id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081023.6 Rolnummer: 2006/AR/569 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-04-10 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-02 18:09 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Verwerping nalatenschap Vrije woorden: - overeenkomst tussen echtgenote van de decujus (in tweede huwelijk) en de kinderen uit eerste huwelijk in uitvoering waarvan een verwerping van nalatenschap wordt gedaan door deze echtgenote was nietig wegens wilsgebrek. - dat heeft als gevolg dat de verwerping van nalatenschap door deze echtgenote eveneens nietig is. (zie ook N-20090219-2) Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 23 oktober 2008 TUSSENARREST Art. 852 Ger.W.bevel borgstellingvan euro 1000 door appellante VOORTZETTINGdd. 22-1-2009 om 11 h. - In de zaak met het rolnummer 2006/AR/569 van: P.M.M., thans wonende in , maar ten einde dezer woonst kiezende op het adres van haar raadsman, hierna nader vermeld, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, op tegenspraak gewezen door de vijfde kamer dd. 21-10-2005, oorspronkelijk vrijwillig tussenkomende partij, hebbende als raadsman mr. GOEGEBEUR Thierry, advocaat te 8200 Brugge, Torhoutsesteenweg 55 tegen :
- D. I., wonende te eerste geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. DUFAIT Hubert, advocaat te 8200 Brugge, Jagersdreef 6
- B. R., wonende te
- B. I., wonende te
- B. E., wonende te tweede, derde en vierde geïntimeerden, blijkens de appelakte woonst kiezende op het kantoor van gerechtsdeurwaarder Jan Deduytsche te 8000 Brugge, Langestraat 149, oorspronkelijk verweerders hebbende als raadsman mr. WELLEKENS Jan, advocaat te 9700 Oudenaarde, Doornikstraat 20 velt het hof het volgend arrest.
- 1.
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 maart 2006, heeft appellante tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 21.10.2005 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer. De eerste rechter verklaarde de vordering van de vrijwillig tussen-komende partij M. M. P. ontvankelijk doch ongegrond. 1.
- Naar aanleiding van het door I. D. op 12.02.2008 ingediend verzoek om een pleitdatum te bepalen werd bij beschikking van 3 april 2008 de rechtsdag bepaald op 19 juni
- Op 3 april 2008 was de zaak reeds in gereedheid gebracht doordat elke partij conclusies had genomen. Er zijn de conclusies die de consoorten B. tweemaal hebben neergelegd ter griffie, nl. op 31 mei 2006 en 2 juni 2006 (waarin een verwijzing werd gedaan naar de derde conclusies, die voor de eerste rechter zijn genomen) . Er zijn de conclusies die appellante neerlegde op 6 juli 2006 (met daarin een volledige herneming van de in eerste aanleg genomen conclusies) en er zijn de conclusies die I. D. neerlegde op 23 mei
- Op de zitting van 19 juni 2008, waarop de kamer zetelde in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie ingevolge toepassing van artikel 764, 11° van het Gerechtelijk Wetboek, werden de debatten gesloten en werd de zaak gesteld op de openbare terechtzitting van 26 juni
- Het Openbaar Ministerie gaf een mondeling advies op de laatstgenoemde zitting. Teneinde de partijen toe te laten gebruik te maken van de mogelijkheid om op het advies te repliceren, werden conclusietermijnen bepaald. Vervolgens zijn de conclusies, bedoeld als repliek op het advies, neergelegd ter griffie. Dat gebeurde voor de appellante op 16.09.2008, voor I. D. op 17.09.2008 en voor de consoorten B. op 18.09.
- De zaak werd in beraad genomen op de zitting van 25.09.
- 1.
- In de conclusies, neergelegd door de consoorten B., wordt gevraagd dat alvorens te oordelen de borgstelling van de eisende vreemdeling zou worden verhoogd met 1.000 EUR en dat appellante zou veroordeeld worden om dat bedrag te storten in de consignatiekas. Ten gronde wordt gevraagd het hoger beroep ongegrond te verklaren. In de conclusies neergelegd door I. D. wordt gezegd dat zij zich aansluit bij het verzoekschrift hoger beroep en de besluiten van appellante.
- 2.
- R., I. en E. B. zijn de kinderen geboren uit het huwelijk van I. D. en S. B., tussen wie een echtscheiding tussenkwam waardoor ook bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 22.09.1997 de vereffening en verdeling werd bevolen van de huwgemeenschap, die tussen genoemden had bestaan. Notaris V De Schepper werd aangesteld als boedelnotaris. Op 29 april 1998 trad S. B. in Cuba in het huwelijk. Op 12 juni 1998 is hij overleden in Portugal. In de aangifte van nalatenschap, ingediend door de consoorten B. op 18 februari 1999 is vermeld dat de decuius gehuisvest was te. Daarin worden o.a. de in België gelegen onroerende goederen vermeld. Op 2 juli 1998 deed de ambtenaar van de burgerlijke stand te Brugge op verzoek van S. B. nog de overschrijving van de akte van huwelijk, opgemaakt in Cuba, in de registers van de burgerlijke stand. Op 1 december 1998 heeft appellante de akte ondertekend welke ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge in het Nederlands was opgemaakt en waarin gewag is gemaakt van de verklaring van appellante dat ze zuiver en eenvoudig de nalatenschap van S. B. verwerpt. Een proces-verbaal van 2.2.2001, opgemaakt door notaris V. De Schepper, toont aan dat er toen een opening van werkzaamheden gebeurde in aanwezigheid van I. D. en de consoorten B.. 2.
- Op 23.10.2001 schrijft I.D. aan appellante een brief waarvan de vertaling als volgt luidt: "Ik ben de eerste wettige echtgenote van de heer S.B. van wie ik ben gescheiden. Ik moet een procedure instellen tegen mijn kinderen en tegen u als overlevende echtgenote van de overleden heer S.B. omdat ik nog steeds niet de helft van mijn huwelijksgemeenschap heb verkregen. Ik stel vast dat u op 1 december 1998 een verklaring van verwerping van nalatenschap heeft neergelegd ter griffie van de Rechtbank van eerste aaneg te Brugge. Deze verklaring is echter volledig nietig. Ten eerste begrijpt u de Nederlandse taal niet en heeft u persoonlijk de verklaring van verwerping ondertekend. Ten tweede heb ik gehoord dat u de som van 2.500.000 Belgische frank heeft ontvangen om desbetreffende nalatenschap te verwerpen. De eenvoudige aanvaarding door u van deze som annuleert echter de verwerping en daardoor wordt u opnieuw in uw hoedanigheid van erfgename opgenomen. De procedure die ik zal instellen is eveneens in uw belang. Als wettige echtgenote heeft u immers het vruchtgebruik van de volledige nalatenschap van de overleden heer S.B., die volgens de aangifte van nalatenschap, een totaal bedrag van 19,8 miljoen Belgische frank of ongeveer 440.000 US dollars of ongeveer 9.680.000 Cubaanse peso's - wettelijke koers (22 Cubaanse peso's voor 1 US $) bedraagt. Uw vruchtgebruik gelet op uw leeftijd enerzijds bedraagt 56 % van de gehele nalatenschap zijnde 11 miljoen Belgische frank of ongeveer 244.500 US $ of ongeveer 5.379.000 Cubaanse peso's -wettelijke koers. U heeft enkel de som van 2,5 miljoen Belgische frank gekregen zodat u nog steeds de som van 8,5 miljoen Belgische frank of ongeveer 188.900 US $ of ongeveer 4.155.500 Cubaanse peso's -wettelijke koers verschuldigd is. Het staat vast dat dit een goede reden is om contact met mij te nemen en hier een lokale advocaat aan te stellen, al was het een pro deo advocaat, die hier in België de vereffening en de verdeling van de volledige nalatenschap in uw voordeel zal kunnen opvolgen." Mr Goegebeur heeft zich vervolgens kenbaar gemaakt als correspondent van de Italiaanse raadsman van appellante, Mr. S.. Op 3 april 2002 liet I.D. de consoorten B. dagvaarden. Ze vorderde maatregelen in toepassing van artikel 19 al 2 Ger. W. (aanstelling sekwester-voorlopige bewindvoerder) en een uitspraak ten gronde nopens een schending van een vervreemdingsverbod wat betreft de aandelen, toebehorend tot de huwgemeenschap. Op 5 juni 2002 heeft appellante een verzoekschrift tot vrijwillige verschijning neergelegd ter griffie. Ze stelde toen een vordering in. Ze vorderde te zeggen voor recht dat zowel de "dading" als de daaropvolgende verklaring d.d. 1.12.1998 nietig zijn. Ze vorderde bovendien dat een notaris zou worden aangesteld voor de vereffening en verdeling van de nalatenschap van S.B.. Op 6.9.2002 werd een vonnis geveld om uitspraak te doen over hetgeen gevorderd was in toepassing van artikel 19 al 2 Ger. W. Op 13.02.2004 werd een vonnis geveld waarbij de overige vorderingen van I.D. tegen de consoorten B. en de tegenvorderingen van deze laatsten tegen I.D. ongegrond werden verklaard, waarbij op de vordering tegen notaris V. De Schepper een vervanging van de boedelnotaris werd gedaan en waarbij de behandeling van de vordering van appellante werd geschorst in afwachting van de betaling van een borgstelling van 700 EUR, waarvan de betaling in de Deposito- en Consignatiekas werd bevolen. In de conclusies van 6 mei 2003 hadden de consoorten B. gevraagd een borgstelling ten belope van 3.000 EUR te bevelen. Tegen de beslissing dat er een borgstelling verschuldigd is werd geen beroep ingesteld. In conclusies van 11 juni 2004 heeft appellante haar vordering nog uitgebreid. Ze vorderde dat de consoorten B. solidair en in solidum zouden worden veroordeeld om haar de som te betalen van 372.794,67 EUR meer de intresten van dat ogenblik. Bij vonnis van 29.10.2004 werd bevolen dat partijen op de zitting van 14.1.2005 persoonlijk zouden verschijnen.. De verklaring van appellante kon middels de tussenkomst van een tolk worden geacteerd in een afzonderlijk proces-verbaal. In de conclusies die volgden kan worden vastgesteld dat de consoorten B. uit hun stukkenbundel de stukken 5 tot en met 14 hebben weggelaten. Het stukkenbundel is in beroep enkel nog aangevuld met stuk
- Het stukkenbundel van appellante bevat in beroep 7 stukken. Door I.D. is in beroep geen stukkenbundel neergelegd.
- In beroep dient vooreerst beslist te worden of er aanleiding bestaat tot wijziging van het bedrag tot beloop waarvan borgstelling moet gebeuren (zie artikel 852 Ger.W.). In acht genomen de omstandigheden, die gekend waren op het ogenblik van de vraag tot aanpassing, is de vraag om de som van de borgstelling te verhogen met 1.000 EUR gewettigd. Ten onrechte stelt appellante dat deze een dilatoir karakter heeft In afwachting van de betaling van deze aanvullende som is de rechtspleging opgeschort. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Zegt dat de rechtspleging is opgeschort tot de hierna bepaalde zitting die wordt vastgesteld om appellante alsdan te laten bewijzen dat zij voldaan heeft aan het hierna volgend bevel; Beveelt appellante om over te gaan tot een bijkomende borgstelling en daartoe het bedrag van 1.000 EUR te storten in de Deposito- en Consignatiekas; Stelt de zaak vast op de zitting van DONDERDAG 22 januari 2009 om 11 uur , om ze alsdan weer in beraad te nemen. Houdt de beslissing nopens de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 23-10-
- Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div