← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081016.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081016.7 Rolnummer: Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2010-11-16 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 18:07 Fiche Een Belgische vrouw met Nederlandse echtgenoot vordert voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure. De echtelijke woonplaats is in België. In casu is de Belgisch rechter bevoegd en is Belgisch recht van toepassing. Bij wijze van bewarende maatregel beveelt het hof de voorlegging van rekeninguittreksels en alle relevante bescheiden m.b.t. de tewerkstelling, ontslag en wedertewerkstelling. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Dringende en voorlopige maatregelen Vrije woorden: Voorlopige maatregelen echtscheidingsprocedure - Onderhoudsverplichting tussen echtgenoten en jegens kinderen - Internationale bevoegdheid - Art. 5.2 Brussel I Vo - Toepasselijk recht - Art. 74, § 1 WIPR - Ouderlijk gezag - Internationale bevoegdheid - Art. 42 WIPR - Toepasselijk recht - Art. 48, § 1, 1° WIPR Art. 19, § 2 Ger. W. - bewarende maatregel - overlegging stukken. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de ter Kamer ________ Terechtzitting van 16 oktober 2008 ________ EEX-Vo ________ TUSSENARREST 2008/RK/142 - In de zaak van: U................... F................., laborante, wonende te .............................................., appellante, hebbende als raadsman mr. DE MULDER Wim, advocaat te 9000 GENT, Tentoonstellingslaan 54, tegen: T..............P...................., dokter in de dierengeneeskunde, wonende te ...................................................., doch die woonplaats heeft gekozen op het kantoor van zijn raadsman, hierna vermeld, geïntimeerde, die bij de behandeling van de zaak -ter terechtzit-ting van 11 september 2008- in persoon is verschenen, hebbende als raadsman mr. VAN ACKER Jean, advocaat te 9000 GENT, Fortlaan 28, velt het hof het volgend arrest: Het hoger beroep behelst de beschikkingen verleend op 6 februari 2008 en op 14 maart 2008 in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Daarin werd geoordeeld over de gevorderde voorlopige maatregelen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 11 september 2008 bij monde van hun raadslieden. De geïntimeerde verscheen alsdan tevens in persoon. Advocaat-generaal Philippe GYSBERGS werd ter zelfde terechtzitting gehoord in zijn, gelet op de omstandigheden van de zaak, mondeling gegeven advies. De partijen werden daarop gehoord in hun opmerkingen. Het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken voorlopig ter uitzondering van de stukken 4 en 19 van de geïntimeerde (zijnde ook de stukken in kaft XXVI van de appellante) en de stukken in de kaften XXVII en XXVIII van de appellante, waarvan telkenmale de rechtmatigheid ter discussie staat werden ingezien. De stukken waarvan het hof -om redenen zoals infra toegelicht- derhalve vooralsnog abstractie maakt zijn deze geïnventariseerd als volgt: - stuk 4 van de geïntimeerde: ‘schrijven van de heer Th. Schön + vertaling'; - stuk 19 van de geïntimeerde: ‘schrijven van P..... M......dd. 22/02/2008 (+ vertaling)'; - stukken in de kaft XXVII van de appellante: ‘ 1. Voorstel van dadingovereenkomst 2. Cijfermatige berekening van het gedane voorstel 3. E-mail met bevestiging ondertekening dadingovereenkomst 4. Eigen nota's van de geïntimeerde over de aan hem uitbetaalde bedragen.' - stukken in de kaft XXVIII van de appellante: ‘ 1. Rekeninguittreksel RABOBANK Nederland 2. Schrijven van de vermogensbeheerder van UBS BANK (Zwitserland) aan geïntimeerde.' de relevante procedurevoorgaanden en de vorderingen 1. De partijen huwden op 30 juli 1986 te Gent. Zij zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen naar Belgisch recht ingevolge huwelijkscontract verleden voor het ambt van notaris Jean REMY met standplaats te Ukkel op 22 juli 1986 (stuk 1 Kaft II appellante). Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, met name: - O.............. T......................., geboren te Gent op 26 mei 1993; - L.............. ................. geboren te Gent op 22 september 1995. 2. Enkel die maatregelen van de bestreden beschikkingen die rele-vant zijn voor de beoordeling van het hoger beroep worden hier-na aangehaald. 2.1. In de tussenbeschikking d.d. 6 februari 2008 werd de geïnti-meerde veroordeeld tot de betaling aan de appellante van een persoonlijke onderhoudsuitkering van 1.500 EUR vanaf 1 de-cember 2007 tot en met 29 februari 2008. Er werd besloten tot de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag over de kinderen van de partijen, naast de voorlopige inschrijving in de bevolkingsregisters op het adres van de appellante als hebbende aldaar hun hoofdverblijfplaats. Vooraleer definitief te oordelen over

(1)de hoofdverblijfplaats en verblijfsregeling voor de kinderen
(2)de onderhoudsbijdragen voor deze kinderen,
(3)de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante vanaf 1 maart 2008 werd beslist om de kinderen en de partijen vooraf te horen. Een vervreemdings- en bezwaringsverbod werd opgelegd wat betreft enig onverdeeld of eventueel gemeenschappelijk goed. Notaris Anton SINTOBIN met standplaats te Zelzate en notaris Maarten DUYTSCHAEVER met standplaats te Gentbrugge wer-den aangesteld ter inventarisering van het persoonlijk, onver-deeld en eventueel gemeenschappelijk vermogen van de partij-en, voor zover geen onderhandse boedelbeschrijving mogelijk is. Wat betreft de vraag van de appellante tot overlegging van fi-nanciële documenten werd beslist wat volgt: ‘De eiseres vraagt de veroordeling van de verweerder tot overlegging van alle afschriften van de door hem aangehouden financiële tegoeden bij derden (financiële instellingen, verzeke-ringsmaatschappijen, enz.) vanaf 17 augustus 2007, zijnde de datum van het ontstaan van de feitelijke scheiding van partijen. De verweerder legt onder zijn stukken 11, 12 en 13 kopie voor van zijn tegoeden bij Citibank (Keulen) per 17 december 2007 - bij de Keytrade Bank per 18 december 2007 en bij de Citibank (België) per 1 september
  1. Voor het overige stelt hij terecht dat naar aanleiding van de inventaris van de goederen van de partijen, hij opgave zal dienen te doen van de goederen (en gelden) in zijn bezit.' De desbetreffende vordering werd als niet gegrond afgewezen. De beslissing nopens de kosten werd aangehouden. 2.
  2. Volgde dan de tussenbeschikking d.d. 15 februari 2008 waarin aan de partijen akte werd gegeven van hun akkoord wat betreft het bijkomend verblijf van O..............bij haar vader, zoals nader beschreven. Dit laatste komt neer op een veertiendaags weekendverblijf en een verblijf tijdens de paasvakantie
  3. Voor Laura werd een voorlopig bijkomend verblijf bij haar vader over-eengekomen om de veertien dagen op zondag en tijdens de paasvakantie
  4. De evaluatie en de beoordeling van de verblijfsregelingen werden in voortzetting gesteld op een nader bepaalde datum. Dezelfde beslissing werd genomen voor de beoordeling van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen en de persoonlijke on-derhoudsuitkering voor de appellante vanaf 1 maart 2008, weliswaar op een andere datum. 2.
  5. In de eindbeschikking d.d. 14 maart 2008 werd derhalve enkel beslist over voormelde onderhoudsgelden. De geïntimeerde werd veroordeeld tot de betaling aan de appellante van een indexgebonden maandelijkse onderhoudsbijdra-ge/onderhoudsuitkering van: - 450 EUR per kind vanaf 1 december 2007 tot en met 29 februari 2008, meer de internaatskosten van O............... voor het tweede trimester van het schooljaar 2007-2008 (810 EUR); - 350 EUR voor L............... vanaf 1 maart 2008; - 500 EUR voor de appellante persoonlijk vanaf 1 maart
  6. Vanaf 1 maart 2008 werd de geïntimeerde daarenboven veroordeeld tot de betaling van de internaatskosten van O............. Voorts werd bepaald dat vanaf 1 maart 2008: - de appellante voor 1/3 en de geïntimeerde voor 2/3 zouden betalen voor de nader omschreven buitengewone kosten van O...............; - elke partij de helft zou betalen van de nader beschreven buitengewone kosten van L..............; dit aandeel opeisbaar zijnde binnen de 8 dagen na voorlegging van het stavingsstuk waaruit de buitengewone kost blijkt én mits voorafgaand akkoord tussen de partijen wat de kosten van de buitenschoolse activiteiten van de kinderen betreft en de eventu-le huurkosten van een studentenkamer. De uitspraak over de kosten werd aangehouden. Het meer of anders gevorderde werd als niet gegrond afgewe-zen. In conclusies, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 14 februari 2008, en in syntheseconclusies neergelegd ter zelfde griffie op 20 februari 2008 werd immers door de appellante in uiterst ondergeschikte orde gevraagd om, alvorens ten gronde te oordelen, op grond van art. 871-877 Ger.W. de geïntimeerde te bevelen om de volgende stukken over te leggen: - kopie van de originele opzeggingsbrief; - kopie van de dadingsovereenkomst die hij heeft gesloten met zijn werkgever aangaande de modaliteiten van de verbreking van de arbeidsovereenkomst; - de bewijzen van de démarches die de geïntimeerde sedert juli
(2008)heeft ondernomen om een nieuwe betrekking te vinden; dit alles binnen de 14 dagen na de datum van de te verlenen beschikking. 3.1. Wat betreft de tussenbeschikking d.d. 6 februari 2008 vraagt de appellante in haar appèlakte neergelegd ter griffie van het hof op 30 mei 2008- om de geïntimeerde te veroordelen tot de over-legging van alle rekeninguittreksels van alle bancaire tegoeden die hij heeft aangehouden in de periode van 1 januari 2000 tot en met 17 augustus 2007 (op zijn naam of mede op zijn naam) bij de N.V. CITIBANK BELGIUM, de N.V. KEYTRADE BANK en de N.V. DEXIA en dit binnen de twee maand na betekening aan hem van het te wijzen arrest. Zij vordert een dwangsom van 5.000 EUR te verbeuren per maand vertraging na de betekening van het te wijzen arrest. 3.2. Wat betreft de eindbeschikking d.d. 14 maart 2008 betracht de appellante een hervorming m.b.t.: - de persoonlijke onderhoudsuitkering voor haar vanaf 1 maart 2008; - de onderhoudsbijdragen voor de kinderen en de bijdrage in de buitengewone kosten voor L...........vanaf 1 maart 2008; - de afwijzing van de vordering tot overlegging van nader omschreven stukken. De appellante betracht een verhoging van de haar vanaf 1 maart 2008 toegekende persoonlijke onderhoudsuitkering tot 1.500 EUR per maand, met indexbinding. De appellante wenst eveneens een verhoging te bekomen van de onderhoudsbijdrage voor L.............. vanaf 1 maart 2008 tot 450 EUR per maand, met indexbinding. Wat betreft de onderhoudsbijdrage voor O............... vanaf 1 maart 2008 wil de appellante een hervorming in die zin dat een aangepaste onderhoudsbijdrage zou worden opgelegd in functie van de bestaande verblijfsregeling. De appellante beoogt tevens een hervorming van de desbetreffende eindbeschikking waar haar vordering tot toepassing van de art. 871-877 Ger.W. werd afgewezen. Zij vordert in hoofde van de geïntimeerde de overlegging van: - de opzeggingsbrief; - de dadingsovereenkomst met de ex-werkgever; - de bewijzen van het zoeken naar werk; dit binnen de 15 dagen na betekening van het te wijzen arrest en onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per maand vertraging na de desbetreffende betekening. Tenslotte vraagt de appellante de verwijzing van de geïntimeerde in de kosten van deze aanleg, zoals nader begroot. 3.3. In haar conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 31 juli 2008, breidt de appellante haar vordering sub 3.1. uit wat betreft de banken voor de overlegging van rekeningsuittreksels met de bancaire tegoeden. Er worden thans stukken gevraagd van: - de N.V. CITIBANK BELGIUM; - de N.V. CITIBANK DUITSLAND (aanvullend); - de N.V. KEYTRADE BANK (België); - de N.V. DEXIA BANK (België); - RABOBANK NEDERLAND (aanvullend); - UBS BANK SUISSE (UBS SA) (aanvullend). De appellante specificeert en breidt haar vordering sub 3.2. uit en vordert de overlegging van volgende bescheiden met betrek-king tot zijn ontslag: - de opzegging door P........ M............aan de geïntimeerde gegeven; - de definitieve dadingovereenkomst (Settlement Agreement) welke m.b.t. de beëindiging van zijn functie is tot stand geko-men tussen de Gmbh PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES en de geïntimeerde alsook de documenten van uitbetaling van de dadingsovereenkomst; - de bewijzen van démarches die de geïntimeerde sedert zijn ontslag heeft ondernomen om opnieuw beroepsactief te kun-nen zijn, desgevallend het nieuwe arbeidscontract. 4.1. In zijn conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 14 juli 2008, concludeert de geïntimeerde, wat betreft de vordering tot overlegging van rekeninguittreksels ‘vanaf 1 januari 2007' (sic) tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid ervan met bevestiging van de bestreden beschikking. In dezelfde zin concludeert hij wat betreft de vordering tot over-legging van de bescheiden aangaande de beëindiging van de arbeidsrelatie en de initiatieven inzake een nieuwe arbeidsbe-trekking. Voor het overige vraagt hij de zaak ‘naar de bijzondere rol te ver-zenden' (sic), kosten voorbehouden. 4.2. In zijn conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 14 augus-tus 2008, volhardt de geïntimeerde. Tevens vraagt hij de stukken ondergebracht in de kaften XXVII en XXVIII van de appellante uit de debatten te weren. Daarbij aansluitend vordert hij de appellante te verplichten tot aanpas-sing van haar conclusies -in die zin dat alle verwijzingen naar deze stukken dienen te worden weggelaten- en van haar vorde-ring. Ondergeschikt beoogt de geïntimeerde onderhavige procedure te doen schorsen tot zolang het strafonderzoek op zijn klacht bij de gerechtelijke autoriteiten te Vlissingen (Nederland) niet werd afgehandeld. Minstens vraagt hij de persoonlijke verschijning van de appellan-te teneinde uitleg te verschaffen omtrent de wijze waarop zij in het bezit kwam van de in haar kaften XXVII en XXVIII onderge-brachte stukken. beoordeling de internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht 1. Volgens de vermeldingen in het huwelijkscontract d.d. 22 juli 1986 had de geïntimeerde alsdan de Nederlandse nationaliteit. Aangenomen wordt dat de geïntimeerde nog steeds de Neder-landse nationaliteit heeft. Hij woont thans in Nederland. De appellante heeft de Belgische nationaliteit. De laatste echtelijke woonplaats van de partijen was gevestigd te 9051 Sint-Denijs-Westrem, alwaar de appellante is blijven wo-nen. Gelet op het grensoverschrijdend karakter van het geschil is het hof ambtshalve ertoe gehouden zijn internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht te onderzoeken. 2. Deze bevoegdheid staat vast overeenkomstig art. 5.2. van Ver-ordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerleg-ging in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) voor wat betreft de onderhoudsbijdragen voor de kinderen en de persoonlijke on-derhoudsuitkering voor de appellante persoonlijk. De territoriale bevoegdheid van de eerste rechter staat daaren-boven vast ingevolge art. 628, 1 en 2e Ger.W.. Door het WbIPR wordt in art. 74 § 1 WbIPR het Belgisch recht als toepasselijk recht aangewezen met betrekking tot de gevor-derde onderhoudsbijdrage voor de kinderen en de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante. Art. 42 WbIPR en art. 48 § 1, 1e WbIPR zijn tenslotte relevant voor wat betreft de overige betwistingen tussen de partijen, zo-wel wat betreft de bevoegdheid van de Belgische rechter als wat betreft de toepassing van het Belgisch recht. de vraag van de geïntimeerde tot wering uit de debatten van de stukken van de appellante in haar kaften XXVII en XXVIII 1. De geïntimeerde voert ter staving van zijn vraag tot wering voor-eerst aan dat deze stukken hem nooit werden medegedeeld in het kader van de procedure. Het hof stelt vast dat de desbetreffende stukken door de appel-lante werden geïnventariseerd in de inventaris die deel uitmaakt van haar conclusies, neergelegd ter griffie op 31 juli 2008. Van een mededeling in der minne ligt weliswaar geen bewijs voor. Het volledige dossier met stukken werd echter reeds op 4 sep-tember 2008 ter griffie van het hof neergelegd, alwaar de geïnti-meerde er kennis van kon nemen. Bovendien blijkt uit het concreet verweer dat de geïntimeerde voert in zijn conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 14 augustus 2008, p 3 sub
  1. a)en
  2. b)dat hij wel degelijk van de in-houd van deze stukken kennis nam. Er is in de gegeven omstandigheden geen aanleiding tot toepas-sing van de sanctie vervat in art. 740 Ger.W. 2. Vervolgens beweert de geïntimeerde dat deze stukken op een wederrechtelijke/onrechtmatige manier in het bezit zijn gekomen van de appellante. Hij houdt voor dienaangaande klacht te hebben neergelegd bij de bevoegde gerechtelijke instanties wegens huisvredebreuk en diefstal van tenminste die documenten uit zijn woning te Vlissin-gen. Enig bewijs van deze beweerde strafklacht ontbreekt tot dusver. De aard van de kort geding procedure ex art. 1280 Ger.W. ver-eist onverwijld een voorlopige behandeling van geschillen zonder dat daarbij de grond van de zaak wordt beslecht. Er is dan ook geen aanleiding tot schorsing van onderhavige procedure tot na afhandeling van het beweerd strafonderzoek. 3. Nog afgezien van de vaststelling dat tot nog toe geen bewijs van enige onrechtmatigheid in de bewijsgaring wordt geleverd, be-houdt het hof de beoordeling van de bewijswaarde van de litigi-euze stukken van de appellante aan bij de te beslechten overige geschilpunten. Immers zijn de stukken vervat in de kaften XXVII en XXVIII van de appellante, noch haar overwegingen in dit verband, noodza-kelijk ter beoordeling van haar verzoek ex art. 19 § 2 Ger.W. zo-als infra uiteengezet. Het hof oordeelt dus dienaangaande zonder voorlopig acht te slaan op voormelde stukken en de aanverwante overwegingen. de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de tussenbe-schikking d.d. 6 februari 2008 De geïntimeerde houdt tevergeefs voor dat de vordering van de appellante tot overlegging van rekeninguittreksels met ingang van 1 januari 2000 -daar waar in eerste aanleg slechts overleg-ging werd gevorderd vanaf 17 augustus 2007- als nieuwe voor het eerst in graad van beroep gestelde vordering niet ontvanke-lijk zou zijn. De appellante, tevens oorspronkelijke eiseres, is evenwel ge-rechtigd haar initiële vordering overeenkomstig art. 807 Ger.W. (1042 Ger.W.) uit te breiden. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de eindbeschik-king d.d. 14 maart 2008 Zoals blijkt uit de hoger aangehaalde uiteenzetting van de rele-vante procedurevoorgaanden sub 2.3. is de afwijzing van de vordering tot overlegging van een aantal bescheiden inzake het ontslag en een eventuele nieuwe tewerkstelling van de geïnti-meerde wel degelijk gebeurd in de eindbeschikking d.d. 14 maart 2008. De exceptie van onontvankelijkheid van de geïntimeerde -voor-houdend dat het hoger beroep tegen de verkeerde beschikking zou zijn gericht- faalt naar recht. Ook dit hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. de vraag tot overlegging van een aantal nader beschreven finan-ciële bescheiden (beperkt beroep tegen tussenbeschikking d.d. 6 februari 2008) 1. Bij vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, vijfde kamer, d.d. 10 april 2008 werd de echtscheiding uit-gesproken op grond van art. 229 § 1 B.W (stuk 28 geïntimeer-de). Dit vonnis werd betekend op 25 april 2008. Het blijkt evenwel niet dat de echtscheiding inmiddels in kracht van gewijsde is getreden. Geen van de partijen voert dit aan. 2. In de gedinginleidende dagvaarding d.d. 11 december 2007 vor-derde de appellante reeds bij wijze van bewarende maatregel de overlegging van alle afschriften van door de geïntimeerde aan-gehouden financiële tegoeden bij derden (financiële instellingen, verzekeringsmaatschappijen, enz.) op datum van de feitelijke scheiding (17 augustus 2007). De appellante verwijst naar een clausule in art. 6 van het huwe-lijkscontract ‘Rekeningen tussen echtgenoten' waarin werd be-dongen wat volgt: ‘...En zolang de echtgenoten samen een gezin zullen vormen, zullen de besparingen der echtgenoten, welke de oorsprong van deze besparingen weze, tussen hen voor de helft verdeeld wor-den. Elke echtgenoot zal naar goeddunken over zijn helft be-schikken...' Daaruit leidt de appellante af dat alle besparingen die gedurende het huwelijk tot aan het ontstaan van de feitelijke scheiding zijn verricht beschouwd worden als in onverdeeldheid tussen de par-tijen. De appellante houdt voor dat met het inkomen van de geïnti-meerde maandelijkse besparingen konden worden verricht, on-der meer bij buitenlandse banken, en dat geen verdeling plaats-greep op één spaarrekening na. In onderhavige beroepsprocedure dringt de appellante aan op een overlegging van die stukken vanaf 1 januari 2000. 3.1. Met haar onder kaft XXV overgelegde stukken bewijst de appel-lante haar pogingen om tot inventarisatie van de eigen, onver-deelde en gemeenschappelijke activa van de partijen te doen overgaan met overlegging van een aantal nader beschreven be-scheiden. 3.2. Uit de brief d.d. 27 mei 2008 van de raadsman van de appellante aan de notarissen Anton SINTOBIN en Maarten DUYTSCHAEVER, waarvan kopie werd gericht aan de raads-man van de geïntimeerde, blijkt dat, na vergeefse inspanningen om vroeger een datum te kunnen vaststellen voor inventarisatie, uiteindelijk dagstelling werd bepaald op 10 juni 2008. De raadsman van de appellante verwijst in het desbetreffend schrijven andermaal naar art. 6 alinea 4 van het huwelijkscon-tract. Zij vordert daarin dat de partijen, naar aanleiding van de in-ventarisatie, zeer precies al hun financiële tegoeden (tegoeden bij banken van welke aard ook en tegoeden van verzekerings-maatschappijen) kenbaar zouden maken op datum van 18 au-gustus 2007 (datum van feitelijke scheiding) (sic), welke verkla-ringen dienen gestaafd te worden door een rekeninguittreksel van het bestaande tegoed. 3.3. Bij niet-vertrouwelijke brieven d.d. 16 juli en 28 juli 2008 herinnert de raadsman van de appellante de raadsman van de geïnti-meerde aan voormeld schrijven en vraagt hij hem de gegevens te willen overmaken. 3.4. In haar conclusies, neergelegd ter griffie op 31 juli 2008, licht de appellante toe dat de inventarisatie werd aangevat op 10 juni 2008. De raadsman van de geïntimeerde zou alsdan ter kennis hebben gebracht dat ‘ ...hij tegen een volgende vacatie terug de drie stukken zou overhandigen van de banken die reeds een attest hadden afgeleverd, maar dan met de stand op datum van inlei-ding van de echtscheidingsprocedure...'. De eerste vacatie werd vervolgens stopgezet omdat de appellan-te om medische redenen bij spoed diende te worden wegge-voerd. Thans zou de inventarisatie zijn verder gezet in september 2008, echter nadere gegevens nopens de stand daarvan ontbreken. Eén en ander is niet tegengesproken door de geïntimeerde. 4.1. De appellante situeert haar verzoek terecht los van enige geanti-cipeerde vereffening-verdeling -waarmede het hof zich in onder-havige kort geding procedure overigens niet kan inlaten-, maar als een vraag tot vrijwaring van bewijsmateriaal. De vrees van de appellante dat bewijsmateriaal zou kunnen ver-loren gaan komt het hof gegrond voor. Het staat immers vast dat: - de datum van de feitelijke scheiding voor de partijen verschilt (voor de geïntimeerde in oktober 2004, in plaats van op 17/18 augustus 2007 voor de appellante); - de echtscheiding ten verzoeke van de geïntimeerde werd op-gestart bij dagvaarding d.d. 19 november 2007; - de echtscheidingsprocedure nog hangende is en de eigenlijke vereffening-verdeling niet onmiddellijk zal kunnen worden op-gestart; - de notariële werkzaamheden van inventarisatie in het kader van onderhavig kort geding een problematische aanvang ken-nen; - de geïntimeerde sedert augustus 2007 reeds driemaal zijn domicilie heeft gewijzigd (stukken 23, 26 en 27 geïntimeerde) en in het buitenland verblijft; - de geïntimeerde beweert zonder inkomsten te zijn sedert maart 2008. Bovendien houdt de appellante voor dat, op één na, alle reke-ningen uitsluitend op naam staan van de geïntimeerde, hetgeen deze evenmin tegenspreekt. Enig bewijs dat aan voormeld verzoek sub 3.2. en 3.3. van de appellante gevolg werd gegeven door de geïntimeerde ligt niet voor. Wel heeft de geïntimeerde in eerste aanleg zijn stukken 6, 11, 12 en 13 overgelegd, volgens hem ‘alle documenten inzake zijn in-komsten'. Het stuk 6 betreft een uittreksel op naam van de appellante d.d. 31 december 2004 van een spaarrekening 850-0460083-10 met een opgegeven kapitaal van 43.590,92 EUR. Het stuk 11 betreft een schrijven d.d. 17 december 2007 aan de geïntimeerde van de CITIBANK te Köln m.b.t. een rekening-nummer 1802613668, tevens een spaarrekening. Er wordt me-degedeeld dat het tegoed op de zichtrekening per 17 augustus 2007 18.344,11 EUR bedroeg en op de spaarrekening 500 EUR. Het stuk 12 betreft een schrijven d.d. 18 december 2007 aan de geïntimeerde van de KEYTRADE BANK te Brussel. Er wordt medegedeeld dat het tegoed op de zichtrekening per 17 augus-tus 2007 4.121,11 EUR bedroeg en op de spaarrekening 2.373,72- EUR. Het stuk 13 betreft een uittreksel op naam van de geïntimeerde over de periode van 2 augustus 2007 tot 1 september 2007 be-treffende de afsluiting van de rekening nummer 953-0519327-55 bij de CITIBANK (CITIGOLD) waarop per 2 augustus 2007 een saldo stond van 21,87 EUR. 4.2. De appellante vordert thans een overlegging van stukken met in-gang van 1 januari 2000. Zij motiveert dit verzoek omdat zij gedurende het huwelijk tot het ontstaan van de feitelijke scheiding geen zicht heeft op de om-vang van de gespaarde tegoeden, die zij, op grond van het hu-welijkscontract, beschouwt als in onverdeeldheid tussen de par-tijen. Zij voert aan dat de geïntimeerde vóór de feitelijke scheiding van de door hem opgegeven rekeningen overschrijvingen naar ande-re voor haar niet gekende rekeningen kan hebben gedaan en vordert daarom retroactief de overlegging van rekeninguittrek-sels. 5. Zuiver bewarende maatregelen betreffende de goederen van de partijen zijn mogelijk, waarbij geen maatregelen kunnen geno-men worden die de rechten van partijen op definitieve of onher-roepelijke wijze regelen. Het staat onbetwistbaar vast dat (de medewerking aan) de be-wijslevering door de geïntimeerde in zekere mate stroef verloopt. Het verzoek van de appellante kan, naar het oordeel van het hof, worden ingewilligd in de mate zoals in het dictum van dit arrest bepaald. Door deze maatregelen kunnen de partijen naderhand, in het kader van de vereffening-verdeling, niet benadeeld worden. Het hof neemt aan dat de geïntimeerde minstens loyaal onder-havig arrest zal uitvoeren zodat vooralsnog niet wordt ingegaan op het verbeuren van een dwangsom. de vraag tot overlegging van een aantal nader beschreven be-scheiden m.b.t. het ontslag van de geïntimeerde (deel van het hoger beroep tegen de eindbeschikking d.d. 14 maart 2008) 1. Onder meer de hierna volgende criteria zijn relevant bij de be-oordeling van de persoonlijke onderhoudsvordering én van deze voor de kinderen. Onderhoudsgeld op grond van art. 213 B.W. tijdens de duur van de echtscheiding wordt bepaald in functie van, enerzijds, de in-komsten en de mogelijkheden van de onderhoudsplichtige en, anderzijds, de behoeften van de onderhoudsgerechtigde. Overeenkomstig artikel 203 § 1 B.W. dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. De beide ouders moeten daarin bijdragen naar evenredigheid van hun inkomsten en mogelijkheden en naargelang de noden van de kinderen. 2. Naar het oordeel van het hof zijn de tot dusver door de geïnti-meerde overgemaakte stukken en mededelingen (voor zover voorlopig in het debat) niet voldoende om een analyse van zijn (potentiële) inkomsten te kunnen maken vanaf 1 maart 2008. De partijen dienen mee te werken aan de bewijslevering, op straffe van ertoe gedwongen te worden. In conclusies, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 14 februari 2008, diende de geïntimeerde reeds gesommeerd te worden tot overlegging van de hoger aan-gehaalde stukken. Deze vraag volgde op een niet-vertrouwelijk schrijven d.d. 12 februari 2008, in aansluiting met de persoonlijke verschijning van de partijen voor de voorzitter op zelfde datum (kaft XXII appellante). De geïntimeerde legde tot dusver de stukken 4 en 19 (verklarin-gen van de personeelsdirecteur van PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES GmbH) en het stuk 21 (schrijven van headhuntersbureau d.d. 21 februari 2008) over. De appellante beweert evenwel dat de stukken die beweerdelijk uitgaan van de werkgever van de geïntimeerde vals zouden zijn zonder daarvan tot dusver enig bewijs voor te leggen dan wel een verzoek tot een valsheidsprocedure daaraan te koppelen. Het hof maakt vooralsnog abstractie van voormelde stukken, in afwachting dat er klaarheid wordt gebracht nopens deze excep-tie. Meer duidelijkheid dringt zich ongetwijfeld op naar de modalitei-ten van de beëindiging van de arbeidsrelatie en de daaraan ge-koppelde financiële gevolgen. Deze kunnen immers o.a. een weerslag hebben op de onderhoudsbegroting. Het hof gaat in op het terechte verzoek van de appellante, doch vooralsnog zonder een dwangsom te verbeuren. de overige geschilpunten Op verzoek van beide partijen wordt de beslissing aangaande de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante, de onder-houdsbijdragen voor de kinderen (waaronder de buitengewone kosten) en de kosten aangehouden. Het hof heeft hoger uiteengezet ook de problematiek i.v.m. de beweerd onrechtmatige bewijsgaring/bewijsvoering door de ap-pellante én de geïntimeerde aan te houden. Het hof stelt vast dat de appellante om een overlegging verzoekt van ‘recente loonfiches' van de geïntimeerde (overwegingen ap-pèlakte p. 8). De redengeving betrof evenwel de persoonlijke on-derhoudsuitkering voor de appellante vòòr 1 maart 2008, die geen voorwerp blijkt te zijn van het hoger beroep. In het beschik-kend gedeelte heeft de appellante overigens deze vraag niet herhaald wat betreft de door haar gevorderde maatregelen ex art. 19 § 2 Ger.W. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk; recht doende ex art. 19 § 2 Ger.W., verklaart de vorderingen van de appellante in de hierna volgende mate gegrond; doet de bestreden tussenbeschikking d.d. 6 februari 2008 teniet waar de vordering van de appellante tot overlegging van bepaal-de financiële bescheiden als niet gegrond werd afgewezen; wijst dienaangaande opnieuw als volgt: bij wijze van bewarende maatregel, verzoekt de geïntimeerde om de rekeninguittreksels (op zijn naam of mede op zijn naam) van de banktegoeden, die hij heeft aangehouden in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 18 augustus 2007, bij de volgende ban-ken over te leggen: - NV CITIBANK BELGIUM met zetel te 1050 Elsene (België), Generaal Jacqueslaan 263G; - NV CITIBANK Duitsland met zetel te 51143 Köln (Duitsland), Hermanstrasse 1-3; - NV KEYTRADE BANK (België) met zetel te 1170 Watermael-Bosvoorde, Vorstlaan 100; - NV DEXIA BANK (België) met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node (België), Charles Rogierplain 11; - RABOBANK NEDERLAND met zetel te 4330 AK Vlissingen (Nederland), Postbus 420; - UBS BAN SUISSE (UBS SA) met zetel te 2000 Neuchâtel (Zwitserland), Place Pury; binnen de twee maanden na de betekening van het onderhavig arrest; doet de bestreden beschikking d.d. 14 maart 2008 teniet waar de vordering van de appellante tot overlegging van de stukken inza-ke het ontslag en (het zoeken naar) nieuwe tewerkstelling van de geïntimeerde als niet gegrond werd afgewezen; alvorens nader te oordelen over de persoonlijke onderhoudsuit-kering voor de appellante en de onderhoudsbijdragen voor de kinderen: verzoekt de geïntimeerde om de hiernavolgende stukken over te leggen: - alle relevante bescheiden i.v.m. het ontslag van de geïnti-meerde door de Gmbh PHILIP MORRIS RESEARCH LABO-RATORIES (o.a. eventuele opzegbrief met voorwaarden); - de eventuele definitieve dading die m.b.t. de beëindiging van zijn functie is tot stand gekomen tussen de Gmbh PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES en de geïntimeerde, alsook de documenten van uitbetaling van eventuele vergoe-dingen uit dien hoofde; - de eventuele bewijzen van de démarches die de geïntimeerde sedert zijn ontslag heeft ondernomen om opnieuw beroepsac-tief te kunnen zijn, desgevallend het nieuwe arbeidscontract; binnen de twee maanden na de betekening van het onderhavig arrest; het hof houdt de beoordeling van de volgende geschilpunten aan: - de al dan niet rechtmatigheid als bewijs van de stukken van de appellante kaften XXVII en XXVIII, enerzijds, en van de stukken 4 en 19 van de geïntimeerde, anderzijds; - de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante; - de onderhoudsbijdragen voor de kinderen (met de buitenge-wone kosten); verzoekt de partijen meer in het bijzonder uitsluitsel te bieden nopens hun excepties van beweerde onrechtmatigheid van voormelde stukken en hun uiteindelijke vorderingen op dit vlak te verduidelijken; bepaalt de termijn voor verzending aan de andere partij en neer-legging ter griffie voor de syntheseconclusies door de: - appellante uiterlijk op 12 februari 2009; - geïntimeerde uiterlijk op 16 april 2009; stelt de zaak, ingevolge het gezamenlijk verzoek van de partijen, voor verdere behandeling in voortzetting op de terechtzitting van deze kamer van donderdag 11 juni 2009 om 10.00 uur (met een gezamenlijke pleitduur van 30 minuten) houdt ook de beslissing nopens de kosten in deze aanleg aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op zestien oktober tweeduizend en acht. Aanwezig: mevrouw Sabine De Bauw raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier Tenslotte vraagt de appellante de verwijzing van de geïntimeerde in de kosten van deze aanleg, zoals nader begroot. 3.3. In haar conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 31 juli 2008, breidt de appellante haar vordering sub 3.1. uit wat betreft de banken voor de overlegging van rekeningsuittreksels met de bancaire tegoeden. Er worden thans stukken gevraagd van: - de N.V. CITIBANK BELGIUM; - de N.V. CITIBANK DUITSLAND (aanvullend); - de N.V. KEYTRADE BANK (België); - de N.V. DEXIA BANK (België); - RABOBANK NEDERLAND (aanvullend); - UBS BANK SUISSE (UBS SA) (aanvullend). De appellante specificeert en breidt haar vordering sub 3.2. uit en vordert de overlegging van volgende bescheiden met betrek-king tot zijn ontslag: - de opzegging door P........ M............aan de geïntimeerde gegeven; - de definitieve dadingovereenkomst (Settlement Agreement) welke m.b.t. de beëindiging van zijn functie is tot stand geko-men tussen de Gmbh PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES en de geïntimeerde alsook de documenten van uitbetaling van de dadingsovereenkomst; - de bewijzen van démarches die de geïntimeerde sedert zijn ontslag heeft ondernomen om opnieuw beroepsactief te kun-nen zijn, desgevallend het nieuwe arbeidscontract. 4.1. In zijn conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 14 juli 2008, concludeert de geïntimeerde, wat betreft de vordering tot overlegging van rekeninguittreksels ‘vanaf 1 januari 2007' (sic) tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid ervan met bevestiging van de bestreden beschikking. In dezelfde zin concludeert hij wat betreft de vordering tot over-legging van de bescheiden aangaande de beëindiging van de arbeidsrelatie en de initiatieven inzake een nieuwe arbeidsbe-trekking. Voor het overige vraagt hij de zaak ‘naar de bijzondere rol te ver-zenden' (sic), kosten voorbehouden. 4.2. In zijn conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 14 augus-tus 2008, volhardt de geïntimeerde. Tevens vraagt hij de stukken ondergebracht in de kaften XXVII en XXVIII van de appellante uit de debatten te weren. Daarbij aansluitend vordert hij de appellante te verplichten tot aanpas-sing van haar conclusies -in die zin dat alle verwijzingen naar deze stukken dienen te worden weggelaten- en van haar vorde-ring. Ondergeschikt beoogt de geïntimeerde onderhavige procedure te doen schorsen tot zolang het strafonderzoek op zijn klacht bij de gerechtelijke autoriteiten te Vlissingen (Nederland) niet werd afgehandeld. Minstens vraagt hij de persoonlijke verschijning van de appellan-te teneinde uitleg te verschaffen omtrent de wijze waarop zij in het bezit kwam van de in haar kaften XXVII en XXVIII onderge-brachte stukken. beoordeling de internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht 1. Volgens de vermeldingen in het huwelijkscontract d.d. 22 juli 1986 had de geïntimeerde alsdan de Nederlandse nationaliteit. Aangenomen wordt dat de geïntimeerde nog steeds de Neder-landse nationaliteit heeft. Hij woont thans in Nederland. De appellante heeft de Belgische nationaliteit. De laatste echtelijke woonplaats van de partijen was gevestigd te 9051 Sint-Denijs-Westrem, alwaar de appellante is blijven wo-nen. Gelet op het grensoverschrijdend karakter van het geschil is het hof ambtshalve ertoe gehouden zijn internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht te onderzoeken. 2. Deze bevoegdheid staat vast overeenkomstig art. 5.2. van Ver-ordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerleg-ging in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) voor wat betreft de onderhoudsbijdragen voor de kinderen en de persoonlijke on-derhoudsuitkering voor de appellante persoonlijk. De territoriale bevoegdheid van de eerste rechter staat daaren-boven vast ingevolge art. 628, 1 en 2e Ger.W.. Door het WbIPR wordt in art. 74 § 1 WbIPR het Belgisch recht als toepasselijk recht aangewezen met betrekking tot de gevor-derde onderhoudsbijdrage voor de kinderen en de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante. Art. 42 WbIPR en art. 48 § 1, 1e WbIPR zijn tenslotte relevant voor wat betreft de overige betwistingen tussen de partijen, zo-wel wat betreft de bevoegdheid van de Belgische rechter als wat betreft de toepassing van het Belgisch recht. de vraag van de geïntimeerde tot wering uit de debatten van de stukken van de appellante in haar kaften XXVII en XXVIII 1. De geïntimeerde voert ter staving van zijn vraag tot wering voor-eerst aan dat deze stukken hem nooit werden medegedeeld in het kader van de procedure. Het hof stelt vast dat de desbetreffende stukken door de appel-lante werden geïnventariseerd in de inventaris die deel uitmaakt van haar conclusies, neergelegd ter griffie op 31 juli 2008. Van een mededeling in der minne ligt weliswaar geen bewijs voor. Het volledige dossier met stukken werd echter reeds op 4 sep-tember 2008 ter griffie van het hof neergelegd, alwaar de geïnti-meerde er kennis van kon nemen. Bovendien blijkt uit het concreet verweer dat de geïntimeerde voert in zijn conclusies, neergelegd ter griffie van het hof op 14 augustus 2008, p 3 sub
  3. a)en
  4. b)dat hij wel degelijk van de in-houd van deze stukken kennis nam. Er is in de gegeven omstandigheden geen aanleiding tot toepas-sing van de sanctie vervat in art. 740 Ger.W. 2. Vervolgens beweert de geïntimeerde dat deze stukken op een wederrechtelijke/onrechtmatige manier in het bezit zijn gekomen van de appellante. Hij houdt voor dienaangaande klacht te hebben neergelegd bij de bevoegde gerechtelijke instanties wegens huisvredebreuk en diefstal van tenminste die documenten uit zijn woning te Vlissin-gen. Enig bewijs van deze beweerde strafklacht ontbreekt tot dusver. De aard van de kort geding procedure ex art. 1280 Ger.W. ver-eist onverwijld een voorlopige behandeling van geschillen zonder dat daarbij de grond van de zaak wordt beslecht. Er is dan ook geen aanleiding tot schorsing van onderhavige procedure tot na afhandeling van het beweerd strafonderzoek. 3. Nog afgezien van de vaststelling dat tot nog toe geen bewijs van enige onrechtmatigheid in de bewijsgaring wordt geleverd, be-houdt het hof de beoordeling van de bewijswaarde van de litigi-euze stukken van de appellante aan bij de te beslechten overige geschilpunten. Immers zijn de stukken vervat in de kaften XXVII en XXVIII van de appellante, noch haar overwegingen in dit verband, noodza-kelijk ter beoordeling van haar verzoek ex art. 19 § 2 Ger.W. zo-als infra uiteengezet. Het hof oordeelt dus dienaangaande zonder voorlopig acht te slaan op voormelde stukken en de aanverwante overwegingen. de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de tussenbe-schikking d.d. 6 februari 2008 De geïntimeerde houdt tevergeefs voor dat de vordering van de appellante tot overlegging van rekeninguittreksels met ingang van 1 januari 2000 -daar waar in eerste aanleg slechts overleg-ging werd gevorderd vanaf 17 augustus 2007- als nieuwe voor het eerst in graad van beroep gestelde vordering niet ontvanke-lijk zou zijn. De appellante, tevens oorspronkelijke eiseres, is evenwel ge-rechtigd haar initiële vordering overeenkomstig art. 807 Ger.W. (1042 Ger.W.) uit te breiden. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de eindbeschik-king d.d. 14 maart 2008 Zoals blijkt uit de hoger aangehaalde uiteenzetting van de rele-vante procedurevoorgaanden sub 2.3. is de afwijzing van de vordering tot overlegging van een aantal bescheiden inzake het ontslag en een eventuele nieuwe tewerkstelling van de geïnti-meerde wel degelijk gebeurd in de eindbeschikking d.d. 14 maart 2008. De exceptie van onontvankelijkheid van de geïntimeerde -voor-houdend dat het hoger beroep tegen de verkeerde beschikking zou zijn gericht- faalt naar recht. Ook dit hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. de vraag tot overlegging van een aantal nader beschreven finan-ciële bescheiden (beperkt beroep tegen tussenbeschikking d.d. 6 februari 2008) 1. Bij vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, vijfde kamer, d.d. 10 april 2008 werd de echtscheiding uit-gesproken op grond van art. 229 § 1 B.W (stuk 28 geïntimeer-de). Dit vonnis werd betekend op 25 april 2008. Het blijkt evenwel niet dat de echtscheiding inmiddels in kracht van gewijsde is getreden. Geen van de partijen voert dit aan. 2. In de gedinginleidende dagvaarding d.d. 11 december 2007 vor-derde de appellante reeds bij wijze van bewarende maatregel de overlegging van alle afschriften van door de geïntimeerde aan-gehouden financiële tegoeden bij derden (financiële instellingen, verzekeringsmaatschappijen, enz.) op datum van de feitelijke scheiding (17 augustus 2007). De appellante verwijst naar een clausule in art. 6 van het huwe-lijkscontract ‘Rekeningen tussen echtgenoten' waarin werd be-dongen wat volgt: ‘...En zolang de echtgenoten samen een gezin zullen vormen, zullen de besparingen der echtgenoten, welke de oorsprong van deze besparingen weze, tussen hen voor de helft verdeeld wor-den. Elke echtgenoot zal naar goeddunken over zijn helft be-schikken...' Daaruit leidt de appellante af dat alle besparingen die gedurende het huwelijk tot aan het ontstaan van de feitelijke scheiding zijn verricht beschouwd worden als in onverdeeldheid tussen de par-tijen. De appellante houdt voor dat met het inkomen van de geïnti-meerde maandelijkse besparingen konden worden verricht, on-der meer bij buitenlandse banken, en dat geen verdeling plaats-greep op één spaarrekening na. In onderhavige beroepsprocedure dringt de appellante aan op een overlegging van die stukken vanaf 1 januari 2000. 3.1. Met haar onder kaft XXV overgelegde stukken bewijst de appel-lante haar pogingen om tot inventarisatie van de eigen, onver-deelde en gemeenschappelijke activa van de partijen te doen overgaan met overlegging van een aantal nader beschreven be-scheiden. 3.2. Uit de brief d.d. 27 mei 2008 van de raadsman van de appellante aan de notarissen Anton SINTOBIN en Maarten DUYTSCHAEVER, waarvan kopie werd gericht aan de raads-man van de geïntimeerde, blijkt dat, na vergeefse inspanningen om vroeger een datum te kunnen vaststellen voor inventarisatie, uiteindelijk dagstelling werd bepaald op 10 juni 2008. De raadsman van de appellante verwijst in het desbetreffend schrijven andermaal naar art. 6 alinea 4 van het huwelijkscon-tract. Zij vordert daarin dat de partijen, naar aanleiding van de in-ventarisatie, zeer precies al hun financiële tegoeden (tegoeden bij banken van welke aard ook en tegoeden van verzekerings-maatschappijen) kenbaar zouden maken op datum van 18 au-gustus 2007 (datum van feitelijke scheiding) (sic), welke verkla-ringen dienen gestaafd te worden door een rekeninguittreksel van het bestaande tegoed. 3.3. Bij niet-vertrouwelijke brieven d.d. 16 juli en 28 juli 2008 herinnert de raadsman van de appellante de raadsman van de geïnti-meerde aan voormeld schrijven en vraagt hij hem de gegevens te willen overmaken. 3.4. In haar conclusies, neergelegd ter griffie op 31 juli 2008, licht de appellante toe dat de inventarisatie werd aangevat op 10 juni 2008. De raadsman van de geïntimeerde zou alsdan ter kennis hebben gebracht dat ‘ ...hij tegen een volgende vacatie terug de drie stukken zou overhandigen van de banken die reeds een attest hadden afgeleverd, maar dan met de stand op datum van inlei-ding van de echtscheidingsprocedure...'. De eerste vacatie werd vervolgens stopgezet omdat de appellan-te om medische redenen bij spoed diende te worden wegge-voerd. Thans zou de inventarisatie zijn verder gezet in september 2008, echter nadere gegevens nopens de stand daarvan ontbreken. Eén en ander is niet tegengesproken door de geïntimeerde. 4.1. De appellante situeert haar verzoek terecht los van enige geanti-cipeerde vereffening-verdeling -waarmede het hof zich in onder-havige kort geding procedure overigens niet kan inlaten-, maar als een vraag tot vrijwaring van bewijsmateriaal. De vrees van de appellante dat bewijsmateriaal zou kunnen ver-loren gaan komt het hof gegrond voor. Het staat immers vast dat: - de datum van de feitelijke scheiding voor de partijen verschilt (voor de geïntimeerde in oktober 2004, in plaats van op 17/18 augustus 2007 voor de appellante); - de echtscheiding ten verzoeke van de geïntimeerde werd op-gestart bij dagvaarding d.d. 19 november 2007; - de echtscheidingsprocedure nog hangende is en de eigenlijke vereffening-verdeling niet onmiddellijk zal kunnen worden op-gestart; - de notariële werkzaamheden van inventarisatie in het kader van onderhavig kort geding een problematische aanvang ken-nen; - de geïntimeerde sedert augustus 2007 reeds driemaal zijn domicilie heeft gewijzigd (stukken 23, 26 en 27 geïntimeerde) en in het buitenland verblijft; - de geïntimeerde beweert zonder inkomsten te zijn sedert maart 2008. Bovendien houdt de appellante voor dat, op één na, alle reke-ningen uitsluitend op naam staan van de geïntimeerde, hetgeen deze evenmin tegenspreekt. Enig bewijs dat aan voormeld verzoek sub 3.2. en 3.3. van de appellante gevolg werd gegeven door de geïntimeerde ligt niet voor. Wel heeft de geïntimeerde in eerste aanleg zijn stukken 6, 11, 12 en 13 overgelegd, volgens hem ‘alle documenten inzake zijn in-komsten'. Het stuk 6 betreft een uittreksel op naam van de appellante d.d. 31 december 2004 van een spaarrekening 850-0460083-10 met een opgegeven kapitaal van 43.590,92 EUR. Het stuk 11 betreft een schrijven d.d. 17 december 2007 aan de geïntimeerde van de CITIBANK te Köln m.b.t. een rekening-nummer 1802613668, tevens een spaarrekening. Er wordt me-degedeeld dat het tegoed op de zichtrekening per 17 augustus 2007 18.344,11 EUR bedroeg en op de spaarrekening 500 EUR. Het stuk 12 betreft een schrijven d.d. 18 december 2007 aan de geïntimeerde van de KEYTRADE BANK te Brussel. Er wordt medegedeeld dat het tegoed op de zichtrekening per 17 augus-tus 2007 4.121,11 EUR bedroeg en op de spaarrekening 2.373,72- EUR. Het stuk 13 betreft een uittreksel op naam van de geïntimeerde over de periode van 2 augustus 2007 tot 1 september 2007 be-treffende de afsluiting van de rekening nummer 953-0519327-55 bij de CITIBANK (CITIGOLD) waarop per 2 augustus 2007 een saldo stond van 21,87 EUR. 4.2. De appellante vordert thans een overlegging van stukken met in-gang van 1 januari 2000. Zij motiveert dit verzoek omdat zij gedurende het huwelijk tot het ontstaan van de feitelijke scheiding geen zicht heeft op de om-vang van de gespaarde tegoeden, die zij, op grond van het hu-welijkscontract, beschouwt als in onverdeeldheid tussen de par-tijen. Zij voert aan dat de geïntimeerde vóór de feitelijke scheiding van de door hem opgegeven rekeningen overschrijvingen naar ande-re voor haar niet gekende rekeningen kan hebben gedaan en vordert daarom retroactief de overlegging van rekeninguittrek-sels. 5. Zuiver bewarende maatregelen betreffende de goederen van de partijen zijn mogelijk, waarbij geen maatregelen kunnen geno-men worden die de rechten van partijen op definitieve of onher-roepelijke wijze regelen. Het staat onbetwistbaar vast dat (de medewerking aan) de be-wijslevering door de geïntimeerde in zekere mate stroef verloopt. Het verzoek van de appellante kan, naar het oordeel van het hof, worden ingewilligd in de mate zoals in het dictum van dit arrest bepaald. Door deze maatregelen kunnen de partijen naderhand, in het kader van de vereffening-verdeling, niet benadeeld worden. Het hof neemt aan dat de geïntimeerde minstens loyaal onder-havig arrest zal uitvoeren zodat vooralsnog niet wordt ingegaan op het verbeuren van een dwangsom. de vraag tot overlegging van een aantal nader beschreven be-scheiden m.b.t. het ontslag van de geïntimeerde (deel van het hoger beroep tegen de eindbeschikking d.d. 14 maart 2008) 1. Onder meer de hierna volgende criteria zijn relevant bij de be-oordeling van de persoonlijke onderhoudsvordering én van deze voor de kinderen. Onderhoudsgeld op grond van art. 213 B.W. tijdens de duur van de echtscheiding wordt bepaald in functie van, enerzijds, de in-komsten en de mogelijkheden van de onderhoudsplichtige en, anderzijds, de behoeften van de onderhoudsgerechtigde. Overeenkomstig artikel 203 § 1 B.W. dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. De beide ouders moeten daarin bijdragen naar evenredigheid van hun inkomsten en mogelijkheden en naargelang de noden van de kinderen. 2. Naar het oordeel van het hof zijn de tot dusver door de geïnti-meerde overgemaakte stukken en mededelingen (voor zover voorlopig in het debat) niet voldoende om een analyse van zijn (potentiële) inkomsten te kunnen maken vanaf 1 maart 2008. De partijen dienen mee te werken aan de bewijslevering, op straffe van ertoe gedwongen te worden. In conclusies, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 14 februari 2008, diende de geïntimeerde reeds gesommeerd te worden tot overlegging van de hoger aan-gehaalde stukken. Deze vraag volgde op een niet-vertrouwelijk schrijven d.d. 12 februari 2008, in aansluiting met de persoonlijke verschijning van de partijen voor de voorzitter op zelfde datum (kaft XXII appellante). De geïntimeerde legde tot dusver de stukken 4 en 19 (verklarin-gen van de personeelsdirecteur van PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES GmbH) en het stuk 21 (schrijven van headhuntersbureau d.d. 21 februari 2008) over. De appellante beweert evenwel dat de stukken die beweerdelijk uitgaan van de werkgever van de geïntimeerde vals zouden zijn zonder daarvan tot dusver enig bewijs voor te leggen dan wel een verzoek tot een valsheidsprocedure daaraan te koppelen. Het hof maakt vooralsnog abstractie van voormelde stukken, in afwachting dat er klaarheid wordt gebracht nopens deze excep-tie. Meer duidelijkheid dringt zich ongetwijfeld op naar de modalitei-ten van de beëindiging van de arbeidsrelatie en de daaraan ge-koppelde financiële gevolgen. Deze kunnen immers o.a. een weerslag hebben op de onderhoudsbegroting. Het hof gaat in op het terechte verzoek van de appellante, doch vooralsnog zonder een dwangsom te verbeuren. de overige geschilpunten Op verzoek van beide partijen wordt de beslissing aangaande de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante, de onder-houdsbijdragen voor de kinderen (waaronder de buitengewone kosten) en de kosten aangehouden. Het hof heeft hoger uiteengezet ook de problematiek i.v.m. de beweerd onrechtmatige bewijsgaring/bewijsvoering door de ap-pellante én de geïntimeerde aan te houden. Het hof stelt vast dat de appellante om een overlegging verzoekt van ‘recente loonfiches' van de geïntimeerde (overwegingen ap-pèlakte p. 8). De redengeving betrof evenwel de persoonlijke on-derhoudsuitkering voor de appellante vòòr 1 maart 2008, die geen voorwerp blijkt te zijn van het hoger beroep. In het beschik-kend gedeelte heeft de appellante overigens deze vraag niet herhaald wat betreft de door haar gevorderde maatregelen ex art. 19 § 2 Ger.W. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk; recht doende ex art. 19 § 2 Ger.W., verklaart de vorderingen van de appellante in de hierna volgende mate gegrond; doet de bestreden tussenbeschikking d.d. 6 februari 2008 teniet waar de vordering van de appellante tot overlegging van bepaal-de financiële bescheiden als niet gegrond werd afgewezen; wijst dienaangaande opnieuw als volgt: bij wijze van bewarende maatregel, verzoekt de geïntimeerde om de rekeninguittreksels (op zijn naam of mede op zijn naam) van de banktegoeden, die hij heeft aangehouden in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 18 augustus 2007, bij de volgende ban-ken over te leggen: - NV CITIBANK BELGIUM met zetel te 1050 Elsene (België), Generaal Jacqueslaan 263G; - NV CITIBANK Duitsland met zetel te 51143 Köln (Duitsland), Hermanstrasse 1-3; - NV KEYTRADE BANK (België) met zetel te 1170 Watermael-Bosvoorde, Vorstlaan 100; - NV DEXIA BANK (België) met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node (België), Charles Rogierplain 11; - RABOBANK NEDERLAND met zetel te 4330 AK Vlissingen (Nederland), Postbus 420; - UBS BAN SUISSE (UBS SA) met zetel te 2000 Neuchâtel (Zwitserland), Place Pury; binnen de twee maanden na de betekening van het onderhavig arrest; doet de bestreden beschikking d.d. 14 maart 2008 teniet waar de vordering van de appellante tot overlegging van de stukken inza-ke het ontslag en (het zoeken naar) nieuwe tewerkstelling van de geïntimeerde als niet gegrond werd afgewezen; alvorens nader te oordelen over de persoonlijke onderhoudsuit-kering voor de appellante en de onderhoudsbijdragen voor de kinderen: verzoekt de geïntimeerde om de hiernavolgende stukken over te leggen: - alle relevante bescheiden i.v.m. het ontslag van de geïnti-meerde door de Gmbh PHILIP MORRIS RESEARCH LABO-RATORIES (o.a. eventuele opzegbrief met voorwaarden); - de eventuele definitieve dading die m.b.t. de beëindiging van zijn functie is tot stand gekomen tussen de Gmbh PHILIP MORRIS RESEARCH LABORATORIES en de geïntimeerde, alsook de documenten van uitbetaling van eventuele vergoe-dingen uit dien hoofde; - de eventuele bewijzen van de démarches die de geïntimeerde sedert zijn ontslag heeft ondernomen om opnieuw beroepsac-tief te kunnen zijn, desgevallend het nieuwe arbeidscontract; binnen de twee maanden na de betekening van het onderhavig arrest; het hof houdt de beoordeling van de volgende geschilpunten aan: - de al dan niet rechtmatigheid als bewijs van de stukken van de appellante kaften XXVII en XXVIII, enerzijds, en van de stukken 4 en 19 van de geïntimeerde, anderzijds; - de persoonlijke onderhoudsuitkering voor de appellante; - de onderhoudsbijdragen voor de kinderen (met de buitenge-wone kosten); verzoekt de partijen meer in het bijzonder uitsluitsel te bieden nopens hun excepties van beweerde onrechtmatigheid van voormelde stukken en hun uiteindelijke vorderingen op dit vlak te verduidelijken; bepaalt de termijn voor verzending aan de andere partij en neer-legging ter griffie voor de syntheseconclusies door de: - appellante uiterlijk op 12 februari 2009; - geïntimeerde uiterlijk op 16 april 2009; stelt de zaak, ingevolge het gezamenlijk verzoek van de partijen, voor verdere behandeling in voortzetting op de terechtzitting van deze kamer van donderdag 11 juni 2009 om 10.00 uur (met een gezamenlijke pleitduur van 30 minuten) houdt ook de beslissing nopens de kosten in deze aanleg aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op zestien oktober tweeduizend en acht. Aanwezig: mevrouw Sabine De Bauw raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.