← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081007.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081007.7 Rolnummer: 2007/AR/450 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 18:03 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Beslagbare goederen - Loonbeslag Vrije woorden: Hypothecair krediet - loonoverdracht - tenuitvoerlegging - voorafgaande minnelijke schikking - verjaring - rechtsverwerking. Loonoverdracht is geen daad van tenuitvoerlegging in de zin van artikel 59 WHK. Een voorafgaande poging tot minnelijke schikking is dan ook niet vereist. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 7 oktober 2008 ________ TA HER DEB 19 mei 2009 - 9u50 2007/AR/450 in de zaak van: CREDIBE N.V., met maatschappelijke zetel te 1040 BRUSSEL, Wetstraat 42, ingeschreven met KBO-nummer 0203.286.561, appellante, hebbende als raadsman mr. GEVAERT Eddy, advocaat te 8500 KORTRIJK, Burg.Nolfstraat 20 tegen: V. W. W., hebbende als raadsman mr. HONORE Rik en mr. BENOIT Jan, beiden advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4 A Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van de op 22 december 2006 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, verleende beschikking, zetelend zoals in kortgeding,waartegen appellant, met haar op 14 februari 2007 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. VOORGAANDEN. Met het arrest van 18 december 2007 en met het arrest van 25 maart 2008 werden de debatten om de in deze arresten gestelde redenen heropend. Het hof verwijst naar uiteenzetting van de voorgaanden, zoals gesteld in deze arresten. De feiten en de overige voorgaanden, de argumenten, middelen en grieven van partijen en de motiveringen van de eerste rechter worden - in zoverre ze dienend zijn - verder uiteengezet en ontmoet bij de beoordeling. II. BEOORDELING.

  1. De vraag onverlet latend of artikel 59, §1, van de Wet op het Hypothecair Krediet van 4 augustus 1992 (hierna kortheidshalve ‘WHC' genoemd) van toepassing is op de contracten die voor de inwerkingtreding van deze wet werden gesloten, is het hof - anders dan de eerste rechter en om navolgende redenen - van oordeel dat gezegd artikel ten deze niet van toepassing is. Artikel 59, §1, van de Wet op het Hypothecair Krediet bepaalt dat elke ‘tenuitvoerlegging of beslag' in het kader van deze wet op straffe van nietigheid dient te worden voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking. Loonoverdracht is een overeenkomst, waarbij het recht op het loon, zijnde een schuldvordering, afgestaan wordt tot zekerheid van een bepaalde schuld (F. TOP, "Loonbeslag, loondelegatie en loonoverdracht: problemen bij de evenredige verdeling", in T.P.R., 1983, pag. 364, nr. 6). Aangenomen dat de (uitvoering van de) loonoverdracht, die een bijkomende waarborg is voor de schuldeiser, kan worden beschouwd als een daad van tenuitvoerlegging of als een beslag (pro: E. DIRIX en K. BROECKX, "Overzicht van rechtspraak - Beslagrecht" (1991-1996), T.P.R., 1996, pag. 1528, nr. 221; contra: F. TOP, Gerechtelijk Recht - Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, art. 1395 Ger.W., pag. 21, nrs. 46 en 47), dan nog is de poging tot minnelijke schikking, als bepaald bij artikel 59, §1, WHC, bij loonoverdracht - zelfs als deze geschiedt krachtens een authentieke akte - niet verplicht. De minnelijke schikking is immers enkel verplicht, wanneer tot tenuitvoerlegging op het in hypotheek gegeven onroerend goed wordt overgegaan, aangezien: - de meerdere bescherming van de beslagene en de daaruit volgende zwaardere verplichtingen in hoofde van de executant enkel gelden binnen de Wet op het Hypothecair Krediet zelf; - de voorbereidende werken van deze wet het gefinancierde onroerend goed niet alleen als een investering en als de vrucht van een uitzonderlijke spaaroperatie, maar ook als een levensbelangrijke behoefte van huisvesting in hoofde van de kredietnemer of ontlener, omschrijven (Parl. St. Kamer, 1991-92, 1 juni 1992, 375/8-91/91, pag. 13 en 49); - dient te worden aangenomen dat uitsluitend de uitvoeringen en beslagen met betrekking tot het in hypotheek gegeven onroerend goed in deze wet worden bedoeld; - één en ander trouwens spoort met en blijkt uit de vaststelling dat artikel 59, §3 WHK en art. 629, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek de beslagrechter van de ligging van het onroerend goed bevoegd maken voor de bedoelde poging tot minnelijke schikking, terwijl (de uitvoering van) de loonoverdracht niet in verband te brengen is met de ligging van het onroerend goed; - art. 59, §1, WHK de rechten van de executant, als bepaald in artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek, beperkt en deze beperking aan de executierechten, waarover iedere schuldeiser die over een titel, als bepaald in gezegd artikel 1494, beschikt, op restrictieve wijze dient te worden uitgelegd en zij dus enkel, mede gelet op voorgaande overwegingen, kan gelden bij een executie met betrekking tot het gehypothekeerde onroerend goed; - er anders over oordelen met zich zou brengen dat zwaardere verplichtingen worden opgelegd aan de hypothecaire schuldeiser dan aan de chirografaire schuldeiser, terwijl geen van beide het in hypotheek gegeven onroerend goed uitwint. Er kan ten deze dus niet tot toepassing van gezegd artikel 59, §1, WHK en dus evenmin tot nietigheid van het exploot van betekening van de loonoverdracht worden besloten. Dit geldt des te meer, waar het in hypotheek gegeven onroerend goed lang voor de betekening van de loonoverdracht was verkocht, zodat tevergeefs zou worden aangevoerd dat de toepassing van artikel 59, §1, WHK in geval van de betekening van loonoverdracht indirect tot de bescherming en het instandhouden van het in hypotheek gegeven onroerend goed zou strekken.
  2. Ook op grond van andere feiten, middelen en argumenten besluit geïntimeerde tot de bevestiging van de bestreden beschikking. In wezen besluit zij aldus tot de toekenning van haar voor de eerste rechter (in het exploot van dagvaarding en in besluiten) gestelde vordering, die niet alleen strekte tot de nietigheid (bij toepassing van artikel 59, §1, WHK) van het exploot van betekening van de loonoverdracht, maar die ook strekte tot het teniet doen - op grond van andere feiten, middelen en argumenten - van de loonoverdracht. Het hof stelt - voor zo veel als nodig - vast rechtsgeldig, bij toepassing van artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gevat te zijn om daarover te statueren. Overigens dient - in zoverre al zou dienen te worden aangenomen dat het hof niet krachtens gezegde bepaling zou gevat zijn - te worden aangenomen dat met de besluiten van geïntimeerde minstens een impliciet incidenteel beroep wordt ingesteld en dat - in zoverre al zou sprake zijn van een voor het eerst voor het hof gestelde vordering van geïntimeerde - deze vordering, waarvan in die veronderstelling de ontvankelijkheid trouwens niet wordt betwist, hoe dan ook, bij toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, ontvankelijk is.
  3. De hierna ontmoete vraag omtrent de verjaring der intresten buiten beschouwing gelaten, wordt de verjaring van vordering van appellante niet aangevoerd door geïntimeerde. De vraag naar de verjaring van de intresten, die hierna wordt ontmoet, alsnog onverlet latend, is de vordering van appellante voor het overige, bij toepassing van het voormalig artikel 2262 en het huidig artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en bij toepassing van artikel 10 van de Wet van 17 juli 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, niet verjaard. Behoudens voor wat betreft hetgeen hierna omtrent de intresten wordt overwogen, heeft appellante geen enkele handeling gesteld, waaruit expliciet of impliciet zou blijken dat zij afstand doet van haar vordering. Uit het louter stilzitten van appellante en uit de vaststelling dat zij geïntimeerde gedurende al die jaren ongemoeid heeft gelaten en niet heeft verontrust met de verdere executie, kan niet worden besloten dat zij haar recht heeft verwerkt om haar vordering ten uitvoer te leggen. Geïntimeerde kan niet worden bijgetreden in de door hem desbetreffend aangevoerde middelen en argumenten. Omtrent de verjaring van de intresten verkaart appellante in haar op 18 juni 2007 neergelegde conclusie formeel en onder verwijzing naar haar stuk 14, waarin de naar haar oordeel aangepaste berekening werd gemaakt: "Concluante heeft in casu vrijwillig de vijfjarige verjaringstermijn der intresten toegepast overeenkomstig art. 2277 B.W., dit terwijl recente jurisprudentie zelfs de stelling verdedigt dat deze niet van toepassing is". Appellante heeft aldus in de voorzegde mate afstand gedaan van haar vordering met betrekking tot de intresten. Zij had dit reeds eerder gedaan met haar op 28 april 2006 voor de eerste rechter neergelegde conclusie. Naar luid van artikel 7 en 8 van de Hypotheekwet staat de debiteur met zijn gehele vermogen in voor de nakoming van zijn verbintenissen. De loonoverdracht kan in dit opzicht worden beschouwd als een vorm van uitwinning, aangezien de schuldeiser op die wijze probeert zijn vordering te recupereren op het vermogen van de debiteur. Dit vermogen vormt het gezamenlijk onderpand van zijn schuldeisers en de uitwinning verschaft aan de schuldeiser een geldsom tot delging van zijn schuldvordering. Het executierecht en beslagrecht is aldus een bevoegdheid die aan de schuldeiser wordt toegekend ter voldoening van zijn materieelrechtelijke aanspraken en het is in principe aan geen ander doel verbonden dan aan de bevrediging van de eigen belangen van de schuldeiser. De rechterlijke toetsing van de wijze, waarop die bevoegdheid wordt uitgeoefend, kan enkel ‘marginaal' zijn, wat betekent dat deze bevoegdheid slechts dan als abusief zal kunnen worden aangemerkt, wanneer daarover tussen redelijke mensen geen betwisting kan bestaan. Appellante beperkt haar vordering met betrekking tot de intresten in de mate als hiervoor uiteengezet. Gelet op hetgeen voorgaand werd overwogen en gelet op de beperking van de gevorderde intresten tot een periode van vijf jaar voorafgaand aan de betekening van de akte van loonoverdracht, stelt het hof vast dat de appellante thans te goeder trouw - en zonder misbruik te maken van haar rechten - handelt. De uitoefening van de executierechten zou ten deze enkel als een misbruik kunnen worden beschouwd, wanneer appellante door haar inertie haar vordering ten aanzien van geïntimeerde laat oplopen. Doordat zij in de loop van de procedure de intresten op de voorzegde wijze beperkt, dient te worden besloten dat zij te goeder trouw en op een correcte wijze handelt zonder zich schuldig te maken aan rechtsmisbruik. Er wordt overigens niet concreet aangevoerd en er valt trouwens niet in te zien welk ander nadeel dan de onrechtmatig oplopende intresten in totale wanverhouding zou staan tot het rechtmatig door appellante beoogde voordeel bij de tenuitvoerlegging van haar vordering. Dat geïntimeerde thans geconfronteerd wordt met een loonoverdracht met betrekking tot een vordering, waarvan hij - gelet op de opbrengst van de verkoop van het onroerend goed - wist en zeker behoorde te weten dat hij niet volledig voldaan was en waarvan hij mogelijk hoopte dat zij ervan bevrijd zou worden, maakt geen rechtsmisbruik uit in hoofde van appellante. 4.1 Terecht stelt geïntimeerde dat appellante geen duidelijkheid verschaft met betrekking tot de samenstelling van haar vordering in hoofdsom, intresten en kosten. Omwille van deze onduidelijkheid, ziet het hof zich genoodzaakt andermaal ambtshalve het debat te heropenen, teneinde appellante toe te laten volgende inlichtingen en gegevens aan de hand van dienstige stukken te verschaffen: - de datum waarop de lening werd opgezegd en opeisbaar gesteld door appellante; - de samenstelling van de op deze datum gevorderde bedragen; - het na de verkoop van het onroerend goed nog verschuldigd bedrag en de samenstelling van dit bedrag; - de op 16 november 2005, hetzij de datum van de betekening van de loonafstand, nog verschuldigd bedrag, hetwelk door appellante dient te worden berekend rekening houdend met de voorzegde afstand van vordering met betrekking tot de intresten; - de na deze datum tussengekomen betalingen; 4.2 De debatten worden tevens heropend, teneinde partijen toe te laten - mede in het licht van de aanvullend verschafte gegevens - te besluiten omtrent de ontvankelijkheid en gegrondheid van de voor het eerst voor het hof gestelde vordering tot het verlenen van uitstel van betaling, die door appellante niet werd ontmoet. 4.3 De hierna gestelde termijnen, als bepaald in artikel bij artikel 775, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden bepaald en de zaak wordt daartoe verwezen naar de hierna bepaalde zitting.
  4. De beoordeling wordt voor al het overige aangehouden. OM DEZE REDENEN; HET HOF; Recht doende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk Verklaart het hoger beroep thans reeds deels gegrond en doet de bestreden beschikking reeds teniet in zoverre de betekening van 16 november 2005 van de loonafstand in handen van de BVBA SL SOLUTION lastens geïntimeerde bij inbreuk op artikel 59, §1 van de Hypotheekwet - bedoeld wordt Wet op het Hypothecair Krediet - nietig werd verklaard; Heropent, alvorens verder te oordelen, ambtshalve de debatten, teneinde partijen toe te laten te handelen, zoals hen voorgaand sub II. 4 werd opgedragen; Bepaalt als volgt de termijnen voor het uitwisselen en overhandigen van de schriftelijke opmerkingen van partijen, die uiterlijk op volgende data ter griffie dienen te worden neergelegd: - voor appellante: uiterlijk op 28 november 2008 - voor geïntimeerde: uiterlijk op 15 januari 2009 - voor appellante: uiterlijk 13 februari 2009 - voor geïntimeerde: uiterlijk 13 maart 2009 Verwijst de zaak naar de zitting van 19 mei 2009 om 9u50 (20') teneinde partijen te horen over de voorzegde onderwerpen, waarover de debatten werden heropend; Houdt de beoordeling voor al het overige, waaronder de beslissing nopens de kosten van het geding, aan; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 7 oktober
  5. Aanwezig: Paul Dauw, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.