id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081009.6 Rolnummer: 2008/AR/148 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 18:04 Fiche De vordering tot nietigverklaring van een internationaal huwelijk kan overeenkomstig EG-verordening nr. 2201/2003 (Brussel IIbis-V°) worden gebracht voor de Belgische rechter. Om te kunnen spreken van een schijnhuwelijk moet worden aangetoond dat minstens één van de echtgenoten tot het huwelijk is toegetreden uitsluitend om een andere reden dan een gezinsstichting. Om het voordeel van het putatief huwelijk te kunnen genieten, moet de goede trouw bewezen worden door de echtgenoot die dit voordeel inroept. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - WETBOEK IPR - Huwelijksrelatie Vrije woorden: internationaal huwelijk - vordering tot nietigverklaring van het huwelijk - bevoegdheid van de Belgische rechter - toestemmingsvereiste - putatief huwelijk. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 09 oktober 2008 ________ 2008/AR/148 - In de zaak van: E.H., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. VAN ROYEN Filip, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, J. Lonckestraat 50 tegen :
- PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, met burelen te 9000 GENT, Koophandelsplein 23, geïntimeerde, die verschenen is in de persoon van de heer Louis Vandenberghe, advocaat-generaal,
- E.M.S., wonende te geïntimeerde, die niet verschenen is noch iemand voor haar, velt het hof het volgend arrest: De appellant heeft bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 16 januari 2008, bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie, tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 22 november 2007 uitgesproken door de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Op de buitengewone openbare terechtzitting van 5 september 2008 is de tweede geïntimeerde niet verschenen noch werd zij daarop vertegenwoordigd, alhoewel zij per gerechtsbrief verzonden op 26 maart 2008 op voet van art. 747§2 - 1e tot 3e lid / §3- 1e en 2e lid Ger.W. van de bepaalde rechtsdag was verwittigd geworden. Daarenboven blijkt volgens de vermeldingen onder stuk 8 van het dossier van rechtspleging dat de dienst der posterijen deze gerechtsbrief op 28 maart 2008 aan de tweede geïntimeerde persoonlijk heeft besteld. De eerste geïntimeerde heeft ter terechtzitting het voordeel van het voornoemd wetsartikel ingeroepen lastens de tweede geïntimeerde. Op dit verzoek kan worden ingegaan. De aanwezige partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten. De overgelegde stukken en de neergelegde conclusies werden ingezien. de procedurele voorgaanden en de vorderingen van de partijen in de huidige instantie De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde heeft de appellant en de tweede geïntimeerde op 19 september 2006 bij gerechtsdeurwaardersexploot laten dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, teneinde: - te horen zeggen dat hun huwelijk afgesloten op 29 juli 2003 te Midar (Marokko) nietig is, minstens dat dit huwelijk niet tegenstelbaar is aan de Belgische overheid en in België geen uitwerking zal hebben; - wanneer het tussengekomen vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, de overschrijving te horen bevelen van het beschikkend gedeelte van het tussen te komen vonnis in de lopende registers van de burgerlijke stand van de gemeente Temse, waar de appellant en de tweede geïntimeerde zijn ingeschreven en in de lopende registers van de akte van de stad Brussel - eerste district; - te horen bevelen dat er op de overschrijving van de Marokkaanse huwelijksakte randmelding zal worden gemaakt van het tussen te komen vonnis, alsook in de jaarlijkse en de tienjaarlijkse tabellen; - verder te horen bevelen dat van de overgeschreven Marokkaanse huwelijksakte geen uittreksels noch afschriften worden afgegeven zonder vermelding van het tussen te komen vonnis; - zich solidair te horen veroordelen tot betaling van de kosten. Deze vordering steunde op de door de eerste geïntimeerde ingewonnen informatie die hem er toe heeft gebracht te besluiten dat het huwelijk tussen de appellant en de tweede geïntimeerde werd aangegaan met het uitsluitend oogmerk de appellant zich te laten onttrekken aan de dwingende voorschriften van de wetten en besluiten betreffende de vreemdelingenpolitie, en dat het minstens in hoofde van één van de partijen niet de bedoeling was een duurzame levensgemeenschap te stichten. Bij het bestreden vonnis werd de vordering toelaatbaar en gegrond verklaard, zoals nader bepaald. Het door de appellant geformuleerd verzoek om toegelaten te worden tot de voordelen van het putatief huwelijk (art.201 B.W.) werd afgewezen als ongegrond. Tevens werden de appellant en de tweede geïntimeerde verwezen in de kosten, aan de zijde van de eerste geïntimeerde zoals nader bepaald. Bij zijn beroepsakte en navolgende beroepsconclusies streeft de appellant het teniet doen van het bestreden vonnis na, en vordert hij dat het hof, dienaangaande opnieuw beslissend, de oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde afwijst als ongegrond, met verwijzing van de eerste geïntimeerde in de kosten van de beide instanties, aan zijn zijde nader begroot. Ondergeschikt vordert de appellant dat hem het voordeel van het putatief huwelijk (art.201 B.W.) wordt toegekend. Bij zijn op 14 april 2008 ter griffie neergelegde conclusies besluit de eerste geïntimeerde tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en tot de integrale bevestiging van het bestreden vonnis; dit met de verwijzing van de appellant in de kosten van de beide instanties, aan zijn zijde nader begroot voor wat betreft de kosten in eerste aanleg en nog te begroten na betekening van het arrest voor wat betreft de kosten van hoger beroep. beoordeling
- Alleszins op het ogenblik van het inleidend exploot had de appellant de Marokkaanse nationaliteit. De tweede geïntimeerde had en heeft nog steeds de Belgische nationaliteit. De appellant en de tweede geïntimeerde huwden op 29 juli 2003 te Midar (Marokko). De partijen zijn met onderlinge toestemming uit de echt gescheiden op grond van een vonnis op 30 mei 2006 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. De appellant is op 11 augustus 2006 te Nador (Marokko) terug in het huwelijk getreden met een zekere Z. E.. De vraag stelt zich naar de geldigheid van desbetreffend internationaal huwelijk tussen de appellant en de tweede geïntimeerde. De omstandigheid dat dezen reeds uit de echt zijn gescheiden is terzake niet relevant. De ontbinding van het huwelijk door echtscheiding ressorteert immers slechts gevolgen ex nunc, terwijl de nietigverklaring van het huwelijk gevolgen heeft ex tunc. De openbare orde vereist dat zou worden beslist nopens de vordering van de eerste geïntimeerde tot nietigverklaring van het huwelijk. De vordering tot nietigverklaring van het huwelijk aangegaan door de appellant en de tweede geïntimeerde werd ingeleid op verzoek van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde bij dagvaarding aan de appellant en de tweede geïntimeerde betekend op 19 september
- Krachtens art.1a) en 3 van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 voor gemeenschappelijke kinderen (PB 2003 L 338,1, 19, kortweg Brussel IIbis-V°) genaamd), met inwerkingtreding op 1 maart 2005, kon desbetreffende vordering tot nietigverklaring worden ingesteld in België. De territoriaal bevoegde rechtbank is deze van Dendermonde, de appellant en de tweede geïntimeerde ten tijde van het aan hen betekend inleidend exploot gedomicilieerd zijnde te Temse (art.624,1e Ger.W.) De omstandigheid dat het huwelijk voor een vreemde autoriteit werd gesloten impliceert niet dat de Belgische rechter het geveinsde huwelijk niet zou kunnen nietig verklaren. De nietigverklaring beoogt immers niet de akte (instrumentum) te treffen, maar de achterliggende toestand die in deze akte werd opgetekend (negotium).
- De rechtsvraag naar het toepasselijk recht dient vooraf te worden gesteld, nu het bestreden huwelijk tot de staat van de personen behoort en de desbetreffende wetsbepalingen de openbare orde raken. In het op de voorliggende rechtshandeling van 29 juli 2003 - hetzij vóór de inwerkingtreding van het Wetboek houdend het Internationaal Privaatrecht (WbIPR) op 1 oktober 2004 (wet van 16 juli 2004, B.S. 27 juli 2004) - toepasselijk Belgisch internationaal privaatrecht beheerst de wet die van toepassing is op de geldigheidsvoorwaarden van een huwelijk eveneens de nietigverklaring ervan. Een internationaal huwelijk is geldig gesloten wanneer, voor wat betreft de grondvoorwaarden, beide echtgenoten voldoen aan hun nationale wet en voor wat betreft de vormvoorwaarden de lex locus regit actum wordt gevolgd. De naleving van de vormvereiste is ter zake niet ter discussie. De eerste geïntimeerde is van mening dat in feite te dezen aan de grondvoorwaarden, meer bepaald de toestemmingsvereiste niet werd voldaan.
- De nationale wet van ieder van de echtgenoten dient distributief te worden toegepast, onder voorbehoud van de exceptie van de Belgische internationale openbare orde. In de respectieve toepasselijke wet moet normaliter worden nagegaan wat onder toestemmingsvereiste wordt verstaan.
- Overeenkomstig art. 146bis B.W. [ingevoegd bij art.12 wet van 4 mei 1999 (B.S. 1.VII.1999) met inwerkingtreding op 1 januari 2000] is er naar Belgisch recht geen huwelijk wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht tot het totstandbrengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de staat van gehuwde. Bijgevolg dient aangetoond te worden, om te kunnen spreken van een schijnhuwelijk, dat minstens één van de echtgenoten tot het huwelijk is toegetreden, uitsluitend om een andere reden dan een gezinsstichting. Het bewijs van die veinzing wordt geleverd overeenkomstig de Belgische wet, die de procedure regelt, hetzij door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen. Aangezien de intentie van de gehuwden nooit met absolute zekerheid te achterhalen valt, dienen de aangebrachte bewijsmiddelen een beslissend karakter te hebben, met name een eenduidig en niet tegengesproken vermoeden. Eens de aanwezigheid van de intentie ten tijde van het huwelijk om een duurzame levensgemeenschap te vormen bewezen wordt, is het huwelijk geldig, zelfs indien ook andere motieven hebben meegespeeld bij het totstandkomen van het huwelijk. Het betrachten van een verblijfsvoordeel, een materieel voordeel of om het even welk huwelijksvoordeel is immers legitiem en zeker niet onverenigbaar met de werkelijke wil om te huwen voor zover de aanstaande echtgenoten naast het beogen van een huwelijksvoordeel ook de bedoeling hebben gehad om een gebonden levensgemeenschap tot stand te brengen.
- De eerste geïntimeerde slaagt naar het oordeel van het hof in zijn bewijslast van het bestaan van een schijnhuwelijk en gebrek aan intentie bij de appellant en de tweede geïntimeerde, minstens bij één van hen om een duurzame levensgemeenschap te stichten. De redengeving en de grondige analyse van de aangebrachte resultaten van het op verzoek van de eerste geïntimeerde uitgevoerd politioneel onderzoek (zie onder meer de verstrekte inlichtingen op p.12 van kaft I van het politioneel onderzoek) door de eerste rechter, worden in de huidige instantie door de grieven, middelen en conclusies van de appellant niet weerlegd en worden door het hof herhaald en tot de zijne gemaakt. De appellant heeft het verkeerd voor wanneer hij argumenteert dat de eerste rechter heeft beslist tot het bestaan van een gedwongen of gearrangeerd huwelijk. De eerste rechter heeft één en ander slechts aangebracht aangezien ook hier de verklaringen van de appellant en de tweede geïntimeerde strijdig waren: volgens de appellant was hun huwelijk reeds jaren voordien door de respectieve ouders geregeld, terwijl de tweede geïntimeerde integendeel voorhield dat zij met de appellant uit liefde getrouwd is en dat er van ouderlijk arrangement geen sprake was. De loutere omstandigheid dat de appellant meent een aantal ‘klassieke' ingrediënten van schijnhuwelijk niet te kunnen ontwaren in de situatie tussen hemzelf en de tweede geïntimeerde, hebben geenszins tot gevolg dat er redelijke twijfel kan bestaan over het feit dat het huwelijk tussen beiden enkel gericht was tot het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is met de staat van gehuwde. De eerste rechter heeft derhalve juist beslist.
- Het voordeel van het putatief huwelijk in de zin van art. 201 B.W. geldt ten aanzien van de echtgenoot te goeder trouw en ten aanzien van de kinderen. Het bestaat erin dat de burgerlijke gevolgen van het huwelijk in stand worden gehouden tot op het ogenblik waarop de beslissing van vernietiging van het huwelijk kan ten uitvoer gebracht worden, zijnde nadat het vonnis in kracht van gewijsde is getreden. De goede trouw is de enige voorwaarde voor de erkenning van het putatief huwelijk. De goede trouw wordt niet vermoed, doch moet worden bewezen door de echtgenoot die het voordeel van het putatief huwelijk inroept. De appellant bewijst die goede trouw in zijne hoofde niet. De verschillende elementen van het door de eerste geïntimeerde overgelegd politioneel onderzoek in hun onderlinge samenhang kunnen allesbehalve als dusdanig dienen. De loutere omstandigheid dat de appellant aan de politie verklaarde op 7 februari 2006 nog steeds de wens te hebben om het samenleven te hernemen met de tweede geïntimeerde - van wie hij sinds oktober 2004 gescheiden leeft - volstaat hiertoe uiteraard niet. De eerste rechter heeft ook dienaangaande een juiste beslissing genomen. de kosten De eerste rechter kan evenzeer worden bijgetreden waar hij heeft beslist over de kosten. De kosten van betekening van het bestreden vonnis worden geregeld door art. 1024 Ger.W. De kosten van het hoger beroep tenslotte vallen ten laste van de appellant. Deze worden aan de zijde van de beide geïntimeerden begroot op 0,00 EUR. Ook de eventuele kosten van de betekening van het huidig arrest worden geregeld door art. 1024 Ger.W. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, dus ook waar het zegt voor recht dat het huwelijk dat op 29 juli 2003 te Midar (Marokko) werd gesloten tussen: E. H., van Marokkaanse nationaliteit, geboren te en E.M.S., van Belgische nationaliteit, geboren te nietig is en geen uitwerking zal hebben in België. Veroordeelt de appellant tot de kosten van het geding, aan de zijde van de geïntimeerden niet te begroten. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Guy Danneels, raadsheer, Nadia De Turck, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 9 oktober 2008, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div