id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081106.18 Rolnummer: 2006/AR/2897 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht Invoerdatum: 2009-01-12 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 18:15 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Algemeen (echtscheiding (oud)) Vrije woorden: vereffening en verdeling na ontbinding huwelijksstelsel -zwarigheden (eindarrest) - tussenarrest zie N-20080306-3 Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 6-11-2008 EINDARREST Na tussenarrest dd. 6.3.'08 - In de zaak met het rolnummer 2006/AR/2897van: V.R., appellant tegen de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, op tegenspraak gewezen door de zevende kamer dd. 22-3-2006 en dd. 20-9-2006, oorspronkelijk verweerder op hoofdeis en eiser op tegeneis, hebbende als raadsman mr. LAGROU Luc, advocaat te 8630 Veurne, Astridlaan 2a tegen : V.M.J., geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres op hoofdeis en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman mr. VANLERBERGHE Oswald, advocaat te 8600 Diksmuide, Woumenweg 109 velt het hof het volgend arrest.
- Dit Hof, zelfde kamer heeft ingevolge het beroep tegen de vonnissen die de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, zevende kamer, op 22 maart 2006 en op 20 september 2006 tussen partijen heeft gewezen, reeds op 6 maart 2008 een arrest geveld. Na dat arrest zijn er nog zwarigheden te beoordelen.
- aangaande het punt 6 uit het arrest d.d. 6 maart 2008: wat betreft de lening bij W.V. en de terugneming van 750.000 oude BEF. 2.
- Uit de stukken B5 en D 46 (stukkenbundel appellant) blijkt dat de partijen op 31.05.1996 750.000 oude BEF hebben ontleend aan W.V.. Er werd daardoor een gemeenschappelijke schuld aangegaan. In zover deze schuld nog openstond op 1.10.1999 komt deze schuld vanzelfsprekend ter sprake in de vereffening en verdeling. De notaris heeft op basis van stukken in zijn staat van vereffening en verdeling, opgemaakt op 25.03.2004, aangenomen dat er sinds 1.10.1999 5.174,68 EUR is betaald geworden door appellant en dat door deze laatste zou worden ingestaan voor de betaling van hetgeen nog op dat ogenblik verschuldigd was, nl.4.957,87 EUR. Uit de brief met zwarigheden blijkt dat geïntimeerde met deze posten niet akkoord gaat. Het feit dat er een gemeenschappelijke schuld is aangegaan tegenover W.V., het feit dat appellant aan laatstgenoemde betalingen heeft gedaan tussen 1.10.1999 en 25.3.2004 waardoor de schuld verminderde en het feit dat er nog een saldo te betalen was op 25.03.2004 zijn niet te miskennen feiten gelet op de stukken die voorliggen. De betwisting van geïntimeerde betreft niet de bepaling van de gezegde bedragen en beoogt niet de wijziging van het bedrag maar is een betwisting over de opname van de schuld. Aan de genoemde blote feiten kan geïntimeerde niets veranderen door te verwijzen naar omstandigheden die te maken hebben met de BVBA Vanderplasschen, die de eigenares was geworden van de handelszaak gelegen te ... (bij aankoop op 31 mei 1996 genaamd Restaurant Nemo - aankoopprijs 750.000 oude BEF - en bij verkoop voor 1.000.000 oude BEF op 31.12.1999 genaamd 'Taverne 't Zeegat'). Aan de vermeldingen aangaande die leningen is er in de staat van vereffening en verdeling niets te wijzigen. 2.
- In de brief met zwarigheden d.d. 18 mei 2004 vraagt geïntimeerde sub 5 dat er in de staat zou voorzien worden in een terugneming van 750.000 oude BEF door de huwgemeenschap uit de BVBA Vanderplasschen omdat dit bedrag is opgenomen door de BVBA. Daarbij wordt er dus wel van uit gegaan dat de ontlening van het bedrag van W.V. een gemeenschappelijke schuld is, die aangewend is voor de BVBA. Tevergeefs heeft geïntimeerde in twijfel getrokken dat de ontleende som werd aangewend voor de aankoop van het handelsfonds. Het staat vast dat de ontlening en de aankoop van het handelsfonds nagenoeg op hetzelfde ogenblik zijn gebeurd en geïntimeerde geeft zelf geen andere uitleg over de aanwending van het ontleende bedrag en over de financiering van de aankoopprijs van het handelsfonds. Het Hof stelt vast dat er spijts de opmerkingen over de wijze waarop de waardebepaling van de aandelen is gebeurd, geen betwisting is ontstaan over deze waardebepaling van de aandelen en over de toebedeling van de aandelen aan appellant. Het is zodoende aanvaard geworden dat de boedelnotaris zich steunde op een voorverslag van accountant Luc Dedecker waarvan gewag is gemaakt in de brief van laatstgenoemde aan partijen d.d. 30.04.2001 (stuk G 1c). Daaruit blijkt dat rekening is gehouden met de liquidatiewaarde van het handels-fonds. Geïntimeerde kan in deze omstandigheden niet meer vragen rekening te houden met de interne zaken van de BVBA en met bepaalde financiële toestanden of verrichtingen van de BVBA. 2.
- Het Hof besluit dat de zwarigheden van geïntimeerde met betrekking tot de 750.000 oude BEF, ontleend aan W.V., ongegrond zijn.
- aangaande de nieuwe opmerking van appellant met verwijzing naar een nieuw stuk dat er ten tijde van de aankoop van de handelszaak in 1996 ook 750.000 oude BEF werd geleend van zijn moeder. Het is niet relevant op te merken dat appellant geen terugbetaling van deze lening aantoont aangezien het ter zake gaat om een nieuwe zwarigheid De vraag om de beweerde lening eveneens in het passief op te nemen wordt afgewezen als onontvankelijk. Dat bedrag is overigens ook vervat in de som van 88.720,90 EUR, vermeld in het dispositief van de laatste conclusies van appellant (hetgeen verband houdt met het punt 9 van het arrest van 6 maart 2008).
- aangaande het punt 7 uit het arrest d.d. 6 maart 2008: wat betreft de lening bij KBC ten belope van 1.000.000 oude BEF (24.789.35 EUR) 4.
- Uit de zwarigheden van geïntimeerde, zoals deze volgen uit de brief van de raadsman d.d. 18 mei 2004, blijkt niet dat het bestaan werd betwist van een gemeenschappelijke schuld uit hoofde van deze lening. Er is in die brief door geïntimeerde verwezen geweest naar die lening: zie punt
- Het is uit de brief van de boedelnotaris d.d. 27 mei 2008 (zie de nieuwe stukken van appellant) gebleken dat er volgens de aflossingstabel van 120 mensualiteiten, gevoegd bij de leningsovereenkomst 990-4281265-41, een maandelijkse afbetaling verschuldigd was van 10.633 oude BEF. Hetgeen uit hoofde van die lening vervallen was op datum van de staat van vereffening en verdeling werd begrepen in het bedrag van 49.309,52 EUR dat in de staat is vermeld op pagina 6 (onder de rubriek ‘door de huwgemeenschap aan de heer R.V.'). Hetgeen nog niet vervallen was uit hoofde van die lening beliep een bedrag van 14.906,80 EUR, hetgeen in de staat werd opgenomen onder het passief met de vermelding dat appellant de aanzuivering daarvan op zich zou nemen. De zwarigheid van geïntimeerde - punt 11 van de brief van 18 mei 2004 - kwam er blijkbaar op neer dat geïntimeerde niet wilde dat ze in de lasten van de lening zou moeten bijdragen omdat de ontleende gelden in de BVBA Vanderplasschen gebruikt zijn geweest. Er werd toen geen bewijs van betaling door appellant geëist. Nu blijkt geïntimeerde plots wel gegevens te vragen over de betaling. Die vraag die vroeger nooit uitdrukkelijk werd gesteld, is niet ernstig omdat geïntimeerde anno 2008 zeker zelf de bewijzen in handen zou hebben dat appellant de beweerde betalingen gedaan tussen 1.10.1999 en 1.1.2004, niet zou gedaan hebben. Bedoeld wordt dat zij als medeaanvrager van de lening al lang zou aangesproken zijn geworden tot betaling, hetgeen ze niet beweert terwijl ze niet zou nagelaten hebben om dit op te merken. Aan de vermelding in de staat van vereffening en verdeling aangaande die lening dient niets gewijzigd te worden. 4.
- In de brief met zwarigheden d.d. 18 mei 2004 vraagt geïntimeerde sub 5 dat er in de staat zou voorzien worden in een terugneming. Die vraag tot terugneming heeft ook betrekking op het ontleend bedrag van 1.000.000 oude in de mate dat dit in de BVBA Vanderplasschen is aangewend geworden. Het is niet gebleken dat de ganse som van 1.000.000 oude BEF volledig is terecht gekomen in de BVBA zonder dat de BVBA enig recht had op deze betaling. De gegevens over het bestaan van een rekening-courant, die negatief was voor partijen, zijn onduidelijk gebleven. De gegevens over het geheel of gedeeltelijk opnemen van genoemd bedrag in de BVBA Vanderplasschen zijn eigenlijk zonder belang, zo blijkt. De gevraagde terugneming is ten onrechte. Om tot dat besluit te komen is beslissend hetgeen hoger reeds werd gezegd sub 2.
- 4.
- Het Hof besluit dat de zwarigheden van geïntimeerde met betrekking tot de lening bij KBC ten belope van 1.000.000 oude BEF ongegrond zijn.
- aangaande het punt 8 uit het arrest d.d. 6 maart 2008: wat betreft de vergoeding aan appellant t.b.v. 32.592,87 EUR (1.453.838 oude BEF - 139.045 oude BEF = 1.314.793 oude BEF) In haar zwarigheid, opgenomen in de brief van haar raadsman d.d. 18 mei 2004, vroeg geïntimeerde dat het recht op vergoeding, voorzien in de staat van vereffening en verdeling ten belope van 1.314.793 oude BEF, minstens zou verminderd worden met 50.000 oude BEF + 803.628 oude BEF + 178.839 oude BEF. Het staat vast dat de eigen gelden uit de nalatenschap van de vader van appellant geplaatst werden op de rekening nr 385-0132993-69 die een rekening is op naam van beide partijen terwijl appellant toch titularis was van een rekening op zijn naam alleen. De eigen gelden werden opgenomen in de gemeenschap en wanneer met die gelden betalingen werden gedaan worden deze uiteraard geacht gedaan te zijn met gelden van de gemeenschap. Appellant heeft in alle geval aan zijn bewijslast voldaan door aan te tonen dat zijn eigen gelden vermengd werden met gemeenschappelijke gelden. Geïntimeerde mocht aantonen dat de gelden uitsluitend werden aangewend voor persoonlijke doeleinden van appellant zodat geen vergoeding verschuldigd is door het gemeenschappelijk vermogen. Zij heeft dat niet aangetoond (zie THEMIS nr 40 Recente rechtspraak huwelijksvermogensrecht van C. DECLERCK p 33 nr 17). De gevraagde verduidelijking over de drie betalingen hierboven vermeld is er niet gekomen. De zwarigheid van geïntimeerde is in gegeven omstandig-heden niet gegrond.
- aangaande het punt 10 uit het arrest d.d. 6 maart 2008: wat betreft de kosten uitgevoerd aan de villa. Elke partij maakte een zwarigheid nopens de vermelding in de staat dat appellant recht had op vergoeding voor de door appellant gemaakte kosten aan de villa voor een bedrag van 6.925,97 EUR Appellant was niet akkoord met het weerhouden bedrag en met de weigering om het door hem gevraagde bedrag te weerhouden. Geïntimeerde betwistte dat er uit hoofde van werken aan de villa een recht op vergoeding bestond in hoofde van appellant. Appellant vordert blijkbaar alleen vergoeding voor werken die aan de villa zijn uitgevoerd na 01.10.1999 (refertedatum). Volgens hetgeen vermeld werd in het arrest van 6 maart 2008 verwees appellant naar een te vergoeden kostprijs van (zie D 28) 12863,54 EUR (335.914 oude BEF + 183.000 oude BEF = 518.914 oude BEF) waarin het vermeld bedrag van 6.925,97 EUR (279.393 oude BEF) Volgens hetgeen vermeld is in conclusies van 1 augustus 2008 is de gevraagde vergoeding nog verhoogd met 1338,47 EUR bestaande uit volgende bedragen: - 272,19 EUR ( 10.980 oude BEF) zijnde de BTW op 183.000 oude BEF zijnde de werkuren die door BVBA Vanderplasschen werden gefactureerd op 31.10.2001; - 307,98 EUR zijnde de kosten herstelling stookketel (zie factuur BVBA Vanderplasschen d.d. 28.05.2002); - 645,51 EUR zijnde de kosten herstelling stookketel centrale verwarming (zie factuur BVBA Vanderplasschen d.d. 10.04.2003); - 99,48 EUR zijnde de kosten herstelling stookketel centrale verwarming (zie factuur BVBA Vanderplasschen d.d. 31.08.2004); - 13,31 EUR zijnde de kosten aan radiatorkraan (zie factuur BVBA Vanderplasschen d.d. 13.09.2003 , vermeldend 30,21 EUR); Het staat vast staat dat de deskundige P. Derck op 20.04.2001 toen hij met het oog op de waardebepaling ter plaatse ging, kennis nam van de uitvoering van renovatiewerken o.a. het vernieuwen van een dakbedekkingslaag. Het staat vast aan de hand van de facturen en de foto's dat het platte dak van deze bungalow van het bouwjaar 1958 aan volledige vernieuwing toe was, in acht genomen het feit dat het dak bestond uit vezelplaten. De renovatie en de noodzaak ervan kunnen niet in twijfel worden getrokken. Een goede toestand van het dak is van uiterst groot belang voor de waarde van een woning, die in april 2001 werd geschat op 272.682,88 EUR (11.000.000 oude BEF) en die in 2006 werd verkocht voor 395.000 EUR. Het standpunt van geïntimeerde is dan ook extreem doordat ze wel wil delen in het financiële voordeel van het feit dat deze werken zijn uitgevoerd maar niet wil delen in de kosten die daartoe moesten gemaakt worden. Dat extreme standpunt is juridisch niet te verantwoorden. Wat ook de omstandigheden geweest zijn waarin werd overgegaan tot de uitvoering van de werken, de belangen van geïntimeerde zijn duidelijk gediend geworden door de handelwijze van appellant, die op basis van de zaakwaarneming gerechtigd is op de terugvordering van de nuttig en noodzakelijk gemaakte kosten. Voor de bepaling van die kosten kan niet gesteund worden op de eenzijdig gemaakte rekening van appellant, die op een niet-tegensprekelijke wijze heeft gehandeld. Rekening houdend dat in gegeven omstandigheden een begroting van de kosten voor de renovatie van het dak alleen nog ex aequo et bono kan gebeuren vermits een expertise van een woning, die geen eigendom meer is van partijen, ongeveer 8 jaar na uitvoering der werken niet aangewezen is, wordt besloten dat de werken van vernieuwing aan het dak in totaal 12.000 EUR hebben gekost en dat de boedelnotaris het bedrag van 6.925,97 EUR dient te vervangen door 12.000 EUR. In het bedrag dat appellant vermeldt met betrekking tot de kosten gemaakt na 01.10.1999, zijn er andere kosten begrepen dan kosten van renovatie van het dak. Het Hof oordeelt dat dit kosten zijn, die ten laste blijven van de bewoner, zijnde appellant.
- In het arrest van 6 maart 2008 werd door het Hof ook een eindbeslissing genomen onder de punten 5, 9, 11, 12 en 13 zodat appellant na het tussenarrest van 6 maart 2008 onnodig daarop terug komt in zijn latere conclusies. In laatstgenoemd arrest werd sub 9, d weliswaar bij vergissing gewag gemaakt van 92.020 oude BEF intresten ontvangen op 26.02.1996 terwijl een bedrag van 77.960 oude BEF aan intresten was bedoeld maar deze vergissing beïnvloedde niet de beslissing inzake punt
- Bij de bespreking van punt 9 heeft appellant gevraagd dat de vergoeding die in de staat is bepaald op 56.128,03 EUR, zou bepaald worden op 88.720,90 EUR: deze vraag is onontvankelijk omdat appellant op dat punt nooit een zwarigheid maakte en omdat de debatten na de heropening der debatten beperkt zijn tot het voorwerp van de heropening der debatten. Hetgeen appellant in zijn laatste conclusies vordert met betrekking tot de woonstvergoeding houdt ook geen verband met het voorwerp van de heropening der debatten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; in voortzetting van het arrest van 6 maart 2008; Zegt dat de zwarigheid van geïntimeerde aangaande de lening bij W.V. (18.592.01 EUR) en aangaande de lening bij KBC (24.789,35 EUR) ongegrond is en dat er aan de vermeldingen in de staat van vereffening en verdeling aangaande deze leningen niets te wijzigen is; Zegt dat de zwarigheid van geïntimeerde aangaande de in de staat vermelde vergoeding door de huwgemeenschap aan appellant t.b.v. 32.592,87 EUR ongegrond is; Zegt dat met betrekking tot hetgeen in de staat is vermeld op pagina 4 en 5 onder de rubriek ‘Voor kosten uitgevoerd aan de villa' enkel de zwarigheid van appellant gegrond is in die mate dat de boedelnotaris het bedrag van 6.925,97 EUR zal dienen te vervangen door het bedrag van 12.000 EUR; Zegt dat wat betreft de gedingskosten, begroot door de partijen in hun laatste conclusies, elke partij de eigen kosten dient te dragen uitgezonderd de kosten van het rolrecht van 186 EUR welke voor de ene helft ten laste is van appellant en voor de andere helft ten laste van geïntimeerde; Verwijst de partijen terug naar de boedelnotaris, die zijn staat van vereffening en verdeling van 25 maart 2004 in overeenstemming zal brengen met de beslissingen, genomen in het arrest van 6 maart 2008 en in het onderhavig arrest. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 6-11-
- Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div