← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081104.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081104.6 Rolnummer: 2008/AR/560 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-02 18:14 Fiche Een buitenlands vonnis, zelfs zonder exequatur, kan een titel opleveren voor het leggen van een bewarend beslag onder derden. Een eenzijdig bevelschrift van een Franse rechter, houdende machtiging tot beslag, is niet onderworpen aan het toepassingsgebied van de E.E.X.-verordening. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT Vrije woorden: Gerechtelijk recht - internationaal procesrecht - buitenlands vonnis - beslag. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 4 november 2008 ________ 2008/AR/560 in de zaak van: SOLITAIRE N.V., met maatschappelijke zetel te 9260 WICHELEN, Bohemen 125, ingeschreven met KBO-nummer 0463837469, appellante, hebbende als raadsman mr. NECKEBROUCK Bernadette, advocaat te 9300 AALST, Graanmarkt 17 tegen: EUROCUVE S.A.S., met zetel te 02700 Condren (Frankrijk) Industriezone 'Les Aulnes' woonstkeuze doende op het kantoor van gerechtsdeurwaarder ROELAND Boudewijn, 9300 AALST, Parklaan 143 B 7, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BERCKMANS Dirk, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai 2 bus 14 Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van de op 21 december 2007 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde verleende beschikking, waartegen appellante, met haar op 28 februari 2008 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden Partijen zijn verwikkeld in een geschil omtrent de uitvoering van een overeenkomst m.b.t. de installatie van een productielijn van tanken door appellante in opdracht van geïntimeerde. Appellante heeft op 26 maart 2004 een dagvaarding ten gronde uitgebracht jegens geïntimeerde tot betaling van een openstaande schuld van 222.484,36 EUR die geïntimeerde haar zou verschuldigd zijn voor de installatie van de tanks. In het kader van deze procedure, die nog steeds hangende is, werd een deskundige aangesteld met de opdracht om de afrekeningen tussen partijen aan te stellen. Op haar beurt heeft geïntimeerde op 25 mei 2004 een vordering ingesteld lastens appellante in betaling van een som van 64.173 EUR ingevolge onbetaalde facturen voor de levering van een aantal tanken. Bij beschikking in kortgeding van de rechtbank van koophandel te Chauny (Frankrijk) van 28 september 2005 werd de vordering van geïntimeerde ten dele gegrond verklaard ten provisionele titel voor de som van 55.000 EUR. Deze beschikking werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad en betekend aan appellante op 5 december 2005 (stuk 1 geïntimeerde). Geïntimeerde vroeg vervolgens bij verzoekschrift tot exequatur d.24 februari 2006 dat deze Franse beschikking in kortgeding in België uitvoerbaar zou worden verklaard (stuk 3 geïntimeerde). Het verzoek tot exequatur werd ingewilligd bij beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 17 maart 2006 (stuk 4 geïntimeerde). Op 6 april 2006 liet geïntimeerde de in België uitvoerbaar verklaarde Franse beschikking met exequatur betekenen aan appellante. Gelet op de wederzijdse vorderingen tussen beide partijen en nog voor geïntimeerde een exequatur had bekomen van de Franse beschikking in kortgeding, waarbij haar vordering lastens appellante voor een groot deel ten provisionele titel werd ingewilligd, heeft appellante op 14 december 2005 een verzoekschrift neergelegd in handen van de Juge de l'Execution du Tribunal de Grande Instance te Laon (Frankrijk), ertoe strekkende toelating te verkrijgen om bewarend beslag onder derden te leggen in eigen handen (stuk 6 geïntimeerde). Appellante wenste door deze maatregel de sommen te blokkeren die zij zelf aan geïntimeerde verschuldigd is krachtens de Franse, in België uitvoerbaar verklaarde, rechterlijke beslissing, ter vrijwaring van haar eigen beweerde schuldvordering ten belope van 230.000,00 EUR lastens geïntimeerde, waarover in de procedure ten gronde een deskundigenonderzoek loopt. Op 16 december 2005 verleent de Franse beslagrechter het gevraagde bevelschrift, houdende machtiging tot bewarend derdenbeslag in eigen handen aan appellante (stuk 7 geïntimeerde). Dit bevelschrift wordt betekend op 16 januari 2006 aan appellante en op 19 januari 2006 aangezegd aan geïntimeerde (stukken 8 en 9 geïntimeerde). Geïntimeerde heeft op dat ogenblik niet gereageerd en geen verzet ingesteld tegen de beschikking van 16 december 2005 voor de bevoegde Franse rechtsinstanties. Op 29 januari 2007 tekende geïntimeerde verzet aan tegen het bewarend derdenbeslag in eigen handen, dat appellante een jaar eerder lastens haar had laten leggen. Volgens geïntimeerde is het bewarend beslag in eigen handen nietig wegens schending van de bevoegdheidsregel van artikel 633 Ger.W. en miskenning van het territorialiteitsbeginsel dat geldt inzake tenuitvoerlegging op goederen in België. Geïntimeerde werpt ook op dat de buitenlandse beschikking op eenzijdig verzoek, waarbij toelating tot bewarend beslag wordt verleend op grond van een schijnbare schuldvordering, geen onderhandse titel kan vormen in de zin van artikel 1445 Ger.W. Aangezien niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het leggen van een bewarend beslag, vraagt geïntimeerde de onmiddellijke opheffing van het beslag. Het verzet werd ingewilligd bij de thans voor dit Hof bestreden beschikking. II. Hoger beroep Appellante vraagt om huidige procedure op te schorten, in afwachting van het resultaat van de lopende strafprocedure en dit ingevolge het adagium "Le criminel tient le civil en état". Ondergeschikt vraagt zij haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beschikking dd.21 december 2007 teniet te doen en opnieuw wijzende: - voorafgaandelijk te zeggen dat de beslagrechter te Dendermonde onbevoegd was om in huidig geschil te oordelen; - minstens het verzet van geïntimeerde, aanvankelijk eiseres, ongegrond te verklaren; - geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op het minimum zijnde 1.000,00 EUR. Geïntimeerde vraagt om het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en haar incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond en appellante te veroordelen tot betaling van 2.500,00 EUR schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag. Tevens vraagt zij appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, aan haar zijde nader begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. III. Beoordeling A. De exceptie "Le criminel tient le civil en état" Appellante vraagt de opschorting van onderhavige procedure omdat zij op datum van 22 mei 2008 via haar raadsman in Frankrijk, Mter.Béjin, tegen geïntimeerde een strafklacht met aanstelling burgerlijke partij heeft neergelegd voor de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Laon (stuk 9 appellante). Zij meent dat het strafrechterlijk onderzoek belangrijk is voor de beoordeling van huidig geschil. Het Hof gaat niet op dit verzoek in. Vooreerst betreft de strafklacht de beweerde ontdraging van in beslag genomen roerende goederen, welke betwisting vreemd is aan huidig geschil omtrent de gegrondheid van het verzet van geïntimeerde tegen het bewarend derdenbeslag in eigen handen op verzoek van appellante. Bovendien wordt dit Hof in zijn beoordeling niet gehinderd door het adagium "le criminel tient le civil en état", nu deze regel enkel geldt voor de civiele bodemrechter en niet van toepassing is in een procedure met betrekking tot bewarend beslag. Er kan geen toepassing worden gemaakt van het principe "Le criminel tient le civil en état". De vordering tot opschorting van huidige procedure moet worden afgewezen als ongegrond. B. Wat betreft de bevoegdheid van de Belgische rechter Appellante herneemt in hoger beroep de exceptie van territoriale onbevoegdheid, die zij ook reeds in eerste aanleg had opgeworpen, met name dat de Beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde onbevoegd was om in huidig geschil te vonnissen. De eerste rechter heeft evenwel terecht geoordeeld dat hij overeenkomstig de artikelen 633 en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek, zowel territoriaal als materieel bevoegd was om kennis te nemen van het gerezen executiegeschil. Voorwerp van het geschil is het verzet van appellante tegen een bewarend beslag in eigen handen dat geïntimeerde - met vennootschapszetel te 9260 Wichelen, Bohemen 115- liet leggen in eigen handen. Krachtens artikel 633,1e lid van het Gerechtelijk Wetboek worden vorderingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging uitsluitend gebracht voor de rechter van de plaats van het beslag, tenzij de wet anders bepaalt. Inzake beslag onder derden - zoals in casu- is overeenkomstig artikel 633, 2e lid de rechter van de woonplaats van de beslagen schuldenaar (S.A.S.EUROCUVE) bevoegd. Indien de woonplaats van de beslagen schuldenaar zich in het buitenland bevindt, wat hier het geval is, is de rechter van de plaats van de tenuitvoerlegging van het beslag bevoegd. Toegepast op onderhavig geschil, was de Beslagrechter te Dendermonde territoriaal bevoegd om kennis te nemen van het verzet van geïntimeerde tegen het bewarend derdenbeslag dat appellante liet leggen in eigen handen in haar zetel te Wichelen. De omstandigheid dat dit bewarend derdenbeslag werd gesteund op het bevelschrift van een Franse rechter op eenzijdig verzoek aan appellante verleend op 16 december 2005, doet hieraan niets af. Ook artikel 22, 5e lid van de EEX-Verordening verleent exclusieve bevoegdheid aan de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging, voor de tenuitvoerlegging van beslissingen. Bovendien was de Beslagrechter te Dendermonde op grond van artikel 1395 Ger.W. ook materieel bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot opheffing van het beslag, dat werd gelegd zonder voorafgaande machtiging van een Belgische beslagrechter. In tegenstelling tot wat appellante voorhoudt, diende de Beslagrechter te Dendermonde bij de beoordeling van het verzet geen uitspraak te doen over de vraag of de Franse rechter zich al dan niet terecht bevoegd had verklaard om aan appellante, wiens zetel in België is gevestigd, machtiging te verlenen tot het leggen van een bewarend derdenbeslag in eigen handen. Vanzelfsprekend komt het een Belgische beslagrechter niet toe het eenzijdig bevelschrift van een Franse collega te hervormen of teniet te doen of te oordelen dat deze beslissing onrechtmatig zou zijn. De vraag naar de rechtsgeldigheid van de Franse beslissing is niet aan de orde in huidig geschil. De Beslagrechter te Dendermonde was territoriaal en materieel bevoegd om te oordelen over de regelmatigheid en rechtmatigheid van het bewarend derdenbeslag in eigen handen, gelegd op tegoeden van geïntimeerde in België op grond van een niet door geïntimeerde bestreden maar evenmin in België uitvoerbaar verklaard eenzijdig bevelschrift van een Franse rechter. C. Wat betreft de tijdigheid van het verzet Het verzet van geïntimeerde is niet manifest laattijdig. Krachtens artikel 1420 Ger.W. kan de beslagene de opheffing vragen van het bewarend beslag dat gelegd werd zonder voorafgaande beschikking van de beslagrechter op basis van een vonnis of gelijkwaardige akte. Wanneer beslag werd gelegd zonder voorafgaande machtiging van de beslagrechter, zoals in casu, is geen termijn bepaald om een vordering tot handlichting of opheffing in te stellen. Het bevelschrift van de Franse rechter maakt geen beschikking uit van een Belgische beslagrechter, zoals bedoeld in artikel 1420 Ger.W. D. Wat betreft de gegrondheid van het verzet De kern van huidig geschil is de vraag :

(1)of het exploot van bewarend beslag in eigen handen, dat op 16 januari 2006 in de Franse taal werd betekend aan het adres van appellante in Wichelen al dan niet rechtsgeldig is ;
(2)of het eenzijdig bevelschrift dd.16 december 2005 van een Franse rechter te Laon, waarbij machtiging werd verleend tot bewarend derdenbeslag in eigen handen, een titel kan opleve-ren op grond waarvan appellante kon overgaan tot het leggen van een bewarend derdenbeslag. D.
  1. De geldigheid van het beslagexploot In principe dient krachtens artikel 38, 2e lid van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken aan elke in het Frans gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of de kennisgeving moet gedaan worden in het Nederlandse taalgebied, een Nederlandse vertaling te worden toegevoegd. Overeenkomstig artikel 38, 8e lid van diezelfde wet mag van de voorschriften van dit artikel worden afgeweken, indien de partij aan dewelke de betekening moet gedaan worden, voor de rechtspleging de taal heeft gekozen of aanvaard, in dewelke de akte, het vonnis of arrest is gesteld. Uit het exploot van betekening van het beslag aan appellante van 16 januari 2006 blijkt dat appellante zich akkoord heeft verklaard met het feit dat de akte van betekening haar in de Franse taal werd overgemaakt. De omstandigheid dat de akte van betekening niet de tekst bevat van de artikelen 1451 en 1456 Ger.W. heeft niet voor gevolg dat het exploot nietig is. De vermelding van deze artikelen in het exploot van beslag is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid (art.1445, 3e lid Ger.W.). Derhalve kan worden aangenomen dat het beslagexploot dd.16 januari 2006 rechtsgeldig is. D.
  2. Het buitenlands vonnis als titel voor bewarend beslag Het bevelschrift van de Franse rechter dd.16 december 2005, verleend op eenzijdig verzoek, is niet zonder meer uitvoerbaar in België. Dergelijk bevelschrift kan niet worden beschouwd als een geldige voorafgaande machtiging van een territoriaal bevoegde Belgische rechter tot het leggen van een bewarend beslag. Het bevelschrift, dat werd gegeven zonder dat de partij tegen wie het is gericht, werd opgeroepen om te verschijnen, m.a.w. zonder dat er tegenspraak was, en die ten uitvoer moet worden gelegd zonder voorafgaande betekening, valt niet onder de in Titel III van het Executieverdrag voorziene regeling voor de erkenning en tenuitvoerlegging (zie H.v.J. zaak 125/79, 21 mei 1980, Denilauer/Couchet Frères, Jur.1980, 1553). Het is niet omdat het eenzijdige bevelschrift van een Franse rechter niet onderworpen is aan het toepassingsgebied van de EEX-verordening, zoals blijkt uit de hiervoor vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie, dat deze beslissing zonder enige vorm van exequatur ten uitvoer kan worden gelegd. Appellante toont niet aan dat zij voor de bevoegde Belgische rechter het exequatur heeft gevraagd van het voormelde bevelschrift van 16 december
  3. Zij liet zonder exequatur overgaan tot een bewarend beslag onder derden in eigen handen bij exploot dd.16 januari 2006 krachtens een bevelschrift van een Franse rechter, dat niet werd vertaald. Aangezien artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek aan een schuldeiser het recht toekent om zonder voorafgaande rechterlijke machtiging derdenbeslag te leggen wanneer zijn aanspraken steun vinden in een "authentieke of onderhandse akte", moet worden nagegaan of het Franse bevelschrift dergelijke akte kan uitmaken. Een buitenlands vonnis, zélfs zonder exequatur, kan een titel opleveren voor het leggen van een bewarend derdenbeslag op voorwaarde dat dit vonnis zelf de verbintenis van de schuldenaar vaststelt, regelmatig is naar de vorm, tegenstelbaar aan de beslagene en het bewijs levert van een zekere, vaststaande en opeisbare schuld. Een Franse beschikking op eenzijdig verzoekschrift, waarbij toelating tot bewarend derdenbeslag in eigen handen wordt verleend op grond van een schijnbare schuldvordering, waarover voor de bevoegde Belgische rechter een bodemprocedure hangend is en een deskundigenonderzoek loopt, kan evenwel geen onderhandse titel vormen in de zin van artikel 1445 Ger.W. Bij een verzet tegen een bewarend derdenbeslag krachtens artikel 1445 Ger.W. op eigen gezag van de schuldeiser zonder voorafgaande machtiging van de bevoegde Belgische beslag-rechter, moet streng worden nagegaan of de grondvoorwaarden voor het bewarend beslag, met name hoogdringendheid en het bestaan van een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering (art.1413 Ger.W.), zijn voldaan. Appellante toont niet aan dat zij beschikt over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering jegens geïntimeerde. Zij legt geen authentiek, noch onderhands stuk voor waaruit blijkt dat de grondvoorwaarde voor een bewarend beslag zijn vervuld. De schuldvordering van appellante mist de vereiste zekerheid nu het bestaan van de vordering en eventuele hoegrootheid ervan afhangt van de uitslag van een deskundig verslag. E. Wat betreft de schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag Geïntimeerde vorderde in eerste aanleg reeds een schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos beslag, waarover door de eerste rechter geen uitspraak werd gedaan. Appellante erkent dat zij een machtiging tot bewarend beslag in eigen handen heeft gevraagd, omwille van de wederzijdse vorderingen tussen beide partijen. Appellante wenste door het leggen van bewarend beslag in eigen handen te vermijden dat zij reeds uitvoering diende te geven aan de provisionele veroordeling tot betaling van een bedrag van 55.000,00 EUR aan geïntimeerde, waartoe zij gehouden was ingevolge het uitvoerbaar vonnis van 28 september 2005, daar waar haar eigen beweerde schuldvordering lastens geïntimeerde nog volop het voorwerp is van een deskundigenonderzoek in een procedure, hangende voor de bodemrechter. Terecht werpt geïntimeerde op dat het onrechtmatig karakter van een beslagmaatregel vlugger aan de orde komt bij een bewarend beslag, dat een zwakkere legitimering heeft dan een uitvoerend beslag, waar de schuldeiser reeds over een uitvoerbare titel beschikt waaruit zijn schuldvordering blijkt. Het Hof is van oordeel dat appellante in casu het bewarend beslag in eigen handen heeft aangewend als ongeoorloofd drukkingsmiddel. Appellante was zich er goed van bewust dat niet voldaan was aan de grondvoorwaarde van het bestaan van een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering, gelet op het feit dat het bestaan van de schuldvordering van appellante afhangt van de uitslag van een deskundig onderzoek omtrent de afrekening tussen partijen. Appellante blijft in gebreke aan te tonen dat deze voorwaarde voor het beslag was vervuld, maar heeft door het leggen van een bewarend beslag in eigen handen belet dat de beschikking in kort geding van 28 september 2005 van de rechtbank van koophandel te Chauny, ten gevolge waarvan geïntimeerde wel over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering beschikt, kon worden uitgevoerd. Door aldus te handelen en het bewarend beslag af te wenden van het doel, waarvoor het is gegeven, heeft appellante schade berokkend aan geïntimeerde, bestaande in de onbeschikbaar-heid van de in beslag genomen gelden en de kosten die geïntimeerde diende te maken in de procedure tot opheffing van het beslag, met uitzondering van de advocatenkosten,die worden vergoed door de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. Deze schade kan ex aequo et bono worden begroot op 1.000,00 EUR. Het incidenteel hoger beroep is gegrond. Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, is het Hof van oordeel dat bij de bepaling van de rechtsplegingsvergoedingen de basisbedragen toepassing vinden, in voege vanaf 1 januari 2008 als gevolg van het K.B. van 26 oktober 2007 ter uitvoering van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten. Er is geen aanleiding tot toepassing van de minimumbedragen. OM DEZE REDENEN HET HOF Wijst de vordering tot opschorting van huidige procedure af als ongegrond; Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch ongegrond en het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde ontvankelijk en ten dele gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, zij het deels op andere gronden, voor zover daarbij het verzet van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard wordt; Hervormt het bestreden vonnis wat betreft de tegeneis van geïntimeerde tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag en veroordeelt appellante tot betaling aan geïntimeerde van een schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op 1.000,00 EUR. Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 4 november
  4. Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.