id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081110.12 Rolnummer: 2005/AR/1921 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Unierecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 18:17 Fiche Bij gebrek aan een ernstig bedreigd recht is de vordering van de eiser om voor recht te horen zeggen dat hij voor een ladingdiefstal geen aansprakelijkheid draagt, ontoelaatbaar. De exceptie van het gebrek aan rechtsmacht van de Belgische rechtbanken werd voor enig ander middel en dus tijdig opgeworpen. De termen 'internationale bevoegdheid' en 'rechtsmacht' worden door elkaar gebruikt. De aard van de exceptie moet niet worden beoordeeld naar de letterlijke benoeming, maar naar de werkelijke inhoud ervan. Het EEX-Verdrag (betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken), is in casu niet van toepassing om te leiden tot de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken. Ook art 31.1 CMR-Verdrag kan niet worden ingeroepen bij gebrek aan een rechtsgeldig bevoegdheidsbeding. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE Vrije woorden: Internationaal transport - CMR-Verdrag - diefstal - EEX-Verdrag - rechtsmacht Belgische rechtbank - belang - ontvankelijkheid - bevoegdheid - exceptie in limine litis. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 10-11 2008 Nr. 2005/AR/1921 ------------------------ EEX-Verdrag in de zaak van : N.V. EUROPEAN CONTAINERS, met maatschappelijke zetel te 8380 Zeebrugge (Brugge), Karveelstraat 3, appellante, hebbende als raadsman mr. Lino Verbeke, advocaat met kantoor te 8200 Brugge, Diksmuidse Heerweg 126, tegen
- EPSON TELFORD LTD, vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk, met zetel in het Verenigd Koninkrijk, Hortonwood 30, Telford TF1 4ET,
- EPSON IBERICA S.A., vennootschap naar Spaans recht met zetel in Spanje, Avda. De Roma 18-26 te 08290 Barcelona, Cerdanoya del Valles,
- ALMACENES DE SONY ESPANA S.A., vennootschap naar Spaans recht met zetel in Spanje, Pol. Industrial de la Bruguera, Garraf 1, Castellar Des Valles (Barcelona),
- EPSON EUROPE B.V., vennootschap naar Nederlands recht met zetel in Nederland, Bavinckstraete, Prof. J.H. Bavincklaan 5 te 1183 AT Amstelveen, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Luc Keyzer, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, De Burburestraat 6-8, alwaar woonstkeuze gedaan wordt, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
- Appellante heeft op 20 juli 2005 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het door de tweede kamer van de rechtbank van Koophandel te Brugge op tegenspraak gewezen vonnis van 1 maart 2005 in de zaak AR A/00/
- Een akte van betekening wordt niet voorgelegd, hoewel de beroepsbesluiten voor geïntimeerden verwijzen naar een akte van betekening van 20 juni
- Geïntimeerden hebben in hun op 28 november 2006 neergelegde beroepsbesluiten incidenteel hoger beroep ingesteld. Feiten en procedure in eerste aanleg
- De eerste rechter zette de oorspronkelijke vordering van appellante en de feiten waarop deze betrekking heeft als volgt uiteen : "
- De vordering van [appellante], gesteld bij dagvaarding van 18 februari 2000, is erop gericht "[geïntimeerden] zich te horen zeggen voor recht dat [appellante] geen enkele aansprakelijkheid draagt met betrekking tot de diefstal of de verdwijning van een partij van 26 paletten (780 stuks) Epson-printers uit container ECBU 450638/8 te Zeebrugge op of omstreeks 17 november 1998, minstens dat de aansprakelijkheid van [appellante] hoogstens begroot kan worden op 619,73 euro, of uiterst ondergeschikt 70.645 euro.
- [appellante] zou met betrekking tot de verzending of het vervoer van deze partij goederen van eerste [geïntimeerde] te Telfork (V.K.) naar derde [geïntimeerde] te Barcelona (Spanje) door vierde [geïntimeerde] gecontacteerd geweest zijn; tweede [geïntimeerde] zou de koper van de goederen zijn. Nadat de goederen op 17 november 1998 te Zeebrugge waren gelost uit het zeeschip "DART V", en zich op de terminal van DART LINE LTD bevonden, zouden zij gestolen zijn. Bij schrijven van 29 oktober 1999 werd [appellante] voor het verlies aansprakelijk gesteld. Haar vordering is erop gericht te horen zeggen voor recht dat zij in geen geval enige aansprakelijkheid draagt, welke ook de hoedanigheid was waarin ze met betrekking tot dit vervoer zou zijn tussengekomen; minstens vraagt zij te zeggen voor recht dat haar aansprakelijkheid beperkt is, conform de bepalingen van het CMR-Verdrag." Het Hof verwijst partijen naar deze uiteenzetting die het juist bevindt en waaraan het enkel nog toevoegt dat geïntimeerden het gebrek aan rechtsmacht/internationale onbevoegdheid van de eerste rechter hebben opgeworpen, tot de ontoelaatbaarheid van de vordering bij gebrek aan belang besloten, en tenslotte ook een tegenvordering tot betaling van een op 2.500,00 EUR begrote schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding instelden voor zover de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken mocht worden weerhouden.
- Bij het thans bestreden vonnis verklaarde de eerste rechter de oorspronkelijke vordering van appellante onontvankelijk wegens gebrek aan belang en stelde hij verder vast dat het de rechtbank dienvolgens niet toekwam om uitspraak te doen over de vraag of appellante aansprakelijk zou zijn voor de schade in de hypothese dat geïntimeerden hieromtrent, op welke rechtsgrond ook, een vordering zouden instellen, noch over de vraag of de Belgische rechtbanken met betrekking tot dergelijke vordering, naargelang de rechtsgrond waarop ze zou gesteund zijn of naargelang de wijze waarop de dagvaarding zou opgesteld zijn, rechtsmacht zouden hebben. De door geïntimeerden geformuleerde tegeneis wegens tergend en roekeloos geding werd ontvankelijk maar niet gegrond bevonden. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
- Appellante is van oordeel dat de eerste rechter haar vordering volkomen ten onrechte als onontvankelijk van de hand wees. Zij argumenteert dat zij wel degelijk over het rechtens vereiste en voldoende belang beschikt om op een ontvankelijke wijze de voormelde vordering tegen geïntimeerden in te stellen. Appellante betwist verder de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de door geïntimeerden in graad van beroep hernomen exceptie van afwezigheid van rechtsmacht ( zie hierna randnummer 5 ) Zij vordert dan ook de hervorming van het bestreden vonnis en de toekenning van haar oorspronkelijke vordering zoals hiervoor onder randnummer 2 nader omschreven.
- Geïntimeerden die van oordeel zijn dat de eerste rechter impliciet heeft geoordeeld rechtsmacht te hebben/bevoegd te zijn om kennis te nemen van de vordering door deze als ontoelaatbaar af te wijzen, stellen terzake incidenteel hoger beroep in. Zij hernemen en handhaven hun voor de eerste rechter opgeworpen exceptie van afwezigheid van rechtsmacht. Verder betwisten zij het belang van appellante en zijn zij van oordeel dat hoe dan ook niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 18 Ger.W.. Tenslotte, voor zover het Hof de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken mocht aanvaarden, stellen geïntimeerden ook incidenteel hoger beroep in tegen de afwijzing van hun tegeneis wegens tergend en roekeloos geding. Zij vorderen tenslotte dat hen voorbehoud zou worden verleend om hun verdere argumenten te ontwikkelen voor wat de grond van de zaak en in het bijzonder de aansprakelijkheid van appellante betreft. Beoordeling
- Appellante kan niet worden bijgetreden in haar argumentatie waarin zij staande houdt dat geïntimeerden de exceptie van afwezigheid van rechtsmacht niet in limine litis hebben voorgedragen en hiervan dan ook stilzwijgend afstand hebben gedaan. Nazicht van de eerste besluiten die geïntimeerden voor de eerste rechter op 2 maart 2001 neerlegden toont aan dat zij als eerste middel hebben opgeworpen dat de gevatte rechtbank "internationaal onbevoegd" was. (eigen onderlijning) Uit de motivering van dit middel, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 31 CMR-Verdrag en de inmiddels voor de Engelse rechtbank uitgebrachte vordering hoofdens ladingschade, blijkt naar het oordeel van het Hof dat de door appellante opgeworpen exceptie wel degelijk de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken en niet de territoriale bevoegdheid betreft. Terecht wijzen geïntimeerden erop dat ook in de rechtsleer de termen "internationale bevoegdheid" en "rechtsmacht" door elkaar worden gebruikt en dat de aard van de exceptie niet moet worden beoordeeld naar de letterlijke benoeming daarvan, maar naar de werkelijke inhoud van de exceptie. Nu ook hier vaststaat dat geïntimeerden met de in hun eerste besluiten en voor enig ander middel opgeworpen internationale onbevoegdheid in feite doelden op het gebrek aan rechtsmacht van de Belgische rechtbanken om van de vordering van appellante kennis te nemen; kan niet worden besloten dat zij de exceptie van rechtsmacht niet tijdig hebben voorgedragen en/of daarvan stilzwijgend afstand hebben gedaan.
- Tot weerlegging van de door geïntimeerden opgeworpen exceptie van rechtsmacht verwijst appellante achtereenvolgens naar artikel 5.1, artikel 6.1 en 6.2., en artikel 17 EEX-Verdrag; alsook naar artikel 31 CMR-Verdrag. Zij is van oordeel dat de toepassing van elk van deze bepalingen tot de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken leidt; hetgeen geïntimeerden betwisten. 7.
- Appellante kan niet worden bijgetreden waar zij tot staving van de rechtsmacht van Belgische rechter vooreerst verwijst naar artikel 5.1 van het op het ogenblik van het instellen van de oorspronkelijke vordering geldende verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verdrag). Volgens de argumentatie van appellante is de verwijzing naar voormelde bepaling gesteund op de hypothese dat zij in haar hoedanigheid van bewaarnemer van de containers te Zeebrugge wordt aangesproken. Het Hof kan terzake enkel vaststellen dat appellante beweert, maar niet bewijst dat zij als bewaarnemer van de containers kan worden bestempeld. In haar eigen oorspronkelijke dagvaarding stelt appellante vooreerst zelf vast dat zij werd belast met de verzending en/of het vervoer van goederen van het Verenigd Koninkrijk naar Spanje, dat de goederen na lossing uit het zeeschip "Dart V" werden opgeslagen op de bewaakte terminal van DART LINE LTD en de container met de goederen daar werd ontvreemd. Blijkbaar is op dat ogenblik niet appellante maar DART LINE LTD de bewaarnemer en bewaker van de container, hetgeen nog steun vindt in de door appellante als stuk 3 voorgelegde verklaring. Uit de daarin vermelde procedure blijkt immers dat - op basis van een procedure met referentienummers - DART LINE LTD de containers vrijgeeft. De argumentatie van appellante staat verder haaks op haar eigen mededeling dat zij - hoewel daarvan geen enkel stuk wordt bijgebracht - inmiddels een vordering tegen ondermeer DART LINE LTD heeft ingesteld. Appellante stelt daaromtrent in haar besluiten zelfs uitdrukkelijk dat DART LINE LTD de partij is "onder wiens hoede" de kwestieuze container is verloren gegaan. (stuk 13 - gerechtsdossier hoger beroep, p. 19, laatste paragraaf). Tenslotte is het Hof van oordeel dat zelfs indien van een bewaarneming sprake mocht zijn, het een verbintenis betreft die ondergeschikt is aan de hoofdverbintenis, namelijk de verzending en/of het vervoer van de goederen van het Verenigd Koninkrijk naar Spanje, en deze ondergeschikte verbintenis niet in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 5.1 EEX-Verdrag. 7.
- Verder kunnen ook de door appellante ingeroepen artikelen 6.
- en 6.
- EEX-Verdrag niet tot de rechtsmacht van de Belgische rechter leiden. Artikel 6.
- EEX-Verdrag voorziet dat, in geval van pluraliteit van verweerders, de vordering kan worden gebracht voor het gerecht van de woonplaats van één van hen. Vermits geen van de geïntimeerden woonplaats heeft in België kan appellante zich bezwaarlijk op deze bepaling beroepen. Artikel 6.
- EEX-Verdrag voorziet verder dat een vordering tot vrijwaring of een vordering tot voeging of tussenkomst, kan worden ingeleid voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is, tenzij de vordering slechts is ingesteld om de opgeroepene te onttrekken aan de rechter die de wet hem toekent. Zoals hiervoor reeds vermeld, beweert maar bewijst appellante vooreerst niet dat zij vòòr de inleiding van deze procedure reeds een vordering heeft ingesteld tegen onder meer DART LINE LTD. De dagvaardingsexploten waarnaar zij verwijst worden immers niet voorgelegd. Daarenboven stelt het Hof vast dat de oorspronkelijke dagvaarding van appellante van 18 februari 2000 op geen enkele wijze verwijst naar de beweerdelijk inmiddels tegen DART LINE LTD ingeleide procedure en verder geen enkele vordering tot vrijwaring, tussenkomst en/of voeging bevat. Aldus kan ook artikel 6.
- EEX-Verdrag niet nuttig tot staving van de rechtsmacht van de Belgische rechter worden ingeroepen. 7.
- Ook het door appellante nog ingeroepen artikel 17 EEX-Verdrag laat niet toe om tot de rechtsmacht van de Belgische rechter te besluiten. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen oordeelt vaststaand dat artikel 17 EEX-Verdrag, de geadieerde rechter in de eerste plaats verplicht te onderzoeken of het ingeroepen forumbeding daadwerkelijk het voorwerp is geweest van een wilsovereenstemming die duidelijk en nauwkeurig tot uiting moet komen. De vormvereisten van artikel 17 EEX-Verdrag hebben precies tot doel te waarborgen dat de wilsovereenstemming inderdaad vaststaat. Derhalve moeten partijen een bevoegde rechter aanwijzen in een schriftelijke overeenkomst, dan wel in een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst of in een andere gangbare vorm. Ook de instemming van de wederpartij daaromtrent moet vaststaand worden aangetoond. Een dergelijke instemming kan slechts voorhanden zijn indien de wederpartij effectief kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het beding waarbij de bevoegde rechter wordt aangewezen. Terecht merken geïntimeerden hier op dat de vijf door appellante onder haar stuk 8bis overgelegde facturen - die overigens enkel in fotocopie worden bijgebracht - nergens op de voorzijde ook maar enige verwijzing bevatten naar algemene voorwaarden, en verder uit niets blijkt dat deze algemene voorwaarden op de achterzijde van deze facturen vermeld staan. De vijf voormelde facturen hebben daarenboven geen betrekking op de hier relevante overeenkomst van verzending en/of vervoer van de goederen van het Verenigd Koninkrijk naar Spanje. Bij gebrek aan bewijs dat de algemene voorwaarden - en het daarin opgenomen bevoegdheidsbeding - op de achterzijde van de eerder aan vierde geïntimeerde overgemaakte facturen voorkomen en dat daarnaar op de voorzijde van deze facturen wordt verwezen, kan appellante bezwaarlijk ernstig voorhouden dat partijen waren overeengekomen om hun geschillen onder de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken te laten ressorteren en dit ook voor huidige betwisting geldt. Nu uit niets blijkt dat vierde geïntimeerde kennis heeft gekregen van de door appellante ingeroepen algemene verkoopsvoorwaarden, kan niet worden besloten dat er een wilsovereenstemming is tot stand gekomen omtrent het in deze voorwaarden vervatte forumbeding. Appellante kan zich dan ook niet op het in haar algemene voorwaarden opgenomen bevoegdheidsbeding beroepen om op grond van artikel 17 EEX-Verdrag tot de rechtsmacht van de Belgische rechter te besluiten. 7.
- Tot staving van de rechtsmacht van de Belgische rechter beroept appellante zich tenslotte op artikel 31.
- CMR-Verdrag dat uitdrukkelijk toelaat dat er tussen de partijen een afwijkend beding geldt omtrent de bevoegde rechtbank. Deze vaststelling is correct, maar ook hier geldt de hiervoor onder randnummer 17.
- reeds gedane vaststelling dat uit niets blijkt dat tussen partijen een rechtsgeldig bevoegdheidsbeding is tot stand gekomen. Bij gebreke daaraan kan ook de toepassing van artikel 31.
- CMR niet tot de rechtsmacht van de Belgische rechter leiden. 7.
- Uit wat voorafgaat blijkt dan ook dat de door geïntimeerde opgeworpen exceptie van afwezigheid van rechtsmacht terecht voorkomt en geen van de door appellante ingeroepen bepalingen tot de rechtsmacht van de Belgische rechter kan leiden. Door de vordering van appellante als ontoelaatbaar af te wijzen heeft de eerste recht impliciet maar zeker geoordeeld dat hij rechtsmacht had om van de vordering kennis te nemen, waardoor het incidenteel beroep van geïntimeerden ontvankelijk en gegrond voorkomt en de hervorming van het bestreden vonnis zich dan ook opdringt.
- Ten overvloede stelt het Hof nog vast dat zelfs indien de rechtsmacht van de Belgische rechter mocht worden weerhouden, de onontvankelijkheid van de vordering van appellante zich hoe dan ook opdringt. Op volgende relevante overwegingen verklaarde de eerste rechter de vordering van appellante niet toelaatbaar : "Art. 18 Ger.W. vereist een reeds verkregen en dadelijk belang. Weliswaar laat deze bepaling in haar tweede lid een vordering toe, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, indien zij is ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen; hiertoe is het echter onvoldoende dat eiser door de goederenbelanghebbende aansprakelijk wordt gesteld. Het versturen van een ingebrekestelling en de dreiging van een procedure, waarvan de gevolgen de vermindering van het patrimonium van de aansprakelijke partij kunnen tot gevolg hebben, volstaan niet om te besluiten dat een recht ernstig bedreigd is ( zie ook Kh. Namen, 18 november 2002, A.R. nr 922/01, n.g.) De enkele dreiging van een procedure, impliceert geen ernstig bedreigd recht. (zie ook KOHL. A., jurisprudence du Code Judiciaire, Dispositions Préliminaires, compétences, nr. 2) De omstandigheid dat de kans groot is of was dat eiseres voor een buitenlands gerecht zou worden gedagvaard, waar mogelijks een voor haar nadeliger aansprakelijkheidsregime geldt, houdt niet in dat haar rechten in het gedrang komen of kwamen ( zie ook Kh. Antwerpen, 9° kamer, 5 juni 1998 en 15 februari 2002, beide n.g.)." Het Hof verwijst partijen naar deze overwegingen die het juist bevindt en die door de door appellante in hoger beroep ontwikkelde argumentatie niet worden weerlegd. Het Hof stelt enkel nog vast dat appellante er ook in graad van beroep nog steeds niet in slaagt om aan te tonen welk concreet subjectief recht door de loutere ingebrekestelling van de goederenbelanghebbende ernstig wordt bedreigd. De enkele vaststelling dat een aansprakelijkheidsvordering mogelijks gevolgen kan hebben voor haar patrimonium houdt geen ernstige bedreiging van haar subjectieve rechten over dit patrimonium in.
- Tenslotte, voor zover het Hof de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken mocht aanvaarden, stellen geïntimeerden ook incidenteel hoger beroep in tegen de afwijzing van hun tegeneis wegens tergend en roekeloos geding, en vorderen zij tevens voorbehoud om hun verdere argumenten te ontwikkelen voor wat de grond van de zaak en in het bijzonder de aansprakelijkheid van appellante betreft. Vermits uit wat voorafgaat blijkt dat het Hof de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken niet aanvaardt, is dit onderdeel van het incidenteel beroep van geïntimeerden zonder voorwerp en dient ook op het voormelde voorbehoud niet verder te worden ingegaan. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, deels gegrond en deels zonder voorwerp, Doet het bestreden vonnis teniet, en opnieuw rechtdoende, Verklaart zich zonder rechtsmacht om kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering van appellante, Verwijst appellante in de kosten van de beide aanleggen, aan de zijde van geïntimeerden gezamenlijk begroot op 174,76 EUR als rechtsplegings-vergoeding eerste aanleg en 1.200,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Henri Debucquoy, eerste voorzitter, voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de voorzitter in openbare terechtzitting op tien november tweeduizend en acht. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div