← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081009.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081009.5 Rolnummer: 2008/RK/199 Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 18:04 Fiche De bevoegdheid van de rechter staat vast overeenkomstig art. 8.

  1. van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel IIbis-Vo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel II-Vo) voor wat betreft de maatregelen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag over alsmede het verblijf/omgangsrecht van de gemeenschappelijke minderjarige kinderen. Door het WbIPR wordt het Belgisch recht als toepasselijk recht aangewezen, nl. ingevolge art. 35§1 WbIPR met betrekking tot de maatregelen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag over alsmede het verblijf/omgangsrecht van de gemeenschappelijke minderjarige kinderen. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Algemeen (Europees recht - Verdrag Werking EU) Vrije woorden: Voorlopige maatregelen - gezamenlijke uitoefening ouderlijk gezag over de kinderen - Brussel II bis-Vo Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de ter Kamer ________ Terechtzitting van 09 oktober 2008 ________ Brussel II bis - Vo ________ TUSSENARREST (impliciet heropening debatten op 11.06.2009 te 09.30u) ________ 2008/RK/199 - In de zaak van: V.M.B. appellante, die bij de behandeling van de zaak -ter terechtzittingen van 18 en 25 september 2008- in persoon is verschenen, tijdens de behandeling van de zaak is gebleken en uit de stavingsstukken blijkt dat appellante op volgend adres verblijft:.... hebbende als raadsman mr. DE GEEST Frederike, advocaat te 2600 BERCHEM, Fruithoflaan 34/18, tegen: V.M. geïntimeerde, die bij de behandeling van de zaak -ter terechtzittingen van 18 en 25 september 2008- in persoon is verschenen, hebbende als raadsman mr. HAENTJENS Jaak, advocaat te 9160 LOKEREN, H. Hartlaan 56, velt het hof het volgend arrest: Het principaal en het incidenteel beroep behelzen de beschikking verleend op 9 juli 2008 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Daarin werd geoordeeld over de gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De partijen werden gehoord in openbare terechtzittingen van 18 en 25 september 2008 bij monde van hun raadslieden. Zij verschenen alsdan tevens in persoon. Substituut-procureur-generaal Diederik DERAEVE werd ter laatste terechtzitting gehoord in zijn, gelet op de omstandigheden van de zaak, mondeling gegeven advies. De partijen werden daarop gehoord in hun opmerkingen. Het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken werden ingezien. de relevante procedurevoorgaanden en de vorderingen
  2. De partijen huwden op 19 augustus 2000 te Dendermonde. Bij huwelijkscontract verleden voor notaris VERHAEGHEN te Puurs op 27 juli 2000 hebben zij een stelsel van zuivere scheiding van goederen aangenomen (stuk 3 appellante). Zij hebben twee uit hun huwelijk geboren kinderen: - B., geboren op ....; - Y., geboren op ..... Inmiddels zijn de partijen op grond van art. 229 § 1 B.W. uit de echt gescheiden ingevolge het vonnis dat werd gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, derde kamer, op 5 juni 2008 (stuk 1 appellante). Het echtscheidingsvonnis is -naar wordt voorgehouden en niet is betwist- in kracht van gewijsde getreden op 4 september
  3. Enkel die maatregelen van de bestreden beschikking relevant ter beoordeling van de hogere beroepen worden hierna weergegeven. De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag werd opgedragen aan beide ouders. Er werd bepaald dat de kinderen van de partijen hun ‘hoofdverblijfplaats' zouden hebben bij hun moeder en hun ‘secundaire verblijfplaats' bij hun vader (sic). Er werd gezegd voor recht dat de kinderen zouden worden ingeschreven in de registers van de woonplaats van de vader. Voorts werd beslist dat de kinderen in België zouden school lopen bij voorkeur in de school waarin zij alsdan ingeschreven waren of in onderling akkoord tussen de partijen in een andere school in België indien het niet mogelijk zou blijken dat zij aldaar verder zouden school lopen. Wat betreft de verblijfsregeling werd volgende regeling opgelegd: a. regeling tijdens het schooljaar met uitzondering van de kerst- en paasvakantie, doch met inbegrip van de herfst- en krokusvakantie: De kinderen zouden één weekend om de veertien dagen bij de vader verblijven van vrijdagavond bij het einde van de schoolactiviteiten tot zondagavond om 20.00 uur. Zijn er geen schoolactiviteiten op vrijdag, dan neemt de periode een aanvang om 20.00 uur. Daarenboven zouden de kinderen verblijven bij de vader de dagen van de maand waarin hij zijn schippersactiviteit niet uitoefent, te weten de dagen tijdens dewelke hij aan wal blijft. De dagen nemen een aanvang om 8.00 uur en eindigen om 20.00 uur. Achtereenvolgende dagen worden aansluitend doorgebracht. b. regeling tijdens de kerst- en paasvakantie: Tijdens de pare jaren brengen de kinderen de eerste week door bij de vader en de tweede week bij de moeder. Tijdens de onpare jaren brengen de kinderen de eerste week door bij de moeder en de tweede week bij de vader. Begin en einde van de eerste week worden vastgesteld als volgt: de eerste week vangt aan op de avond van de laatste schooldag vóór de vakantie om 20.00 uur en eindigt op zaterdagavond van de daaropvolgende week om 20.00 uur. Begin en einde van de tweede week worden vastgesteld als volgt: de tweede week vangt aan op de in de vorige alinea bedoelde zaterdagavond om 20.00 uur en eindigt de avond voorafgaand aan de eerste schooldag na de vakantie om 20.00 uur. c. regeling tijdens de zomervakantie: Tijdens de pare jaren brengen de kinderen de maand juli door bij de vader en de maand augustus bij de moeder. Tijdens de onpare jaren brengen de kinderen de maand juli door bij de moeder en de maand augustus bij de vader. Begin en einde van de maand juli worden vastgesteld als volgt: het begin van de maand juli vangt aan op 1 juli om 9.00 uur 's morgens en eindigt op 31 juli om 20.00 uur 's avonds. Begin en einde van de maand augustus wordt vastgesteld als volgt: het begin van de maand augustus vangt aan op 31 juli om 20.00 uur 's avonds en eindigt op 31 augustus om 20.00 uur 's avonds. d. afhaal- en brengregeling: De kinderen worden afgehaald door de ouder bij wie zij het daaropvolgend weekend, respectievelijk de daarop volgende vakantieperiode verblijven. Deze ouder brengt de kinderen bij het einde van het weekend of de vakantieperiode terug naar de respectieve verblijfplaats van de kinderen, behoudens anders luidende afspraak tussen de partijen. Bij laattijdigheid verbindt deze ouder zich ertoe de andere ouder en/of de administratieve schooldiensten te verwittigen zodat nodeloos wachten of ongerustheid in de mate van het mogelijke worden beperkt. Indien de ouder de kinderen niet persoonlijk kan afhalen of terugbrengen is het toegelaten dit te laten geschieden door een vertrouwenspersoon. Als die bewuste ouder of de in de plaats gestelde vertrouwenspersoon de kinderen niet is komen afhalen binnen de 2 uur na het afgesproken tijdstip, dan wordt verondersteld dat deze ouder verzaakt aan de uitoefening van zijn verblijfsrecht voor wat betreft dat weekend of die vakantieperiode. Er werd bepaald dat de kosten inzake huisvesting, levensonderhoud (voeding, kleding en lichaamsverzorging), toezicht, opvoeding, ontspanning en vrije tijdsbesteding, sportbeoefening en opleiding van de kinderen worden gedragen door de ouder bij wie de kinderen verblijven voor alle kosten die tijdens de periode van dat verblijf moeten worden betaald en op de periode betrekking hebben. De kinderbijslag komt toe aan de moeder. De geïntimeerde werd veroordeeld tot de betaling, vanaf 1 oktober 2007 en verder ten laatste de vijfde van de maand en te haren verblijfplaats, als bijdrage in de kosten van huisvesting, levensonderhoud en opleiding van de minderjarige kinderen van een maandelijks bedrag van 200 EUR per kind, bedrag gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand september 2007 en aan te passen elk jaar op 1 oktober volgens de nader omschreven formule. De geïntimeerde werd tevens veroordeeld tot de tussenkomst in de helft van de buitengewone medische en schoolkosten, invorderbaar op eenvoudig vertoon van de factuur, onkostennota en betalingsbewijs, gespecificeerd als volgt: - de uitzonderlijke medische uitgaven naar aanleiding van hospitalisatie, thuisverpleging, orthodontie, kosten van gespecialiseerde medische of tandheelkundige onderzoeken, opleg kinesitherapie, logopedie, bril of lenzen, steunzolen steeds op doktersvoorschrift en na verrekening van de tussenkomst van de mutualiteit of hospitalisatieverzekering; - de uitzonderlijke schoolkosten met betrekking tot één of meerdaagse schoolreizen in lager, middelbaar of hoger onderwijs, inschrijvingsgeld of studieboeken en ~materiaal in het lager, middelbaar en hoger onderwijs, de kosten van opvang, de internaatskosten, de gebeurlijke huur van een studentenkamer in het hoger onderwijs en de schoolrekeningen; - sport-, vakantie- en taalkampen, de aanschaf van een computer, activiteiten van ontspanning waaronder sport. De geïntimeerde werd ook veroordeeld om aan de appellante met ingang van 1 januari 2008 tot en met juni 2008 een persoonlijke onderhoudsuitkering te betalen van 1.000 EUR per maand. De kosten werden omgeslagen.
  4. De appellante beoogt met haar principaal beroep de inschrijving van de kinderen op haar adres als hebbend aldaar hun hoofdverblijf. Zij vraagt tevens haar het fiscaal voordeel toe te kennen. De appellante vordert dat de kinderen voor het schooljaar 2008-2009 geldig zouden ingeschreven worden in de Christelijke basisschool ‘Het Kompas' te ...(aldus de appèl-akte), dan wel OBS Prinses Beatrix te .... (conclusies voor de appellante neergelegd ter terechtzitting van 18 september 2008). Voorts vraagt zij, buiten de schoolvakanties, een bijkomend verblijf van de kinderen bij de geïntimeerde gedurende één weekend om de veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond. Gelet op de Nederlandse vakantieregeling vraagt zij te zeggen voor recht dat de kinderen de helft van alle schoolvakanties (volgens de Nederlandse vakantieregeling) bij haar zullen verblijven gedurende de eerste helft in de pare jaren en gedurende de tweede helft in de onpare jaren. Wat betreft de persoonlijke onderhoudsuitkering te haren gunste vordert de appellante een verhoging tot 2000 EUR per maand tot en met juni 2008 en een persoonlijke onderhoudsuitkering van 600 EUR per maand vanaf juli 2008, bedragen gekoppeld aan de gezondheidsindex. Wat de onderhoudsbijdragen voor de kinderen betreft wordt een verhoging gevraagd tot 300 EUR per maand en per kind, bedrag gekoppeld aan de gezondheidsindex. Tot slot vordert de appellante de verwijzing van de geïntimeerde in de kosten van beide instanties,
  5. De geïntimeerde concludeert tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het principaal beroep. Hij vraagt over zijn nieuwe vordering en het incidenteel beroep recht te doen als volgt. De geïntimeerde betracht een gelijkmatig verdeeld verblijf telkenmale om de twee weken en met wisselmoment op zondagavond om 19.00 uur op last van de ouder bij wie de kinderen in de erop volgende periode zullen verblijven om de kinderen af te halen. Daarbij aansluitend vordert de geïntimeerde te zeggen voor recht dat tussen de beide ouders geen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de beide kinderen dient voorzien te worden. Ieder van de ouders zal de verblijfsoverstijgende kosten dragen, te hunnen laste bij helften. Ondergeschikt vordert de geïntimeerde een herleiding van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen tot 150 EUR per maand, alles omvattend. De geïntimeerde vraagt voorts de persoonlijke onderhoudsvordering van de appellante als niet gegrond af te wijzen. Wat de kosten betreft vraagt de geïntimeerde om deze om te slaan.
  6. De partijen hebben het debat vooralsnog beperkt tot de schoolkeuze en de verblijfsregeling, waaraan de huisvesting is gekoppeld. beoordeling de internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht
  7. De appellante heeft de Nederlandse nationaliteit. Niettegenstaande zij nog een domicilie in België opgeeft in onderhavige procedure is het in de realiteit zo dat zij verblijft in Nederland te .... De geïntimeerde en de kinderen hebben de Belgische nationaliteit. De laatste echtelijke woonplaats van de partijen was gevestigd In België, te 9200 Dendermonde, .... Ook de minderjarige kinderen hebben tot dusver op het voornoemd adres hun gewone verblijfplaats gehad en waren er op datum van het inleidend exploot gedomicilieerd.
  8. Het hof beperkt het onderzoek naar de internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht tot de geschilpunten thans voorwerp van het debat. De eerste rechter heeft terecht (impliciet) beslist dat hij internationaal en intern bevoegd was om van de zaak kennis te nemen en dat het Belgisch recht van toepassing was.
  9. De bevoegdheid van de Belgische rechter staat immers vast overeenkomstig art. 8.
  10. van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel IIbis Vo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel II Vo) voor wat betreft de maatregelen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag over alsmede het verblijf/omgangsrecht van de gemeenschappelijke minderjarige kinderen. Door het WbIPR wordt het Belgisch recht als toepasselijk recht aangewezen, nl. ingevolge art. 35 § 1 WbIPR met betrekking tot de maatregelen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag over alsmede het verblijf/omgangsrecht van de gemeenschappelijke minderjarige kinderen. de ontvankelijkheid van de hogere beroepen De bestreden beschikking werd betekend op 10 september 2008 (stuk 26 appellante). De appèlakte werd neergelegd ter griffie van het hof op 28 juli
  11. Het principaal beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Ook het incidenteel beroep werd -in conclusies neergelegd ter terechtzitting van 25 september 2008- regelmatig ingesteld. Beide hogere beroepen zijn ontvankelijk. de schoolkeuze
  12. Bij de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag wordt er van de ouders eigenlijk verwacht dat zij naar een consensus over de schoolkeuze zoeken. Alleen wanneer tussen de ouders werkelijk geen akkoord bereikt kan worden over de te maken keuze moet het probleem voorgelegd worden aan de rechter.
  13. N.a.v. de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 25 september 2008 kwam evenwel volgend akkoord tot stand, zoals dit werd geakteerd op het desbetreffende proces-verbaal van de terechtzitting: "De partijen komen overeen wat volgt: - beide ouders gaan deze week stappen ondernemen om de kinderen in te schrijven in de school De Stappe in ... - maandagochtend 29 september 2008 zullen beide ouders trachten samen de kinderen naar de nieuwe school De Stappe te brengen, in welk geval de geïntimeerde zich ertoe verbindt de kinderen naar de school te brengen; - indien dit voor de geïntimeerde niet mogelijk is, dan brengt hij de kinderen zondag 28 september 2008 om 19.00 uur bij de appellante, die dan op haar beurt de kinderen naar de school De Stappe zal brengen. In afwachting van het tussen te komen arrest, komen de partijen overeen wat volgt: - de kinderen verblijven bij de geïntimeerde vanaf heden tot zondagavond 28 september 2008 te 19.00 uur of maandagochtend 29 september 2008 voor schooltijd; - maandag 29 september 2008 haalt de appellante de kinderen af op school en blijven ze bij haar tot vrijdag 10 oktober 2008 te 19.00 uur...".
  14. Het hof neemt akte van het voormeld akkoord van de partijen met betrekking tot de schoolkeuze nu dit, in de specifieke omstandigheden van de zaak, hoe dan ook het belang van de kinderen dient. de verblijfsregeling en de huisvesting van de kinderen
  15. Het hof stelt voorafgaandelijk vast dat de geïntimeerde voor het eerst in onderhavige beroepsprocedure een gelijkmatig verdeeld verblijf met veertiendaagse wissel vordert.
  16. Het gelijkmatig verdeeld verblijf is een wettelijk prioritair te onderzoeken maatregel. Een gelijkmatig verdeeld verblijf -te dezen tweewekelijks- kan enkel succesvol zijn indien een aantal randvoorwaarden zijn vervuld. In een onderverdeling naargelang het subjectief en objectief karakter ervan kan men spreken van attitudevoorwaarden en van omkaderingsvoorwaarden.
  17. Het hof beklemtoont deze voorwaarden te toetsen op grond van de nu geldende feitelijke situatie en de objectieve gegevens waarover het beschikt. Enig schuldcriterium is daaraan vreemd. 4.
  18. Beide partijen werkten tijdens hun huwelijk samen als internationale binnenschippers. De appellante is, ten gevolge van de scheiding, gestopt met deze activiteit en, als Nederlandse, naar Nederland teruggekeerd met voor haar meerdere mogelijkheden op het gebied van integratie en van werkmogelijkheden. Zij woont in ... en werkt in .... sedert juni/juli
  19. Zij wenst dit te bestendigen, doch koos/kiest daarbij bewust voor een woon- en werksituatie tegen de Belgische grens. Daardoor worden de contacten van de kinderen, die een Belgische vader en de Belgische nationaliteit hebben, gevrijwaard hetgeen ook naar het oordeel van het hof hun belang ten goede komt. Overigens kiezen de partijen thans gezamenlijk voor een Belgische school (te ...) tegen de Nederlandse grens met een, vanuit het standpunt van elkeen, redelijke bereikbaarheid, ook haalbaar voor de kinderen. 4.
  20. B. wordt in januari 2009 8 jaar, terwijl Y. amper 4 jaar oud is. Het is ongetwijfeld passend voor beide kinderen samen éénzelfde verblijfsregeling op te leggen. Wegens de zeer jeugdige leeftijd van Y. -met een nog sterke nood aan één hechtingsfiguur- is een gelijkmatig verdeeld verblijf met een slechts tweewekelijkse wissel naar het oordeel van het hof niet aangewezen. Het siert de geïntimeerde niettemin dat hij onderscheiden pogingen ondernam/onderneemt -bv. de verkoop van één schip, al is de hierna vermelde opgegeven reden wellicht niet de enige (stukken 8 en 9 geïntimeerde), op professioneel vlak een beroep doen op hulp van derden e.d.- teneinde een ruim verblijf van de kinderen bij hem als vader te kunnen realiseren. Echter, op heden staat allerminst vast dat zijn werkzaamheden als internationaal binnenschipper geen praktisch beletsel voor een goed functionerend gelijkmatig verdeeld verblijf uitmaken. De regelmatige beschikbaarheid van de appellante is hoe dan ook groter.
  21. Het conflict tussen de partijen is nodeloos geëscaleerd. Daaraan dient een halt te worden geroepen. Dit is voor het hof een absolute prioriteit. In het belang van de kinderen -vooral hun nood aan eindelijk wat stabiliteit en rust- is een bestendiging van een hoofdverblijf bij moeder en van een bijkomend verblijf bij vader dan ook thans de meest passende oplossing. In het belang van de ouders is een gelijkmatig verdeeld week-weekverblijf al even voorbarig. Voor het welslagen van een gelijkmatig verdeeld verblijf is immers vereist dat beide partijen hun partnerconflict kunnen loskoppelen van hun ouderconflict. Een constructieve en respectvolle dialoog moet mogelijk zijn. Het komt het hof voor dat de partijen daartoe zeker in staat zijn, doch dat geleidelijkheid zich opdringt en zij daaraan verder dienen te werken.
  22. Waar de eerste rechter heeft beslist tot een uitbreiding van het weekendverblijf bij de vader om de veertien dagen tot de dagen dat deze aan wal verblijft wordt deze uiterst onzekere regeling door het hof niet langer bestendigd. Niets belet de appellante een aanvullend bijkomend verblijf van de kinderen met hun vader, in onderling overleg, toe te staan.
  23. De appellante beoogt een andere verblijfsregeling tijdens de zomervakantie omdat die zou aansluiten bij de Nederlandse schoolvakantieregeling. Deze vordering faalt inmiddels nu de appellante zich akkoord heeft verklaard met een verder school lopen van de kinderen in een Belgische school.
  24. Krachtens art. 374, § 1, 5de lid B.W. bepaalt de rechter in elk geval de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf. Het gaat daarbij niet om het hoofdverblijf in de civielrechtelijke betekenis, maar om de woonplaats van het kind in de zin van art. 36 Ger.W.. Ten onrechte heeft de eerste rechter beslist tot een huisvesting van de kinderen bij de geïntimeerde en een domiciliëring op zijn adres. Wanneer de bijkomende verblijfsregeling voor de kinderen grotendeels beantwoordt aan een ‘klassiek weekendverblijf en een bij helften verdeeld vakantieverblijf' is het logisch de kinderen vanuit administratief oogpunt ook in te schrijven bij de ouder bij wie ze hoofdzakelijk verblijven. De vrees van de geïntimeerde dat de appellante de kinderen (verder) aan hem zou onttrekken -reden waarom hij een domiciliëring in België op zijn woonplaats betrachtte- mist vooralsnog grond.
  25. Alle anders luidende conclusies dienaangaande worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. het certificaat ex art. 41 Brussel II bis Vo Elke beslissing inzake het ‘omgangsrecht' wordt in een andere lidstaat rechtstreeks erkend en is uitvoerbaar op voorwaarde dat zij vergezeld gaat van een certificaat dat is afgegeven door de rechter van de lidstaat van herkomst die de beslissing heeft gegeven. Het certificaat garandeert dat tijdens de procedure bepaalde procedurele waarborgen in acht zijn genomen. Te dezen zijn alle partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Ex art. 931, 3de lid Ger.W. bestaat er, in het kader van een procedure strekkende tot het bekomen van voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure, naar Belgisch recht geen hoorplicht voor de minderjarigen. Gelet op hun zeer jonge leeftijd beschikken zij overigens niet over het vereiste onderscheidingsvermogen, redenen waarom het hof afzag van het horen van de kinderen. Indien het ‘omgangsrecht' betrekking heeft op een geval dat op het tijdstip van de uitspraak een grensoverschrijdend karakter heeft -zoals ter zake o.a. nu het hoofdverblijf van de kinderen aan de appellante blijft toevertrouwd die inmiddels in Nederland verblijf houdt- geeft de rechter het certificaat ambtshalve af wanneer de beslissing uitvoerbaar wordt. Om die reden wordt desbetreffend certificaat aan onderhavig arrest als bijlage gehecht teneinde er één geheel mee uit te maken. de overige geschilpunten Deze worden op verzoek van beide partijen aangehouden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; verklaart het principaal en het incidenteel beroep ontvankelijk; tot dusver oordelend over de schoolkeuze, de verblijfsregeling en de huisvesting van de kinderen; doet de bestreden beschikking teniet waar werd gezegd voor recht dat: - de kinderen zullen school lopen bij voorkeur in de school waarin zij alsdan waren ingeschreven (i.e. te ...); - de kinderen zouden ingeschreven worden in de bevolkingsregisters van de woonplaats van hun vader; - de kinderen, bovenop het nader omschreven veertiendaags weekendverblijf tijdens het schooljaar (met uitzondering van de kerst- en paasvakantie, doch met inbegrip van de herfst- en krokusvakantie), bij de vader zouden verblijven de dagen van de maand waarin hij zijn schippersactiviteit niet uitoefent, te weten de dagen tijdens dewelke hij aan wal blijft; wijst dienaangaande opnieuw: neemt akte van het akkoord van de partijen om hun kinderen B.V.(geboren te ... op ....) en Y.V. (geboren te ...) met ingang van 29 september 2008 school te laten lopen in de school ‘DE STAPPE' te ....(België); zegt voor recht dat voormelde kinderen worden gehuisvest en in het bevolkingsregister zullen worden ingeschreven als hebbend hun hoofdverblijf op het domicilie van hun moeder; zegt dat, behoudens anders luidend akkoord tussen de partijen, geen bijkomend verblijf van voormelde kinderen bij hun vader wordt vastgesteld bovenop het nader omschreven veertiendaags weekendverblijf; bevestigt voor het overige, op desbetreffende punten en binnen de perken van de beroepen, de bestreden beschikking wat betreft de verblijfsregeling; verstaat daarbij dat voormelde kinderen: - verder hoofdverblijf houden bij hun moeder; - verder bijkomend verblijf houden bij hun vader op de wijze zoals in de bestreden beschikking nader omschreven (ter uitzondering van het bijkomend verblijf voor diens aanvullende dagen aan wal); - volgens de in de bestreden beschikking nader omschreven en niet betwistte afhaal- en brengregeling; - behoudens anders luidende overeenkomst tussen de partijen; alvorens nader te oordelen over de overige geschilpunten (het fiscaal voordeel, de onderhoudsbijdrage voor de kinderen, de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante en de kosten): bepaalt de termijn voor verzending aan de andere partij en neerlegging ter griffie voor de syntheseconclusies door de: - appellante uiterlijk op 26 februari 2009; - geïntimeerde uiterlijk op 30 april 2009; stelt de zaak, ingevolge het gezamenlijk verzoek van de partijen, voor verdere behandeling in voortzetting op de terechtzitting van deze kamer van: donderdag 11 juni 2009 om 09.30 uur (met een gezamenlijke pleitduur van 30 minuten) houdt de beslissing nopens de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op negen oktober tweeduizend en acht. Aanwezig: mevrouw Sabine De Bauw raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier. L. LANGELET S. DE BAUW Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.