← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081006.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081006.3 Rolnummer: 2008/AR/115 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2008-11-25 Raadplegingen: 191 - laatst gezien 2026-07-02 18:02 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: bevrijding kosteloze borgsteller Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de bis Kamer ________ Terechtzitting van 06 oktober 2008 ________ bevrijding kosteloze borgsteller ________ 2008/AR/115 - In de zaak van: H.K., appellante, hebbende als raadsman mr. MARTENS Luc, advocaat te 8310 SINT-KRUIS, Puienbroeklaan 33, tegen: EUROPABANK N.V., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE DECKER Jacques, advocaat te 9000 GENT, Steendam 77/79, velt het hof het volgend arrest: Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien.

  1. Bij verzoekschrift, neergelegd op 14 januari 2008, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 oktober 2007 gewezen door de 5de kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk (AR. 1178/2006). Een exploot van betekening ligt niet voor. Feiten en procedure in eerste aanleg
  2. K.H. (hierna: "appellante") stelde zich persoonlijk zeker tot waar-borg van een schuld van haar zoon F.D., handeldrijvende onder de benaming "..." en wonende te .... Appellante stelde zich persoonlijk en ondeelbaar borg bij akte van 11 juni 2004 voor een lening van 3.000,00 EUR en bijko-mend bij akte van 24 augustus 2005 voor een lening van 3.000,00 EUR, telkens jegens de NV EUROPABANK. Bij vonnis van 27 maart 2006 verklaarde de rechtbank van koophandel te Kortrijk F.D. failliet, waarbij mr. Luk DECEUNINCK als curator werd aangesteld. Op 3 april 2006 legde de NV EUROPABANK een verklaring neer, waarbij zij conform art. 10, 1° van de wet van 20 juli 2005 opgave deed van de zekerheidstelling door appellante tot waarborg van de kredieten van F.D.. Op 29 mei 2007 legde appellante een verklaring neer conform art. 10, 3° van genoemde wet (art. 72ter Faill.W.), waarbij ze bevrijding vorderde van haar verbintenissen als kosteloze borgstel-ler. Bij het vonnis a quo van 3 oktober 2007 werd het faillissement gesloten bij vereffening, werd de gefailleerde F.D. verschoonbaar verklaard en werd het verzoek tot bevrijding van appellante afgewezen als ongegrond. Procedure in hoger beroep
  3. Het hoger beroep werd ingesteld door de zekerheidsteller. Appellante stelt dat ze als "kosteloze" persoonlijke borg kan worden beschouwd en dat de betrokken schulden niet in verhouding staan met haar inkomen/vermogen (disproportionaliteit). Ze volhardt in haar verzoek tot integrale bevrijding. De NV EUROPABANK, geïntimeerde, verzet zich hiertegen. Volgens haar gaat het niet om een "kosteloze" zekerheidstelling en is appellante met haar inkomen (en dit van haar echtgenoot) in staat de schuld te betalen. Beoordeling
  4. Door de wetswijziging van 20 juli 2005 (B.S. 28 juli 2005) - die er kwam na het arrest van het Arbitragehof van 30 juni 2004 (R.W. 2004-2005, 662) - werd de bevrijding van de kosteloze borg losgekoppeld van de verschoonbaarheid van de gefailleerde, dit laatste niet mogelijk zijnde voor rechtspersonen (art. 81 Faill.W). Art. 72bis, art. 72ter en art. 80,3° Faill.W. regelen thans een afzonderlijke procedure voor natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde natuurlijke persoon of rechtspersoon. De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidstelling is het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidsteller kan genieten als gevolg van de zekerheidstelling (Cass., 26 juni 2008, C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8, inzake G.P./NV BROUWERIJEN ALKEN-MAES; Cass., 26 juni 2008, C.07.0596.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9, inzake COMMERCIAL FINANCE GROUP/J.M. en D.B.H.). Het Hof van Cassatie weerhield hierbij ook dat uit de parlementaire voorbereiding volgt, dat de finaliteit van art. 80,3° Faill.W. alléén strekte tot de bevrijding van de natuurlijke personen die door hun bereidwilligheid verplicht zijn om de schulden van de gefailleerde te delgen, terwijl ze géén persoonlijk belang hebben bij de betaling van deze schulden. Appellante is de moeder van de gefailleerde. Uit niets blijkt dat ze enig direct of indirect economisch voordeel haalde uit de ze-kerheidstelling. Ze dient als kosteloze borg te worden beschouwd. Het feit dat ze op het ogenblik van de persoonlijke zekerheidstelling privé op hetzelfde adres woonde als haar zoon, doet hieraan geen afbreuk.
  5. Als voorwaarde tot bevrijding als kosteloze zekerheidsteller, dient deze aan te tonen dat zijn verbintenis niet in verhouding is met zijn inkomsten en patrimonium (art. 72bis Faill.W.). De bewijslast van deze disproportionaliteit berust bij de zekerheidsteller (art. 1315, 2° B.W.). De periode waarvoor deze financiële toestand moet worden onderzocht start op het ogenblik dat de persoonlijke zekerheidsteller zijn verklaring conform art. 72bis Faill.W. ter griffie neerlegde en loopt tot aan de rechterlijke beslissing omtrent de bevrijding (Parl.St.Kamer, 2004-2005, nr. 1811/001, 7). Het Hof neemt kennis van het maandelijks netto-inkomen van appellante (gemiddeld 610,00 EUR per maand als winkelbediende) en het overzicht van haar schuldenlast en uitgaven (Kaften I en II appellante). Ten onrechte houdt de eerste rechter ook rekening met het inkomen van de echtgenoot van appellante. Enkel het inkomen en vermogen van de zekerheidsteller komt volgens de wet in aan-merking en niet dit van zijn/haar partner. Het is niet de echtgenoot van appellante die de betrokken zekerheidstelling heeft ondertekend. Hij is niet gehouden voor deze eigen schuld van appellante. De verbintenis van appellante als zekerheidsteller tot het betalen aan de NV EUROPABANK van haar openstaande schuldvordering (6.304,11 EUR volgens de afrekening stand 29 augustus 2007 - stuk 9 geïntimeerde), staat dan ook niet in verhouding tot haar inkomen en huidige financiële draagkracht. Art. 80, 3° Faill.W. bepaalt: "Tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en met zijn patrimonium is." Uit niets blijkt dat appellante haar onvermogen frauduleus zou hebben georganiseerd. Het verzoek van appellante tot volledige bevrijding komt gegrond voor.
  6. M.b.t. de gedingkosten bij een procedure tot bevrijding van de natuurlijke persoon die zich kosteloos zeker heeft gesteld, is het Hof van oordeel dat -gelet op de aard van het bevrijdingsgeschil- elke partij haar eigen gedingkosten moet dragen. Zelfs bij het bekomen van de bevrijding, is de schuldeiser géén "in het ongelijk gestelde partij" zoals voorzien in art. 1017 Ger.W. De schuldeiser heeft in dit debat géén vordering gesteld en is niet de verliezende partij. Niet zij verleent of weigert de bevrijding, maar wel de rechter. De procedure wordt ingesteld door de verklaring ter griffie van de zekerheidsteller en de schuldeiser wordt van rechtswege in de procedure betrokken. Bij bevrijding is de schuldeiser het voordeel van de borgstelling kwijt, om redenen waarbij de schuldeiser zelf geen enkele fout treft. Dikwijls heeft de schuldeiser ook reeds alle kosten gemaakt om ten gronde een uitvoerbare titel te benaarstigen. Dat de schuldeiser n.a.v. de procedure bevrijding nog alle gedingkosten en een RPV aan de bevrijde zekerheidsteller zou moeten betalen, zou totaal onbillijk zijn. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond: doet het bestreden vonnis teniet waar het oordeelt omtrent de bevrijding van appellante als zekerheidsteller; derhalve over dit punt opnieuw oordelende: verklaart het verzoek van appellante ontvankelijk en gegrond: zegt voor recht dat K.H. integraal bevrijd wordt van de lasten die volgen uit haar borgstellingen tegenover de NV EUROPABANK ten voordele van de gefailleerde F.D.; verwijst elke partij in haar eigen kosten; bevestigt het bestreden vonnis voor al het overige. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer zeven bis, op zes oktober tweeduizend en acht. Aanwezig: de heer Frank Deschoolmeester raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.