← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081114.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081114.9 Rolnummer: 2007/AR/472 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-29 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 18:19 Fiche Natuurbehoud - Schadevergoeding - Interest. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Natuur en natuurbehoud - Algemeen Vrije woorden: Natuurbehoud - Schadevergoeding - Interest. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 14-11-2008 2007/AR/472 in de zaak van: Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse Minister van openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20 bus 1, woonstkeuze doende zijn raadsman hierna vermeld, appellant, hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106 tegen:

  1. H. L., wonende te
  2. A. S., wonende te
  3. A. E., wonende te geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. COVELIERS Hugo, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Edelinckstraat 17 velt het Hof het volgend arrest:
  4. Het hof nam kennis van het bestreden vonnis d.d. 22 maart 2006, op tegenspraak gewezen door de 7e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne in de zaak, aldaar gekend onder A.R. 02/647/A. Het hof heeft de partijen, bij monde van hun raadslieden, gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Het hoger beroep werd tijdig en in regelmatige vorm ingesteld. Bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.
  5. Na de neerlegging ter griffie op 6 augustus 2004 van het deskundig verslag van gerechtsdeskundige Brouwers François (hiertoe aangesteld bij niet-bestreden tussenvonnis van de 5e A kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne d.d. 2 mei 2003) werd middels het bestreden vonnis de vordering van de geïntimeerden (aanvankelijk ingesteld door de eerste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot A. J. die hangende het geding overleed en namens wie de geïntimeerden voor de eerste rechter het geding hebben hervat) strekkende tot het bekomen van een vergoeding op grond van artikel 54 van de wet op het natuurbehoud van 12 juli 1973, toelaatbaar en in die zin gegrond verklaard dat de appellant veroordeeld werd tot betaling aan de geïntimeerden van het bedrag van 34.756,79 euro, meer de moratoire interesten vanaf de dagvaarding, zijnde 26 september 1995, tot op datum vonnis en meer de gerechtelijke interesten vanaf datum vonnis tot aan de algehele betaling. Tevens werd de appellant veroordeeld tot de kosten gevallen aan de zijde van de geïntimeerden, zoals nader begroot, en werd de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toegestaan met dien verstande dat voor recht werd gezegd dat er geen aanleiding bestaat tot het uitsluiten van het kantonnement.
  6. Het hoger beroep van de appellant is beperkt tot de door de eerste rechter toegekende interesten. De appellant vordert dat het hof het bestreden vonnis op dit punt teniet doet en opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden tot betaling van moratoire dan wel vergoedende interesten geheel als ongegrond afwijst en dienvolgens de geïntimeerden veroordeelt tot terugbetaling van de som van 26.020,93 euro, zijnde het bedrag aan interesten dat hij betaalde onder voorbehoud van hoger beroep, teneinde gedwongen uitvoering van het bestreden vonnis te vermijden, meer de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van betaling en meer de gerechtelijke interesten tot de dag van algehele betaling. Tevens vordert hij dat de geïntimeerden worden veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep, nader begroot aan zijn zijde. De geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep met verwijzing van de appellant in de kosten van de beide instanties, nader begroot aan hun zijde.
  7. De betwisting in deze instantie is beperkt tot het al dan niet verschuldigd zijn van interesten en de aard van deze interesten op het aan de geïntimeerden toekomende (en door de eerste rechter toegekende) bedrag als schadevergoeding In eerste instantie dient aangehaald te worden dat bij niet-bestreden tussenvonnis d.d. 2 mei 2003 m.b.t. de vordering tot vergoeding wegens het bouwverbod op het perceel eigendom van de geïntimeerden ingevolge de aanduiding van dit perceel als beschermd duingebied (meer bepaald krachtens besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 1994 "betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden", bekrachtigd door het decreet van de Vlaamse Raad van 21 december 1994 "houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud" ) o.m. werd geoordeeld dat: - waar de vordering lastens de appellant werd ingesteld vooraleer het decreet van 29 november 1995 van kracht werd waarin de administratieve procedure tot het bekomen van schadevergoeding onder artikel 54§2 van de wet op het natuurbehoud ingevoerd werd, de ontvankelijkheid van deze vordering dient getoetst te worden aan de bepalingen van artikel 54 van de wet op het natuurbehoud zoals deze vóór de inwerkingtreding van het decreet van 29 november 1995 golden, derwijze dat de vordering ontvankelijk is; - uit de bepaling van artikel 54 van de wet op het natuurbehoud, zoals gewijzigd door het decreet van 29 november 1995, duidelijk blijkt dat de decretale wetgever de zekere bedoeling had om de berekeningwijze in artikel 54§2 toe te passen op de schadegevallen die ingevolge het in artikel 52 bedoelde bouwverbod reeds vóór de inwerkingtreding van dit decreet van 29 november 1995 ontstaan waren, zodat de vergoeding dient berekend te worden op de wijze zoals door artikel 54 van de wet op het natuurbehoud bepaald wordt. Volgens artikel 54 §1 van de wet op het natuurbehoud (zoals ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Raad van 14 juli 1993 "houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen" en met ingang van 30 december 1994 vervangen bij artikel 5 van het voormeld decreet van de Vlaamse Raad van 21 december 1994) is door de overheid schadevergoeding ingevolge het in artikel 52 van dezelfde wet bedoelde bouwverbod verschuldigd wanneer dit verbod, volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen die de grond had de dag voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit tot voorlopige aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied. Het hof stelt vast dat: - artikel 52§2 van de wet op het natuurbehoud (eveneens ingevoegd bij artikel 2 van het voormeld decreet van 14 juli 1993 doch vervangen met ingang van 30 november 1995 bij artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Raad van 29 november 1995 "houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 oktober 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden die aangeduid werden door het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 1994 betreffende de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, maar niet door het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1993 betreffende de aanduiding van beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud") bepaalt wanneer het recht op schadevergoeding ontstaat (m.n. bij de overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van een bouwvergunning of bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest , mits de overdracht of de afgifte geschiedt na de bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied) en hierbij verder: · initieel enkel was voorzien dat de vorderingen tot betaling van de schadevergoeding verjaarden één jaar na de dag dat het recht op vergoeding ontstaat (in de oorspronkelijke tekst zoals ingevoegd bij artikel 2 van het voormeld decreet van de Vlaamse Raad van 14 juli 1993); · vanaf 30 november 1995 is voorzien dat de vorderingen tot betaling van de schadevergoeding worden ingediend bij de Vlaamse regering en dat de vordering tot betaling van de schadevergoeding verjaart drie jaar na de dag dat het recht op vergoeding ontstaat (in de tekst zoals vervangen bij artikel 3 van het voormeld decreet van de Vlaamse Raad van 29 november 1995); - artikel 54 §3 en §4 van de wet op het natuurbehoud (eveneens ingevoegd bij artikel 2 van het voormeld decreet van 14 juli 1993 doch met ingang van 30 december 1994 vervangen bij artikel 5 van het voormeld decreet van 21 december 1994) de waardevermindering bepaalt die voor de schadeloosstelling in aanmerking komt; - artikel 54§6 van de wet op het natuurbehoud (eveneens ingevoegd bij artikel 2 van het voormeld decreet van 14 juli 1993 doch met ingang van 30 december 1994 gewijzigd bij artikel 5 van het voormeld decreet van 21 december 1994) voorziet dat de Vlaamse regering de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel bepaalt en deze uitvoeringsmodaliteiten (pas) werden geregeld in het besluit van de Vlaamse regering d.d. 8 oktober 1996 "tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud". De vordering tot het bekomen van de vergoeding overeenkomstig artikel 54 van de wet op het natuurbehoud werd ingesteld bij dagvaarding d.d. 26 september 1995, nadat aan de eerste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot A. J. op 6 maart 1995 een negatief stedenbouwkundig attest nr. 1 werd afgeleverd. Conform artikel 54§2 van de wet op het natuurbehoud ontstond het recht op schadevergoeding op het ogenblik van de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest (zoals door de eerste rechter overigens geoordeeld in het niet bestreden tussenvonnis d.d. 2 mei 2003) terwijl overeenkomstig artikel 54§4 van dezelfde wet de vordering tot schadevergoeding verjaarde nà 1 jaar (zonder dat reeds voorzien was dat de vordering tot betaling van schadevergoeding diende ingediend te worden bij de Vlaamse regering en zonder dat de verjaringstermijn reeds verlengd was tot 3 jaar). Waar artikel 54 van de wet op het natuurbehoud de schadevergoeding beoogt ingevolge het in artikel 52 van dezelfde wet bedoelde bouwverbod, dient dit strikt te worden uitgelegd en kan de schade waarop de wet van toepassing is bijgevolg alleen worden hersteld door de in dit artikel 54 van de wet voorgeschreven vergoeding, zonder enige verhoging, al was het door toekenning van vergoedende interesten. De in artikel 1153 B.W. aangewezen interest heeft evenwel geen betrekking op het herstel van de genoemde schade; hij is geen vergoedende maar moratoire interest en vergoedt onder de in die wetsbepaling gestelde voorwaarden, de schade die de schuldeiser heeft geleden wegens vertraging in de uitvoering door de schuldenaar van zijn verbintenis om de verschuldigde geldsom te betalen. Die verbintenis, waarin noodzakelijkerwijze de erkenning ligt van het subjectieve, hetzij burgerlijk, hetzij politiek recht van de schuldeiser op dat bedrag, is niettemin een verbintenis die, in de zin van artikel 1153 B.W., alleen betrekking heeft op de betaling van een zekere geldsom, zodat bij vertraging in de uitvoering, de bij die bepaling verschuldigde wettelijke interest verschuldigd is. De in artikel 1153 B.W. bedoelde moratoire interest is (behalve in het te dezen niet ter zake doende geval dat de wet hem van rechtswege doet lopen) pas vanaf de aanmaning tot betaling verschuldigd. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat de dagvaarding d.d. 26 september 1995 als aanmaning geldt die overeenkomstig artikel 1153 B.W. de moratoire interesten doet lopen. Los van: - de vaststelling dat de eerste rechter in het niet bestreden tussenvonnis van 2 mei 2003 oordeelde dat ook voor de "schadegevallen" die ingevolge het in artikel 52 van de wet op het natuurbehoud bedoelde bouwverbod reeds vóór de inwerkingtreding van het voormeld decreet van 29 november 1995 ontstaan waren, de vergoeding dient berekend te worden op de wijze zoals door artikel 54 van de wet op het natuurbehoud bepaald wordt (waarbij dan o.m. de criteria van artikel 54§3 en 4 van voormelde wet en tevens de bepalingen betreffende de schadevergoeding zoals voorzien in het voormeld besluit van de Vlaamse regering d.d. 8 oktober 1996 werden verwerkt in de aan de gerechtsdeskundige krachtens het tussenvonnis gegeven opdracht); - de beantwoording van de vraag of, in de hypothese dat gerechtigden: · hetzij hun "vordering" tot schadevergoeding overeenkomstig artikel 54§2 van de wet op het natuurbehoud hebben ingediend bij de Vlaamse Regering (hetgeen pas werd voorzien vanaf 30 november 1995) zonder dat reeds het voormeld (uitvoerings)besluit d.d. 8 oktober 1996 was genomen; · hetzij vanaf de inwerkingtreding van het voormeld (uitvoerings)besluit d.d. 8 oktober 1996 hun "aanvraag" tot schadevergoeding hebben ingediend overeenkomstig de administratieve procedure voorzien in dit besluit; de financiële tegemoetkoming (als verbintenis tot betaling van een geldsom in de zin van artikel 1153 B.W.) pas verschuldigd/eisbaar zou zijn na de in de (al dan niet) voorgeschreven vormen gedane "vordering" dan wel "aanvraag"(en dit spijts het feit dat artikel 54§2 van de wet op het natuurbehoud uitdrukkelijk stelt dat het recht op schadevergoeding ontstaat bij de overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van bouwvergunning of de bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest) en deze "vordering" dan wel "aanvraag" derhalve niet als een aanmaning zou kunnen gelden; dient in de concreet gegeven omstandigheden de dagvaardig wel degelijk als aanmaning beschouwd te worden. Zoals reeds aangehaald: - ontstond het recht op schadevergoeding op 6 maart 1995 m.n. op het ogenblik dat een negatief stedenbouwkundig attest nr. 1 werd afgeleverd; - verjaarde de vordering conform de op dat ogenblik geldende decretale regelgeving één jaar nà de afgifte van dit negatief stedenbouwkundig attest; - was noch op het ogenblik van de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest noch op het ogenblik van de dagvaarding d.d. 26 september 1995 (méér dan 6 maanden nà de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest) voorzien dat de vordering tot vergoeding diende ingediend te worden bij de Vlaamse regering (laat staan dat de administratieve procedure voorzien in het voormeld besluit van 15 november 1996 reeds toepasselijk was); zodat de eerste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot A. J. terecht hun vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechtbank hebben ingeleid. Onterecht stelt de appellant dan ook dat de eerste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot A. J. in casu op 26 september 1995 niet over een opeisbare vordering beschikten en derhalve de dagvaarding niet als een aanmaning zou kunnen gelden (gezien men maar in gebreke kan stellen voor een eisbare som). Los van de beantwoording van de vraag of in het kader van de overeenkomstig het voormeld besluit van 15 november 1996 bepaalde administratieve procedure de vergoeding ex artikel 54 van de wet op het natuurbehoud slechts eisbaar wordt na de beslissing over de aanvraag tot betaling, blijft de vaststelling overeind dat de vordering werd ingeleid vóór dat decretaal bepaald werd dat de vordering tot schadevergoeding diende ingediend te worden bij de Vlaamse regering alsook meer dan een jaar voordat voormeld besluit d.d. 15 november 1996 werd genomen en inwerking trad. De appellant laat aldus volkomen ten onrechte gelden dat het een bewuste keuze was van de geïntimeerden of hun rechtsvoorganger om de decretaal voorgeschreven procedure niet te volgen. Op het ogenblik van het inleiden van het onderhavig geding was de vordering van de eerste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot A. J. (mede bij ontstentenis van een administratieve procedure tot vaststelling van de vergoeding en de uitbetaling ervan) wel degelijk opeisbaar en niets (inzonderheid ook geen administratief voorziene procedure) belette hun om deze opeisbare vordering in te leiden voor de bevoegde rechtbank (temeer zelfs op dat ogenblik nog niet voorzien was dat de vordering tot betaling van de schadevergoeding diende te worden ingediend bij de Vlaamse regering). Aan het bovenstaande wordt niets afgedaan: - door het feit dat artikel 10 van voormeld besluit van 8 oktober 1996 bepaalt dat voor aanvragen die zijn ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit, de in artikel 4, 2e lid van het besluit bedoelde termijn ingaat op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit, nu dit duidelijk doelt op de vorderingen die (pas) vanaf 30 november 1995 konden worden ingediend bij de Vlaamse regering; - door de bewering van de appellant dat het toekennen van interesten vanaf de dagvaarding discriminerend zou werken opzichtens diegenen die wel de correcte administratieve weg hebben gevolgd nu, los van de vraag of in dit laatste geval geen interesten verschuldigd kunnen zijn vanaf de aanvraag, deze onderscheiden gerechtigden zich niet in dezelfde positie bevinden daar voor de eerste geïntimeerde en wijlen haar echtgenoot Acke Jan op het ogenblik van het inleiden van hun vordering er nog geen mogelijkheid bestond om via administratieve weg vergoeding te bekomen. Tenslotte is er ook geen reden om de geïntimeerden interesten te ontzeggen (al dan niet voor een beperkte periode) wegens de lange duur van de procedure (waardoor o.m. pas 7 jaar na de inleiding van het voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de zaak wegens de door de appellant ingeroepen bevoegdheidsexceptie naar de bevoegde territoriale rechter werd verwezen). Het wordt niet afdoende aangetoond dat de lange duur van het geding overwegend te verklaren is door dilatoir handelen van de geïntimeerden of hun rechtsvoorganger. Immers stonden ook aan de appellant genoegzaam middelen ter beschikking om zelf de procedure te activeren. Volledigheidshalve wordt er hier op gewezen dat de appellant tegen hem toepassing liet maken van fixatie in toepassing van art. 751Ger. en dat de appellant de (niet procedurebespoedigende) territoriale onbevoegdheid opwierp. In acht genomen hetgeen voorafgaat dient het bestreden vonnis dan ook te worden bevestigd en is het hoger beroep van de appellant als ongegrond af te wijzen.
  8. Door de eerste rechter werd op een passende wijze beslist over de kosten. Onder toepassing van artikel 1017, lid 1 Ger.W. dient de appellant te worden verwezen in de kosten van deze instantie, welke aan de zijde van de geïntimeerden dienen te worden begroot op 2.000,00 euro rechtsplegingvergoeding overeenkomst artikel 2 van het K.B. van 26 oktober
  9. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
  10. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond. Verwijst de appellante in de kosten van huidige instantie en begroot deze aan de zijde van de geïntimeerden op 2.000,00 euro rechtsplegingvergoeding. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op veertien november tweeduizend en acht, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep.nr. : 2008/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.