id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081008.12 Rolnummer: 2007/AR/1445 Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2009-05-22 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 18:04 Fiche - Naar Belgisch recht dient de bevoegdheid te worden beoordeeld, los van de grond van de zaak, aan de hand van hetgeen in de dagvaarding wordt gesteld. Elk prejudicieel onderzoek van de grond van de zaak, met het oog op de beslechting van een bevoegdheidsgeschil, wordt door het Hof van Cassatie afgewezen. Ook de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken ten aanzien van vreemdelingen of buitenlandse rechtspersonen wordt beoordeeld rekening gehouden met het voorwerp van de vordering zoals bepaald in de dagvaarding. - Een forumbeding in de zin van artikel 23 EEX-Verordening is exclusief, tenzij de partijen anders overeenkomen (artikel 23.1, tweede zin, EEX-Verordening). Een andersluidende overeenkomst ligt niet voor. Dit betekent dat het geschil enkel aan de in het beding aangewezen rechter kan voorgelegd worden en niet aan de rechter die er kennis van zou kunnen nemen op grond van onder meer de artikelen 2 of 5 van de EEX-Verordening. - Wanneer in een geschil met een internationaal karakter, de partijen een rechter hebben aangewezen conform artikel 23 EEX-Verordening, dan stelt deze overeenkomst de toepassing van artikel 4, eerste lid van de alleenverkoopwet, buiten werking. De Europese Verordening primeert immers de regels van intern Belgisch recht. -De omstandigheid dat er, op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst tot aanwijzing van de rechtbanken van Londen, geen supranationale regels bestonden die voorrang hadden op de toepassing van artikel 4, eerste lid van de alleenverkoopwet, heeft evenwel niet tot gevolg dat dit forumbeding nietig is. - De alleenverkoopwet verbiedt de partijen niet om een overeenkomst te sluiten over de internationale rechtsmacht of over de bevoegdheid. Evenmin verklaart hij een dergelijke overeenkomst nietig. Uit het dwingende karakter van deze wet vloeit enkel voort dat de concessiehouder - en alleen hij - bij een geschil over de beëindiging van een concessie met uitwerking in België, ongeacht de inhoud van een dergelijk forumbeding, de concessiegever kan dagvaarden in België. - Zelfs indien het forumbeding vóór de inwerkingtreding van de EEX-Verordening of het EEX-Verdrag, ongeldig zou zijn geweest, dan nog zou dit niet beletten dat een partij zich erop kan beroepen in het kader van een geschil, ingeleid na de inwerkingtreding van deze verordening, aangezien de geldigheid van een overeenkomst tot aanwijzing van een rechter moet beoordeeld worden op het ogenblik dat het geschil wordt ingeleid. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Beginselen Europees Recht - Verdrag Werking EU - Voorrang Vrije woorden: - Internationale rechtsmacht - geen prejudicieel onderzoek - EEX-verordening - Artikel 23 EEX-verordening - exclusiviteit forumbeding - voorrang op artikel 4 alleenverkoopwet - Draagwijdte van de bescherming van artikel 4 alleenverkoopwet - Tijdstip boordeling geldigheid forumbeding Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 08 oktober 2008 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1445 van: nv ANALYTIC SYSTEMS, met zetel te 9420 Erpe-Mere, Industrieweg 25, met ondernemingsnr. 0422.847.249 RPR Dendermonde, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 5-9-2005,oorspronkelijk eisende partij, hebbende als raadsman mr. GOOSSENS Bart, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 27 tegen : SERVOMEX GROUP Ltd, vennootschap naar Engels recht met zetel in het Verenigd Koninkrijk, te Jarvis Brook, TN6 3 Crowborough, East Sussex, met registratienummer 02170458, maar woonst kiezende bij haar raadsman hierna nader vermeld, geïntimeerde, oorspronkelijk verwerende partij, hebbende als raadsman mr. DELTOUR Eric, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 480-13A velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep van 4 mei 2007, neergelegd ter griffie van het hof op 6 juni 2007, stelde de naamloze vennootschap Analytic Systems (hierna "Analytic Systems" genoemd) hoger beroep in tegen het vonnis dat op 5 september 2005 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde. Dit hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. Antecedenten I. 1. In haar dagvaarding van 18 maart 2004 zette Analytic Systems uiteen dat zij sedert 1982 exclusieve verdeler was in België en Luxemburg voor de verkoop van gasanalyseapparatuur van het merk "Servomex" op grond van een concessie van alleenverkoop met de vennootschap naar vreemd recht Servomex Group Limited (hierna "Servomex" genoemd). Naar aanleiding van de overname door nv Inbema Belgium (hierna "Imbema" genoemd) van de aandelen van Analytic Systems werd tussen de laatstgenoemde en Imbema op 1 juli 1999 een overeenkomst gesloten, waarbij Imbema exclusieve verdeler werd. Analytic Systems stelde evenwel dat, na de ondertekening van deze overeenkomst, de samenwerking tussen haar en Servomex ongewijzigd bleef. Servomex zegde met een brief van 24 juni 2003, gericht aan Imbema, de concessieovereenkomst op met een opzeggingstermijn die eindigde op 31 december 2003. Analytic Systems vorderde te horen zeggen voor recht dat Servomex de overeenkomst had opgezegd met een te korte opzeggingstermijn. Zij maakte aanspraak op een vergoeding op grond van artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (hierna de "alleenverkoopwet" genoemd), gelijk aan de gemiddelde semibrutowinst, over een periode van 24 maanden, minstens 18 maanden, die zij begrootte op 225.000,00 EUR. Daarnaast vorderde zij 300.000,00 EUR als vergoeding op grond van artikel 3 van de alleenverkoopwet. 2. Servomex argumenteerde dat de eerste rechter "onbevoegd" was om kennis te nemen van de vorderingen van Analytic Systems, aangezien de overeenkomst tussen de partijen een bevoegdheidsbeding bevatte, op grond waarvan de rechtbanken van Londen uitsluitend bevoegd waren. In ondergeschikte orde besloot zij tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vorderingen van Analytic Systems. Zij argumenteerde dat Analytic Systems de beëindiging van de overeenkomst had aanvaard, minstens dat de door haar gevorderde sommen excessief waren en niet gestaafd werden. Zij vroeg dat de rechtbank aan Analytic Systems de voorlegging zou bevelen van alle nuttige stukken, waaruit de financiële resultaten bleken van de handelsactiviteiten die door Analytic Systems of door een met haar verbonden vennootschap, werden ontwikkeld ter vervanging van de beëindigde concessie. In uiterst ondergeschikte orde vroeg zij de aanstelling van een gerechtsdeskundige. 3. Analytic Systems stelde dat het bevoegdheidsbeding nietig was voor zover dit de concessiehouder het recht zou ontnemen om in België te dagvaarden. Zij vorderde dat de rechtbank zou vaststellen dat hij rechtsmacht had en bevoegd was om over het geschil te oordelen. Zij betoogde dat de geldigheid van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht in de zin van artikel 23 van de EEX-Verordening dient beoordeeld te worden op het ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst. In ondergeschikte orde vorderde zij dat de rechtbank hieromtrent twee prejudiciële vragen zou stellen aan het Europees Hof van Justitie. Nog meer ondergeschikt argumenteerde zij dat dit beding niet toepasselijk was, omdat het geen betrekking had op geschillen in verband met de beëindiging van de overeenkomst. Zij stelde dat, op grond van artikel 4 van de alleenverkoopwet, die van dwingend recht is, het geschil beheerst werd door deze wet. Zij betwistte de beëindiging van de overeenkomst te hebben aanvaard en argumenteerde recht te hebben op de in haar dagvaarding gevorderde billijke vergoeding en billijke bijkomende vergoeding. In ondergeschikte orde vorderde zij dat de rechtbank een deskundige aanstelde met als opdracht advies te verlenen over de brutowinst, respectievelijk de nettowinst die zij in de periode van 2000 tot 2002 had verwezenlijkt op de verkopen van de in concessie gegeven producten, over de niet-herleidbare vaste kosten, die uit de concessie voortvloeiden, en over de gemiddelde maandelijkse semibrutowinst op de verkopen. 4. De eerste rechter zegde voor recht dat hij geen rechtsmacht had en niet bevoegd was. Hij veroordeelde Analytic Systems tot de kosten. Hij stelde vast dat het artikel 10 van de overeenkomst van 19 mei 1982, dat het forum- en rechtskeuzebeding bevat, van toepassing was op de verhouding tussen de partijen. Hij overwoog dat artikel 4 van de alleenverkoopwet enkel de verplichting oplegt om uitsluitend de Belgische wet toe te passen ten aanzien van de Belgische rechtbanken. Dit impliceerde volgens hem dat de partijen de toepassing van de alleenverkoopwet kunnen uitsluiten en de vordering van de concessiehouder kunnen toevertrouwen aan een andere rechter dan de Belgische, op voorwaarde dat er een geldige bevoegdheidsclausule bestaat die voor geen andere interpretatie vatbaar is. Hij besloot dat het beding van artikel 10 van de overeenkomst van 19 mei 1992 een geldig beding was, dat in overeenstemming was met de "Internationale Verdragen en/of Verordeningen". II. 1. In hoger beroep vordert Analytic Systems: "Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren (...) 1. Rechtsmacht/bevoegdheid Vast te stellen dat zij de rechtsmacht heeft en bevoegd is om over dit geschil te oordelen. In ondergeschikte orde en alvorens recht te doen over deze rechtsmacht respectievelijk bevoegdheid, de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie: 1. Is er sprake van een "overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht" in de zin van artikel 23 EEX Vo die moet getoetst worden aan de vormvereisten van dit artikel op het ogenblik van het instellen van de rechtsvordering, wanneer het bevoegdheidsbeding (voorzover het voor de verdeler de mogelijkheid uitsloot om te dagvaarden voor de rechter van zijn eigen woonplaats/vestiging) op het ogenblik van de totstandkoming ervan (d.i. een ogenblik waarop noch de EEX Vo, noch het EEX Verdrag van kracht waren) ongeldig was en dus volgens het toepasselijke materiële recht geacht wordt nooit te hebben bestaan ? 2. Is het antwoord op de eerste vraag anders, indien partijen in de betrokken overeenkomst waarin de "overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht" in de zin van artikel 23 EEX Vo uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat een ongeldige clausule volgens het toepasselijke rechtsstelsel ("any appropriate jurisdiction") geen uitwerking heeft ? 2. Ten gronde de vordering van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren; (
- i)te zeggen voor recht dat geïntimeerde de overeenkomst onrechtmatig heeft opgezegd wegens te korte opzeggingstermijn; derhalve geïntimeerde te veroordelen om aan verzoekster - onder voorbehoud van vermeerdering, vermindering of nadere bepaling in de loop van het geding - een bedrag van 225.000 euro te betalen als vergoeding uit hoofde van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 1 januari 2004 tot op de dag van de uitspraak en met de verwijlintresten vanaf de uitspraak tot op de dag van volledige betaling; (
- ii)geïntimeerde verder te veroordelen om aan verzoekster - onder voorbehoud van vermeerdering, vermindering of nadere bepaling in de loop van het geding - een bedrag van 300.000 euro te betalen als vergoeding uit hoofde van artikel 3 van de Wet van 27 juli 1961, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 1 januari 2004 tot op de dag van de uitspraak en met de verwijlintresten vanaf de uitspraak tot op de dag van volledige betaling; (iii) in ondergeschikte orde een deskundige aan te stellen met de volgende opdracht: (...) aan de hand van alle terzake dienende boekhoudkundige gegevens te bepalen welke netto-winsten vóór belasting door verzoekster in de periode 2000-2002 werden verwezenlijkt op de verkoop van de door verweerster in concessie gegeven producten: de niet-herleidbare vaste kosten te bepalen, die uit de concessie voortvloeien; de gemiddelde maandelijkse semi-brutowinst op deze verkopen te berekenen; advies te geven omtrent eventuele meerwaarde aan cliënteel door verzoekster aangebracht en die aan geïntimeerde verbleven is, meer bepaald te bepalen wat de gemiddelde brutowinst is die verzoekster heeft gerealiseerd in de periode 2000-2002 op de verkoop van de door geïntimeerde in concessie gegeven producten; de gemiddelde maandelijkse semi-brutowinst op deze verkopen te berekenen; (...) Verder vordert Analytic Systems dat "de tegenvorderingen" van Servomex minstens ongegrond worden verklaard en dat laatstgenoemde veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen. 2. In zeer uitvoerig gemotiveerde conclusies formuleert en ontwikkelt Analytic Systems de hierna samengevatte grieven en middelen. 2.1. De Belgische rechtbanken hebben rechtsmacht op grond van artikel 5,1° sub a en c van de EEX-Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 houdende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna "de EEX-Verordening" genoemd). 2.2. Het beding in artikel 10 van de overeenkomst van 19 mei 1982 is niet geldig, zodat Servomex zich niet kan beroepen op artikel 23 van de EEX-Verordening. Artikel 4 van de alleenverkoopwet is van dwingend recht. Een afwijkend bevoegdheidsbeding wordt voor niet geschreven gehouden. Op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst in 1982 was het EEX-Verdrag van 1968 nog niet van toepassing in het Verenigd Koninkrijk, zodat Servomex zich niet kan beroepen op de voorrang van een supranationale regel op de Belgische wetgeving. Overeenkomstig de principes van de werking van de wet in de tijd doet de inwerkingtreding van de supranationale wetgeving de ongeldige bepaling niet herleven. De geldigheid van de overeenkomst dient beoordeeld te worden op grond van de op het ogenblik van het tot stand komen ervan toepasselijke wet. Artikel 8 van de algemene voorwaarden, van toepassing op de overeenkomst tussen partijen, bepaalt dat een clausule, die ongeldig of wettelijk verboden is, niet zal toegepast worden, zonder dat dit de geldigheid van de overige bepalingen van de overeenkomst aantast. Op het ogenblik dat Analytic Systems de dagvaarding tegen Servomex uitstuurde, bestond er geen geldige clausule die aan de EEX-Verordening kon worden getoetst, aangezien artikel 10 van de overeenkomst van meet af aan nietig was. Voor zover nodig dienen omtrent deze problematiek de hoger vermelde prejudiciële vragen te worden gesteld aan het Hof van Justitie 2.3. Zelfs indien het bevoegdheidsbeding geldig zou zijn, moet het restrictief geïnterpreteerd worden. Het betreft niet de geschillen in verband met de beëindiging van het contract. 2.4. De overeenkomst tussen partijen is een concessieovereenkomst, die wordt beheerst door de bepalingen van de alleenverkoopwet. 2.5. Uit het feit dat Analytic Systems pas voor het eerst op 26 januari 2004 aanspraken geformuleerd heeft ten aanzien van Servomex kan niet besloten worden dat zij haar rechten zou verwerkt hebben of er afstand van zou gedaan hebben, noch dat zij akkoord ging met de beëindiging van de overeenkomst. 2.6. Onder meer rekening houdend met de anciënniteit van de samenwerking, de uitgestrektheid van het contractgebied, het groot marktaandeel van het merk, de hoge kwaliteit van de producten, de merkbekendheid, het gebrek aan een gelijkwaardige leverancier en aan gelijkwaardige producten, de omvang en de stijgende evolutie van de omzet, is een opzeggingstermijn van zes maanden kennelijk onredelijk en had Servomex minstens een termijn van twee jaar in acht moeten nemen. Zij is een billijke vergoeding verschuldigd, gelijk aan 18 maanden semi-brutowinst berekend over het gemiddelde van de laatste drie jaren van de concessie. 2.7. Aangezien een bekende meerwaarde aan cliënteel bestaat die aan Servomex is verbleven na de beëindiging van de concessie-overeenkomst en die door Analytic Systems is aangebracht, heeft laatstgenoemde recht op een billijke bijkomende vergoeding. 2.8. Voor zover de gevorderde sommen niet voldoende bewezen zouden geacht worden, dient een deskundige te worden aangesteld. 2.9. De tegenvordering die Servomex instelde om vergoeding te bekomen van haar kosten van verdediging, dient te worden afgewezen. Zij kan enkel rechtsplegingsvergoeding vorderen. III. 1. Servomex besluit ook in hoger beroep in hoofdorde tot de "onbevoegdheid" en in ondergeschikte orde tot de onontvankelijkheid, dan wel ongegrondheid van de vorderingen van Analytic Systems. In verdere ondergeschikte orde en alvorens recht te doen, vraagt zij dat aan Analytic Systems bevolen wordt om documenten voor te leggen met betrekking tot haar niet-indrukbare kosten. Nog meer ondergeschikt vordert zij dat aan Analytic Systems bevolen wordt alle nuttige stukken over te leggen waaruit de financiële resultaten blijken van de handelsactiviteiten die door Analytic Systems of door een met haar verbonden vennootschap werden ontwikkeld ter vervanging van de beëindigde concessie. In uiterst ondergeschikte orde vraagt Servomex dat een deskundige wordt aangesteld, met als opdracht: "aan de hand van alle terzake dienende boekhoudkundige gegevens te bepalen welke netto bedrijfswinsten vóór belasting door appellante in de periode 2001-2003 werden verwezenlijkt op de verkoop van de door verweerster in concessie gegeven producten: de niet-indrukbare kosten te bepalen, die uit de concessie voortvloeien en die door appellante niet redelijkerwijze konden worden geëlimineerd tijdens de door verweerster effectief toegekende opzeggingstermijn; aan de hand van alle terzake dienende boekhoudkundige gegevens te bepalen welke netto bedrijfswinsten vóór belasting door appellante in de periode vanaf de opzegging (i.e. vanaf 24 juni 2003) tot heden werden verwezenlijkt in het kader van de nieuwe handelsactiviteiten die door appellante (of de relevante met appellante verbonden onderneming) ter vervanging van de beëindigde concessie werden ontwikkeld; 2. In zeer uitvoerig gemotiveerde conclusies formuleert en ontwikkelt Servomex de hierna samengevatte middelen. 2.1. Het hof van beroep is "onbevoegd" om kennis te nemen van het geschil, omwille van het rechtsgeldig tussen partijen gesloten bevoegdheidsbeding. Op grond van hetgeen bepaald is in artikel 10 van de overeenkomst van 19 mei 1982, zijn enkel de rechtbanken van Londen bevoegd om het geschil te beslechten. 2.2. Dit forumbeding voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden van artikel 23 van de EEX-Verordening en heeft voorrang op artikel 4 van de alleenverkoopwet. De EEX-Verordening is van toepassing op gedingen die, zoals het voorliggende, werden ingeleid na haar inwerkingtreding. 2.3. Het bevoegdheidsbeding, opgenomen in de overeenkomst, was van meet af aan geldig. Alleen bevatte artikel 4 van de alleenverkoopwet een bijkomende bevoegdheidsgrond. 2.4. Zelfs indien het bevoegdheidsbeding oorspronkelijk nietig zou zijn geweest, was het in ieder geval geldig op het ogenblik van het instellen van de vordering. 2.5. Het bevoegdheidsbeding is van toepassing op het voorliggende geschil. Het kan enkel in die zin geïnterpreteerd worden dat alle geschillen met betrekking tot het gesloten contract aan de Engelse rechtbanken dienden voorgelegd te worden. 2.6. Analytic Systems heeft de beëindiging van de distributieovereenkomst aanvaard door pas voor het eerst bijna 7 maanden na de opzegging de geldigheid ervan te betwisten. 2.7. De door Analytic Systems gevorderde bedragen zijn niet verschuldigd, minstens overdreven. Zij kan geen aanspraak maken op een vervangende opzeggingsvergoeding, aangezien haar concessie verlieslatend was. De gegeven opzeggingstermijn van zes maanden is ruim voldoende. In ieder geval past Analytic Systems bij de berekening van de vervangende opzeggingsvergoeding op een verkeerde wijze de methode van de semibrutowinst toe. Verder heeft zij geen recht op een billijke bijkomende vergoeding, aangezien zij geen aanzienlijke meerwaarde aan cliënteel gerealiseerd heeft, die aan Servomex is verbleven. 2.8. De aanvankelijk gevorderde vergoeding voor kosten van verdediging wordt, ingevolge de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, vervangen door de rechtsplegingsvergoeding. Beoordeling I. 1. Analytic Systems, die een Belgische vennootschap is, vordert vergoedingen wegens de eenzijdige beëindiging van een concessie van alleenverkoop van onbepaalde duur door Servomex, die een vennootschap naar Engels recht is. Wanneer Servomex opwerpt dat de rechtbank van koophandel te Dendermonde - en in hoger beroep dit hof - "onbevoegd" zijn om kennis te nemen van het geschil tussen partijen, betreft deze exceptie in werkelijkheid de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken. Servomex houdt immers niet voor dat een andere Belgische rechtbank dan de rechtbank van koophandel te Dendermonde bevoegd was om van het geschil kennis te nemen, maar wel dat het niet tot het imperium van de Belgische rechterlijke orde behoort (vgl.: LAENENS, J., BROECKX, K. en SCHEERS, D., Handboek Gerechtelijk Recht, nr. 361, p. 200). 2. Naar Belgisch recht dient de bevoegdheid te worden beoordeeld, los van de grond van de zaak, aan de hand van hetgeen in de dagvaarding wordt gesteld. Elk prejudicieel onderzoek van de grond van de zaak, met het oog op de beslechting van een bevoegdheidsgeschil, wordt door het Hof van Cassatie afgewezen (CASS. 11 februari 1904, Pas. 1904, I, 134; CASS. 21 februari 1944, Pas. 1944, I, 219; CASS. 8 september 1978, R.W., 1978-79, 960). Ook de internationale rechtsmacht van de Belgische rechtbanken ten aanzien van vreemdelingen of buitenlandse rechtspersonen wordt beoordeeld rekening gehouden met het voorwerp van de vordering zoals bepaald in de dagvaarding (BRUSSEL, 1 december 1994, Pas. 1994, II, 11). 3. Analytic Systems steunt de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken en de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Dendermonde op artikel 4, eerste lid, van de alleenverkoopwet, dat bepaalt: "De benadeelde concessiehouder kan, bij de beëindiging van een verkoopconcessie met uitwerking voor het gehele Belgische grondgebied of een deel ervan, in elk geval de concessiegever in België dagvaarden, hetzij voor de rechter van zijn eigen woonplaats, hetzij voor de rechter van de woonplaats of de zetel van de concessiegever". Het is niet mogelijk af te wijken van deze bepaling vóór het einde van de overeenkomst (artikel 6 van de alleenverkoopwet). 4. Voor geschillen met een internationaal karakter dient de vraag, welke rechter over rechtsmacht beschikt, beslecht te worden overeenkomstig de Verordening (EG) 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L, 16 januari 2001, afl. L.12,1, hierna "de EEX-Verordening" genoemd), Deze Verordening is in werking getreden op 1 maart 2002 (art. 76 van de Verordening). Servomex beroept zich op het artikel 23 van de EEX-Verordening om de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken te betwisten. Daarin wordt bepaald dat, wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht of de gerechten van deze lidstaat bevoegd zijn (artikel 23.1 EEX-Verordening). Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden, hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen. 5. Op 19 mei 1982 werd een "Manufacturers representative agreement" of distributieovereenkomst ondertekend tussen "Taylor Instruments", de rechtsvoorganger van Servomex, en Analytic Systems, waarvan het artikel 10 luidt als volgt: "This agreement is governed by and shall be interpreted under the laws of England. Any dispute in connection with its interpretation or implementation shall be of the sole jurisdiction of the Courts of London" of, vertaald: "Deze overeenkomst is onderworpen aan en wordt uitgelegd volgens het Engels recht. Elk geschil in verband met de interpretatie of implementatie van deze overeenkomst behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken van Londen". Servomex richtte haar aangetekende brief van 24 juni 2003, waarmee zij kennis gaf van de opzegging van de overeenkomst voor de verdeling van haar producten in België, aan Imbema Belgium nv, de vennootschap die in 1999 de aandelen van Analytic Systems had overgenomen. Servomex verwees daarin naar een overeenkomst van 1 juli 1999. Niettemin zijn de partijen het er over eens dat hun samenwerking beheerst werd en bleef door de overeenkomst van 19 mei 1982 en dat het deze overeenkomst is, die in juni 2003 door Servomex beëindigd werd met een opzeggingstermijn, die eindigde op 31 december 2003. 6. Uit de aangehaalde clausule blijkt dat de partijen bij schriftelijke overeenkomst de rechtbanken van Londen hebben aangewezen om kennis te nemen van de geschillen in verband met de tussen hen gesloten concessie van alleenverkoop. Dit beding voldoet aan de voorwaarden van artikel 23 EEX-Verordening. Een forumbeding in de zin van artikel 23 EEX-Verordening is exclusief, tenzij de partijen anders overeenkomen (artikel 23.1, tweede zin, EEX-Verordening). Een andersluidende overeenkomst ligt niet voor. Dit betekent dat het geschil enkel aan de in het beding aangewezen rechter kan voorgelegd worden en niet aan de rechter die er kennis van zou kunnen nemen op grond van onder meer de artikelen 2 of 5 van de EEX-Verordening. 7. Wanneer in een geschil met een internationaal karakter, de partijen een rechter hebben aangewezen conform artikel 23 EEX-Verordening, dan stelt deze overeenkomst de toepassing van artikel 4, eerste lid van de alleenverkoopwet, buiten werking. De Europese Verordening primeert immers de regels van intern Belgisch recht. In het voorliggende geval impliceert dit dat de Belgische rechtbanken geen kennis kunnen nemen van het geschil tussen partijen. II. 1. Ten onrechte werpt Analytic Systems op dat het forumbeding van artikel 10 van de overeenkomst van 19 mei 1982 geen toepassing vindt, omdat het, op het ogenblik dat het ondertekend werd, niet geldig was. Op dat ogenblik bestond de EEX-Verordening nog niet. Bovendien was het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (het EEX-Verdrag), dat gelijkaardige bepalingen bevatte als de EEX-Verordening, in het Verenigd Koninkrijk nog niet in werking getreden. De omstandigheid dat er, op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst tot aanwijzing van de rechtbanken van Londen, geen supranationale regels bestonden die voorrang hadden op de toepassing van artikel 4, eerste lid van de alleenverkoopwet, heeft evenwel niet tot gevolg dat dit forumbeding nietig is. Evenmin heeft dit invloed op de beoordeling van de internationale rechtsmacht in het kader van het voorliggende geschil. 2. De alleenverkoopwet verbiedt de partijen niet om een overeenkomst te sluiten over de internationale rechtsmacht of over de bevoegdheid. Evenmin verklaart hij een dergelijke overeenkomst nietig. Uit het dwingende karakter van deze wet vloeit enkel voort dat de concessiehouder - en alleen hij - bij een geschil over de beëindiging van een concessie met uitwerking in België, ongeacht de inhoud van een dergelijk forumbeding, de concessiegever kan dagvaarden in België. De wet biedt aldus een bescherming aan de concessiehouder, waarvan deze al dan niet gebruik kan maken en die hem toelaat in bepaalde gevallen een overeengekomen forumbeding buiten werking te stellen, zonder dat dit de nietigheid van dit beding meebrengt. 3. De vaststelling dat, op het ogenblik van de contractsluiting, er geen hogere rechtsnorm bestond die voorrang had op de dwingende bepaling van artikel 4 van de alleenverkoopwet, is bovendien niet relevant voor de beoordeling van de internationale rechtsmacht in het kader van het huidige geschil. 3.1. Analytic Systems beroept zich tevergeefs op de rechtspraak van het Hof van Cassatie, waarbij beslist werd dat de nieuwe wet niet enkel van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten en dat, in zake overeenkomsten, de oude wet van toepassing blijft, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk de toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten (zie bv. CASS., 12 februari 1993, Arr. Cass., 1993, 181). De achterliggende gedachte van deze zogenaamde eerbiedigende werking van de wet in de tijd is de partijen te behoeden voor wijzigingen in de wet die zij op het ogenblik van het afsluiten van het contract niet voor ogen hadden en die het evenwicht in hun contractuele relatie ernstig zou kunnen verstoren. Aldus had het door Analytic Systems aangehaalde arrest d.d. 28 februari 2003 van het Hof van Cassatie, betrekking op een concurrentiebeding in een handelsagentuurovereenkomst, afgesloten vóór de inwerkingtreding van de agentuurwet van 13 april 1995. Dit concurrentiebeding had een duur van vijf jaar, terwijl de geldigheid van dergelijke bedingen volgens de agentuurwet onderworpen is aan een maximumduur van zes maanden. Het Hof van Cassatie overwoog dat het niet de bedoeling was van de wetgever de geldigheid van vroegere agentuurovereen-komsten te laten beoordelen volgens de nieuwe normen, doch dat hij alleen gewild heeft dat de nieuwe norm de uitvoering van bestaande overeenkomsten zou beheersen (Cass. 28 februari 2003, R.W., 2004-2005, 1462). Dit impliceerde dat het concurrentiebeding niet ongeldig werd door de nieuwe wet, maar dat de uitwerking ervan in de duur beperkt werd tot de maximumtermijn van zes maanden, zoals bepaald in de wet. 3.2. Het in de huidige zaak ter betwisting staande beding, dat weliswaar in een overeenkomst is opgenomen, betreft geen regel van materieel recht, maar een regel inzake rechtsmacht en bevoegdheid in geval van een geschil over de overeenkomst. Op het ogenblik dat dit geschil aanhangig werd gemaakt (18 maart 2004), was, zowel in België als in het Verenigd Koninkrijk, de EEX-Verordening in werking getreden. De Verordening vermeldt uitdrukkelijk dat zij van toepassing is op de rechtsvorderingen die zijn ingesteld na haar inwerkingtreding (artikel 66 EEX-Verordening). Dit betekent dat voor alle rechtsgedingen met een internationaal karakter, die vanaf 1 maart 2002 worden ingeleid tussen partijen gevestigd in de Lidstaten (waaronder België en het Verenigd Koninkrijk), een partij zich kan beroepen op een overeenkomst tot aanwijzing van een rechter, dat voldoet aan artikel 23 EEX-Verordening, ook al dateert dit beding van vóór de inwerkingtreding van de EEX-Verordening. Zelfs indien het forumbeding vóór de inwerkingtreding van de EEX-Verordening of het EEX-Verdrag, ongeldig zou zijn geweest, dan nog zou dit niet beletten dat Servomex zich erop kan beroepen in het kader van huidig geschil, aangezien de geldigheid van een overeenkomst tot aanwijzing van een rechter moet beoordeeld worden op het ogenblik dat het geschil wordt ingeleid. Dit werd duidelijk bevestigd door het Hof van Justitie in een arrest van 13 november 1979 (Sanicentral/Collin, Jur. H.v.J., 1979, 3423). Dit arrest betrof een prejudiciële vraag van het Franse Hof van Cassatie over de toepassing van de artikelen 17 en 54 van het EEX-Verdrag, die gelijkaardige bepalingen bevatten als de artikelen 23 en 66 van de EEX-Verordening. Na bevestigd te hebben dat het EEX-Verdrag het materiële recht ongemoeid laat, overwoog het Hof van Justitie onder meer dat, "aangezien het Verdrag bedoeld is om de bevoegdheid van de gerechten der lid-staten in burgerlijke zaken in de intracommunautaire rechtsorde vast te stellen, het op de betrokken zaken toepasselijke interne procesrecht voor de door het executieverdrag geregelde onderwerpen wordt vervangen door de bepalingen van dit verdrag" Verder overwoog het Hof van Justitie: "De in een arbeidsovereenkomst opgenomen schriftelijke clausule tot aanwijzing van een bevoegde rechter is uiteraard een bevoegdheidskeuze die zonder rechtsgevolg blijft zolang geen geschil in rechte aanhangig is gemaakt, en die slechts consequenties krijgt op de dag waarop de rechtsvordering wordt ingesteld. Het is dus dit tijdstip waarvan men dient uit te gaan om de betekenis van de clausule te toetsen aan de dan geldende rechtsregels." Het dictum van dit arrest luidt als volgt: "De artikels 17 en 54 moeten aldus worden uitgelegd, dat in gedingen die na de inwerkingtreding van het verdrag aanhangig zijn gemaakt, de clausules tot aanwijzing van een bevoegde rechter, welke zijn opgenomen in vóór de inwerkingtreding gesloten [arbeids]overeenkomsten, als geldig zijn te beschouwen, ook indien zij volgens de ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst geldende voorschriften van nationaal recht moesten worden geacht nietig te zijn". 4. Onverminderd hetgeen werd overwogen in verband met de geldigheid van het forumbeding in de overeenkomst van 19 mei 1982, bestaat er, rekening houdend met het duidelijke standpunt dat het Hof van Justitie heeft ingenomen over het tijdstip waarop de geldigheid van een beding tot aanwijzing van de bevoegde rechter moet beoordeeld worden, geen enkele noodzaak om hieromtrent een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan dit Hof. De omstandigheid dat in artikel 8, c van de algemene voorwaarden bij de overeenkomst van 19 mei 1982 bedongen werd (vrij vertaald): "een clausule van de overeenkomst die ongeldig of verboden is volgens het toepasselijke recht, zal geen uitwerking hebben, zonder afbreuk te doen aan de overige bepalingen van de overeenkomst, die volledig van kracht zullen blijven" kunnen evenmin het stellen van een prejudiciële vraag verantwoorden. Deze clausule betreft immers de rechtsgevolgen van een nietige clausule en niet het tijdstip waarop de geldigheid van een clausule moet beoordeeld worden. 5. Analytic Systems kan niet bijgetreden worden wanneer zij voorhoudt dat het forumbeding, dat opgenomen is in de overeenkomst van 19 mei 1982, niet van toepassing zou zijn op geschillen met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst. Dit beding, noch enige andere bepaling van de overeenkomst, maakt, voor wat de rechtsmacht en de bevoegdheid betreft, een onderscheid tussen geschillen die betrekking hebben op de beëindiging van de overeenkomst en alle andere geschillen. Uit geen enkel element van het dossier blijkt dat de partijen de bedoeling hadden een dergelijk onderscheid te maken. Er is geen reden bevoegdheidsclausules anders (restrictiever) te interpreteren dan andere bedingen van een overeenkomst. De partijen hebben te kennen gegeven dat zij "elk geschil" dat betrekking had op de interpretatie van de overeenkomst of op de "implementation" of "implementatie" ervan uitsluitend aan de Londense rechtbanken wensten voor te leggen. Het woord "implementation" kan vertaald worden als "uitvoering", "toepassing", "vervulling". De implementatie van de overeenkomst betreft ook de uitvoering of toepassing van deze clausules van de overeenkomst, die betrekking hebben op haar beëindiging, zoals artikel 2 van de overeenkomst en artikel 7 van de algemene voorwaarden. De bewering van Analytic Systems dat de partijen de geschillen over de beëindiging van de overeenkomst van de toepassing van het forumbeding zouden uitgesloten hebben, omdat zij, op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, wisten dat het forumbeding geen uitwerking kon hebben in geval van beëindiging van de overeenkomst, vindt geen enkele steun in de tekst van de overeenkomst, noch in de andere stukken van het dossier. Zij vertrekt trouwens van een verkeerde premisse: de aanwijzing van een rechter voor geschillen naar aanleiding van de beëindiging van de overeenkomst, kon wel degelijk uitwerking hebben, met name wanneer het de concessiegever was die de concessiehouder dagvaardde. III. 1. Aangezien de rechtsmacht en de bevoegdheid verleend aan de rechtbanken van Londen op grond van het forumbeding exclusief is (artikel 23.1, tweede zin van de EEX-Verordening), kunnen de Belgische rechtbanken geen kennis nemen van het voorliggende geschil. Het hoger beroep van Analytic Systems is bijgevolg ongegrond. Zij dient veroordeeld te worden tot de gedingkosten van het hoger beroep. 2. Waar Servomex aanvankelijk in hoger beroep een vergoeding vroeg voor de kosten van haar verdediging, heeft zij, gelet op de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, afstand gedaan van deze tegenvordering. Waarvan akte. 3. Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat" bepaalt dat de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 in werking zijn getreden op 1 januari 2008. De artikelen 1 tot en met 12 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden (artikel 13 van deze wet). Hetzelfde koninklijk besluit van 26 oktober 2007 heeft het koninklijk besluit van 30 november 1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" opgeheven (artikel 9 van het K.B. van 26 oktober 2007). Het heeft nieuwe tarieven voor de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld (artikel 2 van hetzelfde K.B.). Deze nieuwe tarieven zijn toepasselijk op de procedure in hoger beroep. Rekening houdend met de waarde van het geschil bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep 10.000,00 EUR. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv Analytic Systems ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in zijn beschikkingen; Veroordeelt de nv Analytic Systems tot de gerechtskosten in hoger beroep, die niet dienen begroot te worden aan haar zijde aangezien zij te haren laste zijn, aan de zijde van Servomex Group Limited begroot op 10.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 8-10-2008. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div