste rechter is terecht rekening gehouden met het feit dat volgens de stukken door MDK een renteloze lening van 500.000 oude BEF was gegeven aan de broer van appellant. Het is meer waarschijnlijk dat MDK gelden zou lenen aan appellant in de plaats van te schenken. Niets wijst erop dat laatstgenoemde zich moreel verplicht zou hebben gevoeld om een schenking te doen rekening houdend dat geïntimeerde al door haar vader was begiftigd met een stuk bouwgrond. De spreiding van betaling wordt helemaal niet gezien als een aanwijzing in de zin van een schenking. Het ontbreken van een geschrift waaruit moet blijken dat de gelden werden geleend is ook geen aanwijzing dat de gelden werden geschonken. Het is immers terecht aangenomen door de eerste rechter dat er tussen MDK en appellant een morele onmogelijkheid bestond om een geschrift over de lening op te maken en dat er vermoedens zijn die in dat geval als bewijs in aanmerking kunnen worden genomen. Het desbetreffend incidenteel beroep is ongegrond.
  23. aangaande de betaling van de gerechtskosten, bepaald in het echtscheidingsvonnis d.d. 22.12.1994 (zwarigheid 11 van appellant) 6.
  24. Deze betwisting heeft te maken met het feit dat de boedelnotaris in de staat van vereffening en verdeling (sub IX 2°) oordeelde dat het bedrag van voorgeschoten gerechtskosten ten belope van 48.463 oude BEF door geïntimeerde volledig was vereffend geworden. Dat oordeel was gesteund op het door geïntimeerde geleverd bewijs dat ze betaalde aan Mr Verwilgen, destijds raadsman van appellant, 10.000 oude BEF op 06.09.1995, 10.000 oude BEF op 04.10.1995 telkens met de vermelding ‘Gerechtskosten VL - VDV' en 18.463 oude BEF op 08.01.1996 met de vermelding ‘laatste betaling gerechtskosten' In zijn brieven van 20 augustus 2001 en 18 september 2001 maakte appellant gewag van ‘kosten deurwaarder betrapping overspel en betaalde gerechtskosten‘. Hij stelde dat hij de gerechtskosten had voorgeschoten en dat het bedrag dat geïntimeerde uit dien hoofde verschuldigd was, 48.463 oude BEF beliep, waarvan moest bewezen worden dat dit bedrag was betaald. In het vonnis van echtscheiding d.d. 22.12.1994 werden de kosten van het geding waarin geïntimeerde werd veroordeeld, begroot op 41.776 oude BEF, ongerekend de kosten van uitgifte van het vonnis of van verdere uitvoering. Onder de kosten van uitvoering van het vonnis vallen enkel de kosten die nog moesten gemaakt worden om te bekomen dat de echtscheiding werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De kosten die uit hoofde van het genoemd vonnis kunnen gevorderd worden, zijn ongetwijfeld opgelopen tot een bedrag van 48.463 oude BEF. De betwisting gaat eigenlijk nog enkel over de vraag of het werkelijk door geïntimeerde bewezen is dat ze in vier schijven de genoemde gerechtskosten heeft betaald zoals de eerste rechter stelde. Appellant neemt enkel aan dat er door middel van 3 betalingen 38.463 oude BEF werd betaald. De eerste rechter zegde dat het bewezen is dat geïntimeerde in 4 schijven de door haar verschuldigde gerechtskosten heeft betaald aan Mr Verwilghen. Het probleem is hier dat geïntimeerde de bewijzen van haar betaling aan Mr Verwilghen niet voorlegt aan het Hof en dat appellant een brief voorlegt van Mr Verwilghen d.d. 15 juni 2000, waarbij gezegd wordt dat bij nazicht van de boekhouding een bedrag van 38.463 oude BEF werd ontvangen en niet 48.463 oude BEF. Het Hof moet besluiten dat de boedelnotaris moet uitgaan van het feit dat de schuldvordering van appellant ten overstaan van geïntimeerde uit hoofde van het vonnis van 22.12.1994 - door appellant zelf bepaald op 48.463 oude BEF - voldaan is voor 38.463 oude BEF (stuk 88 van appellant). 6.
  25. De zwarigheid aangaande de gerechtskosten was volgens de brief van appellant d.d. 22 april 2004 beperkt tot hetgeen de boedelnotaris zegde over de betaling van de som van 48.463 oude BEF. In de mate dat appellant thans in beroep onder deze zwarigheid andere betwistingen aanvoert zijn deze niet ontvankelijk, behoudens hetgeen gezegd wordt sub 6.3.. Bijgevolg dient geen oordeel geveld te worden over het standpunt van appellant dat de schattingskosten van W. Redant moeten geweerd worden uit de staat, dat er nog duidelijkheid moet gebracht worden over kosten verbonden aan een procedure van vervanging van notaris Wambacq door notaris Van den Bossche en over kosten verbonden aan een procedure van voorlopige en dringende maatregelen. 6.
  26. Wat betreft de staat van kosten en ereloon van de boedelnotaris, waarvan geen melding is gemaakt in de staat maar welke ter sprake is gebracht in een afzonderlijk schrijven van de boedelnotaris d.d. 30.03.2004 (zie stuk 5 van appellant) is er thans een betwisting gerezen met twee aspecten. Het eerste aspect betreft de betwisting over de verdeling tussen partijen. Als de zwarigheden van appellant, waarvan op 18 mei 2004 akte werd genomen, betrekking hebben op de staat van die datum, dan kan tegen appellant niet aangevoerd worden dat hij geen zwarigheid heeft gemaakt m.b.t. de staat van kosten en ereloon aangezien daarover in de staat van 18 mei 2004 niets meer was vermeld. Door deze staat van kosten en ereloon en de gelijke verdeling ervan voor de partijen niet (meer) te vermelden in de staat maar daarentegen wel te vermelden in een brief van 30.03.2004 is aan appellant ten onrechte een kans ontnomen om daaromtrent een zwarigheid te maken. Daaraan dient verholpen te worden door deze betwisting thans ontvankelijk te verklaren. Van het artikel 1449 B.W. dat zegt dat iedere echtgenoot voor de helft bijdraagt in de kosten van vereffening en verdeling tenzij anders is bedongen, kan niet afgeweken worden. Er is immers niets anders bedongen. De staat van kosten en ereloon heeft weliswaar betrekking op de uitvoering van de opdracht, vermeld in het vonnis van 22.12.1994, maar valt niet onder de kosten van tenuitvoerlegging van dat vonnis, hetgeen moet uitgesloten worden gelet op het bestaan van de bepaling in het artikel 1449 B.W. waarin enkel sprake is van het geval dat anders is bedongen, wat een overeenkomst van partijen impliceert. Het Hof kan niet ingaan op de vraag om de kosten van de vacatie van 23 april 2003 die hij overbodig acht, ten laste te leggen van geïntimeerde nu volgens appellant zelf bij die gelegenheid door appellant een overhandiging is gedaan van een bundel van 400 bladzijden (zie ook stuk 69 van appellant). Het tweede aspect volgt uit de bemerkingen van appellant op p. 71 van zijn conclusies van 12 juli 2007, waar het gaat om een betwisting over hetgeen de boedelnotaris vordert. De boedelnotaris, die belanghebbende partij is bij die betwisting, is niet in zake. Deze betwisting welke niet regelmatig aanhangig is gemaakt, wordt afgewezen als onontvankelijk.
  27. aangaande de door appellant gevorderde vergoeding lastens het gemeenschappelijk vermogen (zwarigheid nr 9) en aangaande de teruggestorte belastingen (zwarigheid nr 12) 7.
  28. Bij de zwarigheid 9 wordt uit gegaan van de bedragen, die in het bezit waren van appellant op datum van het huwelijk en die dus tot zijn eigen vermogen behoorden. Het zijn de bedragen die vermeld zijn in de staat onder punt IX, 1° voor een totaal van 14.110,95 EUR. Door geïntimeerde werd niet betwist dat appellant voor dat bedrag een eigen vermogen had op het ogenblik van het huwelijk. In de brief van Mr Vidy, raadsman van geïntimeerde, d.d. 17.06.1998 werd trouwens verwezen naar een belangrijk bedrag dat appellant voor het huwelijk bezat ( zie stuk 42 van appellant : 521.935 oude BEF). Bij de zwarigheid 12 wordt uitgegaan van de bedragen 34.165 oude BEF/846,93 EUR en 20.256 oude BEF/502,13 EUR, die door het Ministerie van Financiën werden betaald door middel van een postcheque en die geboekt werden op het renteboekje van appellant nr .... respectievelijk op 27.07.1987 (stuk 33 van appellant) en op 28.11.1988 (stuk 32 van appellant). Door geïntimeerde werd aanvankelijk niet betwist dat deze gelden een teruggave zijn van belastingen op inkomen dat appellant heeft gehad vóór zijn huwelijk. Aangezien deze bedragen geen voorwerp (meer) vormden van betwisting, mocht de eerste rechter deze bedragen niet beoordelen. Als geïntimeerde zich nu aansluit bij de eerste rechter, dient deze betwisting van geïntimeerde afgewezen te worden als onontvankelijk. De betwisting kan in hoofdzaak nog enkel gaan over het recht op vergoeding van appellant door het gemeenschappelijk vermogen om reden dat de gemeenschap de financiering deed van de bouw van de woning met de genoemde bedragen (14.110,95 EUR en 1.349,06 EUR), behorend tot het eigen vermogen van geïntimeerde. 7.
  29. De eerste rechter was van oordeel dat de gemeenschap, waarvan door geïntimeerde wordt aangenomen dat deze moet vergoed worden ten belope van 105.354,74 EUR, op haar beurt aan appellant moet vergoeden ten belope van 14.110,05 EUR. Aan de grondslag van dat oordeel ligt de overtuiging dat de gelden die appellant bij zijn huwelijk had, door het gemeenschappelijk vermogen werden opgenomen. In haar verweer tegen de zwarigheid van appellant die betrekking heeft op het ontzeggen van een vergoeding aan het eigen vermogen van appellant, is geïntimeerde niet beperkt door de voorafgaande overweging van de boedelnotaris betreffende het gebruik van eigen gelden in het voordeel van het gemeenschappelijk vermogen. Het verweer waarbij geïntimeerde nu stelt dat appellant al zijn eigen geld heeft opgebruikt in de periode dat hij zijn legerdienst deed (vanaf 1 september 1986) is niet ernstig wanneer voordien in een schrijven van Mr Vidy d.d.. 17.06.1998 een verrekening gebeurde van 521.935 oude BEF, uitsluitend in het voordeel van appellant en wanneer geïntimeerde in haar conclusies van 26.05.2005 heeft nagelaten te zeggen dat ze de redenering van de boedelnotaris niet kon bijtreden wat betreft de opneming in het gemeenschappelijk vermogen van de gelden, die appellant had ten tijde van het huwelijk. Geïntimeerde heeft overigens nooit eerder dan nu in haar conclusies van 13.09.2007 opgemerkt dat appellant niet aantoonde wat de evolutie is geweest van zijn spaarrekening, waarop de voor de oprichting aangewende gelden hebben gestaan. Tenslotte verliest geïntimeerde uit het oog dat de boedelnotaris als eerste rechter oordeelde dat er was aangetoond dat er 14.110,05 EUR persoonlijke gelden waren gebruikt in het voordeel van het gemeenschappelijk vermogen. Appellant kan niet verplicht worden andermaal bewijzen voor te leggen nadat de voorgelegde stukken zijn beoordeeld geweest door de boedelnotaris zonder dat dit oordeel werd aangevochten. De eerste rechter stelde terecht dat er helemaal geen tweemaal vergoeding wordt gevraagd voor hetzelfde omdat het gaat om vergoeding tussen onderscheiden vermogens. Appellant is niet akkoord dat de vergoeding van zijn eigen vermogen wordt beperkt tot de verarming ten belope van 14.110,05 EUR in hoofdsom. Volgens hem dient deze hoofdsom vermeerderd te worden met 7.228,57 EUR. Uitgaande van de oprichtingsprijs van 3.580.000 oude BEF, zoals door appellant aanvaard ten opzichte van de BTW-controle, verminderd met 620.000 oude BEF voor eigen werk en 150.000 oude BEF voor niet-uitgevoerde werken - dus een bedrag van 2.810.000 oude BEF/69.658,08 EUR - stelt hij dat er een meerwaarde is van 1.440.000 oude BEF/35.696,67 EUR Hij berekent dat die meerwaarde voor 20,25 % werd verkregen door het gebruik van zijn eigen gelden ten belope van 14.110,05 EUR en dat hij dus recht heeft op 20,25 % van 35.696,67 EUR; dit is 7.228,57 EUR. Er is geen reden om de toepassing van artikel 1435 B.W waardoor de vergoeding aan het gemeenschappelijk gebeurt op basis van de waardevermeerdering, niet te laten doorwerken voor de vergoeding door de gemeenschap van het eigen vermogen. Appellant maakte een verantwoorde berekening. Het vonnis dient op dat punt hervormd te worden in die zin dat de vergoeding die door het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd is aan het eigen vermogen van appellant verhoogd wordt van 14.110,05 EUR tot 21.338,62 EUR in hoofdsom. Appellant vraagt dat op de eigen gelden zolang ze niet waren aangewend voor de oprichting van de woning, rente zou toegekend worden aan hem. Deze vraag houdt geen verband met één van de zwarigheden, waarvan gewag is gemaakt in het proces-verbaal van 18 mei 2004 en is bijgevolg een niet-ontvankelijke nieuwe vordering. 7.
  30. Appellant werd door de eerste rechter niet gevolgd in zijn stelling dat de sommen van 846,93 EUR en 502,13 EUR, die door het Ministerie van Financiën in 1987 en in 1988 werden betaald, in de gemeenschap zijn opgenomen en door de gemeenschap in 1992/1993 zijn aangewend voor de oprichting van de woning. Het Hof volgt wel deze zienswijze. Door de storting van deze gelden op het renteboekje van appellant zijn deze gelden opgenomen in de gemeenschap. Appellant was wel titularis van de spaarrekening maar dat belet niet dat deze spaarrekening moet beschouwd worden als afhangende van de gemeenschap. De gelden die van de spaarrekening werden afgehaald om er de woning mee te financieren, worden vermoed gelden te zijn van de gemeenschap. Vandaar dat er ook in de staat voorzien is in een vergoeding van de gemeenschap voor 105.354,74 EUR. Appellant heeft aan zijn bewijslast voldaan door aan te tonen dat zijn eigen gelden vermengd werden met gemeenschappelijke gelden. Geïntimeerde mocht aantonen dat de gelden uitsluitend werden aangewend voor persoonlijke doeleinden van appellant zodat geen vergoeding verschuldigd is door het gemeenschappelijk vermogen. Zij heeft dat niet aangetoond (zie THEMIS nr 40 Recente rechtspraak huwelijksvermogensrecht van C. DECLERCK p 33 nr 17). In de mate dat de gemeenschap voor de financiering van de woning gebruik maakte van eigen gelden van appellant is de gemeenschap vergoeding verschuldigd aan het eigen vermogen van appellant op de wijze zoals gezegd sub 7.
  31. Het recht van appellant op een vergoeding met inachtneming van de waardevermeerdering brengt mee dat zijn vergoeding meer bedraagt dan de verarming. De vergoeding bedraagt derhalve geen bedrag van 1.349,06 EUR maar een bedrag van 2.038,00 EUR (dit is 1.349,06 EUR + 688,94 EUR, waarbij het laatste bedrag overeenkomt met 1,93 % - 1.349,06 EUR/69.658,08 EUR = 1,93 % - van de waardevermeerdering van 35.696,67 EUR ). Het vonnis dient op dat punt hervormd te worden in die zin dat het eigen vermogen van appellant ook nog door het gemeenschappelijk vermogen moet vergoed worden ten belope van 2.038,00 EUR in hoofdsom en dat er op die vergoeding van rechtswege intresten verschuldigd zijn vanaf de ontbinding van het stelsel.
  32. aangaande de door de verzekeringsmaatschappij Unie van Antwerpen uitgekeerde vergoeding van 371,84 EUR met verwijzing naar Mitsubishi (zwarigheid 13 van appellant) De beslissing van de eerste rechter aangaande deze zwarigheid is niet aangevochten.
  33. aangaande de door Johan Van de Velde verrichte betalingen van 3.162 oude BEF inzake Electrabel en van 9.307 oude BEF inzake brandverzekering (zwarigheid 14 van appellant) De beslissing van de eerste rechter aangaande deze zwarigheid is niet aangevochten.
  34. aangaande de terugvordering van vakantiegeld (zwarigheid 15 van appellant). De beslissing van de eerste rechter aangaande deze zwarigheid is niet aangevochten.
  35. aangaande de afhalingen van gelden door geïntimeerde in de periode voor het inleiden van de echtscheidingsprocedure (zwarigheid 16 van appellant) De beslissing van de eerste rechter aangaande deze zwarigheid is niet aangevochten.
  36. aangaande de verarming van de gemeenschap door de oprichting van de gezinswoning (zwarigheid 17 van appellant) en aangaande de vergoeding van het eigen vermogen van geïntimeerde aan het gemeenschappelijk vermogen wegens de oprichting van het onroerend goed (zwarigheid 19 van appellant) 12.
  37. Voor zijn zwarigheid 17 verwijst appellant naar zijn stuk 26 hetgeen overeenkomt met het stuk C8 waarnaar oorspronkelijk in zijn brief van 22.04.2004 was verwezen en waaruit zou moeten blijken dat de oprichting van de woonst een nadeel heeft berokkend dat als volgt is becijferd: - 551.951 oude BEF zijnde een verlies van inkomsten doordat de gemeenschappelijke gelden aangewend werden voor het eigen vermogen van geïntimeerde en die aldus niets meer konden opbrengen ten bate van de huwgemeenschap aangezien het eigen vermogen van geïntimeerde pas intresten verschuldigd is vanaf 7 juni 1994 (zie in stuk 26 de renteberekening vanaf de uitgave tot 7 juni 1994 aan 8,5625 %) ; - 118.795 oude BEF voor kosten specifiek gemaakt voor het oprichten van de woonst die onmogelijk in de gerechtelijke schatting kunnen zitten ( zie in stuk 26 de opsomming van uitgaven); De eerste rechter heeft deze zwarigheid niet ontmoet, wel de zwarigheid
  38. Toen appellant de zwarigheid 19 ter sprake bracht in zijn brief van 22 april 2004 verwees hij naar een vordering G die bestaat uit een lijvig bundel en aantoont dat de oprichting van het onroerend goed een verarming van 5.900.000 oude BEF veroorzaakt heeft. Appellant stelde dat de oprichting van het huis meer heeft gekost dan de geschatte waarde en dat de geschatte waarde dus tot deze waarde moet opgetrokken worden. 12.
  39. Zwarigheid 19 komt in beroep niet ter sprake behoudens in het aanhangsel van 14.04.2008 onder p waar het gaat om de betalingen in de zaak CV Kursten. Er wordt daarentegen wel gelezen in conclusies van 12 juli 2007 dat appellant geen inspanning meer doet om te bewijzen dat de oprichtingswaarde van de woonst meer is dan de gerechtelijke schatting. Waar de eerste rechter bij de beoordeling van zwarigheid 19 besloot dat de kostprijs van de oprichting van de woning niet hoger lag dan de geschatte waarde van expert Redant heeft appellant uiteindelijk geen argumenten meer ingebracht. 12.
  40. Zwarigheid 17 wordt door het Hof zo begrepen dat appellant vraagt rekening te houden met het verlies/nadeel voor de huwgemeenschap dat wordt begroot op 551.951 oude BEF + 118.795 oude BEF. Bij de berekening van het verlies van inkomsten ten belope van 551.951 oude BEF wordt volledig voorbij gegaan aan het feit dat de waardevermeerdering van het eigen goed in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de vergoeding die de gemeenschap verschuldigd is, en dat er dus rekening mee gehouden is dat de investering van gemeenschappelijke gelden in een eigen goed heeft gerendeerd. Appellant laat na aan te tonen dat de gemeenschappelijk gelden beter hadden gerendeerd indien ze niet waren geïnvesteerd in het eigen goed van geïntimeerde. Het bedrag van 118.795 oude BEF is berekend aan de hand van allerlei uitgaven tussen maart 1990 en 18 april
  41. In de veronderstelling dat alle bedragen die daarin begrepen zijn, gestaafd zijn door bewijzen, moet opgemerkt worden dat de verarming van de huwgemeenschap geen aanleiding geeft tot een afzonderlijke vergoeding. Het gaat om uitgaven van zeer diverse aard. Er zijn uitgaven bij die betrekking hebben op de aankoop door en voor de gemeenschap van inboedel (facturen / Hegeco ten belope van 60.950 oude BEF - aankoop salon) en op de bewoning door het gezin. Waar de andere uitgaven niet los staan van de oprichting van de woning zijn dit uitgaven waarvan de investering wordt terug gewonnen via de vergoeding op basis van een waardeschatting door W. Redant die hoger ligt dan alle uitgaven voor de oprichting van de woning. Het vonnis dient aangevuld te worden door een beslissing dat zwarigheid 17 ongegrond is. 12.
  42. Appellant brengt een betwisting inzake de betalingen in de zaak CV Kursten in verband met de zwarigheid 19 (zie aanhangsel punt p). Hij legt uit dat het gaat om kosten die voortvloeien uit de bedoeling om een woonst met winkelruimte op te richten op de bouwgrond van geïntimeerde in 1991, nl. kosten voor het maken van de plannen door architect Vera Kursten. Deze plannen werden nooit uitgevoerd. De plannen van de werkelijk gebouwde woonst zijn afkomstig van architect De Gendt. Vera Kursten bekwam een veroordeling van appellant en geïntimeerde maar het is uiteindelijk deze laatste die de schuld vereffende. In de staat werd de door geïntimeerde betaalde schuld van 4.618,93 EUR gezien als een gemeenschappelijke schuld. Appellant vraagt thans dat de boedelnotaris verplicht zou worden om deze post van 4.618,93 EUR te schappen uit de staat omdat deze kosten uitsluitend in het belang van het eigen vermogen van geïntimeerde zijn gemaakt. Appellant gaat nog verder en vraagt dat er in de staat ook rekening zou gehouden worden met de provisies die hij nog betaalde aan Mr Pierre De Smet, de raadsman van partijen in de zaak tegen V. Kursten, ten belope van 22.500 oude BEF(stuk 83 van appellant). Voor de eerste rechter werd geen debat gevoerd over deze kwestie zodat er in het vonnis ook niets werd over gezegd. De reden daarvoor is dat appellant geen zwarigheid heeft gemaakt aangaande deze post van 4.618,93 EUR. Bij zwarigheid 19 werd geen verband gelegd met deze post zodat de huidige verwijzing naar zwarigheid 19 niet opgaat. De betwisting die nu in beroep wordt aangevoerd - inbegrepen de vordering met betrekking tot de aan Mr DS betaalde provisie, die trouwens voor 15.000 oude BEF ook begrepen was in het sub 12.
  43. vermelde bedrag van 118.795 oude BEF - is nieuw en is niet ontvankelijk. Op p. 67 van de conclusies van 12 juli 2007 vroeg appellant dat zou gezegd worden, niet alleen dat de kost van 4.618,93 EUR uit de staat moet geschrapt worden, maar ook dat geïntimeerde dat bedrag zou moeten inbrengen omdat ze op een bedrieglijke manier gepoogd heeft dit bedrag weg te maken uit de gemeenschap. Ook deze vraag is onontvankelijk.
  44. aangaande de betaling van de hypothecaire lening door geïntimeerde (zwarigheid 20 van appellant). Gelet op de brief van 22 april 2004 en gelet op het feit dat de nota van 26 mei 2005 door de eerste rechter terecht uit de debatten geweerd werd, is de eerste rechter ervan uitgegaan dat appellant slechts twee aflossingen van de hypothecaire lening betwistte nl. de aflossing dd. 14 maart 1994 voor een bedrag van 275,66 EUR (11.120 oude BEF) en d.d. 23 maart 1994 voor een bedrag van 289,99 EUR (11.698 oude BEF). Hij zegde dat er met deze twee betalingen geen rekening mocht gehouden worden zoals dit door appellant was gevraagd. Geïntimeerde heeft op dat punt geen incidenteel beroep ingesteld. Appellant zegt in beroep dat hij ook de betaling van 282,38 EUR, gedaan op 14 maart 1994 tot aanzuivering van een achterstal betwist. Geïntimeerde zegt dat dit een nieuwe betwisting is en dat het Hof niet bevoegd is daarover uitspraak te doen. Het Hof is van oordeel dat deze betwisting voortvloeit uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, Het Hof heeft reeds sub 2.
  45. gewezen op de onregelmatigheid in de procedure en op de noodzaak die daardoor is ontstaan om nog nieuwe betwistingen toe te staan in het uitzonderlijke geval dat appellant anders zou benadeeld zijn als blijkt dat hij alleen door deze onregelmatigheid een betwisting niet kon aanvoeren. De reden waarom de eerste rechter al twee aflossingen weerde uit de staat, geldt ook voor de hier besproken aflossing van 282,38 EUR. De vraag van appellant tot toepassing van artikel 1448 B.W. met betrekking tot betalingen die geïntimeerde voor 7 juni 1994 heeft gedaan aan Bacob ter aflossing van de hypothecaire lening, betreft een nieuwe betwisting, die niet ontvankelijk moet verklaard worden. Op dat punt dient het vonnis aangepast te worden in die zin dat er ook geen rekening zal mogen gehouden worden met deze aflossing van 282,38 EUR d.d. 14 maart 1994 en dat gezegd wordt dat de boedelnotaris ook op dat punt de staat zal moeten aanpassen
  46. aangaande de achterstallige betalingen opgenomen onder X.1.b in de staat van vereffening (zwarigheid 21 en 22 van appellant). Van de opmerkingen die appellant maakt onder punt 3.a op pagina 58 met betrekking tot achterstallige betalingen bij Electrabel/Intergem teneinde fraude aan te klagen en medeplichtigheid van de notaris te laten vaststellen werd akte genomen. De gegrondheid van deze opmerkingen komt hier niet aan de orde. De eerste rechter heeft gezegd dat de post Intergem ten belope van 821,94 EUR dient geweerd te worden uit de staat. Daartegen kan appellant niet opkomen omdat zijn zwarigheid gegrond is verklaard. Van de kant van geïntimeerde is er geen incidenteel beroep met betrekking tot deze post. Aangezien de betalingen aan de Stad Aalst, aan Belgacom en aan Intergem uit de staat worden geweerd, is er geen reden om een oordeel te vellen over de wijze waarop de boedelnotaris ertoe kwam deze in de staat te verwerken. De vraag tot toepassing van artikel 1448 B.W. met betrekking tot de som van 821,94 EUR (33.157 oude BEF) betreft een nieuwe betwisting en dient onontvankelijk te worden verklaard. Op p. 67 en 68 van de conclusies van 12 juli 2007 bracht appellant de bedragen 2.139 oude BEF en 400 oude BEF ter sprake met de vraag deze bedragen toe te wijzen aan appellant en geïntimeerde te verplichten deze bedragen in te brengen in toepassing van artikel 1448 B.W. Deze vraag is ook onontvankelijk.
  47. aangaande de betaling van een boete wat voorwerp is geweest van de door de eerste rechter gegrond verklaarde zwarigheden 23 en 24 van appellant (incidenteel beroep van geïntimeerde) De betwisting betreft twee beweerde betalingen uit hoofde van verkeersovertreding nl: - een beweerde betaling van een voorstel tot minnelijke schikking ten belope van 8.000 oude BEF in verband met een verkeersovertreding te ... op 10.05.1990; Aan de vraag van appellant om het bewijs voor te leggen dat hij akkoord is gegaan met het voorstel van minnelijke schikking en de betaling deed, is niet voldaan. Slechts nadat bewezen is dat het bedrag betaald werd, komt de vraag aan de orde of de betaling gebeurde met gelden van de gemeenschap. Er is geen reden om het vonnis op dat punt te hervormen. - een beweerde betaling van een voorstel tot minnelijke schikking ten belope van 3.600 oude BEF in verband met verkeersovertreding te Lüdenscheid op 05.03.
  48. De opmerking dat er geen rekeninguittreksel voorligt als bewijs dat de som van 3.600 oude BEF van de rekening is gegaan is juist maar de stukken die voorliggen laten toe om op basis van vermoedens te zeggen dat een betaling van 3.600 oude BEF werd betaald voor een verkeersovertreding, begaan door appellant en dat de betaling gebeurde met gelden die vermoed worden gemeenschappelijke gelden te zijn, ook al wijst het stuk12 a erop dat de betaling gebeurde met de zichtrekening van appellant nr ..... Appellant legt van die rekening geen uittreksels voor om aan de tonen dat dit bedrag niet van zijn rekening werd afgenomen; Op dat punt wordt het incidenteel beroep ingewilligd en dient het vonnis hervormd te worden in die zin dat de vermelding in de staat van vereffening en verdeling van het bedrag van 287,56 EUR als eigen schuld van appellant behouden kan blijven voor een bedrag van 89.24 EUR.
  49. aangaande de stand van de rekeningen (zwarigheid 25 van appellant) 16.
  50. De zwarigheid gaat over een spaarrekening ... op naam van appellant waarop op 28 januari 1994 142.766 oude BEF stond, hetgeen door appellant niet werd aanvaard. Het nummer van de rekening is niet vermeld (in stuk 28 zegt appellant dat hij op rekening .... een batig saldo had van 142.766 oude BEF) De eerste rechter zegde dat moet rekening worden gehouden met de stand van de spaarrekening op 7 juni 1994 (datum inleiding echtscheidingseis). Aan de boedelnotaris werd de instructie gegeven dienaangaande te informeren en de staat van vereffening aan te passen in die zin dat enkel met de stand van deze rekening op 7 juni 1994 zal worden rekening gehouden. Appellant stelt zelf dat de zwarigheid werd aanvaard. Hij vraagt echter dat het correcte nominale bedrag zou worden bepaald in het arrest. Appellant toont zelf niet aan wat de stand van zijn rekening was op 7 juni 1994 zodat het Hof slechts de beslissing van de eerste rechter op dat punt kan bevestigen. In de conclusies van 12 juli 2007 - op pagina 33 - handelt appellant voorts nog over een bedrag van 1.574,79 EUR dat in de staat vermeld is sub X 6°, waar gezegd werd dat het gaat om vakantiegeld van geïntimeerde dat werd opgestreken door appellant. Daarover is er evenwel geen betwisting geldig aanhangig gemaakt. In zover dat als nieuwe zwarigheid wordt aangevoerd, is deze onontvankelijk. 16.
  51. Uit de conclusies van 12 juli 2007 op p. 65 blijkt dat appellant vordert dat zou gezegd worden dat in toepassing van artikel 1448 B.W. geïntimeerde haar aandeel zou verliezen in het bedrag van 97.544 oude BEF dat op de door geïntimeerde verborgen gehouden ...-rekening .... stond op de dag van de zitting van de vrederechter d.d. 23.02.
  52. Deze nieuwe betwisting is niet ontvankelijk aangezien deze betwisting niet begrepen was in de zwarigheden op de staat van 18 mei 2004
  53. aangaande de beheersrekening (zwarigheid 26 van appellant) 17.
  54. Door appellant werd een detail gevraagd van de intrestberekening, die resulteerde in het in de staat vermelde bedrag van 44.700,79 EUR. In haar advies verwees de boedelnotaris naar haar aangetekende brief van 9 oktober 2003 (stuk 10 van appellant). Daarin zijn de intresten berekend op het bedrag van 102.110,50 EUR. Terecht wordt opgemerkt door appellant dat het bedrag van 102.110,50 EUR een materiële fout bevat. Dat bedrag is vermeld bij de vergoedingsrekening op de keerzijde van het negende blad en is het resultaat van een compensatie tussen 108.595,40 EUR en 6.484,90 EUR Bij verbetering van de begane fout wordt het bedrag van 108.595,40 EUR vervangen door 109.115,98 (d.i.: 107.851,72 EUR + 1.264,26 EUR i.p.v. het bedrag van 743,68 EUR dat voordien vermeld werd in het ontwerp van staat). Volgens de staat zouden de intresten na verbetering moeten gerekend worden op 102.631,08 EUR. Appellant beschikte niet over de maand, waarover de belanghebbende na inzage van de staat volgens artikel 1218 tweede lid Ger. W. moest kunnen beschikken. Waar dit aan appellant de mogelijkheid heeft ontnomen om toen een opmerking te maken over deze materiële fout, moet dit nadeel goedgemaakt worden door de huidige bemerking daarover niet af te wijzen als laattijdig of onontvankelijk. Uit de brief van de boedelnotaris d.d. 9 oktober 2003 blijkt dat bij de berekening van de intresten een werkwijze is gevolgd die niet kan goedgekeurd worden maar in dat verband wordt verwezen naar hetgeen gezegd wordt sub 18 aangaande o.a. de vraag tot kapitalisatie. 17.
  55. Door de eerste rechter werd gezegd dat de boedelnotaris de stand van de rekening van geïntimeerde .... heeft opgevraagd en beloofde dat ze de staat nog zou aanpassen waar nu ‘pro memorie' is vermeld. Op die manier zal appellant ook een aanpassing zien gebeuren van de beheersrekening, die ook ten gevolge van de beoordeling van de zwarigheden door de eerste rechter en het hof zal moeten aangepast worden bv. door de toekenning van een vergoeding van het eigen vermogen wegens de besteding van eigen gelden aan de oprichting van de woning (zie zelfde overweging van de eerste rechter op folio nr 002504) Op de vragen van appellant met betrekking tot deze rekening, zoals geformuleerd in zijn conclusies van 12.07.2007 op pagina 42 kan niet worden ingegaan. In het advies van 17 juni 2004 wordt gewag gemaakt van een eigen vaststelling van de boedelnotaris dat de stand van de rekening op 7 juni 1994 809.67 EUR beloopt. Wie beweert dat deze vaststelling van de notaris niet juist is dient zulks te bewijzen met een aanklacht wegens vervalsing in openbare geschriften. De zwarigheid van appellant was op dat punt beperkt tot de kwestie van de mededeling van het stuk dat aantoont wat de stand van de rekening op 7 juni 1994 was. 17.
  56. Op 14 september 1993 werd bij .... een gemeenschappelijke hypothecaire lening aangegaan voor 1.000.000 oude BEF, welk bedrag werd uitgekeerd op de kredietrekening bij ..... (stuk 18 van appellant). In eerste instantie werd dat bedrag overgeplaatst naar een bouwspaarrekening ..... op naam van beide partijen (zie stuk 7 van appellant). Op 07.06.1994 was er aan B.A.C. nog verschuldigd: 23.686,72 EUR. Geïntimeerde heeft op 14.10.1999 de schuld volledig terugbetaald meer de wederbeleggingsvergoeding van 227,52 EUR. Van 07.06.1994 tot 14.10.1999 heeft ze aan intresten betaald : 7.857,85 EUR. De vrederechter wees op 23.02.1994 een vonnis aangaande voorlopige en dringende maatregelen. (zie stuk 17 van appellant). Geïntimeerde had gevraagd dat appellant voor de helft zou tussenkomen in de afbetaling van de hypothecaire lening met betrekking tot de voormalige echtelijke woonst (zie punt 7 van het verzoekschrift): dat punt is begrepen in het meergevorderde dat afgewezen werd. Ten onrechte stelt appellant dat geïntimeerde daardoor indirect werd veroordeeld tot het betalen van de hypothecaire lening. Een veroordeling vereist een duidelijke beslissing en kan niet bekomen worden via een afwijzing van eis of tegeneis. De vrederechter was overigens niet bevoegd om appellant te ontslaan van de nakoming van zijn verbintenis ten overstaan van de schuldeiser. De eerste rechter stelde dat het standpunt van de boedelnotaris moet beaamd worden in verband met de terugbetalingen in intresten en wederbeleggingsvergoeding aan Dexia groep waar het om een gemeenschappelijke hypothecaire lening ging. Appellant is daarmee niet akkoord. Volgens hem had de schuld tegenover B.A.C. geen gemeenschappelijk karakter meer toen bij het vonnis van de vrederechter op 23.02.1994 een einde kwam aan het gemeenschappelijk doel waarvoor de lening was aangegaan. Hij vraagt dat alle kosten van de hypothecaire lening ten laste zouden worden gelegd van de geïntimeerde (dit zijn de kosten van de notaris ten bedrage van 1.088,28 EUR en dossierkosten van Bacob 74,37 EUR). Wat betreft de dossierkosten wordt opgemerkt dat het Hof daarover reeds afwijzend oordeelde sub 12.3 : in het bedrag van 118.795 oude BEF waarvan de samenstelling te vinden is in stuk 26 van appellant, zijn deze dossierkosten ten bedrage van 3.000 oude BEF (en 5.000 oude BEF) begrepen. Wat betreft de kosten van de notaris t.b.v. 1.088,38 EUR heeft de boedelnotaris geoordeeld dat deze kosten geen aanleiding gaven tot vergoeding. Appellant heeft dienaangaande geen zwarigheid gemaakt. De huidige betwisting daarover is niet ontvankelijk. Aan de vraag van appellant om de intresten en de wederbeleggingsvergoeding, samen 8.085,37 EUR, uitsluitend ten laste te leggen van geïntimeerde, kan geen gevolg worden gegeven omdat hij niet kan ontkrachten dat het een gemeenschappelijke schuld is geweest die geïntimeerde heeft betaald. Appellant maakt de bemerking dat geïntimeerde ten onrechte het volledig bedrag van de betaalde intresten in rekening deed brengen. Hij wijst erop dat geïntimeerde het voordeel heeft gehad van de fiscale aftrek en dat enkel met de werkelijk gedragen lasten kan rekening worden gehouden. De boedelnotaris heeft - ongetwijfeld in antwoord op een bemerking van appellant - in de staat bevestigd dat geïntimeerde heeft kunnen genieten van de fiscale aftrek (zie achterzijde van blad G637835). Bij zijn zwarigheden heeft appellant daarover niets gezegd zodat appellant hier een betwisting ter sprake brengt welke niet regelmatig aanhangig is gemaakt. 17.
  57. Uit een brief van de raadsman van appellant dd. 30 augustus 1999 blijkt dat geïntimeerde voorstelde om tot slot van alle rekening 1.800.000 oude BEF te betalen aan appellant (zie stuk 13 van appellant). Op 15 oktober 1999 heeft geïntimeerde aan appellant een voorschot betaald van 44.620,83 EUR (1.800.000 oude BEF). In de staat van vereffening en verdeling werd enkel bij de persoonlijke rekening melding gemaakt van een reeds ontvangen bedrag van 1.800.000 oude BEF. Deze betaling was door appellant aanvaard gelet op het feit dat in zijn brief van 20 augustus 2001 een rekening voorkomt waarbij dat bedrag werd verrekend. Appellant heeft door zijn stuk 8 aangetoond dat hem op 30.03.2004 een ontwerp van staat werd toegestuurd. Hij bewijst niet aan de hand van dat ontwerp dat er daarin geen melding is gemaakt van het betaald bedrag van 1.800.000 oude BEF en dat hij niet in staat zou geweest zijn om in het kader van zijn zwarigheden bij brief van 22.04.2004 te laten weten dat hij op dat punt enig bezwaar had. Appellant brengt hier nog een betwisting ter sprake welke niet regelmatig aanhangig is gemaakt. 17.
  58. In zijn conclusies van 12 juli 2007 op pagina 43 (onder O) en in het aanhangsel op pagina 11 wordt door appellant gesteld dat er op de saldi van de rekeningen intresten verschuldigd zijn vanaf 7 juni
  59. Volgens hem is dat standpunt reeds ingenomen bij het formuleren van zijn zwarigheid
  60. Het Hof merkt op dat bedragen die verschuldigd zijn uit hoofde van de beheersrekening, geen intresten van rechtswege opbrengen en artikel 1436 B.W. niet toepasselijk is omdat het niet gaat om een schuld uit hoofde van de vergoedingsregels, uiteengezet in de artikel 1432 B.W. tot en met 1438 B.W. De conclusies van 12 juli 2007 vormen wel een duidelijke aanspraak op intresten, m.a.w. een ingebrekestelling die vanaf 12 juli 2007 intresten a rato van de wettelijke rente doen lopen op hetgeen dat aan appellant toekomt uit hoofde van de beheersrekening.
  61. aangaande de vraag om een deskundige te gelasten met een schatting van de huidige waarde van het onroerend goed van geïntimeerde en de vraag om de beheersrekening jaarlijks te laten kapitaliseren vanaf 7 juni 1994 Appellant legt uit dat de lange duur van de procedure steeds meer in zijn nadeel speelt en in het voordeel van geïntimeerde omdat sinds de waardebepaling in 1996 door W. Redant, het onroerend goed van geïntimeerde steeds verhoogde in waarde terwijl ze nog maar enkel een bedrag betaalde van 1.800.000 oude BEF en hij enkel zou kunnen rekenen op intresten a rato van de wettelijke rente. Hij ervaart dit als een onrechtvaardigheid die zou moeten hersteld worden. Er is geen juridische grond om te zeggen dat de vergoeding, bepaald op grond van de door W. Redant gedane schatting, moet aangepast worden door de huidige waarde van het onroerend goed in aanmerking te nemen. In de staat dient de vergoeding bepaald te worden die aan/door de gemeenschap en aan/door de eigen vermogens verschuldigd is op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijksstelsel; dit is op 7 juni 1994, en vanaf dan lopen van rechtswege intresten. Dit zijn wettelijke intresten. Appellant vraagt ten onrechte dat deze regels, die bepaald zijn in de artikelen 1432 -1438 B.W. worden verlaten en dat in de plaats van de intresten een meerwaarde verkregen van 7 juni 1994 tot heden, in aanmerking wordt genomen. Inzake vergoeding heeft appellant uiteraard wel recht op een juiste berekening van de door geïntimeerde verschuldigde vergoeding. De boedelnotaris dient te berekenen hoeveel intresten verschuldigd zijn door de eigen vermogens aan het gemeenschappelijk vermogen en door het gemeenschappelijk vermogen aan de eigen vermogens (zie hoger sub
  62. 2 en 7.3.) en zal daarbij de toerekening van de betaalde som van 1.800.000 oude BEF dienen te doen met inachtneming van de artikel 1253 B.W. tot en met 1255 B.W. Deze regels zijn niet in acht genomen geweest in de berekening van 9 oktober 2003 waar een bedrag van 89.241,66 EUR werd toegerekend op 102.110,50 EUR. Inzake de beoordeling van de vraag om de beheersrekening jaarlijks te laten kapitaliseren vanaf 7 juni 1994, zoniet dan toch minstens te laten kapitaliseren vanaf het indienen van de staat van vereffening en verdeling op de griffie op 12 juli 2004, wordt verwezen naar hetgeen hoger werd gezegd sub 17.5 waar gesteld werd dat artikel 1436 B.W niet kan toegepast worden op hetgeen verschuldigd is uit hoofde van de beheersrekening en dat er slechts moratoire intresten a rato van de wettelijke intresten lopen vanaf 12 juli
  63. aangaande de zwarigheid van geïntimeerde die het voorwerp is van het incidenteel beroep en die betrekking heeft de kosten en erelonen van de akte schenking (bouwgrond) en op de rekening van landmeter Vinck voor het opmeten van de bouwgrond + de nieuwe aanspraken van appellant op vergoeding van de gemeenschap met betrekking tot de bouwgrond (delen in de meerwaarde) 19.
  64. Er is betwisting over het recht op vergoeding van de gemeenschap door het eigen vermogen van geïntimeerde zoals werd aangenomen in de staat sub .... (1.823,58 EUR voor kosten en ereloon van de akte schenking van de bouwgrond d.d. 20.02.1991 en 673,40 EUR voor kosten van landmeter Vinck). De opmerking van geïntimeerde dat het hier gaat om gemeenschappelijke schulden is niet relevant. Wat relevant is, is de vraag of geïntimeerde door de betaling van deze bedragen met gemeenschappelijk gelden persoonlijk voordeel heeft getrokken (artikel 1432 B.W.). Door geïntimeerde is niet aangetoond dat de eerste rechter ten onrechte of op verkeerde wijze toepassing maakte van het artikel 1432 B.W.; bijgevolg blijven de overwegingen van de eerste rechter onverkort gelden. 19.
  65. Appellant vordert thans dat de vergoeding anders zou gebeuren dan gebeurde in de staat zonder dat hij dienaangaande een zwarigheid had gemaakt. Deze nieuwe betwisting dient afgewezen te worden als onontvankelijk.
  66. partijdigheid en/of incompetentie van de boedelnotaris, 20.1.Appellant heeft gewild dat bij de beoordeling van de zwarigheden rekening werd gehouden met de manier waarop de boedelnotaris haar opdracht heeft uitgevoerd en met de kritiek die hij daarop heeft. Waar hij gewaagt van een partijdigheid en/of incompetentie van de boedelnotaris, heeft appellant in dit geding geen andere bedoeling dan deze aanklacht ten overstaan van de boedelnotaris te gebruiken als argument om de vorderingen die hij laat gelden in dit geding tegen zijn gewezen echtgenote, te doen inwilligen. Deze inwilliging ziet hij als een manier om de fouten van de boedelnotaris recht te zetten en de schade ten gevolge van deze fouten te beperken (zie conclusies van 12 juli 2007 p. 56 derde alinea). Ten overstaan van de boedelnotaris kan appellant niets vorderen en vordert hij ook niets. De boedelnotaris is niet in het geding zelf betrokken en heeft dus geen wederwoord. De vervanging van de boedelnotaris is niet aan de orde omdat uitdrukkelijk werd gesteld dat de vervanging niet wordt gevraagd. De kritiek van appellant op de boedelnotaris, die niet nieuw is aangezien appellant op 8 april 2004 een ontwerp van verzoekschrift tot vervanging van notaris P Van den Bossche klaar had (zie de brief van 8 april 2004, waarnaar verwezen werd in de staat van 18 mei 2004), is zodoende niet van die aard dat hij op basis van de thans voorhanden zijnde gegevens deze notaris niet in staat acht om met inachtneming van de richtlijnen van de eerste rechter en het hof een definitieve staat op te maken. De beweerde medeplichtigheid van de boedelnotaris aan fraude, gepleegd door geïntimeerde, wordt niet ingeroepen als rechtsgrond van een vordering tegen de boedelnotaris, zodat dit geen punt is dat hoort tot de huidige debatten. Appellant heeft voorts gezegd dat het niet zijn bedoeling is om de procedure van vereffening en verdeling te laten nietig verklaren. Voorafgaandelijk aan de staat van 18 mei 2004 heeft de boedelnotaris ontwerpen meegedeeld en zijn er op die ontwerpen ook opmerkingen gekomen. Het geding heeft evenwel alleen maar betrekking op de staat van 18 mei
  67. Het Hof kan enkel de beweringen en zwarigheden als ontvankelijk beschouwen die op deze staat van 18 mei 2004 zijn gemaakt en uit deze staat zijn gebleken alsook de latere zwarigheden voor zover ze niet samen met de eerstgenoemde beweringen en zwarigheden konden gemaakt worden wegens de reeds hoger vermelde niet-naleving van artikel 1218 Ger.W. In die omstandigheden zijn opmerkingen over de loutere voorbereidende werkzaamheden van de notaris hier ten gronde niet relevant. Vermits het hier niet gaat om een eis tot schadevergoeding dient er ook geen beoordeling te gebeuren van het in dat verband door appellant ingenomen standpunt dat de boedelnotaris door haar handelwijze hem schade berokkende. In zover de eerste rechter het standpunt van appellant ontmoet heeft door (op folio nr 002483) te gewagen van de vaststelling dat op regelmatige wijze werd overgegaan tot het opstellen van de processen-verbaal van opening van werkzaamheden d.d. 27 september 2001 en 23 april 2003, gebeurde dit buiten hetgeen ten gronde moest beoordeeld worden. In de mate dat het vonnis bevestigd wordt, heeft de bevestiging daarop geen betrekking. Appellant brengt in de debatten een aanklacht dat geïntimeerde zich schuldig maakte aan strafrechterlijke inbreuken. Deze aanklacht gebeurt alleen maar ter ondersteuning van de gegevens, die appellant al op 18 mei 2004 bekend waren en waarop zijn betwisting van de staat is gesteund. Het Hof is derhalve enkel geroepen tot de beoordeling van de gegevens en tot een uitspraak over de aangevoerde betwistingen op de staat. Het is niet aangetoond dat appellant strafrechterlijke inbreuken aanklaagt in het kader van een andere betwisting dan de betwisting van de staat. Het Hof besluit daaruit dat het onnodig is om na te gaan of geïntimeerde zich werkelijk schuldig maakte aan enig misdrijf en welk misdrijf dan wel zou begaan zijn: schriftvervalsing, valsheid, gebruik van valse stukken.......? De aanklacht van appellant tegen geïntimeerde werpt geen ander licht op de betwisting van de staat zodat kan verwezen worden naar de hogerstaande beoordeling van de betwistingen, die zijn aangevoerd tegen de staat van 18 mei
  68. 20.
  69. Op p. 62 en 63 van zijn conclusies van 12 juli 2007 brengt appellant onder de rubriek ‘Bijkomende stukken i.v.m. de incompetentie en/of partijdigheid van de boedelnotaris en opsomming strafrechterlijke inbreuken' een betwisting sub 3.c ter sprake aangaande zijn persoonlijke goederen. Hij vraagt de staat te doen aanpassen wat betreft de vermelding dat alle (persoonlijke) goederen werden verdeeld of terug gegeven en voorts: - een veroordeling van geïntimeerde tot de teruggave van zijn persoonlijke goederen (omvat in het legermateriaal) met een dwangsom van euro 300; - een veroordeling van geïntimeerde tot de teruggave van zijn persoonlijke papieren (loonfiches, eigendomspapieren van zijn wagens) met een dwangsom van euro 400 ; - een veroordeling tot betaling van euro 300 voor het achterhouden van de matras van het tweepersoonsbed; Deze nieuwe betwisting is niet ontvankelijk aangezien deze betwisting niet begrepen was in de zwarigheden op de staat van 18 mei 2004 hetgeen ook door appellant erkend werd in het aanhangsel van 14.04.
  70. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken; Verklaart het principaal beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk; Verklaart het principaal beroep gegrond in de hierna bepaalde mate; Verklaart het incidenteel beroep in beperkte mate gegrond; Stelt vast dat de eerste rechter geen uitspraak heeft gedaan over de zwarigheid op de staat van 18 mei 2004 waar deze voorziet in een vergoeding door appellant aan het gemeenschappelijk vermogen voor een bedrag van 3.718,40 EUR en verklaart deze zwarigheid ongegrond; Hervormt het bestreden vonnis in die zin dat gezegd wordt dat de boedelnotaris moet uitgaan van het feit dat de schuldvordering van appellant ten overstaan van geïntimeerde uit hoofde van het vonnis van 22.12.1994 - door appellant zelf bepaald op euro 953,47 - voldaan is voor euro 953,47 (38.463 oude BEF); Zegt dat de nieuwe betwisting, die betrekking heeft op de staat van kosten en ereloon van notaris, zoals vermeld in de brief van 30.03.2004, ontvankelijk is in de mate dat appellant opkomt tegen het feit dat niet alle kosten ten laste wordt gelegd van geïntimeerde, maar de helft ervan ten zijn laste wordt gelegd doch voor het overige onontvankelijk is; Verklaart deze betwisting aangaande de staat van kosten en ereloon van de notaris in zover deze ontvankelijk is, ongegrond; Hervormt het vonnis in die mate: - dat de terugbetaalde belastingen voor 1.349,06 EUR en niet slechts voor 1.214,21 EUR tot het eigen vermogen van appellant wordt gerekend; - de vergoeding, die door het gemeenschappelijk vermogen verschuldigd is aan het eigen vermogen van appellant verhoogd wordt van 14.110,05 EUR tot 21.338,62 EUR in hoofdsom; - dat het eigen vermogen van appellant ook nog door het gemeenschappelijk vermogen moet vergoed worden ten belope van 2.038,00 EUR in hoofdsom en dat er op die vergoeding van rechtswege intresten verschuldigd zijn vanaf de ontbinding van het stelsel. Zegt dat de vordering om op de eigen gelden zolang ze niet waren aangewend voor de oprichting van de woning, rente toe te kennen, een nieuwe vordering is en niet ontvankelijk is; Stelt vast dat de eerste rechter geen uitspraak heeft gedaan over de zwarigheid 17 op de staat van 18 mei 2004 en verklaart deze zwarigheid ongegrond; Zegt dat de vordering die betrekking heeft op de gerechtszaak tegen VK in al haar aspecten nieuw is en verklaart deze vordering ongegrond; Zegt met betrekking tot de zwarigheid 20 d.i. de aflossingen van de hypothecaire lening door geïntimeerde: - dat het vonnis wordt hervormd in die zin dat er ook geen rekening zal mogen gehouden worden met deze aflossing van 282,38 EUR d.d. 14 maart 1994; - dat de boedelnotaris ook op dat punt de staat zal moeten aanpassen; - dat de vraag tot toepassing van artikel 1448 B.W. niet ontvankelijk is; Verklaart de vraag tot toepassing van artikel 1448 B.W. met betrekking tot de bedragen, vermeld sub 14 onontvankelijk; Hervormt het vonnis in die zin dat de vermelding in de staat van vereffening en verdeling - op het achtste blad onder X 3° - van het bedrag van 287,56 EUR als eigen schuld van appellant behouden kan blijven voor een bedrag van 89.24 EUR; Zegt dat met betrekking tot het sub 16.
  71. vermelde bedrag van 1.574,79 EUR, in de staat vermeld sub X 6°, geen zwarigheid werd gemaakt en de nieuwe betwisting onontvankelijk is; Zegt dat de vordering van appellant dat zou gezegd worden dat in toepassing van artikel 1448 B.W. geïntimeerde haar aandeel zou verliezen in het sub 16.
  72. vermelde bedrag van 97.544 oude BEF onontvankelijk is; Zegt dat de boedelnotaris er zal dienen op te letten dat het bedrag van 102.110,50 EUR een materiële fout bevat; Zegt dat op de vragen van appellant met betrekking tot de rekening van geïntimeerde 780-5780125-05, zoals geformuleerd in zijn conclusies van 12.07.2007 op pagina 42 niet wordt ingegaan; Zegt dat de betwisting nopens de kosten van de notaris die betrekking hebben op de akte van hypothecaire lening en die 1.088,38 EUR bedragen, onontvankelijk is. Zegt dat de betwisting over de vraag of rekening moet gehouden worden met het fiscaal voordeel dat geïntimeerde heeft gehad uit hoofde van de afbetaling van de hypothecaire lening onontvankelijk is; Zegt dat de betwisting van appellant aangaande het door geïntimeerde betaalde voorschot van 44.620,83 EUR, onontvankelijk is behoudens hetgeen gezegd werd in verband met de toerekening op de intresten (hoger sub 18); Stelt vast dat in de conclusies van 12 juli 2007 een ingebrekestelling gebeurde waardoor vanaf 12 juli 2007 intresten a rato van de wettelijke rente lopen op hetgeen aan appellant toekomt uit hoofde van de beheersrekening; Verklaart de vraag van appellant om een deskundige te gelasten met een schatting van de huidige waarde van het onroerend goed van geïntimeerde en de vraag om de beheersrekening jaarlijks te laten kapitaliseren vanaf 7 juni 1994, ongegrond; Zegt dat de boedelnotaris zal dienen te berekenen hoeveel intresten verschuldigd zijn op basis van de vergoedingsregels door de eigen vermogens aan het gemeenschappelijk vermogen en door het gemeenschappelijk vermogen aan de eigen vermogens (zie hoger sub
  73. 2 en 7.3.) en dat zij daarbij de toerekening van de betaalde som van 44.620,83 EUR (1.800.000 oude BEF) zal dienen te doen met inachtneming van de artikel 1253 B.W. tot en met 1255 B.W.; Zegt dat de vraag van appellant dat de vergoedingen, hoger besproken sub 19.
  74. anders zou gebeuren dan in de staat onontvankelijk is; Zegt dat de vaststelling van de eerste rechter dat op regelmatige wijze werd overgegaan tot het opstellen van de processen-verbaal van opening van werkzaamheden d.d. 27 september 2001 en 23 april 2003 is gebeurd buiten hetgeen ten gronde moest beoordeeld worden, en derhalve niet wordt bevestigd; Zegt dat de nieuwe betwisting van appellant aangaande zijn persoonlijke goederen onontvankelijk is; Zegt dat voor het overige het bestreden vonnis wordt bevestigd; Slaat de kosten van deze aanleg in beroep om op zulkdanige wijze dat elke partij de eigen kosten draagt uitgezonderd de helft van het rolrecht van het hoger beroep - begroot op 186 EUR - dat ten laste komt van geïntimeerde. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 25-09-
  75. Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.