← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081110.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081110.13 Rolnummer: 2007/AR/319 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 18:16 Fiche Op grond van zwaarwichtige tekortkomingen en inbreuken wordt een samenwerkingsovereenkomst ontbonden. Wanneer deze samenwerkingsovereenkomst onverbrekelijk verbonden is met een aandelenovereenkomst, kan de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst rechtsgeldig leiden tot de uitsluiting als vennoot.De algemene vergadering kan haar wettelijke bevoegdheid (tot uitsluiting van een vennoot) uitoefenen, zelfs als de zaakvoerder statutair deze bevoegdheid van de algemene vergadering heeft overgenomen.Vermits de uitsluiting terecht is, is geen schadevergoeding verschuldigd. De betrokkene is wel gerechtigd een scheidingsaandeel te ontvangen. De aandelen die hij werkelijk had gekocht, worden overgedragen en vergoed, en gekapitaliseerd bij toepassing van art. 1154 BW. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT Vrije woorden: Vennootschappen - geschillenregeling - Samenwerkingsovereenkomst - ontbinding wegens zwaarwichtige tekortkomingen - overeenkomst van aandelenoverdracht - uitsluiting van een vennoot - bevoegdheden buitengewone algemene vergadering en zaakvoerder- scheidingsaandeel - begroting - kapitalisatie Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 10-11 2008 Nr. 2007/AR/319 ----------------------- in de zaak van : 1. N.V. INDUSCON, (voorheen C.V.B.A.), met maatschappelijke zetel te 1060 Sint-Gillis, Kluizenhof 31 en met ondernemingsnummer 0433.713.427, 2. W. B., appellanten, hebbende als raadsman mr. Jan Van Peteghem, advocaat met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Parklaan 80, tegen D. A. D. O., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Pieter Wauman, advocaat met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Vijfstraten, 57, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep 1. Bestreden beslissing: het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde (05/00128/A) van 22 december 2006. 2. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 1 februari 2007. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg 3. De overblijvende betwisting betreft de vragen: 1) of de beslissing van de bijzondere algemene vergadering van de N.V. Induscon (hierna ‘Induscon') van 14 februari 2000, waarbij de heer D. A. d. O. (hierna ‘A.') als aandeelhouder uitgesloten werd, al dan niet vernietigd moet worden; 2) welke vergoeding verschuldigd is, in geval de uitsluiting terecht is. 4. Partijen sluiten op 10 augustus 1995 2 overeenkomsten af. De eerste overeenkomst bestaat uit de verkoop door de heer W. B. (hierna ‘B.') van 5 van de 50 aandelen in de N.V. Induscon aan de A.. De tweede overeenkomst is een samenwerkingsovereenkomst (stuk 1c van het dossier van appellanten), waarbij A. een commerciële verantwoordelijkheid opneemt. Op grond van artikel 2 van de overeenkomst is A. gerechtigd een vergoeding van 85.000 BEF per maand te ontvangen, samen met een deelname in de winst. Artikel 4 van de overeenkomst bepaalt dat A. zijn arbeidskrachten uitsluitend ter beschikking van Induscon mag stellen. Artikel 6 legt A. de plicht van geheimhouding over alle commerciële, technische en financiële aangelegenheden die verband houden met de vennootschap. Deze verbintenis loopt onbeperkt voort na de beëindiging van de overeenkomst. Artikel 7 legt een concurrentieverbod op tijdens de samenwerking. Na een eventuele beëindiging van de overeenkomst geldt een niet-concurrentiebeding gedurende één jaar, in hetzelfde gebied als dat waarin Induscon werkzaam is. Het bedrag dat forfaitair verschuldigd is als schadevergoeding in geval van schending van dit beding, is niet ingevuld. Een tiental maanden na de aanvang van de samenwerking, op 28 mei 1996, blijkt uit een brief van A. (stuk 3.1 van het dossier van geïntimeerde) dat er wederzijds ongenoegen bestaat in de samenwerking. W. B. van Induscon zou aan A. gezegd hebben dat hij niet in de organisatie past en dat hij geen bestellingen binnenhaalt. A. is van oordeel dat hij te weinig gesteund wordt, dat hij te weinig betrokken wordt bij de werking van Induscon en dat hij onvoldoende informatie ontvangt over het bedrijf, waarin hij 10% aandeelhouder is. Op 3 juni 1996 tekenen partijen een overeenkomst waarbij de eerdere afspraak dat A. elk jaar 1% van de aandelen zou ontvangen "als soort van eindejaarsbonus" aangepast wordt, gelet op de inbreng voor het verkrijgen van het AAF contract. Na ondertekening van dit laatste contract per 1 september 1996 (wordt het aandelenpakket van A. op 20% gebracht (stuk 2.3 van het dossier van geïntimeerde). Het contract met AAF wordt getekend met ingang van 1 september 1996 (stukken 4.1 en 4.2 van het dossier van geïntimeerde). Induscon betwist dit stuk en de handtekening van de heer B. niet. Zij betwist wel dat A. recht zou gehad hebben op 20% van de aandelen op basis van de overeenkomst die met AAF getekend is, dat A. haar ooit in gebreke gesteld zou hebben en dat A. ooit in het bezit zou geweest zijn van 20% van de aandelen. A. herhaalt zijn klachten over het gebrek aan betrokkenheid en over de financiële toestand per brief van 22 februari 1997 (stuk 3.2 van het dossier van geïntimeerde). Daartegen protesteert W. B. (stuk 1g van het dossier van appellanten), op 27 februari 1997. Induscon wijst er op dat A. in 1996 meer gekost heeft dan opgebracht en dat zijn activiteit in 1997 minimaal is. Daarna volgen drie brieven van Induscon aan A. (22 mei 1997, 16 juni 1997 en 20 juni 1997 - stukken 2 tot 4 van het dossier van appellanten). Daarin uit Induscon het vermoeden dat A. "andere zaken voorbereidt" en wordt geklaagd dat zijn inzet minimaal is. Op geen van deze brieven reageert A.. Op 23 juni 1997 vraagt Induscon een gesprek (stuk 5 van haar dossier). Op 26 juni 1997 beëindigt Induscon de samenwerking (stuk 6 van haar dossier). De redenen hiervoor zijn: 1) volkomen in gebreke blijven de overeenkomst uit te voeren volgens de modaliteiten van de overeenkomst; 2) niet reageren op vragen i.v.m. de uitvoering van de overeenkomst; 3) samen met derden actief ageren om agenturen, waaronder deze van AAF af te werven en voort te zetten in eigen naam en / of voor eigen rekening (dit is een inbreuk op artikel 7 van de overeenkomst); 4) onbereikbaarheid. Induscon formuleert een voorbehoud voor de geleden schade en stelt in gebreke om een aantal goederen terug te geven. A. betwist deze beëindiging ten laste van hem wegens een dringende reden per brief van 16 juli 1997 (stuk 7 van het dossier van appellanten). Hij stelt de verbreking van de overeenkomst ten nadele van Induscon vast en vordert een verbrekingsvergoeding, een wettelijke vergoeding voor het aanbrengen van cliënteel, de terugbetaling van de aandelen en een bijkomende schadevergoeding. Induscon bevestigt de brief van 26 juni 1997 op 8 augustus 1997 (stuk 9 van haar dossier). Zelfs na een aanmaning in oktober 1997 reageert A. niet meer. Induscon dagvaardt op 18 november 1997. Deze zaak maakt het voorwerp uit van een aparte procedure. Op 4 januari 2000 vragen 3 aandeelhouders van Induscon om een buitengewone algemene vergadering bijeen te roepen, die moet beslissen over een verzoek tot uitsluiting van A. als vennoot (stukken 28-30 van het dossier van appellanten). A. wordt correct opgeroepen voor deze buitengewone algemene vergadering (stuk 31 van het dossier van appellanten). Hij is aanwezig op de buitengewone algemene vergadering op 14 februari 2000, waar tot zijn uitsluiting besloten wordt (stuk 34 van het dossier van appellanten). De notulen van de vergadering worden rechtsgeldig ter kennis gebracht van de betrokkenen. Op 9 augustus 2000 dagvaardt A. in vernietiging van de beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 14 februari 2000. 5. De eerste rechter vernietigde de beslissing van de buitengewone algemene vergadering en veroordeelde Induscon en W. B. om in solidum de som van euro 35.569,82 te betalen aan A. (te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 9 augustus 2000 tot aan de algehele betaling). III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep 6. Induscon en W. B. tekenen hoger beroep aan op grond van twee grieven. 1) het bestreden vonnis faalt in rechte. Artikel 13, lid 2 van de statuten had niet mogen toegepast worden en is dus terecht niet toegepast, nu dat artikel minstens gedeeltelijk nietig is wegens strijdigheid met de rechten van verdediging; 2) het bestreden vonnis is feitelijk incorrect waar de vergoeding gebaseerd is op 20% van de aandelen in hoofde van A., terwijl deze nooit 20% van de aandelen gehad heeft en daar ook nooit recht op gehad heeft. Induscon en B. vorderen het bestreden vonnis teniet te doen, opnieuw recht te doen en de oorsponkelijke vordering ongegrond te verklaren. Ondergeschikt vorderen zij dat enkel de vordering van A. tegen B. ten belope van euro 9.871,61 gegrond verklaard zou worden. 7. A. tekent incidenteel hoger beroep aan en vordert: 1) Induscon en B. hoofdelijk, minstens in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen om een schadevergoeding van euro 67.363,62 te betalen, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 14 februari 2000, minstens met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot aan de algehele betaling. 2) louter ondergeschikt het bestreden vonnis te bevestigen; 3) de kapitalisatie toe te staan op datum van 29 mei 2007 (neerlegging eerste beroepsconclusie). IV. Beoordeling De uitsluiting door de buitengewone algemene vergadering en niet door de zaakvoerder 8. Om de volgende redenen hervormt het Hof het oordeel in het bestreden vonnis dat de procedure tot uitsluiting volgens artikel 13, lid 2 van de statuten had moeten gebeuren. Artikel 13, lid 2 van de statuten bepaalt dat de zaakvoerder een vennoot kan uitsluiten, op eigen beslissing en "zonder opgave van redenen". 1) Artikel 13, lid 2 van de statuten is niet van dwingend recht. Het is niet omdat de vennootschap deze bevoegdheid gegeven heeft aan de zaakvoerder dat deze de enig mogelijke instantie wordt die tot de eventuele uitsluiting moet overgaan. 2) Artikel 13, lid 2 van de statuten biedt de zaakvoerder enkel de mogelijkheid om de uitsluiting uit te spreken. "een vennoot kan uitgesloten worden door de zaakvoerder". De bepaling is niet zo geformuleerd dat het steeds en enkel de zaakvoerder is die over een uitsluiting moet beslissen. 3) De algemene vergadering is ruimer samengesteld dan het bestuur van de vennootschap. Zij heeft ook in principe de residuaire en algemene bevoegdheid binnen een vennootschap. Volgens het adagium "qui peut le plus, peut le moins" (wie het meerdere kan doen, mag ook het mindere uitvoeren) is het dan ook in deze zaak mogelijk terug te keren tot het orgaan van de vennootschap dat de ruimste bevoegdheden bezit. De algemene vergadering kan haar wettelijke bevoegdheid uitoefenen, zelfs als de zaakvoerder statutair een bevoegdheid van de algemene vergadering overgenomen heeft. 4) De beslissing over de uitsluiting is in overeenstemming met de wet, meer bepaald artikel 370 Wb. Venn.. De algemene vergadering heeft in deze zaak haar bevoegdheid niet overschreden. 5) Ten overvloede, en niet beslissend, wijst het Hof er op dat A. nooit enig protest geuit heeft tegen het feit dat een buitengewone algemene vergadering bijeen geroepen werd om tot de uitsluiting te beslissen en de statuten aldus niet gevolgd werden. Pas 6 jaar na de buitengewone algemene vergadering en bijna 6 jaar na de dagvaarding, formuleert A. in een conclusie van 15 februari 2006, voor het eerst een bezwaar tegen het feit dat de algemene vergadering en niet de zaakvoerder hem uitgesloten heeft. De werkwijze van de algemene vergadering, die leidde tot de uitsluiting, is correct. Gegronde redenen tot uitsluiting, in de zin van artikel 370 Wb. Venn. 9. De buitengewone algemene vergadering roept verschillende elementen in die zij als gegronde redenen aanmerkt in de zin van de genoemde wettelijke bepaling. A. beging zwaarwichtige inbreuken op de samenwerkings-overeenkomst, die in deze zaak een gegronde reden uitmaken in de zin van artikel 370 Wb. Venn.. Deze overeenkomst en de aandelenoverdracht aan A. waren onlosmakelijk verbonden, zodat de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst ten nadele van A. rechtsgeldig kon leiden tot zijn uitsluiting als vennoot. Dat de aandelenoverdracht en de samenwerkingsovereenkomst ten dele elkaars oorzaak vormden, blijkt uit

  1. a)de aanhef van de samenwerkingsovereenkomst, waar verwezen wordt naar de 5 aandelen van A.;
  2. b)artikel 1.1 van dezelfde overeenkomst, waar A. mede verantwoordelijk gesteld wordt voor de commerciële activiteiten van de vennootschap en
  3. c)uit artikel 8 van de vennootschap, dat bepaalt dat de samenwerkingsovereenkomst onverbrekelijk verbonden is met de aandelenovereenkomst, in die zin dat de samenwerking geen doorgang zal vinden als de betaling van de aandelen niet tijdig gebeurt. Het Hof aanvaardt de volgende zwaarwichtige tekortkomingen op de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst: 1) A. heeft de klacht dat hij vanaf eind 1996 - begin 1997 minder is beginnen presteren en geen verslagen binnen bracht nooit weerlegd. Tussen 23 september 1996 en 20 mei 1997 brengt hij geen enkel dagrapport bij (stuk 4.10 van zijn dossier). 20 mei is het enige en het laatste dagrapport voor 1997. Hij heeft zijn verbintenissen uit de overeenkomst dus vanaf het najaar van 1996 niet meer correct uitgevoerd. De agenda (stuk 4.4) vormt een onvoldoende bewijs. Het feit dat de 5 facturen voorbehoudsloos betaald werden, neemt niet weg dat A. in gebreke bleef en dat Induscon hem daarvoor na verloop van tijd voor kon in gebreke stellen. Indien Induscon vanaf januari niet meer zou betaald hebben, zou A. haar verweten hebben haar verbintenis tot betalen niet na te komen. 2) De inbreuk op het niet-concurrentiebeding en op de geheimhoudingsplicht staan vast. Het volstaat naar de ingebrekestellingen te verwijzen (zie feitelijke uiteenzetting) en naar de brief van 16 december 1997 van AAF zelf (stuk 12 van het dossier van appellanten). In deze brief bevestigt AAF dat A. geprobeerd heeft de agentuur van Induscon af te werven in onder meer vergaderingen op 11 en 18 april 1997 en op 22 en 29 mei 1997 en 17 juni 1997. De verklaring, opgenomen als stuk 3.14 van het dossier van A., is onvoldoende om de verklaring van de heer K. te weerleggen. Induscon toont evenwel niet aan dat deze poging tot afwerven van de agentuur ook effectief geslaagd is en dat de getekende overeenkomst (stuk 4.2 van het dossier van geïntimeerde) ook effectief gebroken werd. Het Hof moet dan ook besluiten dat het bij een poging tot afwerven is gebleven. Ook uit stuk 13 van het dossier van Induscon blijkt dat A. met de heer S. reeds op 30 juni 1997 net een bedrijf opgericht had. Zelfs als de naam van het nieuwe bedrijf later niet meer gebruikt werd, dan nog is de inhoud van deze brief voldoende om te besluiten dat A. reeds een eind bezig was met een concurrerend bedrijf op te starten. De beweerde inbreuk op de geheimhoudingsplicht die zou bestaan hebben in het doorgeven van de samenwerkingsovereenkomst met de N.V. Dynamic aan de heer W. P. is onvoldoende bewezen. Uit de gegevens van de dossiers kan niet voldoende opgemaakt worden dat W. B. en A. inderdaad de enige personen waren die toegang hadden tot deze overeenkomst en dat het dus niet anders kon dan A. zijn die een kopie van de overeenkomst overmaakte. 3) De klacht van A. dat hij te weinig betrokken werd bij de werking van Induscon en dat hij als geldschieter en werknemer en onvoldoende als vennoot behandeld werd, zou terecht kunnen zijn. Ook de klacht dat de contractueel overeengekomen winstdeelname nooit uitbetaald werd, zou terecht kunnen zijn, indien er winst was. Deze problemen in de samenwerking verschaffen in deze zaak A. evenwel nog niet het recht de overeenkomst zonder meer niet verder uit te voeren, parallelle activiteiten aan de dag te leggen, de geheimhoudingsplicht te schenden en het niet-concurrentiebeding niet na te leven. Deze inbreuken op de samenwerkingsovereenkomst zijn voldoende ernstig om tot het besluit te komen dat het behoud van de heer A. als vennoot bijzonder onwenselijk is voor de vennootschap. Uit het feit dat Induscon en de overige aandeelhouders pas zowat drie jaar na de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst overgingen tot de uitsluiting, impliceert hier geen verzaking. Het is aannemelijk dat Induscon, haar zaakvoerder en de andere aandeelhouders eerst verder gewerkt hebben aan de eigenlijke activiteit van de vennootschap en aan de procedures voor de rechtbank van koophandel en de arbeidsrechtbank. Ook de procedure tot beslag wegens namaak liep nog. Bovendien is A. steeds in dezelfde sector blijven werken. De goede werking van de vennootschap kwam in het gedrang naarmate steeds duidelijker werd dat een concurrent aandelen had in de vennootschap. 10. Een misbruik van recht wordt evenmin aangetoond. In de mate bewezen is dat A. de geheimhoudingsplicht en het niet-concurrentiebeding schond, onder meer door met AAF te praten en te proberen de agentuur af te werven, komt het belang van de vennootschap zelf in het gedrang, nu het een aandeelhouder was die deze inbreuken op de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst beging. Op het ogenblik van de feiten was Induscon een vrij kleine vennootschap. Bovendien was A. een werkend vennoot. Tenslotte heeft A. steeds in dezelfde sector verder gewerkt, na de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst. Naarmate Induscon verder evolueerde, was het meer en meer strijdig met de goede werking van de vennootschap om een (potentiële) concurrent als aandeelhouder te hebben. In tegenstelling tot wat A. beweert, hebben de aandeelhouders derhalve niet in het eigen belang gewerkt, maar in het belang van Induscon. Hoewel Induscon, haar zaakvoerders en haar aandeelhouders niet aantonen waarom zij niet eerst een vraag tot overname van de aandelen geformuleerd hebben, vormt het feit dat zij dit niet eerst deden, in deze zaak op zich geen rechtsmisbruik. Gevolg: herstel in natura / schadevergoeding - scheidingsaandeel 11. Gelet op het feit dat de uitsluiting terecht is, is herstel in natura, noch schadevergoeding verschuldigd aan A.. Het incidenteel beroep, dat erop gericht was een hogere vergoeding te bekomen, is ongegrond. 12. A. is wel gerechtigd een scheidingsaandeel te ontvangen, in toepassing van artikel 370 Wb. Venn., zoals Induscon en B. trouwens zelf aangeven (zie C.2 van hun conclusie in hoger beroep). Een scheidingsaandeel kan enkel toegekend worden op basis van de aandelen die A. werkelijk gekocht had. De vraag of hij al dan niet 10 of 20% van de aandelen had moeten hebben op het ogenblik van de beëindiging van de samenwerking en op het ogenblik van de uitsluiting, is hier niet relevant. Het is niet betwist dat A. 5 aandelen of 10% van het totale aantal aandelen effectief in eigendom had. Het zijn deze aandelen die overgedragen en vergoed moeten worden. In toepassing van artikel 6 in fine van de koopovereenkomst (stuk 1b van het dossier van appellanten) wordt in geval van uitsluiting om gegronde redenen een aankoopoptie gegeven aan 60% van de waarde van de aandelen op het ogenblik van de uitsluiting. Terecht nemen Induscon en A. voor de waardeberekening van de aandelen de jaarrekening per 31 december 1999 en niet deze per 31 december 2000, nu de uitsluiting al op 14 februari 2000 en niet op het einde van dat jaar gebeurde. A. neemt zelf het eigen vermogen als basis. Het eigen vermogen bedroeg 6.636.999 BEF. 6.36.999/50 x 5 x 60% = 398.219,94 BEF = euro 9.871,61. Dit bedrag is te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot aan de algehele betaling, aan de wettelijke rentevoet. Induscon kan zich niet verschuilen achter de betwisting omtrent de uitsluiting. Niets belette haar het verschuldigde bedrag te consigneren, desnoods pas in graad van beroep, gelet op de aanvankelijke terugvordering in natura. Bij toepassing van artikel 1154 B.W. kunnen de aandelen gekapitaliseerd worden sedert de beroepsconclusie van 29 mei 2007. Overige middelen en argumenten 13. Gelet op het voorgaande zijn de overige middelen en argumenten van partijen niet ter zake. Kosten 14. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden de N.V. Induscon en de heer W. B. veroordeeld om de kosten van het geding te betalen. Hoewel de vordering tot nietigverklaring ongegrond is, is de vordering tot betaling van een scheidingsaandeel wel gegrond. Er is geen enkele reden voorhanden om in deze zaak de maximumvergoeding toe te kennen. De basis rechtsplegingvergoeding bedraagt euro 3.000. V. Beslissing Het Hof: - verklaart het hoger principaal en incidenteel beroep toelaatbaar maar enkel het principaal hoger beroep gegrond in de hierna volgende mate; - hervormt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de vorderingen toelaatbaar verklaarde en de kosten bepaalde; - veroordeelt appellanten in solidum om aan geïntimeerde de som van euro 9.871,61, te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke verwijlintresten vanaf de dagvaarding tot aan de algehele betaling, aan de wettelijke rentevoet; - verwerpt de vorderingen voor het overige; - veroordeelt appellanten in solidum tot betaling iedere van de kosten, in graad van beroep bepaald op: geïntimeerde: basis rechtsplegingvergoeding: euro 3.000 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Henri Debucquoy, eerste voorzitter, voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de voorzitter in openbare terechtzitting op tien november tweeduizend en acht. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.