← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081009.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081009.9 Rolnummer: 2007/AR/1417 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-18 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-02 18:04 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Eén der kinderen, begiftigd door beide ouders, overlijdt na het overlijden van moeder en vóór het overlijden van vader. Na het overlijden van vader vereffening en verdeling - schenkingen moeten principieel ingebracht worden - geen bewijs dat er stilzwijgende vrijstelling is voor inbreng - is de overlevende echtgenote van de begiftigde die enige erfgename is van deze laatste naast de inbreng voor de helft van de schenking in de nalatenschap van de moeder nog inbreng verschuldigd voor de andere helft in de nalatenschap van de vader? Zienswijze van de eerste rechter was positief - aan de boedelnotarissen wordt bijkomend advies gevraagd. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 09 oktober 2008 TUSSENARREST zaak terug naar de boedelnotarissen heropening der debattendd. 7.5.2009 om 10.10 h. - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1417 van: V. I., , wonende te , appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, door de eerste kamer bis gewezen dd. 2-4-2007, oorspronkelijk eisende partij, hebbende als raadsman mr. DE POOTER Wim, advocaat te 9700 Oudenaarde, Kleine Markt 41 tegen :

  1. P. L., , wonende te ,
  2. P. N., , wonende te ,
  3. P. L. M. J., , wonende te , die in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van ..................... D. C. R., A., geboren te .......... op ..................., geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, laatst wonende te ........., maar hangende het geding overleden op............ , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding als erfgename, blijkens 'AKTE VAN GEDINGHERVATTING', neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 15-4-2008,
  4. D. C. K., , wonende te , die in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van D. C. R., A., , geboren te ...........op ....................., geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, laatst wonende te , maar hangende het geding overleden op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding als erfgename, blijkens akte van gedinghervatting, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 15-4-2008,
  5. P. M., , wonende te ,
  6. P. J., , wonende te ,
  7. V. D. W. L. , die in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van P. L., in leven wonende te , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, maar hangende het geding overleden te op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding, blijkens ‘CONCLUSIE' neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12-2-2008;
  8. P. B., wonende te , die in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van P. L., in leven wonende te , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, maar hangende het geding overleden te op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding, blijkens ‘CONCLUSIE' neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12-2-2008;
  9. P. T., wonende te , die in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van P. L., in leven wonende te , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, maar hangende het geding overleden te op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding, blijkens ‘CONCLUSIE' neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12-2-2008;
  10. P. L., wonende te , die in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van P. L., in leven wonende te , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, maar hangende het geding overleden te op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding, blijkens ‘CONCLUSIE' neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12-2-2008; eerste tien geïntimeerden, oorspronkelijk verweerders, - behoudens geïntimeerde P. J., die in persoon verschijnt -, hebbende als raadsman, mr. Marc DOUTRELUINGNE, advocaat te 8500 Kortrijk, H. Consciencestraat 9, bij wie woonstkeuze wordt gedaan;
  11. C. M., wonende te , elfde geïntimeerde, - TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND - oorspronkelijk verweerster, velt het hof het volgend arrest.
  12. 1.
  13. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 1 juni 2007, heeft appellante tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 2 april 2007 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer bis, en waarbij geoordeeld werd over de zwarigheden op de staat van vereffening opgemaakt op 26 januari 2006 door notaris Pieter Van Ongeval en notaris Ignace Demeulemeester (aangesteld bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde d.d. 11.09.2001). De eerste rechter homologeerde de staat van 27 april 2006 ; dit is de aangepaste staat, die op 27 april 2006 werd opgemaakt door de genoemde notarissen omdat ze bepaalde zwarigheden gegrond achtten. In het bestreden vonnis werd tegen de niet verschijnende partijen I. V. en M. C. op regelmatige wijze toepassing gemaakt van artikel 747 § 2 Ger.W. Appellante heeft haar middelen uiteengezet in haar conclusies, die krachtens artikel 747 § 2 lid 6 uit de debatten worden geweerd omdat ze zijn neergelegd na 27 maart 2008 wat volgens de beschikking van 6 december 2007 de uiterste datum was voor de neerlegging van conclusies door appellante. Gelet op artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt de gedinginleidende akte door deze conclusies niet vervangen en zijn enkel de middelen, die in het verzoekschrift hoger beroep zijn uiteengezet aan de orde. 1.
  14. R. D. C., die als vierde geïntimeerde is vermeld in de beroepsakte, is overleden op . Zijn echtgenote L. P. en zijn enig kind K. D. C. zijn de enige wettige erfgenamen. Bij akte, neergelegd ter griffie op 15 april 2008 hebben ze het geding vrijwillig hervat. L. P., die als zevende geïntimeerde is vermeld in de beroepsakte, is overleden op . Zijn echtgenote L. V. D. W. en zijn kinderen B., T. en L. zijn de enige wettige erfgenamen. Bij akte, neergelegd ter griffie op 12 februari 2008 hebben ze het geding vrijwillig hervat. J. P. is verschenen op de zitting van 11.09.
  15. M. C. is niet verschenen en werd ook niet vertegenwoordigd. Op deze zitting werd door de partijen, vertegenwoordigd door Mr Doutreluigne gevraagd dat een arrest op tegenspraak zou geveld worden. Wat betreft M.C. is door J.P., gewezen echtgenoot van eerstgenoemde, meegedeeld - o.a. bij schrijven van 30.06.2007 (zie rechtsplegingsdossier stuk 7) - dat er bij akte van 8 april 2004 een dading is gesloten inzake de vereffening van de huwgemeenschap die tussen de echtgenoten heeft bestaan: hierbij heeft M.-R. C. een oplegsom ontvangen tot vergoeding van haar rechten in de ontbonden gemeenschap. In de staat van vereffening en verdeling werd reeds door de boedelnotaris gezegd dat de vordering van J.P. in de nalatenschappen van zijn ouders volledig aan hem toegekomen zijn. M.C. is derhalve niet meer verder betrokken in de staat van vereffening en verdeling. Nadat op de zitting van 11 september 2008 aan appellante werd gevraagd wat haar belang is bij het instellen van een beroep tegen M.-R. C. als deze blijkt niet gerechtigd te zijn in de nalatenschappen, is gebleken dat het beroep tegen M.-R. C. ontoelaatbaar kan worden verklaard bij gebrek aan belang. 1.
  16. Voor L., N., L. en M. P. en voor R. D. C. werden conclusies neergelegd op 22 juni
  17. Op dat ogenblik was R. D. C. overleden. Voor dezelfde en voor de erfgenamen van L. P. werden naderhand op 12.02.2008 tijdig conclusies genomen. Deze laatste conclusies worden gezien als synthese-conclusies welke overeenkomstig artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek alle vorige conclusies vervangen. De erfgenamen van R. D. hebben enkel een akte van gedinghervatting neergelegd.
  18. 2.
  19. L. P. en A. D. B. zijn gehuwd op zonder huwelijkscontract. Ze zijn gestorven, eerst A. D. B. op en daarna L. P. op . Bij het eerste overlijden waren er nog negen kinderen in leven: de nalatenschap verviel aan L. P. en de 9 kinderen. Bij het tweede overlijden waren er nog acht kinderen in leven. J. P., gehuwd met appellante, is kinderloos gestorven op . Hij was gehuwd onder het wettelijk stelsel ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris F. Demeulemeester op 11.12.1973 inhoudende een gift aan de langstlevende van het vruchtgebruik op de persoonlijke goederen. Bij testament van 10.11.1980 heeft hij de volle eigendom van de onroerende goederen gelegateerd aan zijn echtgenote. In het proces-verbaal van opening van werkzaamheden d.d. 26.11.2001 zegde de boedelnotaris dat de nalatenschap van L. P. verviel aan zijn acht overlevende kinderen en dat door de aanwezige partijen werd verklaard dat ze geen inventaris van de roerende goederen wilden en dat deze goederen reeds in der minne onder elkaar verdeeld werden. Uit dit proces-verbaal blijkt ook dat twee kinderen, te weten M. J. en D., bij akte verleden voor notaris Demeulemeester op 27.08.1999 hun gerechtigheden in de nalatenschappen hadden overgedragen aan de medegerechtigden. Op 18 januari 2002 gebeurde de openbare verkoping van twee onroerende goederen gelegen te : het ene zaailand met een oppervlakte van 1 ha 31 a 50 ca, het andere weiland met een oppervlakte van 62 a 10 ca. De verkoopprijs van het eerstgenoemd goed werd opgenomen in het actief van de huwgemeenschap terwijl de verkoopprijs van het andere goed werd opgenomen in het actief van de nalatenschap van A. D. B.. 2.
  20. Tijdens de werkzaamheden van vereffening en verdeling zijn betrokken partijen - uitgezonderd L. P. - vrijwillig verschenen voor de vrederechter van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem aangaande een betwisting over de toekenning van een uitgesteld loon aan appellante inzake land- en tuinbouw, dat moest toekomen aan haar man J. P. die op de ouderlijke woning had gewerkt voor rekening van zijn ouders. In dat geding werd gesteld dat : - J. P. samen met zijn broers J. en L. een perceel grond gekregen had waarbij dit volgens de verwerende partijen werd aangekocht op naam van de drie kinderen - J. P. de ouderlijke hofstedebekleding heeft overgenomen zonder te moeten betalen voor het bedrijfsmateriaal noch voor de veestapel; - J. P. het voordeel heeft genoten van een langdurige pacht van 27 jaar zonder 1 frank drempelvergoeding te moeten betalen; De vrederechter deed de samenvoeging van deze zaak met een zaak ingeleid door een dagvaarding van 9.5.2003 ten verzoeke van appellante tegen L. P.. De vrederechter oordeelde in het vonnis van 25.11.2004 dat het uitgesteld loon, waarop J.P. recht had 9.889,93 EUR beliep maar dat er door deze laatste voordelen waren ontvangen die in mindering moeten genomen worden nl: - de som van 1.378 EUR (onrechtstreekse schenking bij aankoop perceel weiland in 1971 door J. P., J.P. en L. P.) - de som van 4.957 EUR (bij overname van het bedrijf op 25 februari 1973 door J. P., toen ongehuwd - vermomde schenking) - de som van 22.930,15 EUR (niet betaalde drempelvergoeding bij het sluiten van de pachtovereenkomst voor 27 jaar op 30 januari 1973 tussen J. P. en zijn ouders); Omdat de reeds verworven voordelen het berekende uitgestelde loon overtreffen, werd de vordering van appellante afgewezen als ongegrond. In genoemd vonnis werd op tegenvordering aan M. en L. P. een bedrag toegekend van respectievelijk 2.505,91 EUR en 1.940,56 EUR. Het vonnis werd aan appellante betekend op 20.4.2005 en kreeg kracht van gewijsde. In de staat op het vierde blad n° 8 werd ervan uitgegaan dat er krachtens het vonnis van de vrederechter door appellante inbreng zou worden gedaan van 19.375,22 EUR te vermeerderen met de intresten vanaf 5.2.1996 belopende 13.428,89 EUR, wat een totaal geeft van 32.804,11 EUR. Daarover gaat de eerste zwarigheid van appellante. Er zijn nog drie zwarigheden waarvan twee betrekking hebben op de volgende bedragen die ten onrechte werden vermeld in de staat, nl.: - onder ‘BIJZONDERE REKENINGEN' werd sub E/ (pagina 10) gewag gemaakt van drie rechtsplegingsvergoedingen van 349,53 EUR ten laste gelegd van appellante, o.a. in het voordeel van M.-R. C., waarop appellante laat gelden dat aan deze laatste de rechtsplegingsvergoeding al werd betaald (zodat onder ‘V SAMENVATTING' voor appellante het bedrag van 1.048,589 EUR zou moeten herleid worden tot 699,06 EUR); - onder ‘BIJZONDERE REKENINGEN' werd sub F/ ( pagina 10) gewag gemaakt van de kosten van notaris Lucie Vandermeersch voor vertegenwoordiging van de afwezige partijen, nl. 103 EUR (vertegenwoordiging bij opening van werkzaamheden) en 25,75 EUR vertegenwoordiging bij openbare verkoop op 18.1.2002; Blijft de zwarigheid die als volgt werd geuit: "Wij begrijpen niet waarom in het ontwerp gesproken wordt over de vereffening van de huwgemeenschap P.-D. B. en van de "nalatenschap D. B." en niet van de nalatenschap P.." 2.
  21. Op 27 april 2006 hebben de boedelnotarissen een advies uitgebracht. De zwarigheden van appellante resulteerden enkel in een aanpassing van de staat in die zin dat er ook voorzien werd in een inbreng door J. en L. P. van het voordeel dat ze samen hebben genoten met hun broer J. (zoals gezegd in het vonnis van de vrederechter). De aangepaste staat van vereffening en verdeling werd toegevoegd aan het proces-verbaal. 2.
  22. De eerste rechter velde een weinig gemotiveerd vonnis waarbij hij de staat van 27.4.2006 homologeerde. De zwarigheid betreffende de rechtsplegingsvergoeding behoort niet tot het debat in beroep. De zwarigheid betreffende de kosten van de vertegenwoordiging behoort wel tot het debat in beroep.
  23. de zwarigheid aangaande de inbreng 3.
  24. Appellante hield voor dat voor de vereffening en verdeling niet gesteund mag worden op het vonnis van de vrederechter waar gezegd wordt dat J.P. de voornoemde voordelen heeft genoten De eerste rechter oordeelde in dat verband als volgt: "Waar in het vonnis gestipuleerd werd dat er wel degelijk een recht was op uitgesteld loon, doch dat dit ruim gecompenseerd werd door ontvangen niet betaalde vergoedingen of schenkingen, is het evident dat de notarissen deze beslissing verwerken in de vereffening." Appellante kan zich met deze zienswijze niet verzoenen. Ten eerste zegt ze dat deze zienswijze niet behoorlijk gemotiveerd wordt door te zeggen dat het evident is dat de notarissen het vonnis verwerkten in de staat. Ten tweede stelt ze dat het vonnis enkel maar als gevolg kan hebben dat ze nog aanspraak kan maken op een uitgesteld loon. De taak van de vrederechter - zo stelt appellante - ging niet verder dan na te gaan of er nog een uitgesteld loon verschuldigd was na compensatie met de eventueel vroeger verstrekte voordelen. Volgens haar miste de vrederechter de bevoegdheid om te besluiten tot een negatief saldo aangezien hij zich daardoor een bevoegdheid toe-eigende die toekomt aan de rechter die bevoegd is inzake vereffening en verdeling, dit is de rechtbank van eerste aanleg. Appellante vraagt een hervorming van het bestreden vonnis in die zin dat moet gezegd worden voor recht dat de notaris bij zijn staat geen rekening zal houden met de voordelen die in het overwegend gedeelte van de vrederechter staan. Het gezag van het rechterlijk gewijsde geldt voor hetgeen de rechter heeft beslist over een geschilpunt dat hem door partijen ter beslissing was onderworpen en waarover zij tegenspraak hebben kunnen voeren ongeacht of die beslissing voorkomt in het beschikkend gedeelte dan wel in het overwegend gedeelte (CASS., 28 april 1994, Arr. Cass., 1994, 384; B., MAES, Inleiding tot het gerechtelijk privaatrecht, Brugge, Die Keure, ed. 2001, pag. 194). Het geldt - onder volgende begrenzingen en voorwaarden - niet alleen voor hetgeen de rechter expliciet, maar ook voor hetgeen de rechter impliciet, ter beoordeling werd onderworpen en waarover hij dus impliciet heeft geoordeeld. Er dient in dit geval te worden nagegaan of aldus een reële, dan wel een fictieve, gevolgtrekking wordt gemaakt, waarbij een toetsing aan het respect voor het contradictoire debat en de rechten van verdediging en aan het beschikkingsbeginsel zal dienen te gebeuren (A., FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Faculté de Droit de Liège, Ed. 1987, pag. 274, nr. 366). Het gezag van het rechterlijk gewijsde geldt voorts ook voor de redenen waarop de beslissing noodzakelijk steunt (CASS., 15 maart 1991, Arr. Cass., 1990-91, 739; A., FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Faculté de Droit de Liège, Ed. 1987, pag. 274, nr. 366 en pag. 286, nr. 384 ; J., LAENENS, K., BROECKX, en D., SCHEERS, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, Ed. 2004, pag. 152, nr. 263). Bij toepassing van artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek, geldt het gezag van gewijsde uitsluitend voor eindbeslissingen: dit zijn vonnissen waarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is (artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Gelet op de door partijen aangevoerde argumenten en middelen is het van belang een onderscheid te maken tussen het ‘negatief' en het ‘positief' gevolg van het gezag van het rechterlijk gewijsde. Het gezag van het rechterlijk gewijsde heeft een zogenaamd ‘negatief' gevolg, wat betekent dat de vordering niet meer opnieuw kan worden ingesteld en dat zij kan stuiten op de bij artikel 25 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde (en door partijen op te werpen) exceptie van gewijsde. Het gezag van gewijsde heeft ook een zogenaamd gevolg van materiële en ‘positieve' aard, wat betekent dat de beslissing, waardoor over een geschil uitspraak wordt gedaan, constateert dat een partij al dan niet over een recht beschikt en al dan niet een recht of een geformuleerde aanspraak toekent. De partijen kunnen zich voortaan op de rechterlijke toekenning of afwijzing van deze rechten beroepen. Artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek maakt de verwoording uit van het vermoeden van de rechterlijke waarheid (‘Res judicate pro veritate habetur'), wat betekent dat een rechterlijke beslissing geacht wordt de waarheid te zijn. Daarbij is niet noodzakelijk vereist dat de oorzaak en het voorwerp van de beide vorderingen dezelfde zijn. Waar het vooral op aankomt, is de vraag of de grond van de tweede aanspraak al dan niet onverenigbaar is met de eerste uitspraak (B., MAES, Inleiding tot het gerechtelijk privaatrecht, Brugge, Die Keure, ed. 2001, pag. 195 en de verwijzingen aldaar) De betwisting over de inbreng is verschillend van de vorderingen, die leidden tot het vonnis van de vrederechter. Deze laatste was niet gevat om over een inbreng te oordelen, terwijl de betwisting over de inbreng niet het voorwerp uitmaakte of kon uitmaken van een contradictoir debat. Geïntimeerden kunnen zich wel baseren op het positieve aspect van het rechterlijk gewijsde van het door de vrederechter gewezen vonnis. Meer in het bijzonder kunnen zij het rechterlijk gewijsde van dit vonnis en van de daarin gemaakte overwegingen, waarop de beslissing van de vrederechter noodzakelijk is gesteund, inroepen. De vrederechter besliste dat de reeds verworven voordelen het berekende uitgestelde loon overtreffen zodat de vordering van de eisende partij I. V. dan ook dient afgewezen als ongegrond. Om te komen tot deze beslissing heeft hij zich een oordeel gevormd over de werkelijke aard van de rechtshandeling met betrekking tot een perceel weiland, die in 1971 voorwerp is geweest van een aankoopakte, en van de rechtshandeling met betrekking tot de overeenkomst van 25.2.1973 (overname van het ouderlijk landbouwbedrijf) en heeft hij gezegd dat de eerste rechtshandeling een onrechtstreekse schenking is geweest en de tweede rechtshandeling een vermomde schenking, welke een voordeel uitmaakten voor J.P. naast het voordeel dat hij heeft genoten doordat hij geen drempelvergoeding betaalde ter gelegenheid van het afsluiten van de pacht van 27 jaar op 30.01.
  25. Impliciet maar zeker werd door de vrederechter te kennen gegeven dat de niet betaling door J.P. van de drempelvergoeding van 22.930,15 EUR voor het bedrag dat het loon van 9.889,93 EUR te boven ging een gift is geweest van zijn ouders. In de gegeven omstandigheden waren de boedelnotarissen door het rechterlijk gewijsde verplicht aan te nemen dat J.P. ten belope van 19.375,22 EUR begiftigd is geweest. Indien de vrederechter zijn bevoegdheid zou te buiten zijn gegaan had appellante beroep kunnen instellen, hetgeen ze verzuimd heeft, met als gevolg dat het te laat is om een bevoegdheidsprobleem aan te kaarten. Dezelfde omstandigheden brengen mee dat appellante met betrekking tot de drempelvergoeding niet meer kan betwisten dat er een gift is gedaan ten belope van de niet betaalde drempelvergoeding van 22.930,15 EUR. De grieven ontwikkeld door appellante in haar verzoekschrift hoger beroep sub 1 en 2, worden bijgevolg als ongegrond beschouwd. 3.
  26. De volgende grief van appellante (onder punt 3 van het verzoekschrift) betreft het oordeel van de boedelnotarissen dat de giften, gedaan aan J.P., door haar moeten ingebracht worden ten belope van netto 19.375,22 EUR. 3.2.
  27. Appellante houdt vooreerst voor dat de giften moeten worden beschouwd als zijnde gedaan met vrijstelling van inbreng. Geschonken goederen moeten principieel worden ingebracht (art 843 B.W.). Een gift wordt immers door de wetgever iuris tantum vermoed te zijn gedaan zonder vrijstelling van inbreng, als voorschot op erfdeel, en zonder de gelijkheid tussen de mede-erfgenamen te verbreken. Bij gebrek aan tegenbewijs door de begiftigde is de gift derhalve aan inbreng onderworpen. Het principe van de inbreng is zeer ruim. Het omvat alle mogelijke bevoordelingen zowel rechtstreekse, onrechtstreekse als zelfs vergeldende schenkingen. De decuius kan wel een erfgenaam bevoordelen door hem vrij te stellen van inbreng. Ondanks de tekst van de wet die een uitdrukkelijke verklaring vergt nemen rechtspraak en rechtsleer aan dat de vrijstelling van inbreng kan worden aanvaard in welk geval het volstaat dat de wil van de schenker terzake niet dubbelzinnig is. Het bewijs van deze stilzwijgende vrijstelling berust bij de begiftigde. Het loutere feit dat de schenking gebeurde onder de vorm van een handgift, een vermomde schenking of een onrechtstreekse schenking is niet voldoende om de vrijstelling van inbreng af te leiden. Er dient te worden gekeken naar de feitelijke omstandigheden waarin dergelijke schenkingen gebeurden, om de wil van de decuius terzake te achterhalen. De schenkingen zijn gedaan aan J.P. toen hij nog niet gehuwd was. Het is ook niet gebleken dat er toen rekening mee werd gehouden dat J.P. zou instaan voor de zorgen voor zijn ouders. Appellante laat eigenlijk na feitelijke omstandigheden aan te geven en te bewijzen waaruit ondubbelzinnig moet blijken dat de ouders van J.P. een vrijstelling van inbreng hebben gewild. 3.2.
  28. Appellante is niet akkoord dat de eerste rechter zoals de boedelnotarissen besliste dat er geen aanleiding is om de inbreng te halveren. De notarissen stelden dat ingevolge het vooroverlijden van J.P. zijn enige erfgenaam I. V. in zijn rechten en plichten treedt. Dit wordt door appellante niet betwist en is ook moeilijk betwistbaar gelet op het toen reeds toepasselijk artikel 745bis §1 derde lid van het Burgerlijk Wetboek. Als enige erfgenaam is zij uiteraard ook alleen gehouden in de lasten van de nalatenschap, wat inhoudt dat de inbreng die nog diende te gebeuren als zijn vader komt te overlijden, verschuldigd is door de enige erfgenaam van J.P.. Appellante wijst erop dat bij het openvallen van de nalatenschap van L. P., J.P. reeds was overleden en dat hij geen erfgenaam was en de inbreng in de nalatenschap van L. P. slechts kan verschuldigd zijn door iemand die erfgenaam is. Naar aanleiding van haar zwarigheden maakte appellante de opmerking niet te begrijpen dat er in de staat sprake is van de huwgemeenschap P.-D. B. en van de nalatenschap D. B. maar niet van de nalatenschap P.. In hun advies van 27.04.2006 sub D besteedden de boedelnotarissen aandacht aan de opmerking. Ze stelden het volgende: "De belangrijkste componenten van de massa behoren tot de huwgemeenschap, de nalatenschap D. B. bevat enkel één (minder belangrijk) onroerend goed, de nalatenschap L. P. bevat geen onroerende goederen die niet tot de huwgemeenschap behoren. Teneinde het cijfermatig gedeelte van de vereffening te vereenvoudigen werd geopteerd om geen afzonderlijke post ‘nalatenschap' P.' op te nemen, aangezien deze afzonderlijke post de slotcijfers (wat ieder te betalen of te ontvangen heeft) niet beïnvloedt." Dat betekent dat er pragmatisch-technisch en niet juridisch technisch werd gewerkt. Er is immers niet vast te stellen hoe de inbreng in de twee nalatenschappen gebeurde. Voor het Hof volstaat het niet hetgeen blijkt uit de staat en uit het advies. Daarom dienen de boedelnotarissen uit te leggen hoe ze de inbreng in de nalatenschap van L. P. juridisch-technisch hebben kunnen doen, rekening houdend dat M. P.-C. in haar werk Erfrecht (Story-Scientia 1988 p. 339 nr 317) zoals elders in de rechtsleer, stelt "Inbreng kan alleen door en van erfgenamen geëist worden." Alvorens de zwarigheid strekkende tot halvering van de inbreng verder te beoordelen wordt de zaak terug verzonden naar de boedelnotarissen met de opdracht aangaande dat punt een advies uit te brengen waarin de hier aangehaalde aspecten van de betwisting, waarbij geïntimeerden door hun raadsman laten zeggen dat er plaatsvervulling door appellante zou spelen, ter sprake komen. 3.
  29. Een volgende grief betreft de samenstelling van het bedrag dat als basis werd genomen voor de berekening van de inbreng. Appellante komt terug op haar zwarigheid dienaangaande, luidend als volgt: "Het bedrag van euro 22.930,15 wordt ook betwist omdat gerekend werd aan 50.000 fr/ha voor een oppervlakte van 18 ha 50 ca. Deze oppervlakte is verkeerd: er werd minder oppervlakte in pacht gegeven." In het antwoord van Mr. Doutreluigne d.d. 23 maart 2006 werd wat deze discussie betreft, het gezag van gewijsde van het vonnis van de vrederechter d.d. 25.11.2004 niet aangehaald maar werd ten gronde het volgende gezegd: "De oppervlakte van 18 ha 50 a is terug te vinden in de overname-overeenkomst en het is dan ook die oppervlakte die moet worden weerhouden. Indien mevrouw V. een kleiner oppervlakte vooropstelt dient zij minstens aan te geven welke oppervlakte zij dan wel bedoelt." De opmerking in deze brief dat mevrouw V. zou moeten zeggen welke oppervlakte ze bedoelt is onbegrijpelijk. Ze bedoelt de oppervlakte in het pachtcontract in tegenstelling tot de oppervlakte, vermeld in het overnamecontract. De oppervlakte van de onroerende goederen vermeld in het pachtcontract, beloopt in totaal 4 ha 6 a 19 ca. Het Hof is van oordeel dat het vonnis van de vrederechter geen gezag van gewijsde heeft waar de eerste rechter een drempelvergoeding berekende op basis van een oppervlakte die 4 ha 6 a 19 ca overtrof. In de mate dat de berekening de 4 ha 6 a 19 overtrof is deze berekening geen basis geweest voor de beslissing van de vrederechter en bovendien is deze berekening blijkbaar geen voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Bepalend is niet de oppervlakte in het overnamecontract, maar in het pachtcontract. Het Hof is van oordeel dat de in de staat vermelde samenstelling van het bedrag dat als basis werd genomen voor de berekening van de inbreng niet meer kan worden aangehouden. De samenstelling zal niet verder zijn: 1.378 EUR + 4.957 EUR + 22.930,15 EUR, samen 29.265,15, verminderd met 9.889,93 (wat een resultaat geeft van 19.375,22 EUR) maar, voor zover de zwarigheid over de halvering niet zou weerhouden worden, 1.378 EUR + 4.957 EUR + 5.034,19 EUR, samen 11.369,19 EUR, verminderd met 9.889,93 (wat een resultaat geeft van 1.479,26 EUR) 3.
  30. Ook de intresten op de verschuldigde inbreng zijn het voorwerp geweest van een zwarigheid. Met de visie van de boedelnotarissen kan appellante zich niet verzoenen. De eerste rechter heeft over de intresten niets gezegd en daarmee kan ze zich ook niet verzoenen. Artikel 856 B.W. is de rechtsgrond voor de toekenning van intresten. Appellante erkent dit. Volgens appellante zijn de aldaar bepaalde intresten geen wettelijke intresten en kan de rechter de intrest bepalen op 2%. Op dat punt zijn er in de rechtspraak uiteenlopende meningen maar traditioneel wordt de toepasbaarheid van de wettelijke intrestvoet aangenomen. Het traditioneel standpunt werd recent overtuigend verdedigd in de rechtsleer, waarnaar kan verwezen worden (zie : De vereffening van de nalatenschap W. PINTENS Instituut voor Familiaal Vermogensrecht , Intersentia 2007, J. DU MONGH Inbreng en Inkorting p. 86 en de aldaar onder voetnoot 28 geciteerde rechtsleer). De zwarigheid is ongegrond.
  31. de zwarigheid aangaande de kosten van notaris Lucie Vandermeersch Uit het proces-verbaal van opening van werkzaamheden blijkt dat appellante evenals M.C. en R. D. op 26.11.2001 afwezig waren en vertegenwoordigd werden door notaris Lucie Vandermeersch. Gelet op de authentieke bewijskracht van het proces-verbaal is de betwisting van appellante ongegrond. In zover appellante beweert ook aanwezig geweest te zijn op de openbare verkoping kan daar geen rekening mee worden gehouden omdat er in dat verband geen stukken zijn voorgelegd en ze zich gewoon kan vergissen. Zij miskent het artikel 870 Ger.W.
  32. de zwarigheid aangaande de rechtsplegingsvergoeding, bepaald in het vonnis van 25.11.2004 Deze zwarigheid behoort niet tot de debatten in beroep. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Geeft akte aan L. V. D. W., B. P., T. P. en L. P. van hun verklaring van hervatting van het geding als erfgenamen van L. P.; Geeft akte aan L. P. en K. D. C. van hun verklaring van hervatting van het geding als erfgenamen van R. D. C.; Verklaart het hoger beroep uitgezonderd het beroep tegen M.C., ontvankelijk; Verklaart het beroep in bepaalde gegrond; Doet het vonnis al teniet waar het de staat van vereffening d.d. 27 april 2006 homologeert; En opnieuw wijzende: Verklaart de zwarigheden van appellante uitgezonderd de zwarigheden, hierboven ter sprake gebracht sub 3.
  33. en 3.3., ongegrond. Zegt dat de zwarigheid, hierboven ter sprake gebracht sub 3.
  34. gegrond is in die mate dat voor zover de zwarigheid over de halvering niet zou weerhouden worden de samenstelling van het bedrag dat als basis werd genomen voor de berekening van de inbreng zal zijn : 1.378 EUR + 4.957 EUR + 5.034,19 EUR, samen 11.369,19 EUR, verminderd met 9.889,93 , wat een resultaat geeft van 1.479,26 EUR Zegt met betrekking tot de zwarigheid, hierboven ter sprake gebracht sub 3.2, dat vooraleer te beslissen, de zaak wordt verzonden naar de boedelnotarissen met de opdracht aangaande dat punt een advies uit te brengen waarin de hierboven aangehaalde aspecten van de betwisting, waarbij geïntimeerden door hun raadsman laten zeggen dat er plaatsvervulling door appellante zou spelen, ter sprake komen; Zegt dat de debatten in de mate van het nodige worden heropend voor de punten waarin nog geen eindbeslissing is genomen; Zegt dat de boedelnotarissen hun bijkomend advies zullen neerleggen ter griffie van dit Hof uiterlijk op woensdag 7 januari 2009 en dat partijen hun schriftelijke opmerkingen zullen laten kennen door middel van conclusies die ze zullen ter griffie neerleggen binnen de volgende termijnen: - voor appellante uiterlijk op 12 februari 2009; - voor geïntimeerden uiterlijk op 12 maart 2009; - voor appellante uiterlijk op 26 maart 2009; Stelt de zaak vast op de openbare terechtzitting van DONDERDAG 7 mei 2009 om 10.10 uur; Reserveert de uitspraak nopens de kosten. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 11e-b kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 9-10-
  35. Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter ; - B. De Wilde, griffier. Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090604.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.