id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081002.6 Rolnummer: 2006/AR/2798 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-11-25 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 18:01 Fiche toep. art. 870 Ger. Wetb. - Toelaatbaarheid van de aanvullende vordering. Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan overeenkomstig artikel 807 Ger. Wetb. uitgebreid of gewijzigd worden indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is (zie Cass. 11 maart 2004, R.W. 2004-2005, 1612). De voorwaarden voor deze uitbreiding of wijziging zijn: dat de uitgebreide/gewijzigde vordering berust op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd; dat de uitbreiding/wijziging op tegenspraak wordt behandeld en dat de uitgebreide vordering gericht is tegen de oorspronkelijke wederpartij in dezelfde hoedanigheid. Door de toepassing van deze bepaling kunnen processen tussen partijen zoveel mogelijk volleidg en ineens worden afgedaan en wordt vermeden dat ze telkens opnieuw gedingen moeten inleiden, met alle tijdverlies en kosten vandien. Artikel 807 Ger. Wetb. vereist niet dat de gewijzigde vordering uitsluitend zou berusten op het feit of de handeling die in de dagvaarding wordt aangevoerd. Hetr is verkeerd om elke wijziging van de oorzaak van een vordering gelijk te stellen aan het indienen van een 'nieuwe' vordering. Partijen kunnen hun vordering aanvullen en wijzigen wanneer deze aanvulling/wijziging van de vordering gebeurt in het kader van het geheel van de feitelijke gegevens die in de dagvaarding werden aangehaald en aan de oorspronkelijke vordering ten grondslag liggen. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 807 Ger. Wetb. is in casu voldaan De initiële en later uitgebreide/aangevulde vorderingen van appellante hebben betrekking op éénzelfde contractuele relatie tussen partijen en op de feitelijke gegevens die aan het hof ter beoordeling werden voorgelegd, te weten de verkoopovereenkomst dd. &8 september 2003 met alle hierbij gevoegde plans, eigendomstitels en akten. De aanvullende vorderingen van appellaten zijn toelaatbaar. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen Vrije woorden: toepassing art. 807 Ger. Wetb. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 2 oktober 2008 2006/AR/2798 in de zaak van: KARA B.V.B.A., appellante, hebbende als raadsman mr. OCKIER Ludo, advocaat te 8500 KORTRIJK, Katteputstraat 3 tegen: HEDERA N.V., thans PILLAR ROESELARE N.V., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. LUST Antoon, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 27 wijst het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het bestreden vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, 2de kamer, van 28 februari 2006 waartegen de appellante tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 november 2006. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting bij monde van hun raadslieden. De neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien. I. voorgaanden 1. Op 18 september 2003 heeft de B.V.B.A. KARA een onderhandse verkoopsovereenkomst gesloten met de N.V. HEDERA , thans de N.V. PILLAR ROESELARE, omtrent de aankoop van twee percelen grond, eigendom van de N.V. HEDERA (stuk 1 appellante). De overeenkomst heeft betrekking op de loten aangeduid met de nummers 5 en 5a (aangeduid in andere plannen als deel van lot 4), gelegen te ... en aldaar respectievelijk gekadastreerd ..., sectie A nrs. 936 S, met een oppervlakte van 4.874 m² en 938 L, met een oppervlakte van 583 m². Tevens werd op 18 september 2003 tussen partijen een verkoopbelofte ondertekend m.b.t. de resterende stukken van lot 2 en lot 4. De percelen zijn gelegen in een zone voor kmo en dienstverlening. Het grootste perceel nr. 936 S (in de onderhandse akte aangeduid als lot 5) heeft geïntimeerde zelf twee jaar eerder op 17 juli 2001 aangekocht van de N.V. Etablissementen De Ceuninck Plastics. Het betreft het lot 4 van het aan die akte gevoegd plan van landmeter Dumoulin van 13 februari 2001 (stukken 2 en 2bis geïntimeerde). Het kleinste perceel nr. 938 L (in de akte aangeduid als lot 5a) maakte vroeger deel uit van een groot industrieel complex (voormalige Coca-Cola-bottelarij) dat geïntimeerde op 23 december 1999 aankocht van de N.V. Interbrew (stukken 1 en 1bis geïntimeerde). In de overeenkomst tussen partijen werd onder de rubriek "Bepalingen in verband met de bodemtoestand" bepaald dat de verkoop geschiedt "onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een bodemattest waaruit blijkt dat er in de verkochte percelen geen bodemverontreiniging is". Onder de rubriek "Vorige eigendomstitels" werd bedongen dat alle rechten en verplichtingen die uit vorige eigendomstitels voortvloeien en die het verkochte goed betreffen, overgaan op de koper. De B.V.B.A. KARA betaalde op de totale prijs van 1.028.093,78 euro een voorschot van 49.578,70 euro per cheque, die werd geïnd op 30.09.2003 (stukken 2a-2c appellante). Op 24 december 2003 ontving de notaris van de B.V.B.A. KARA een schrijven van de notaris van de N.V. HEDERA , met een kopie van het bodemattest omtrent het grootste perceel 936 S, afgeleverd door OVAM op 22 december 2003 (stuk 3a appellante). In het attest staat vermeld dat er voor het kadastraal perceel geen gegevens beschikbaar waren in het register van verontreinigde gronden, maar ook dat in het desbetreffend perceel verhoogde concentraties werden aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde "zonder dat hierbij een niveau wordt overschreden waarbij er ernstige nadelige effecten kunnen optreden voor de mens of het milieu". Voor het kleine perceel 938 L werd door OVAM op 7 november 2003 een bodemattest afgeleverd, met volgende inhoud: "Dit kadastraal perceel is opgenomen in het register van verontreinigde gronden...". OVAM komt tot het volgende besluit: "Gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult zoals weergegeven in het voormelde rapport, is er geen sprake van ernstige aanwijzingen dat de historische bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt. Op basis hiervan dient conform het bodemsaneringsdecreet niet tot bodemsanering te worden overgegaan" (stuk 7 appellante). 2. Op grond van het voorgaande is de B.V.B.A. KARA van oordeel dat de opschortende voorwaarde voor de verkoop, te weten geen bodemverontreiniging in de verkochte percelen, zich niet had gerealiseerd, dat de verkoopsovereenkomst derhalve geen uitvoering kan krijgen, dat beide partijen dienen teruggeplaatst in hun situatie zoals vóór de ondertekening van de onderhandse verkoopsovereenkomst en dat zij recht heeft op de terugbetaling van het betaalde voorschot. Zij stelde de N.V. HEDERA hiervoor in gebreke bij schrijven d.d. 8 januari 2004 en 30 januari 2004 (stukken 4 en 6 appellante). Bij gebrek aan minnelijke regeling ging de B.V.B.A. KARA op 16 februari 2004 over tot dagvaarding van de N.V. HEDERA . Haar initiële vordering beperkte zich ertoe te horen zeggen voor recht dat de opschortende voorwaarde zich niet had gerealiseerd en dat de verkoopsovereenkomst als onbestaande moest worden beschouwd, bijgevolg de N.V. HEDERA te veroordelen tot het (terug)betalen van de som van 49.578,70 euro (betaald als voorschot), meer de nalatigheidsintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 oktober 2003, de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot de algehele betaling en de kosten van het geding. Bij conclusie d.d. 24 maart 2004 vroeg de N.V. HEDERA bij tegeneis aanvankelijk de gedwongen uitvoering van de overeenkomst, het verlijden van de authentieke verkoopakte en de betaling van het saldo van de koopsom. 3. Kort na de inleiding van de procedure rezen evenwel nog bijkomende moeilijkheden tussen partijen m.b.t. een recht van doorgang voor de B.V.B.A. KARA over een naastgelegen terrein, eveneens eigendom van de N.V. HEDERA , maar verhuurd aan een andere winkelketen (Decathlon). De door appellante aangekochte percelen maken immers deel uit van een groter geheel van percelen, eigendom van de N.V. HEDERA, waarop zich verschillende grote verkoopruimtes van winkelketens bevinden (Decathlon, Seats & Sofas, Vandenborre). Deze naast elkaar liggende winkelketens delen samen een parkeerterrein. Naast de overdekte parking van Decathlon ligt een toegangsweg, waarlangs de toegang tot de verkochte percelen mogelijk is. De B.V.B.A. KARA beschikt daarnaast ook nog over een andere toegangsmogelijkheid tot de bewuste percelen, gelegen tussen twee bedrijven. In de onderhandse overeenkomst tussen partijen werd uitdrukkelijk bepaald dat het goed overgaat op de koper met zijn erfdienstbaarheden van alle aard, zonder vrijwaringsplicht vanwege de verkoper. Met betrekking tot het recht van doorgang was volgende clausule voorzien: "De verkoper verklaart echter dat er een eeuwigdurend recht van doorgang bestaat tussen de eigendommen van enerzijds Deceuninck Plastics Industries NV .... en anderzijds Venn. Edero ..., en dit teneinde toegang te hebben tot de percelen die deel uitmaken van onderhavige verkoop. De doorgang heeft een breedte van acht meter. Dit recht is duidelijk beschreven in de overeenkomst gemaakt tussen de verkoper en de NV Deceuninck Plastics en gaat over op de koper en hun rechtsopvolgers. De verkoper verklaart eveneens dat er een eeuwigdurend recht van doorgang bestaat over de parking palend aan de Brugsesteenweg en ter hoogte van de weg die zich bevindt naast de overdekte parking van het gebouw thans verhuurd aan Decathlon en eigendom van de verkoper, en dit teneinde toegang te hebben tot de percelen die deel uitmaken van onderhavige verkoop. Ter hoogte van de toegang tot de parking voor de gebouwen thans verhuurd aan Decathlon Seats & Sofas en Vandenborre zal de verkoper en zijn rechtsopvolgers ten eeuwigendage nooit enige vorm van afsluiting of slagbomen plaatsen die belemmering zouden vormen voor het parkeren van bezoekers van de gebouwen op de bij deze overeenkomst verkochte percelen. De doorgang ter hoogte van de weg naast de overdekte parking waarvan sprake heeft een breedte van zes meter. Dit recht gaat over op de koper en hun rechtsopvolgers". De B.V.B.A. KARA werpt op dat zij hangende de procedure moest vaststellen dat in de handelshuurovereenkomst tussen de N.V. HEDERA en DECATHLON is voorzien dat laatstgenoemde zich kan verzetten tegen het gebruik van de toegangsmogelijkheid langsheen de overdekte parking en dat DECATHLON zich effectief heeft verzet tegen de toegang via de weg naast de overdekte parking. Daarnaast heeft de B.V.B.A. KARA vernomen dat DECATHLON ook nog beschikte over een recht van voorkoop "ingeval van verkoop van het gehuurde", daar waar geïntimeerde in de overeenkomst had verklaard dat er m.b.t. de verkochte goederen geen recht van voorkoop bestond of werd toegestaan. Bij conclusie d.d. 14 september 2004 heeft de B.V.B.A. KARA haar oorspronkelijke vordering uitgebreid en vroeg zij de nietigverklaring van de verkoopsovereenkomst wegens bedrog op grond van art. 1117 B.W., minstens wegens dwaling op grond van art. 1110 B.W.. Gelet op de wanprestatie van de N.V. HEDERA vroeg de B.V.B.A. KARA bijkomend een schadevergoeding, zoals contractueel voorzien indien de authentieke akte niet zou kunnen worden verleden en vastgesteld op 10 % van de verkoopprijs. Bij conclusie d.d. 15 juni 2005 stelde de B.V.B.A. KARA nog een aanvullende vordering en vroeg zij een schadevergoeding wegens het gegeven dat door de houding van de N.V. HEDERA zij de haar verleende optie tot aankoop m.b.t. het resterend deel van lot 4 niet heeft gelicht. Bij conclusie d.d. 15 april 2005 wijzigde de N.V. HEDERA haar tegeneis, vorderde zij de ontbinding van de overeenkomst en de veroordeling van de B.V.B.A. KARA tot een aanvullende forfaitaire schadevergoeding van 53.230,67 euro, meer de moratoire rente sedert 30 december 2003, de gerechtelijke rente en de kosten. Bij het bestreden vonnis heeft de eerste rechter: - de hoofdvordering zoals gesteld in de initiële dagvaarding d.d. 16 februari 2004 ontvankelijk, doch ongegrond verklaard; - de hoofdvordering, zoals uitgebreid bij conclusies van 14 september 2004 en 15 juni 2005 onontvankelijk verklaard wegens miskenning van de beperkingen van artikel 807 Ger.W., nu de hoofdvordering en de aanvullende vorderingen op een verschillende oorzaak berusten; - de tegeneis van de N.V. HEDERA ontvankelijk verklaard en de B.V.B.A. KARA veroordeeld tot betaling van een bedrag van 53.230,67 euro, meer rente en kosten. 4. Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen, haar oorspronkelijke vordering tegen geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens: - de onderhandse verkoopsovereenkomst d.d. 18 september "2004" m.b.t. de loten nr. 5 en 5a, zoals hiervoor omschreven, nietig te verklaren; - ondergeschikt, te zeggen voor recht dat de opschortende voorwaarde in de verkoopsovereenkomst d.d. 18 september "2004" m.b.t. de loten 5 en 5a zich niet heeft gerealiseerd, zodat de verkoopsovereenkomst dient te worden beschouwd als onbestaande; - "geïntimeerde ertoe te veroordelen het door appellante betaalde voorschot ad 49.578,70 euro, meer de nalatigheidsrente aan de wettelijke rentevoet vanaf 01.10.2003 en de gerechtelijke rente op de hoofdsom en de op die datum vervallen intresten vanaf datum dagvaarding tot integrale betaling"; - geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding t.b.v. 102.809,37 euro, meer nalatigheidsrente aan de wettelijke rentevoet vanaf 01.10.2003 en de gerechtelijke rente op de hoofdsom en de op die datum vervallen intresten vanaf datum dagvaarding tot integrale betaling; - geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding t.b.v. 93.902,07 euro, meer nalatigheidsrente aan de wettelijke rentevoet vanaf 01.10.2003, en de gerechtelijke rente op de hoofdsom en de op dit datum vervallen intresten vanaf datum dagvaarding tot algehele betaling; - de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde af te wijzen als ongegrond; - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van appellante nader begroot. Geïntimeerde vraagt om het hoger beroep als volkomen ongegrond af te wijzen en de appellante te veroordelen tot de kosten ervan. II. beoordeling Het hof dient zich uit te spreken over twee onderscheiden vorderingen van appellante: - in hoofdorde: een vordering tot nietigverklaring van de verkoopsovereenkomst met schadevergoeding gesteund op de verzwijging enerzijds van de bodemverontreiniging en anderzijds van de afwezigheid van een recht op doorgang voor appellante via een naburig perceel, eigendom van geïntimeerde en verhuurd aan een derde (Decathlon); - in ondergeschikte orde: een vordering tot het onbestaande verklaren van de verkoopsovereenkomst wegens het niet vervullen van de opschortende voorwaarde, meer bepaald het niet verkrijgen van een bodemattest met welbepaalde inhoud. De betwisting omtrent de beweerde nietigheid van de overeenkomst moet eerst worden onderzocht en pas nadien de problematiek van de vervulling van de opschortende voorwaarde. Wanneer bij een overeenkomst een verbintenis onder een opschortende voorwaarde werd aangegaan, bestaat de overeenkomst hangende de voorwaarde en doet deze overeenkomst rechten en plichten ontstaan voor de partijen en kan de partij die haar verplichtingen - hangende de voorwaarde - niet nakomt, schadeplichtig zijn (Kruithof, R., Bocken, H., De Ly, F. en De Temmerman, B., "Overzicht rechtspraak. Verbintenissen (1981-1992)", T.P.R. 1994, 207, nrs.23 e.v.). Derhalve moet eerst worden nagegaan of geïntimeerde zich bij de totstandkoming van de overeenkomst onder opschortende voorwaarde schuldig heeft gemaakt aan bedrog m.b.t. de bodemtoestand dan wel m.b.t. de toegangsmogelijkheden tot de verkochte percelen. A. wat betreft de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst wegens bedrog/dwaling Lopende de procedure voor de eerste rechter heeft appellante haar oorspronkelijke vordering uitgebreid/aangevuld bij conclusies op 14 september 2004 met een vordering tot nietigverklaring wegens bedrog, minstens dwaling omwille van (
- a)het verzwijgen van de werkelijke bodemtoestand en (
- b)het verzwijgen van de inhoud van de handelshuurovereenkomst die geïntimeerde met Decathlon sloot vóór de verkoopsovereenkomst tussen partijen, alsook met een vordering tot het bekomen van een schadevergoeding zoals contractueel voorzien ingeval de authentieke akte niet zou kunnen verleden worden, hetzij 10 % van de overeengekomen verkoopprijs of 102.809,37 EUR wegens contractuele wanprestatie (het niet kunnen garanderen van de contractueel bedongen doorgangen). Bij conclusie d.d. 15 juni 2005 vroeg appellant ook nog schadevergoeding wegens het niet kunnen lichten van een verleende optie. Geïntimeerde stelt dat deze nieuwe vorderingen ontoelaatbaar zijn wegens schending van artikel 807 Ger.W., omdat de oorzaak ervan niet in de dagvaarding werd vermeld. a.1. toelaatbaarheid van de aanvullende vordering Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan overeenkomstig artikel 807 Ger.W. uitgebreid of gewijzigd worden indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is (zie Cass. 11 maart 2004, R.W. 2004-2005, 1612). De voorwaarden voor deze uitbreiding of wijziging zijn: dat de uitgebreide/gewijzigde vordering berust op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd; dat de uitbreiding/wijziging op tegenspraak wordt behandeld en dat de uitgebreide vordering gericht is tegen de oorspronkelijke wederpartij in dezelfde hoedanigheid. Door de toepassing van deze bepaling kunnen processen tussen partijen zoveel mogelijk volledig en ineens worden afgedaan en wordt vermeden dat ze telkens opnieuw gedingen moeten inleiden, met alle tijdverlies en kosten vandien. Artikel 807 Ger.W. vereist niet dat de gewijzigde vordering uitsluitend zou berusten op het feit of de handeling die in de dagvaarding wordt aangevoerd. Het is verkeerd om elke wijziging van de oorzaak van een vordering gelijk te stellen aan het indienen van een ‘nieuwe' vordering. Partijen kunnen hun vordering aanvullen en wijzigen wanneer deze aanvulling/wijziging van de vordering gebeurt in het kader van het geheel van de feitelijke gegevens die in de dagvaarding werden aangehaald en aan de oorspronkelijke vordering ten grondslag liggen. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 807 Ger.W. is in casu voldaan. De initiële en later uitgebreide/aangevulde vorderingen van appellante hebben betrekking op éénzelfde contractuele relatie tussen partijen en op de feitelijke gegevens die aan het hof ter beoordeling werden voorgelegd, te weten de verkoopovereenkomst d.d. 18 september 2003 met alle hierbij gevoegde plans, eigendomstitels en akten. De aanvullende vorderingen van appellante zijn toelaatbaar. a.2. gegrondheid van de vordering a.2.1. bedrog Appellante vraagt in hoofdorde de nietigverklaring van de overeenkomst wegens bedrog, te weten het bewust verstrekken door geïntimeerde van verkeerde informatie zowel m.b.t. de bodemverontreinigende activiteit op de percelen als m.b.t. de beperkingen die in de handelshuurovereenkomst tussen geïntimeerde en Decathlon voorzien waren omtrent het recht van doorgang. Bedrog als wilsgebrek kan enkel tot nietigverklaring leiden van de overeenkomst indien er sprake is van het bestaan van een opzettelijke fout die te wijten is aan de medecontractant van het slachtoffer en niet aan een derde, welke fout de toestemming van het slachtoffer gebrekkig heeft gemaakt en opzettelijk zijn dwaling heeft veroorzaakt. Er is sprake van bedrog wanneer bij het sluiten van een overeenkomst feiten verzwegen worden die zodanig zijn dat indien de contractspartij er kennis van had gehad, deze niet of tegen minder bezwarende voorwaarden zou hebben gecontracteerd. Het slachtoffer, in casu appellante, draagt terzake de bewijslast. Appellante meent dat zij bedrogen is omdat geïntimeerde in de onderhandse overeenkomst bepaalde zaken heeft verzwegen die voor haar van doorslaggevend belang waren bij het aangaan van de koopovereenkomst, meer bepaald omdat: - ondanks haar verklaring in de verkoopsovereenkomst dat er op de grond bij haar weten geen inrichting gevestigd is/was of activiteit wordt/werd uitgeoefend die is opgenomen in de lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken zoals bedoeld in artikel 3, §1 van het bodemsaneringsdecreet, geïntimeerde wel degelijk op de hoogte was van de inhoud van een bodemattest afgeleverd door OVAM op 10 november 1999, meer bepaald van het feit dat het perceel was opgenomen in de lijst van verontreinigde gronden en het gegeven dat er op het perceel wel degelijk een inrichting gevestigd was of een activiteit werd uitgevoerd opgenomen op de lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken; - ondanks haar verklaring in de overeenkomst dat er een eeuwigdurend recht van doorgang bestaat over de parking palend aan de Brugsesteenweg naast de overdekte parking, verhuurd aan Decathlon, in de handelshuurovereenkomst tussen geïntimeerde en Decathlon voorzien is dat over de desbetreffende toegangsweg slechts doorgang dient te worden verleend door Decathlon voor lot 3 en 4 van de verkochte percelen - te weten het kleinste perceel 5a - en dan nog onder voorwaarden, met name slechts voor "leveringen, personeel en cliënteel, zonder dat dit recht van overgang tot een intense verkeerscirculatie mag leiden" en Decathlon bezwaren maakte tegen het gebruik van het recht door appellante; - Decathlon over een recht van voorkoop beschikte "ingeval van verkoop van het gehuurde". Appellante stelt dat zowel de zuiverheid van de bodem alsook de zichtbaarheid en toegankelijkheid van alle percelen van op de ... van cruciaal belang was gezien het haar bedoeling was om op de percelen een handelsruimte van aanzienlijke omvang te realiseren en geïntimeerde van deze plannen op de hoogte was. Na het sluiten van de overeenkomst kwam aan het licht dat er zich in de bodem wel degelijk verontreiniging bevond, terwijl anderzijds de toegangsmogelijkheden tot het perceel sterk beperkt zouden zijn en de commercieel meest interessante toegangsmogelijkheid vrij beperkt tot zelfs onbestaande was en in elk geval afhankelijk van de instemming van een derde (Decathlon). * de bodemtoestand Wat betreft de bodemverontreiniging wijst appellante erop dat zij geconfronteerd werd met het gegeven dat er bij het sluiten van de overeenkomst reeds bekend was dat er op korte termijn een regeling zou ontstaan m.b.t. het grondverzet, zonder dat reeds duidelijk was welke invloed dit zou hebben in de praktijk voor de snelheid en de kosten van de voorgenomen werken. Zij stelt dat zij ten gevolge van dit gegeven niet of minstens tegen andere voorwaarden zou hebben gecontracteerd indien zij kennis zou hebben gehad van de staat van de bodem, die aan geïntimeerde zeer goed gekend was. Uit de overeenkomst tussen partijen blijkt: - dat de verkoop uitdrukkelijk geschiedde onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een bodemattest waaruit blijkt dat er in de verkochte percelen "geen bodemverontreiniging is"; - dat geïntimeerde in de overeenkomst heeft verklaard dat er bij haar weten geen inrichting gevestigd is of was en geen activiteit wordt of werd uitgeoefend die opgenomen zijn in de lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 3 §1 van het bodemsaneringsdecreet. Nochtans waren naar aanleiding van de aankoop door geïntimeerde van de bewuste percelen in 1999 en 2001 bodemattesten uitgereikt waarin een historische bodemverontreiniging werd vastgesteld, weliswaar met die nuance dat er geen sprake is van ernstige aanwijzingen dat de verontreiniging een ernstige bedreiging vormt en dat op basis van het bodemsaneringsdecreet niet tot bodemsanering moest worden overgegaan. Met het oog op de aankoop door geïntimeerde van het bedrijventerrein van de N.V. Interbrew op 23 december 1999 - waarvan het huidige lot 5a (perceel 938 L) deel uitmaakt - werd ter voldoening aan artikel 36 van het bodemsaneringsdecreet een bodemattest afgeleverd door OVAM op 10 november 1999, na een actualiserend oriënterend bodemonderzoek (stuk 1 geïntimeerde). In dit bodemattest werd vastgesteld dat het perceel is opgenomen in het register van de verontreinigde gronden en werd gewezen op concentraties waarbij de kwaliteit van de bodem rechtstreeks of onrechtstreeks nadelig wordt beïnvloed of kan beïnvloed worden, doch geconcludeerd dat er geen sprake is van ernstige aanwijzingen dat de historische bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt, gelet op de kenmerken van de bodem en de functies die deze vervult zoals weergegeven in het rapport, zodat conform het bodemsaneringsdecreet niet tot bodemsanering dient te worden overgegaan. Bij de aankoop door geïntimeerde op 17 juli 2001 van het grootste perceel 938 S vanwege de N.V. Etablissementen De Ceuninck bevat het in de verkoopsovereenkomst overeenkomstig artikel 36 van het bodemsaneringsdecreet opgenomen bodemattest d.d. 20 november 2000 dezelfde mededelingen inzake bodemverontreiniging. Naar aanleiding van een na de overeenkomst tussen partijen verricht actualiserend bodemonderzoek m.b.t. het kleine perceel 938/l verstrekt OVAM een bodemattest op 7 november 2003 met dezelfde inhoud, te weten: het bestaan van historische verontreiniging, zonder saneringsverplichting (stuk 6 geïntimeerde). Ook het nieuw oriënterend bodemonderzoek m.b.t. het grootste perceel 938 S resulteerde in een bodemattest van OVAM d.d. 23 december 2003 waarin verhoogde concentraties ten opzichte van de achtergrondwaarde werden vastgesteld, zonder dat hierbij een niveau werd overschreden waarbij er ernstige nadelige effecten kunnen optreden voor de mens en het milieu, zodat conform het bodemsaneringsdecreet geen verdere maatregelen moeten worden genomen (stuk 9 geïntimeerde). Op grond van deze gegevens moet worden aangenomen dat geïntimeerde ingevolge de bodemattesten van 1999 en 2001 kennis had van het bestaan van een historische bodemverontreiniging in de verkochte percelen, weliswaar zonder saneringsverplichting, maar desondanks in de onderhandse akte t.a.v. appellante verklaarde dat er op de gronden bij haar weten geen activiteiten werden uitgeoefend, opgenomen in de lijst van activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken, alsook geen weet te hebben van bodemverontreiniging die schade kan berokkenen aan de koper of aan derden. Appellante werd in de onderhandse akte d.d. 18.09.2003 niet op de hoogte gebracht van de inhoud van deze bodemattesten. Hoewel vaststaat dat geïntimeerde bepaalde haar gekende informatie heeft verzwegen aan appellante omtrent de bodemtoestand van de percelen, toch kan niet worden aangenomen dat geïntimeerde hierbij te kwader trouw heeft gehandeld. In de overeenkomst werd immers uitdrukkelijk voorzien dat ingeval de verklaring omtrent de bodemtoestand door de verkoper te goeder trouw zou zijn afgelegd, de risico's van de eventuele bodemverontreiniging en de schade en kosten die daaruit kunnen voortvloeien voor de koper blijven en de verkoper tot geen vrijwaring gehouden zal zijn. Hieruit kan men afleiden dat appellante in ieder geval de gronden wou aankopen, zelfs indien zou blijken dat er bodemverontreiniging werd vastgesteld. De onjuiste informatie omtrent de bodemtoestand van de percelen kan derhalve niet leiden tot nietigverklaring van de overeenkomst wegens bedrog. * de toegang tot de percelen In de onderhandse overeenkomst tussen partijen werd hieromtrent uitdrukkelijk gesteld: "De verkoper verklaart eveneens dat er een eeuwigdurend recht van doorgang bestaat over de parking palend aan de Brugsesteenweg en ter hoogte van de weg die zich bevindt naast de overdekte parking van het gebouw thans verhuurd aan Decathlon en eigendom van de verkoper, en dit teneinde toegang te hebben tot de percelen die deel uitmaken van onderhavige verkoop. (onderlijning door het hof) ... De doorgang ter hoogte van de weg naast de overdekte parking waarvan sprake heeft een breedte van zes meter. Dit recht gaat over op de koper en hun rechtsopvolgers." Op grond van deze bepaling in de overeenkomst mocht appellante ervan uitgaan dat de door haar aangekochte loten 5 en 5a niet alleen beschikten over een eigen toegang naar de ... van respectievelijk 8 meter (toegangsweg naast lot 5) en 6 meter (toegangsweg naast overdekte parking Decathlon en naast lot 5a), maar ook dat de beide percelen van de weg naast de parking van Decathlon zouden kunnen gebruik maken. Het was naar zeggen van appellante haar bedoeling om de 8 meter brede toegangsweg naar het lot 5 tussen een woning en een winkel in te gebruiken voor leveringen, maar het cliënteel voor dit lot 5 langsheen de andere toegangsweg van 6 meter breedte (naar lot 5a) over de commerciële site van Decathlon te sturen. Er ontstonden problemen omtrent het overeengekomen gebruik van de commerciële toegangsweg naast Decathlon voor de beide percelen 5 en 5a toen laatstgenoemde firma door appellante op de hoogte werd gebracht van de inhoud van de verkoopsovereenkomst tussen partijen, kort na de inleiding van de procedure in eerste aanleg, en zich hierover bekloeg in een fax aan geïntimeerde. Appellante stelt dat zij pas na dagvaarding ervan verwittigd werd dat Decathlon gebruik zou maken van de haar door geïntimeerde bij de handelshuurovereenkomst gegeven mogelijkheid om de toegang tot lot 5 te beperken. Mocht zij hebben geweten dat Decathlon de toegangsmogelijkheid naast haar parking zou beperken, dan zou zij de percelen niet of tegen andere voorwaarden hebben gekocht. Dat geïntimeerde heeft gezwegen omtrent de beperkingen van de ontsluitingsmogelijkheden ingevolge de handelshuurovereenkomst tussen haar en Decathlon is volgens appellante een listige kunstgreep die appellante ertoe bracht te contracteren, hetgeen zij niet zou hebben gedaan mocht zij kennis hebben gehad van de inhoud van de handelshuurovereenkomst met Decathlon. Bij onderhandse akte van 15 mei 2001, geregistreerd op 11 juni 2001, heeft de N.V. Decathlon Benelux een deel van het terrein gehuurd van geïntimeerde voor de vestiging van een sportzaak (stuk 12 appellante). De overeenkomst heeft betrekking op de loten 1 en 2 van het plan (stuk 28 geïntimeerde) en voorziet bepaalde ontsluitingsmogelijkheden voor de loten 3 en 4 van het plan. Geïntimeerde ging t.o.v. haar huurder de N.V. Decathlon de verbintenis aan om naast de overdekte parking op het lot 1 en 2 een toegangsweg aan te leggen tot de ... en dat deze toegangsweg ook zal functioneren als ontsluitingsmogelijkheden voor het lot 3 (komt overeen met het perceel 5 van appellante) wat leveranciers en personeel betreft en voor het lot 4 (komt overeen met het perceel 5a van appellante) wat leveranciers, personeel en cliënteel betreft, met dien verstande dat Decathlon niet meer dan 10 camions daags zal moeten dulden. Toen de N.V.Decathlon kennis kreeg van de verkoopovereenkomst en -belofte die appellante en geïntimeerde hadden gesloten, maakte zij in haar fax d.d. 23 februari 2004 aan geïntimeerde (stuk 11 appellante) - en niet aan appellante - bezwaar tegen enkele punten in deze overeenkomst omdat deze in strijd zijn met de handelshuurovereenkomst die zij met geïntimeerde heeft gesloten meer bepaald wat betreft het recht van doorgang over de toegangsweg langs de parking van Decathlon, dat krachtens de handelshuurovereenkomst aan bepaalde voorwaarden en beperkingen is onderworpen, dewelke niet voorkomen in de verkoopovereenkomst tussen appellante en geïntimeerde. Het is duidelijk dat geïntimeerde aan appellante ruimere rechten heeft toegestaan qua ontsluiting dan degene die werden bedongen in de handelshuurovereenkomst met de N.V. Decathlon. In de overeenkomst is immers uitdrukkelijk bepaald: "Teneinde toegang te hebben tot de percelen, die deel uitmaken van de onderhavige verkoop", zijnde dus de beide percelen 5 en 5a. Appellante blijft evenwel in gebreke te bewijzen dat geïntimeerde bewust, wetens en willens, kunstgrepen heeft gebruikt teneinde haar te misleiden omtrent de toegangsmogelijkheden tot de percelen. Er is bijgevolg geen sprake van bedrog op dit punt. a.2.2. dwaling Overeenkomstig artikel 1110 B.W. is dwaling oorzaak van nietigheid van een overeenkomst, wanneer zij de zelfstandigheid van de zaak betreft die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt. Als essentieel kenmerk kan worden beschouwd elk door partijen bij de contractsluiting als essentieel beschouwd element, hoedanigheid of voorwaarde, waarvan zij het sluiten van de overeenkomst afhankelijk maakte. De dwaling omtrent dergelijk doorslaggevend element, zonder hetwelk de overeenkomst niet zou zijn gesloten, maakt de toestemming gebrekkig en heeft de vernietigbaarheid van de overeenkomst tot gevolg. Slechts de verschoonbare dwaling maakt de toestemming gebrekkig, d.i. de dwaling die door ieder redelijk, nauwlettend en voorzichtig persoon zou zijn begaan. Het essentieel en doorslaggevend karakter van de dwaling en de verschoonbaarheid ervan wordt op soevereine wijze door de rechter beoordeeld. Appellante stelt dat zowel de zuiverheid van de bodem als de dubbele toegangsmogelijkheid tot de percelen essentiële elementen waren voor het sluiten van de koopovereenkomst. Zij vraagt de nietigverklaring wegens dwaling. * de bodemtoestand Op grond van de hiervoor geschetste feitelijke gegevens kan niet worden aangenomen dat geïntimeerde de percelen niet zou hebben aangekocht mocht zij bij het sluiten van de overeenkomst kennis hebben gehad van de bodemattesten. Bovendien werd in de overeenkomst uitdrukkelijk voorzien dat ingeval de verklaring omtrent de bodemtoestand door de verkoper te goeder trouw zou zijn afgelegd, de risico's van de eventuele bodemverontreiniging en de schade en kosten die daaruit kunnen voortvloeien voor de koper blijven en de verkoper tot geen vrijwaring gehouden zal zijn, wat er eveneens op wijst dat appellante de gronden wou aankopen, zélfs indien mocht blijken dat er toch een bodemverontreiniging zou worden vastgesteld. Ten slotte staat vast dat het een historische bodemverontreiniging betreft zonder saneringsverplichting, dewelke door ieder normaal, redelijk en voorzichtig koper van een bedrijventerrein worden verwachten gelet op het feit dat het risico van dergelijke verontreiniging inherent is aan dergelijke sites. Er is bijgevolg geen sprake van dwaling omtrent essentiële bestanddelen van de zaak. * de toegangsmogelijkheden Aan de hand van de bewoordingen van de overeenkomst van 18.09.2003 toont appellante aan dat zij de percelen heeft gekocht in de overtuiging een conventioneel afdwingbaar recht te hebben om voor haar beide loten 5 en 5a ontsluiting te nemen via de 6 meter brede weg naast de Decathlon-parking. De dwaling van appellante is toe te schrijven aan onjuiste inlichtingen vanwege geïntimeerde. Geïntimeerde heeft de indruk verwekt dat appellante lastens N.V. Decathlon ook conventioneel een ontsluiting kon afdwingen voor het perceel 5 en niet alleen voor het perceel 5a. Als professioneel projectontwikkelaar diende appellante alle informatie betreffende de mogelijkheden en beperkingen voor de te ontwikkelen site ook zelf kritisch te onderzoeken. Aangezien de dwaling niet verschoonbaar is, kan zij geen grond tot nietigverklaring van de overeenkomst opleveren. Onverschoonbaar is een dwaling begaan door een persoon die in de materie waarover de overeenkomst handelt als een professionele contractpartij moet worden beschouwd, zoals in casu de dwaling begaan nopens de toegangsmogelijkheden tot de percelen. Bovendien blijkt de discussie thans iedere bestaansreden te hebben verloren nu appellante zelf erkent dat de weg naast de parking van Decathlon inmiddels, in feite en in rechte, een voor het verkeer in het algemeen opengestelde weg is en in toepassing van de wegverkeerswet een openbare weg is. B. wat betreft de vordering tot het onbestaande verklaren van de overeenkomst wegens niet-vervulling van de opschortende voorwaarde Het bestreden vonnis heeft de vordering van appellante tot het onbestaande verklaren van de overeenkomst wegens het niet realiseren van de opschortende voorwaarde inzake het bodemattest ongegrond verklaard. De eerste rechter oordeelde dat de zinsnede in de overeenkomst, die luidt "deze verkoop geschiedt onder opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een bodemattest, waaruit blijkt dat er in de verkochte percelen geen bodemverontreiniging is" (onderlijning door het hof), niet kan geïnterpreteerd worden in die zin dat enkel een attest in de zin van artikel 4, § 4 lid 2 van het bodemsaneringsdecreet (volstrekte afwezigheid van bodemverontreiniging) de opschortende voorwaarde in vervulling zou hebben laten gaan, en niet een attest in de zin van artikel 4, § 4 lid 1 bodemsaneringsdecreet, waarbij, zoals in casu, bevestigd wordt dat de verontreiniging niet dusdanig is dat er tot bodemsanering dient te worden overgegaan. Hij kwam tot het besluit dat de clausule onmogelijk kan worden geïnterpreteerd op basis van een op het ogenblik van de overeenkomst niet toepasselijke regelgeving inzake grondverzet, waarbij de B.V.B.A. KARA ook niet ingaat op de concrete relevantie ervan. Het hof dient na te gaan of er in casu al dan niet sprake is van de verwezenlijking van de opschortende voorwaarde. De opschortende voorwaarde die centraal staat in huidig geschil bestaat in de verkrijging van een attest, waaruit - naar de letterlijke bewoordingen van de voorwaarde - blijkt dat er in de verkochte percelen "geen bodemverontreiniging is". Deze voorwaarde moet gelezen worden in het licht van artikel 36 van het bodemsaneringsdecreet dat de rechtsgeldige overdracht van een bodem afhankelijk maakt van de overlegging van een bodemattest door de OVAM. Voor de concrete beoordeling hiervan in casu is een exact inzicht in de bewoordingen van de overeenkomst en de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen daarbij van determinerend belang. Daarbij kan geen rekening worden gehouden met de gevolgen van de VLAREBO-reglementering, die op het ogenblik van de contractsluiting nog niet van toepassing was. Toen de overeenkomst van 18.09.2003 werd gesloten was deze regelgeving nog niet van toepassing - zij werd van kracht op 01.01.2004 - en partijen hebben er op dat ogenblik geen rekening mee gehouden, aangezien geen enkele clausule in de overeenkomst naar deze regelgeving verwees. Nergens wordt verwezen naar de eventuele onderzoeks- en saneringskosten die in dit kader zouden nodig zijn. Bovendien heeft appellante de nieuwe regelgeving van het grondverzet pas voor het eerst aangehaald begin februari 2004, toen geïntimeerde aandrong op het verlijden van de notariële akte, hetgeen nogmaals duidelijk aantoont dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst hieraan niet hebben gedacht. In de onderhandse overeenkomst d.d. 18.09.2003 werd geen inhoud weergegeven van bodemattesten, omdat de attesten m.b.t. de twee percelen nog moesten opgevraagd worden bij OVAM. In verband met de bodemtoestand werd in de overeenkomst bepaald: "1)
- a)De verkoper verklaart dat er op de grond, die het voorwerp is van de verkoop, bij zijn weten geen inrichting gevestigd is of was, en geen activiteit wordt of werd uitgeoefend, die opgenomen zijn in de lijst van inrichtingen en activiteiten die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 3 § 1 van het Bodemsaneringsdecreet. De verkoper bevestigt ondermeer dat in of op voormeld goed geen stookolietank(
- s)voorkomen met een totaal inhoudsvermogen van meer dan twintigduizend (20.000) liter. 2) De verkoper verklaart met betrekking tot voormeld goed geen weet te hebben van bodemverontreiniging die schade kan berokkenen aan de koper of aan derden, of die aanleiding kan geven tot een saneringsverplichting, tot gebruiksbeperkingen of tot andere maatregelen die de overheid in dat verband kan opleggen. 3) Voor zover voorgaande verklaring door de verkoper ter goeder trouw werd afgelegd, neemt de koper de risico's van eventuele bodemverontreiniging en de schade - zowel als de kosten - die daaruit kunnen voortvloeien op zich, en verklaart hij dat de verkoper hiervoor tot geen vrijwaring zal gehouden zijn.". Uit het voorgaande is gebleken dat de geïntimeerde op de hoogte was van het bestaan van een historische bodemverontreiniging in beide percelen, weliswaar zonder saneringsverplichting, ingevolge de inhoud van eerdere bodemattesten weergegeven in de akten van aankoop die zijzelf in 2000 en 2001 m.b.t. deze percelen heeft gesloten. De inhoud van deze attesten werd andermaal bevestigd in de attesten die op 7 november en 23 december 2003 werden afgeleverd door OVAM. Voor geen van beide percelen is derhalve een bodemattest afgeleverd door OVAM waaruit zou blijken dat er voor het desbetreffend perceel geen gegevens bekend zijn bij OVAM, of dat er op de betrokken percelen geen bodemverontreiniging is. Vermits de betrokken terreinen sinds ettelijke jaren deel uitmaken van bedrijventerreinen, en appellante hiervan bij de aankoop zeer goed op de hoogte was - zoals blijkt uit de bedingen inzake de onderscheiden erfdienstbaarheden voor de omliggende vestigingen - diende appellante te beseffen dat het risico van bodemverontreiniging niet volstrekt kon worden uitgesloten. Hoe valt anders te rijmen dat appellante enerzijds in de overeenkomst ingeval van goede trouw van de verkoper het risico van eventuele bodemverontreiniging en de schade tengevolge daarvan op zich neemt en de vrijwaringsplicht van de verkoper uitsluit, indien zij anderzijds ervan uitgaat dat de overeenkomst enkel uitvoering kan vinden bij voorlegging van een attest dat iedere bodemverontreiniging volledig uitsluit. Appellante erkent trouwens zelf in conclusies neergelegd ter griffie op 31.07.2007 dat partijen bedoeld hadden dat een "blanco" of "gunstig" attest moest worden afgeleverd, ‘waaruit bleek dat er omtrent de percelen geen gegevens beschikbaar waren (p. 11)'. Dergelijke attesten sluiten evenwel het risico van een mogelijke bodemverontreiniging niet uit. Bovendien stelt appellante dat het haar bedoeling was om er zeker van te zijn dat er niet moest gesaneerd worden en om problemen inzake grondverzet te vermijden. Aangezien uit de attesten is gebleken dat er niet moet gesaneerd worden en er met de nieuwe regelgeving inzake grondverzet bij de totstandkoming van de overeenkomst nog geen rekening kon worden gehouden, kan worden aangenomen dat de opschortende voorwaarde werd gerealiseerd. C. wat betreft de vordering tot schadevergoeding wegens het niet kunnen lichten van een aankoopoptie Appellante vroeg hangende de procedure in eerste aanleg bij conclusie ook een vergoeding van de onrechtstreekse schade die zij heeft geleden door het niet kunnen lichten van een aankoopoptie, ingevolge de afwezigheid van een recht op doorgang. Op 18 september 2003 werd tussen partijen naast de verkoopsovereenkomst immers ook een belofte tot verkoop gesloten m.b.t. een achterliggend perceel grond gelegen aan de Brugsesteenweg (het resterend gedeelte van lot 4, het andere deel was als lot 5a begrepen in de koopovereenkomst van 18.09.2003), waarin evenzeer twee rechten van doorgang werden bedongen naar de .... Appellante had de mogelijkheid om de optie te lichten tot 18.12.2004. Gezien de toegang via de ... naar het door haar geplande project voor haar van cruciaal belang was, heeft appellante naar eigen zeggen de optie uiteindelijk niet gelicht. Omdat het volgens appellante door toedoen is van geïntimeerde dat zij de optie niet heeft kunnen lichten, vraagt zij - gelet op het voorzienbaar karakter van de schade - een forfaitaire vergoeding van 10 % op de koopsom, hetzij 93.092,07 euro. Deze vordering kan niet worden ingewilligd. Appellante stelt ten onrechte dat de optielichting voor haar geen zin meer had omdat "om commerciële redenen de toegang tot de ... cruciaal was", nu op grond van de voorgelegde stukken vaststaat dat dit lot wel degelijk ontsluiting had tot de ..., ook voor cliënteel, personeel en leveranciers. Het is niet omdat Decathlon in haar fax d.d. 23 februari 2004 aan geïntimeerde (stuk 11 appellante) - en niet aan appellante - bezwaar uitte tegen enkele punten in de overeenkomst tussen appellante en geïntimeerde, omdat deze in strijd zouden zijn met de handelshuurovereenkomst die zijzelf met geïntimeerde heeft gesloten meer bepaald wat betreft beperkingen aan het recht van doorgang over de toegangsweg langs de parking van Decathlon, dat zij de in de handelshuurovereenkomst voorziene beperkingen van appellante - die geen partij was bij deze overeenkomst - kon afdwingen en dat het appellante onmogelijk werd om de aankoopoptie te lichten. De vordering op dit punt is ongegrond. Partijen verklaarden zich op de zitting bij monde van hun raadslieden akkoord met de toekenning van de basisrechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep, zoals ingevoerd door het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding in hoger beroep, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij ten hare laste blijven en aan de zijde van geïntimeerde begroot op de rechtsplegingsvergoeding van 5.000,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, EERSTE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op TWEE OKTOBER TWEEDUIZEND EN ACHT. aanwezig: G. JOCQUE, raadsheer-wnd. voorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer K. BROECKX, raadsheer, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div