id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081002.13 Rolnummer: Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 18:01 Fiche Gemengd huwelijk met Belgisch-Turkse nationaliteit, Belgische echtelijke woonplaats en kind met Belgische nationaliteit. Het hof beslist over de bevoegdheid van de Belgische rechter en de toepassing van Belgisch recht om de onderhoudsbijdrage voor het kind te begroten. Het is niet aan de rechter in kort geding om te oordelen over een echtscheidingsgrief, met name de ontvreemding van bruidsjuwelen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Dringende en voorlopige maatregelen Vrije woorden: Voorlopige maatregelen echtscheiding - onderhoudsbijdrage kind - Internationale bevoegdheid - Art. 5.2 Brussel EEX Vo (Brussel I Vo) - Toepasselijk recht - Art. 74 § 1 WIPR Echtscheidingsgrief Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de ter Kamer ________ Terechtzitting van 02 oktober 2008 ________ (na tussenarrest dd. 20.03.08) ________ 2006/RK/376 - In de zaak van: D........... T.............., wonende te .................................., appellante, appellante van een beschikking in kort geding verleend van 31 juli 2006 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, appellante werd de gunst van de rechtsbijstand verleend bij beschikking van 22 november 2006 van het bureau voor rechtsbijstand in het hof alhier, hebbende als raadsman mr. DE GROOTE Patrick, advocaat te 9000 GENT, Ottogracht 28, tegen: Ö............. I................, schoonmaker, wonende te ..............................,- in persoon is verschenen, hebbende als raadsman mr. TEYMOURI M.Majd, advocaat te 9000 GENT, Frans van Ryhovelaan 302, velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het door dit hof en deze kamer gewezen tussenarrest d.d. 20 maart
- Daarin werd ambtshalve de heropening van de debatten bevolen teneinde de zaak mede te delen aan het openbaar ministerie. Een procesagenda en rechtsdag werden bepaald. De beslissing over de gedingkosten werd aangehouden. Het hoger beroep behelst de beschikking verleend op 31 juli 2006 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Daarin werd geoordeeld over de gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 26 juni 2008 bij monde van hun raadslieden. De geïntimeerde verscheen alsdan tevens in persoon. Substituut-procureur-generaal Chantal LANSSENS werd ter zelfde terechtzitting gehoord in haar, gelet op de omstandigheden, mondeling uitgebracht advies. De partijen zagen af van hun repliekrecht. De dossiers van de rechtspleging en de overgelegde stukken werden ingezien. de relevante feiten, procedurevoorgaanden en vorderingen
- In de bestreden beschikking werd de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan beide partijen opgedragen. Het hoofdverblijf en de huisvesting van het kind werden bepaald bij de appellante. Het bijkomend verblijf bij de geïntimeerde werd vastgesteld op zaterdag om de veertien dagen van 10.00 uur tot 18.00 uur. De geïntimeerde werd veroordeeld tot de betaling aan de appellante van een maandelijkse onderhoudsbijdrage voor A...............van 125 EUR, vooruit en ten huize van de geïntimeerde te voldoen en dit voor het eerst vanaf 1 juni
- De indexbinding werd voorzien zoals nader beschreven, evenals de ontvangstmachtiging. Er werd bepaald dat de buitengewone school- en medische kosten van A............... door elke partij voor de helft zouden worden betaald. Deze helft zal betaalbaar zijn binnen de acht dagen na voorlegging van het stavingsstuk waaruit de bijzondere kost blijkt, na verrekening met de ontvangen bedragen van mutualiteit, hospitalisatieverzekeraar of studiebeurs. De partijen gingen er aldus de verdere overwegingen van de bestreden beschikking over akkoord dat elke partij de helft zou dragen van de buitengewone school- en medische kosten. Deze werden, om uitvoeringsmoeilijkheden te vermijden, nader omschreven. Er werd bepaald dat de appellante de gezinsbijslag zou ontvangen. Nog werd bevolen dat elke partij het gebruik zou hebben van de roerende goederen in haar bezit. Een vervreemdingsverbod werd opgelegd. Een notariële inventarisering van het persoonlijke, onverdeelde en gemeenschappelijke vermogen van de partijen door het ambt van notaris Jean DE GROO met standplaats te Gent werd bevolen, voor zover geen onderhandse boedelbeschrijving mogelijk zou zijn. Meer in het bijzonder werd in verband met de vrouwenjuwelen beslist (cf. andermaal de overwegingen van de bestreden beschikking) dat dit geschil dient beslecht te worden naar aanleiding van de opmaak van een inventaris van de goederen van de partijen. De vordering van de appellante tot het bekomen van een per-soonlijke onderhoudsuitkering werd als niet gegrond afgewezen. Elke partij werd, behoudens toepassing van art. 1024 Ger.W., verwezen in de kosten zoals nader begroot aan de zijde van de appellante op 69,50 EUR rolrecht (in debet) op 121,47 EUR rechtsplegingsvergoeding en, aan de zijde van de geïntimeerde, op 121,47 EUR rechtsplegingsvergoeding. 2.
- Met haar appèlakte, neergelegd ter griffie van het hof op 4 december 2006, betracht de appellante de bestreden beschikking ten dele teniet te laten doen. Er wordt een verhoging gevraagd van de maandelijkse onderhoudsbijdrage voor het kind tot 200 EUR, dit boven de kinderbijslag en de helft van alle buitengewone kosten. De appellante herneemt haar vordering tot het bekomen van een persoonlijke onderhoudsuitkering van 150 EUR per maand vanaf 1 oktober
- De indexbinding en ontvangstmachtiging worden gevorderd voor zowel de onderhoudsbijdrage voor het kind als de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante. Nog vraagt de appellante de onmiddellijke teruggave aan haar van haar gouden armbanden onder verbeurte van een dwangsom van 15 EUR per dag vertraging. Minstens verzoekt de appellante, alvorens ten gronde recht te doen, haar toe te laten met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen dat de geïntimeerde bij zijn vertrek haar bruidsjuwelen meenam. Tot slot vraagt de appellante de veroordeling van de geïntimeerde tot de betaling van de kosten van beide instanties, zoals nader begroot. 2.
- In haar conclusies, neergelegd ter griffie op 21 februari 2007, verduidelijkt de appellante de onderhoudsbijdrage voor het kind en de tussenkomst in de helft van de buitengewone kosten te vorderen met ingang van 1 oktober
- De beweerd door de geïntimeerde meegenomen bruidsjuwelen worden in dezelfde conclusie omschreven als 8 gouden armbanden en een set van gouden juwelen (armband, halssnoer, ring en oorringen).
- De geïntimeerde concludeert tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep. Hij vordert de bevestiging van de bestreden beschikking en de verwijzing van de appellante in de gedingkosten. beoordeling
- de (internationale) rechtsmacht/bevoegdheid en het toepasselijk recht De geïntimeerde heeft blijkbaar de Turkse nationaliteit (proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 7 februari 2008; getuigschrift van verblijf d.d. 8 november 2006 gevoegd als stavingstuk in de procedure verzoek rechtsbijstand van de appellante). De appellante heeft de Belgische nationaliteit. De partijen huwden op ...........................). Zij hebben één uit hun huwelijk geboren kind, namelijk Al............ Ö.............. geboren te ..................... Dit kind heeft de Belgische nationaliteit. De laatste echtelijke woonplaats van de partijen was gevestigd te ....................... De eerste rechter heeft terecht (impliciet) beslist dat zij bevoegd was om van de zaak kennis te nemen en dat het Belgisch recht van toepassing is. De rechtsmacht van de Belgische rechtbanken staat immers vast overeenkomstig: - art. 5.
- van Verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) voor wat betreft de onderhoudsbijdragen voor het kind en de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante persoonlijk; - art. 42.2 WbIPR voor wat betreft de overige betwistingen tussen de partijen. De territoriale bevoegdheid van de eerste rechter staat daarenboven vast ingevolge art. 628, 1 en 2e Ger.W.. Tenslotte wordt door het WbIPR het Belgisch recht als toepasselijk recht aangewezen, nl.: - art. 74 § 1 WbIPR met betrekking tot de gevorderde onder-houdsbijdrage voor het kind en de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante; - art. 48 § 1, 1e WbIPR voor de overige betwistingen tussen de partijen. de onvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. de onderhoudsbijdrage voor het kind
- Overeenkomstig artikel 203 § 1 B.W. dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht en de opleiding van hun kind. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. Door de enkele daad van het huwelijk gaan de beide ouders deze verplichting aan. Daarbij kan het kind aanspraak maken op een levensstandaard in verhouding tot de welstand van zijn ouders. De beide ouders moeten daarin bijdragen naar evenredigheid van hun inkomsten en mogelijkheden en naargelang de noden van de kinderen. Ook de duur van het verblijf bij ieder van de ouders heeft zijn invloed op de begroting, evenals de fiscale repercussies. Deze criteria moeten getoetst worden aan de concrete situatie van de partijen.
- De appellante is weldra 30 jaar oud. Zij leeft van een werkloosheidsuitkering van gemiddeld 872 EUR per maand, netto belastbaar. Dit zijn de door de appellante zelf opgegeven inkomsten naar aanleiding van haar verzoek rechtsbijstand. De voorzitter aanvaardde dat de appellante geen woonkosten had omdat zij woont in de gezinswoonst, eigendom van haar ouders. De appellante betwist dit. Ter staving legt zij een éénzijdige, niet gedateerde verklaring over van haar moeder dat zij per maand steeds het huurgeld en 100 EUR voor elektriciteit, gas en water heeft betaald, hetzij in totaal 450 EUR. Aanvullend legt zij een huurovereenkomst voor met ingang van 1 april 2004 (stukken 2 appellante). Het is niet uitgesloten dat dit welwillendheidstukken zijn vermits werkelijke betalingsbewijzen ontbreken. De appellante zou thans kampen met een depressie hetgeen medische kosten met zich meebrengt.
- In hoofde van de geïntimeerde werd in de bestreden beschikking nog een netto belastbaar inkomen uit arbeid van 1.405,08 EUR (exclusief vakantiegeld en eindejaarspremie) aanvaard, samen met een huurlast van 400 EUR per maand. Deze gegevens zijn niet betwist. Echter bewijst de geïntimeerde dat hij per 14 januari 2008 werd ontslagen (stuk 6 geïntimeerde). Op 12 oktober 2006 ging de geïntimeerde een persoonlijke lening aan voor een bedrag van 11.887,20 EUR. De 60 te betalen mensualiteiten bedragen 198,12 EUR per maand. Dit is niet de enige openstaande schuld voor de geïntimeerde (cf. zijn stuk 2: inkomstenbelastingen 2006 ten bedrage van 1.338,89 EUR; stuk 3: administratieve geldboete Vlaams Zorgfonds ten bedrage van 325 EUR en stuk 4: gewestbelasting 2006 ten bedrage van 179,10 EUR).
- De appellante ontvangt de kinderbijslag. De bijdrage in natura van de geïntimeerde is verwaarloosbaar. Altan is inmiddels 7 jaar. Er zijn vooralsnog geen bijzondere kosten voor het kind. Overigens zijn beide partijen gehouden daartoe voor de helft bij te dragen. Dit onderdeel van de bestreden beschikking is niet aangevochten. De voorzitter heeft de onderhoudsbijdrage voor het kind op juiste gronden passend begroot. Indien de financiële situatie van de geïntimeerde verbetert staat niets eraan in de weg zijn voornemen tot sparen voor het kind te realiseren (stuk 5 geïntimeerde). Er zijn geen redenen om deze onderhoudsbijdrage retroactief toe te kennen vanaf 1 oktober
- Dat de appellante sedertdien alleen voor het kind moest instaan is niet bewezen. de persoonlijke onderhoudsuitkering Wat betreft de inkomsten en mogelijkheden van de partijen verwijst het hof naar wat hoger werd uiteengezet. De appellante wordt geacht met haar eigen inkomsten een vergelijkbare levensstandaard als tijdens het samenleven te kunnen aanhouden, dit rekening houdend met de meerkost die elke scheidingssituatie met zich meebrengt. Ook deze beslissing van de eerste rechter wordt door het hof bijgetreden. de bruidsjuwelen De appellante beweert dat de geïntimeerde de bruidsjuwelen heeft ontvreemd, hetgeen deze ontkent. Er ligt geen boedelbeschrijving voor. Zekerheid over het bezit dan wel de eigendom van de bruidsjuwelen is er op heden niet. De appellante legt het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 september 2007 in de echtscheidingsprocedure over (stuk 3 appellante). Blijkbaar betreffen de beweringen aangaande het ontvreemden van de bruidsschat dus een echtscheidingsgrief. Het is niet aan de kort gedingrechter om daarover te oordelen. Het aanvullend aanbod door getuigenbewijs faalt alleen reeds daarom. De eerste rechter besliste tot een gebruiksrecht van de roerende goederen in het bezit van elke partij met vervreemdingsverbod. Er zijn geen redenen om de bruidsjuwelen aan een uitzonderingsregime te onderwerpen. de kosten De beslissing nopens de kosten in eerste aanleg gevallen blijft gestand. Er zijn geen redenen om de geïntimeerde uitsluitend te veroordelen tot de betaling van deze kosten. De appellante faalt in haar hoger beroep. Het past haar te verwijzen in de kosten van deze aanleg. Gelet op art. 1017, 4de lid Ger.W. kunnen de rechtsplegingsver-goedingen over de partijen wel worden omgeslagen. Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op het artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch wijst het af als niet gegrond; bevestigt de bestreden beschikking binnen de perken van het hoger beroep; verwijst de appellante in de kosten van het hoger beroep; vereffent deze kosten aan de zijde van de appellante op het rolrecht, pro memorie begroot en hoe dan ook in debet; slaat de rechtsplegingsvergoedingen in deze aanleg over de partijen om, in toepassing van art. 1017, 4de lid Ger.W.; verstaat dat art. 1024 Ger.W. onverminderd geldt. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op twee oktober tweeduizend en acht. Aanwezig: mevrouw Sabine De Bauw raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div