← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081016.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081016.4 Rolnummer: 2007/AR/1044 Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2008-12-26 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 18:07 Fiche

  1. Door in de notariële akte houdende wederzijdse rechten en overeenkomst, voorafgaandelijk aan het instellen van een procedure echtscheiding met onderlinge toestemming, uitdrukkelijk te stipuleren dat de overeenkomst werd aangegaan bij wijze van dading en met wederzijdse verzaking aan iedere hoegenaamde vordering aangaande hun onderlinge rechten, hebben de echtgenoten bedongen om niet meer op hun oorspronkelijke rechtsverhouding terug te komen, maar hun rechtsverhouding integendeel voortaan exclusief door de aangegane dading te laten beheersen.
  2. De exceptie van dading die verhindert dat een door dading beëindigde betwisting opnieuw in rechte aanhangig wordt gemaakt, is slechts werkzaam indien de ingestelde vordering waartegen de exceptie gericht is, betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, dezelfde oorzaak en dezelfde partijen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (NIEUW) - Onderlinge toestemming Vrije woorden:
  3. echtscheiding met onderlinge toestemming - voorafgaande akte houdende wederzijdse rechten en overeenkomst - dading - gevolg
  4. exceptie van dading - voorwaarde voor toepasselijkheid Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 16 oktober 2008 ________ 2007/AR/1044 - In de zaak van: D.G., appellant, hebbende als raadsman mr. HOEBEKE Niels, advocaat te 1081 BRUSSEL, Jules Besmestraat 124 tegen : D.C.B., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DUPONT Philippe, advocaat te 9600 RONSE, Politiekegevangenenstraat 33 velt het hof het volgend arrest: De appellante heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 april 2007 hoger beroep ingesteld tegen het op 12 maart 2007 uitgesproken vonnis van de eerste kamer bis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, waarbij: - de hoofdvordering van de appellante en de tegenvordering van de geïntimeerde beiden ontvankelijk werden verklaard, doch als ongegrond werden afgewezen; - de appellante werd veroordeeld tot de kosten in hoofde van de geïntimeerde, zoals nader begroot; In haar beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies vorderde de appellante dat het hof: - het hoger beroep toelaatbaar en integraal gegrond zou verklaren en dienvolgens: * het bestreden vonnis wegens schending van artikel 780, lid 1, 2° Ger.W. zou vernietigen; * de beslissingen zou bevestigen waarbij de eerste rechter haar vordering toelaatbaar heeft verklaard en de tegenvordering van de geïntimeerde als toelaatbaar doch ongegrond heeft afgewezen; * de overige beslissingen van de eerste rechter zou tenietdoen en opnieuw rechtdoend: - de hoofdvordering ontvankelijk en integraal gegrond zou verklaren en dienvolgens; - bij tussenarrest en bij toepassing van de artikelen 877 e.v. Ger.W.: * aan notaris Katharina Wygaerts, met studie te Oudenaarde, zou bevelen om haar integrale dossier met alle erbij horende nota's en notities en een afdruk van de (interne) e-post correspondentie betreffende de echtscheiding tussen partijen, of een eensluidend afschrift van haar dossier en een afdruk van voormelde correspondentie bij het dossier van de rechtspleging te voegen; * aan de N.V. ING België zou bevelen om haar integrale dossier met alle erbij horende nota's en notities en een afdruk van de (interne) (e-post) correspondentie betreffende het krediet dat de geïntimeerde in 2003 heeft aangevraagd via het kantoor te 9700 Oudenaarde, Markt 54, of een eensluidend afschrift van haar dossier en een afdruk van de voormelde correspondentie bij het dossier van de rechtspleging te voegen; - en vervolgens ten gronde beslissend: - in hoofdorde, de geïntimeerde zou veroordelen om: * binnen de 5 werkdagen na de betekening van het te wijzen arrest op straffe van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging samen met de appellante en notaris Wygaerts een datum en uur vast te leggen ten einde van de akte van 25 september 2003 een verbeterende akte te laten verlijden, met in artikel « E. OPLEG » de vermelding van het bedrag van 21.280,00 EUR in plaats van 4.680,00 EUR; * zijn overeenkomst met de appellante na te komen door aan haar het saldo van 16.600,00 EUR te betalen, vermeerderd met de vervallen nalatigheidsintresten aan de wettelijke rentevoet over de periode van 3 juni 2004 tot 17 juni 2005 en de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet over de periode van 17 juni 2005 tot 20 december 2005, hetzij 1.801,89 EUR aan intresten of 18.401,89 EUR hoofdsom inclusief intresten; * aan de appellante ter vergoeding van haar morele schade 3.500,00 EUR te betalen, vermeerderd met 122,74 EUR aan gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op het bedrag van 2.500,00 EUR over de periode van 7 juni 2005 tot 17 februari 2006 en de gerechtelijke rente op het bedrag van 3.500,00 EUR over de periode vanaf 17 februari 2006 tot de dag van daadwerkelijke en integrale betaling; * aan de appellante ter vergoeding van haar materiële schade het bedrag van 19.491,71 EUR te betalen, vermeerderd met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet over de periode van 17 februari 2006 tot de dag van daadwerkelijke en integrale betaling; - ondergeschikt: voor recht zou zeggen dat de geïntimeerde ten opzichte van de appellante een precontractuele fout en dus een onrechtmatige daad heeft gesteld door bedrog te plegen, of minstens door na te laten haar dwaling te verhelpen en de geïntimeerde er dienvolgens toe zou veroordelen om aan de appellante ter vergoeding van haar materiële en morele schade het bedrag van 41.516,34 EUR te betalen, vermeerderd met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op het bedrag van 22.991,71 EUR over de periode van 17 februari 2006 tot de dag van daadwerkelijke en integrale betaling; - de geïntimeerde in ieder geval zou veroordelen tot vergoeding van de gedingkosten in beide instanties, zoals nader begroot. De geïntimeerde vroeg in haar beroepsconclusies dat het hof het hoger beroep zou afwijzen als ongegrond. Tevens vorderde de geïntimeerde op incidenteel beroep dat het hof de initiële vordering van de appellante onontvankelijk zou verklaren. Tenslotte vorderde hij dat de appellante zou worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ten bedrage van 3.500,00 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en de kosten van de beide instanties, zoals nader begroot. Op de openbare terechtzitting van 18 september 2008 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
  5. Het hof stelt vast dat in het bestreden vonnis als eiseres G.D.B. wordt vermeld, daar waar uit de inleidende dagvaarding, de conclusies van de appellante zowel in eerste aanleg als in graad van hoger beroep alsmede uit de voorliggende stukken blijkt dat het gaat om G.D.. Deze materiële vergissing in het bestreden vonnis dient te worden verbeterd.
  6. Het hoger beroep van de appellante is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren. Eveneens werd door de geïntimeerde op regelmatige wijze incidenteel hoger beroep ingesteld.
  7. feitelijke en procedurele voorgaanden Partijen zijn bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde d.d. 23 maart 2004, in kracht van gewijsde getreden op 24 april 2004 en overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Oudenaarde op 11 mei 2004, door onderlinge toestemming uit de echt gescheiden (stuk 2 geïntimeerde). In de akte houdende regeling der wederzijdse rechten en overeenkomst voorafgaandelijk echtscheiding door onderlinge toestemming, verleden door notaris Wygaerts met standplaats te Oudenaarde op 25 september 2003, werd bepaald dat het gemeenschappelijk onroerend goed, namelijk een woonhuis op en met grond te ..., met een oppervlakte van 28 are 20 ca, zou worden toebedeeld aan de geïntimeerde. Onder « E. OPLEG » werd het volgende bepaald: « Tot slot van voormelde regeling verbindt de Heer D.C. er zich toe om voor de overname van het onroerend goed een opleg te betalen aan Mevrouw D ten belope van vierduizend zeshonderdtachtig euro (4.680,00 eur) binnen de zes weken na de overschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand. » Onder « G. DADING » werd gesteld: « De verzoekers verklaren elk respectievelijk de goederen die hun toebedeeld werden te aanvaarden en tevens toe te stemmen in alle afstanden dienaangaande; zij verklaren tevens in het bezit te zijn van de hun toebedeelde goederen en mits voormelde vereffening, van elkaar niets meer te eisen te hebben en te verzaken aan iedere andere hoegenaamd vordering aangaande voormelde goederen, rechten en schulden. Voormelde overeenkomst komt uitdrukkelijk ten titel van dading tot stand en zij gebeurt onder de gewone waarborgen in feite en in rechte inzake verdeling. Deze overeenkomst stelt volledig en definitief een einde tussen partijen aan elke inbreng, terugneming, verdeling, rekening, vereffening, en eender welk recht zowel uit hoofde van het gemeenschappelijk vermogen als van onverdeeldheden, vorderingen of aanspraken die tussen hen bestaan of zouden kunnen bestaan. » (stuk 1 geïntimeerde) Nadien weigerde de appellante om de bekrachtigingsakte te ondertekenen en ging zij voorhouden dat de werkelijke overeenkomst tussen partijen inhield dat de geïntimeerde een opleg van 21.280,00 EUR verschuldigd was, hetgeen door de geïntimeerde met klem werd betwist (stukken 3-6 geïntimeerde). De ter zake door de appellante bij de procureur des Konings wegens misbruik van vertrouwen en oplichting neergelegde klacht werd geseponeerd aangezien er volgens het parket geen sprake was van een misdrijf (stuk 7 geïntimeerde). Notaris Wygaerts lichtte bij brief van 2 december 2004 de raadslieden van beide partijen in dat er geen bekrachtigingsakte meer diende te worden ondertekend en er enkel nog een fiscale verplichting bestond, met name de betaling van de registratierechten op het overgenomen onroerend goed (stuk 9 geïntimeerde). Er werd tussen de opeenvolgende raadslieden van de appellante en de raadsman van de geïntimeerde uitvoerig briefwisseling gevoerd, dewelke evenwel niet tot een vergelijk kon leiden.
  8. Nietigheid van het bestreden vonnis De appellante is van oordeel dat het bestreden vonnis nietig is wegens schending van artikel 780, 1ste lid, 2° Ger.W. aangezien het als haar adres "..." vermeldt, daar waar dit blijkens haar in eerste aanleg genomen conclusies "..., " behoort te zijn. De geïntimeerde verwijst naar artikel 867 Ger.W. om te besluiten dat er in hoofde van de appellante geen sprake kan zijn van enige belangenschade. De artikelen 860 - 867 Ger.W. zijn evenwel enkel toepasselijk op de vormen en proceshandelingen en niet op de vonnissen en arresten buiten de - ten dezen niet dienende - gevallen die uitdrukkelijk in deze bepalingen zijn omschreven (Cass. 23 december 1996). Ingevolge artikel 780, 1ste lid, 2° Ger.W. bevat het vonnis of arrest, op straffe van nietigheid, de naam, de voornaam en de woonplaats die de partijen bij hun verschijning en hun conclusies hebben opgegeven. Deze vormvereiste maakt het mogelijk na te gaan welke personen betrokken zijn in de procedure en ter zake van wie de beslissing is gewezen (Cass. 15 oktober 1999, Arr. Cass., 1999, 537). In huidig geding bestaat er geen twijfel over de juiste identiteit van de appellante die voor de eerste rechter als eiseres is opgetreden; bovendien blijkt de vermelding van het juiste adres uit de conclusies van de geïntimeerde zodat de schending van voornoemd wetsartikel niet kan worden aangenomen.
  9. De vordering in hoofdorde van de appellante tot uitvoering van de dading en verbetering van de notariële akte van 25 september 2003 met betaling van het saldo van 16.600,00 EUR meer intrest - exceptie van dading De appellante vordert in hoofdorde de gedwongen uitvoering van de volgens haar ingevolge wilsovereenstemming tussen partijen gesloten overeenkomst (dading) en de verbetering van de desbetreffende authentieke akte (cf. beroepsconclusies appellante, blz. 15). Door de geïntimeerde wordt de exceptie van dading ingeroepen omdat de overeenkomst uitdrukkelijk werd aangegaan bij wijze van dading en partijen uitdrukkelijk hebben verzaakt aan iedere hoegenaamde vordering aangaande de tussen partijen geldende rechten. Overeenkomstig art. 2044, lid 1 B.W. is een dading een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen. Kenmerkend is dat een geschil wordt beëindigd of voorkomen door middel van wederzijdse toegevingen. Bewijsrechtelijk moet dergelijke overeenkomst schriftelijk worden opgemaakt. Volgens artikel 2052 B.W. hebben dadingen tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg. De dading heeft ten aanzien van de rechten van partijen een declaratief karakter. Door het sluiten van een dading komen partijen overeen om niet meer op hun oorspronkelijke rechtsverhouding terug te komen en hun rechtsverhouding voortaan exclusief door de dading te laten beheersen (B. TILLEMAN, I. CLAEYS, CH. COUDRON en K. LOONTJENS, « Dading », APR, 2000, nr. 865). De exceptie van dading verhindert in dit verband dat een geding over de door een dading beëindigde betwisting opnieuw aanhangig wordt gemaakt. De exceptie is werkzaam indien de nadien ingestelde vordering betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, dezelfde oorzaak en dezelfde partijen (B. TILLEMAN, I. CLAEYS, CH. COUDRON en K. LOONTJENS, o.c., nr. 883). Waar de appellante weliswaar correct voorhoudt dat artikel 2044 B.W. het geschrift terzake een dading alleen oplegt als bewijsmiddel, verliest zij verder echter uit het oog dat er in casu wel degelijk een dergelijk geschrift bestaat, waarop de geïntimeerde zich uitdrukkelijk beroept, zodat er in principe niet tegen of boven de akte kan worden bewezen. Met haar vordering tracht de appellante inzonderheid de uitvoering te bekomen van een ‘andere' dading dan deze die door de partijen op schrift werd gesteld. Door aan te voeren dat de partijen in werkelijkheid een bedrag van 21.280,00 EUR overeenkwamen als de door de geïntimeerde te betalen opleg voor de overname van het gemeenschappelijk onroerend goed en niet slechts 4.680,00 EUR zoals tot slot van alle rekeningen en ten titel van dading vermeld werd in de notariële regelingsakte, poogt de appellante op te komen tegen de schriftelijke dading die precies onder meer dit aspect van betwisting tussen partijen uitdrukkelijk heeft geregeld. De door de appellante in zeer uitvoerige conclusies uitgewerkte argumentatie inzake de uitlegging van overeenkomsten en de bewijsregeling en het door haar in dit verband aangevoerde onderscheid tussen het instrumentum en het negotium van een overeenkomst zijn in deze gelet op de schriftelijke dading niet relevant. Evenmin komt de vordering van de appellante neer op het verbeteren van een rekenfout (materiële vergissing) in de dading. Tenslotte stelt zij uitdrukkelijk geen vernietiging van de dading te vorderen wegens dwaling of bedrog. De appellante heeft derhalve niet langer het recht om op grond van een beweerde oorspronkelijke rechtsverhouding te vorderen. Haar in hoofdorde geformuleerde vorderingen tot uitvoering van de dading, tot ‘verbetering' van de notariële akte van 25 september 2003 en tot betaling van het volgens haar verschuldigde saldo, dienen onontvankelijk te worden verklaard zodat het het hof niet toekomt om over de gegrondheid van de voornoemde vorderingen te oordelen. Evenmin kan het hof in dit verband aan notaris Wygaerts en/of de N.V. ING België bevelen om welkdanige stukken over te leggen.
  10. De vordering in hoofdorde van de appellante tot schadevergoeding wegens opzettelijke wanprestatie De vordering tot het bekomen van schadevergoeding valt buiten het bestek van de exceptie van dading en is ontvankelijk. De appellante grondt deze vordering op de beweerdelijk verkeerde vermelding van de opleg in de notariële akte van 25 september 2003, en verwijt de geïntimeerde op dit punt kwade trouw en opzettelijke wanprestatie. Deze vordering is als accessorium van de vorderingen tot uitvoering van de dading, tot verbetering van de notariële akte en betaling van het saldo te beschouwen, en gelet op de onontvankelijkheid van die vorderingen (zie supra nr. 5), ongegrond.
  11. De vordering in ondergeschikte orde van de appellante tot schadevergoeding wegens precontractuele fout 7.a. Ook deze vordering dient ontvankelijk te worden verklaard nu ze buiten het bestek van de exceptie van dading valt. 7.b. De appellante roept in eerste instantie bedrog vanwege haar wederpartij in. Zij poneert ter zake dat de geïntimeerde bewust zou hebben verzwegen dat de financiële waarde van haar onverdeeld aandeel in het onroerend goed niet in de in de notariële akte vermelde opleg was begrepen. Er is sprake van bedrog wanneer een partij kunstgrepen of listen aanwendt om de andere partij op grond van een verkeerde voorstelling van zaken tot het sluiten van een overeenkomst te bewegen. Bedrog omvat een materieel element, namelijk de kunstgreep of de list, en een moreel element, te weten het opzet om de wederpartij te misleiden. Bedrog wordt niet vermoed, maar moet worden bewezen, hetgeen de appellante in gebreke blijft te doen. Waar de partijen een dading gesloten hebben, werden wederzijdse toegevingen gedaan die evenwel niet objectief gelijkwaardig dienen te zijn. Bovendien is men niet verplicht om de wederzijdse toegevingen expliciet in de dadingovereenkomst te vermelden. Hoe de partijen tot de in de notariële akte vermelde opleg zijn gekomen, kan en dient niet te worden aangetoond. De appellante bewijst niet dat de geïntimeerde opzettelijk zou hebben gezwegen met het doel om haar te laten dwalen. Noch het feit dat een schattingsverslag werd opgesteld om de waarde van het gemeenschappelijk onroerend goed te betalen, noch de eenzijdige nota's van de appellante of haar raadsman of de officiële briefwisseling in verband met de onderhandelingen EOT vermogen zulks aan te tonen. 7.c. Verder houdt de appellante voor dat zij verschoonbaar zou hebben gedwaald over de inhoud, de betekenis en het doel van de notariële akte en dat de geïntimeerde die dwaling bewust foutief zou hebben laten voortbestaan. Dwaling is een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid die een partij ertoe brengt de overeenkomst te sluiten. Overeenkomstig art. 1109 B.W. is dwaling alleen dan oorzaak van nietigheid van de overeenkomst wanneer ze de zelfstandigheid betreft van de zaak die het voorwerp van de overeenkomst uitmaakt. De zelfstandigheid van de zaak betreft elk element waaraan een partij op een voor de tegenpartij kenbare wijze een doorslaggevend belang heeft gehecht bij het sluiten van de overeenkomst. De dwaling moet verschoonbaar zijn. Dwaling omtrent het voorwerp van het geschil, zoals door de appellante ingeroepen, impliceert een dwaling omtrent de verbintenissen (de rechten en verplichtingen) die resulteren uit de dadingovereenkomst. Ook op dit punt kan de appellante niet worden gevolgd. De notariële akte van 25 september 2003 vermeldt onder de titel opleg zeer duidelijk het desbetreffend door de geïntimeerde verschuldigd bedrag. Daar komt nog bij dat de notariële akte het resultaat was van onderhandelingen tussen de partijen, dat de appellante de notariële akte vóór het verlijden in ontwerp ter nazicht heeft ontvangen en dat de notaris de akte integraal aan de partijen heeft voorgelezen. De beweerde dwaling van de appellante kan in de gegeven omstandigheden hoe dan ook niet verschoonbaar genoemd worden. Het feit dat ze mogelijks verkeerd werd geadviseerd door één van haar vorige raadslieden doet hieraan geen afbreuk. 7.d. De vordering in ondergeschikte orde van de appellante tot het bekomen van schadevergoeding is derhalve ongegrond.
  12. Het hof voldoende voorgelicht zijnde ziet geen noodzaak om vooraleer ten gronde te beslissen, de door de appellante gevorderde onderzoeksmaatregelen te bevelen.
  13. De tussenvordering wegens tergend en roekeloos geding van de geïntimeerde Elke rechtzoekende moet de mogelijkheid hebben zich tot de rechter te wenden om recht te bekomen. Er is slechts aanleiding tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding indien de rechtshandeling wordt gesteld met een onaanvaardbare lichtzinnigheid of indien er sprake is van kwade trouw. Een dergelijke lichtzinnigheid wordt in casu niet aangetoond door de geïntimeerde, terwijl er evenmin wordt bewezen dat de vordering door de appellante kwaadwillig of met dilatoire bedoelingen werd ingesteld. Het is niet omdat de appellante, zowel in eerste aanleg als in deze instantie, naar recht faalt dat meteen het tergend en/of roekeloos karakter vast staat van haar handelwijze. De eerste rechter heeft de tussenvordering terecht als ongegrond afgewezen.
  14. De gerechtskosten 10.a. Het hof stelt vast dat de artikelen 2 tot 12 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten, verbonden aan de bijstand van een advocaat (B.S. 31 mei 2007) van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden. Het artikel 10 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger.W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2007) bepaalt dat deze nieuwe regeling in werking treedt op 1 januari
  15. De rechtsplegingsvergoedingen dienen evenwel te worden vereffend volgens de wetgeving overeenkomstig de tarieven die gelden op het ogenblik van de einduitspraak waarop ze betrekking hebben. In die zin dienen de rechtsplegingsvergoedingen in eerste aanleg te worden vereffend volgens de oude wetgeving. Door de eerste rechter werd op passende wijze beslist over de kosten en de bovenvermelde wetswijziging heeft geen invloed op de kostenregeling in eerste aanleg vermits de kosten dienen te worden vereffend volgens de wetgeving en overeenkomstig de tarieven die gelden op het ogenblik van de einduitspraak waarop ze betrekking hebben. Dit wordt niet in de weg gestaan door het feit dat artikel 9 van het K.B. van 26 oktober 2007 vermeldt dat het K.B. van 30 november 1970 wordt opgeheven. Het gebruik van de term "opheffing" houdt, anders dan "intrekking", een verwijzing in naar het einde van de gelding van de norm voor de toekomst. De door die norm bepaalde rechtsgevolgen worden niet meer gehecht aan feiten die zich voordoen nà de opheffing. De opheffing van een rechtsnorm sluit in de regel de toepassing van die norm op feiten die zijn voorgevallen vóór die opheffing niet uit. De rechtsnorm in nog niet geheel uit de rechtsorde verdwenen. 10.b. Wat de kosten in deze instantie betreft dienen deze onder toepassing van artikel 1017 lid 1 Ger.W. eveneens ten laste gelegd te worden van de appellante. De geïntimeerde vordert overeenkomstig het huidig artikel 1022 Ger.W. en overeenkomstig artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 de maximale rechtsplegingsvergoeding van 5.000,00 euro. Het hof is van oordeel dat er geen reden is om af te wijken van het basisbedrag van 2.500,00 euro nu de zaak niet dermate complex was dat dit partijen noodzaakte tot uitvoerige conclusies. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart dat de familienaam van de appellante wordt geschreven als "D." en niet als "D.B." zoals weergegeven in het bestreden vonnis. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet voor zover het de vorderingen in hoofdorde van de appellante tot uitvoering van de dading en tot verbetering van de notariële akte van 25 september 2003 met betaling van het saldo van 16.600,00 EUR, meer intrest, ontvankelijk doch ongegrond verklaarde en dienaangaande opnieuw wijzende, verklaart de voornoemde vorderingen van de appellante onontvankelijk. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige. Verwijst de appellante in de kosten van deze instantie, aan de zijde van de geïntimeerde begroot op 2.500,00 EUR rechtsplegingvergoeding. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 16 oktober 2008, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.