id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 19 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081119.7 Rolnummer: 2006/NA/3 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 142 - laatst gezien 2026-07-02 18:21 Fiche De Rampenschadewet van 12-07-1976 is een uitzonderingswetgeving die van openbare orde is. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet worden ingeroepen indien ze leiden tot een beleid dat tegen de wettelijke bepalingen ingaat. Het legaliteitsprincipe primeert op de beginselen van behoorlijk bestuur. De Rampenschadewet bepaalt dat enkel rechtstreekse materiële schade aan een lichamelijk goed in aanmerking komt voor vergoeding. Gemeenrechtelijke schadeprincipes zijn hierop niet van toepassing. Opbrengstschade van overrijpe bonen die laattijdig werden geoogst ingevolge ontoegankelijke gronden na regens en hagel, is onrechtstreekse schade die niet voor vergoeding in aanmerking komt. De Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd tot een voorziening tegen een beslissing van de Provinciegouverneur tot toekenning van een vergoeding voor een bij KB erkende algemene ramp. Het is een louter administratief beroep waarbij geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend, bij gebrek aan wettelijke grondslag. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Herstel van schade Vrije woorden: Rampenschadewet 12-07-1976 - openbare orde - legaliteitsprincipe - behoorlijk bestuur - natuurramp - schade - herstelvergoeding -Beslissing gouverneur- voorziening - bevoegdheid minister. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 13de Kamer ________ Terechtzitting van 19 november 2008 ________ natuurramp ________ 2006/NA/3 - In de zaak van: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, gevestigd te 1000 BRUSSEL, Leuvenseweg 1, appellante, hebbende als raadsman mr. VAN BURM Henry, advocaat te 9000 GENT, C. Buyssestraat 12, tegen:
- S.G., landbouwer, wonende te eerste geïntimeerde,
- M.J., landbouwster, wonende te tweede geïntimeerde, geïntimeerden hebbende als raadsman mr. AMPE Geert, advo-caat te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 8 bus 1, velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft de partijen gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en heeft de regelmatig neergelegde stukken ingezien. Het hof heeft kennis genomen van de beslissing van de Provin-ciegouverneur van West-Vlaanderen van 11 augustus 2006, genomen inzake een aanvraag van de echtgenoten S.-M., strek-kende tot financiële tegemoetkoming in geval van financiële ramp (wet van 12 juli 1976). De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken heeft tegen voormelde beslissing op 21 september 2006 een verzoekschrift tot voorziening in toepassing van art. 21 van dezelfde wet van 12 juli 1976 neergelegd ter grif-fie van het hof.
- De ramp in kwestie, erkend bij KB van 28 juli 2005 als een al-gemene ramp, bestond uit overvloedige neerslag, plaatselijk vergezeld van intense hagelbuien, op 15 en 16 augustus 2004 op het grondgebied van verschillende gemeenten van de provincie West-Vlaanderen, waaronder Jabbeke en Brugge. De bestreden beslissing van 11 augustus 2006 van de Provinciegouverneur van West-Vlaanderen heeft de aanvraag van de echtgenoten S.-M. ontvankelijk verklaard en heeft aan hen een herstelvergoeding toegekend van 22.560,78 EUR, uitkeerbaar door de Nationale Kas voor Rampenschade, in opdracht van de FOD Binnenlandse Zaken. Het maximum bedrag aan herstelkrediet waarop zij aanspraak kunnen maken werd bepaald op 2.873,86 EUR, welk herstelkrediet tegen een verlaagde rentevoet van 5% door hen zou kunnen geleend worden bij één van de vier nader bepaalde kredietinstellingen. Het verzoekschrift boven vermeld van de BELGISCHE STAAT strekt ertoe de voorziening ontvankelijk en gegrond te doen verklaren; de bestreden beslissing te doen hervormen en te doen zeggen voor recht dat aan de echtgenoten S.-M. geen herstelvergoeding wordt toegekend en dat zij geen aanspraak kunnen maken op enig herstelkrediet. In conclusie neergelegd ter griffie op 13 februari 2008 vordert de BELGISCHE STAAT tevens te zeggen dat de onderhavige procedure geen aanleiding geeft tot enige gerechtskost. De echtgenoten S.-M. vorderen dat de voorziening van de BELGISCHE STAAT zou worden afgewezen als niet toelaatbaar, althans niet ontvankelijk, minstens ongegrond, met verwijzing van de BELGISCHE STAAT in de kosten, die zij aan hun zijde begroten op 2.000 EUR rechtsplegingvergoeding.
- De echtgenoten S.-M. roepen in dat art. 21 van de wet van 12 juli 1976 bepaalt dat de voorziening wordt ingesteld bij het hof van beroep, naar gelang van het geval, door de Minister van Openbare Werken in geval van algemene ramp, of (door) de Minister van Landbouw, in geval van landbouwramp zodat te dezen de Minister van Openbare Werken de geëigende voorziening diende in te stellen. De voorziening ingesteld door de BELGISCHE STAAT, verte-genwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken zou volgens de echtgenoten S.-M. niet toelaatbaar/niet ontvankelijk zijn. Het hof merkt op dat: - het reeds vermelde KB van 28 juli 2005 waarbij de overvloedige neerslag, plaatselijk vergezeld van intense hagelbuien, die heeft plaatsgevonden op 15 en 16 augustus 2004 op het grondgebied van verschillende gemeenten van de provincie West-Vlaanderen, als een algemene ramp wordt beschouwd en waarbij de geografische uitgestrektheid van deze ramp wordt afgebakend, werd uitgevaardigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. De gelding van dit KB staat niet ter discussie en het is krachtens dit KB en gesteund op de erkenning als algemene ramp door dit KB dat de echtgenoten S.-M. hun aanspraken op financiële tegemoetkoming hebben gedaan en deze toegekend werden door de bestreden beslissing van de Provinciegouverneur van West-Vlaanderen. Er zijn geen door het hof ambtshalve in te roepen redenen die de gelding van het voormeld KB van 28 juli 2005 aan het wankelen zouden kunnen brengen. - de bestreden beslissing van de Provinciegouverneur van West-Vlaanderen eveneens werd genomen in toepassing van en gesteund op het voornoemd KB van 28 juli
- Er wordt in de bestreden beslissing immers letterlijk verwezen naar het KB van 28 juli 2005 van de Minister van Binnenlandse Zaken en de erin vervatte erkenning als algemene ramp. - bij KB van 14 januari 2002 (B.S. 18 januari 2002), met inwerkingtreding op 18 januari 2002, de federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken werd opgericht waarbij reeds is voorzien dat de FOD Binnenlandse Zaken (op daartoe nader te bepa-len tijdstip) de diensten belast met de volgende opdrachten overneemt van de FOD Mobiliteit en Vervoer: meer bepaald 1° de dossiers rampenschade en oorlogsschade. Bij Ministeri-eel Besluit van 22 juli 2002 (B.S. 1 augustus 2002) met inwerkingtreding op 1 augustus 2002 houdende uitvoering van art. 2§2, tweede lid, 1° van het KB van 14 januari 2002 werd de dienst belast met de dossiers rampen, oorlogsschade en Congoschade, inclusief het personeel van de dienst, bedoeld in art. 2,§2, tweede lid, 1° van het voornoemde KB van 14 januari 2002 overgenomen van het Ministerie van Verkeerswe-zen en Infrastructuur door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. - ook de bestreden beslissing van 11 augustus 2006 van de Provinciegouverneur van West-Vlaanderen in art. 4 letterlijk vermeldt dat de belanghebbende en de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde tegen deze beslissing bij het hof van beroep te Gent een voorziening kunnen instellen binnen de maand na de betekening ervan. - zonder de beslissing van het KB van 28 juli 2005 tot de erkenning van een algemene ramp door de Minister van Binnenlandse zaken de echtgenoten S.-M. hoegenaamd geen aanvraag konden doen tot financiële tegemoetkoming in toepassing van de wet van 12 juli
- Het behoort de BELGISCHE STAAT om deze rampenwetgeving te doen toepassen in de zin zoals door de wetgever bedoeld en het is dan ook zo dat de BELGISCHE STAAT tot taak heeft te waken over de juiste toepassing van de wet en om beslissingen die naar zijn oordeel niet in overeenstemming zijn met de wet aan het oordeel van de rechterlijke macht te onderwerpen. De Minister van Binnenlandse Zaken beschikt over de bevoegd-heid om voor de Belgische Staat in rechte de correcte toepassing van het eigen KB van 28 juli 2005 tot erkenning van een algemene ramp, zoals kaderend in de wet van 12 juli 1976, te doen naleven. Dit volgt uit de voormelde redengeving in punt
- en uit het feit dat in de federale staatsorganisatie op het ogenblik van de ramp in kwestie de bevoegdheid ter zake rampen en de uitrusting ter zake rampendossiers op een niet aanvechtbare/niet aangevochten wijze reeds was overgedragen aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Gelet op de motivering voormeld onder punt
- dient aangenomen te worden dat de Belgische Minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk als vertegenwoordiger van de BELGISCHE STAAT de voorziening in rechte kon instellen zoals zij is gedaan. Alzo kon worden opgekomen tegen een beslissing van de Provinciegouverneur, die de bepalingen zou miskennen van het door de Minister van Binnenlandse Zaken genomen KB van 28 juli 2005, zoals kaderend in de wet van 12 juli 1976, volgens wier bepalingen een eventuele financiële tegemoetkoming dient te worden beoordeeld voor de schade veroorzaakt door de alge-mene ramp in kwestie. Een herschikking van de bestaande federale staatsorganisatie, zoals te dezen is gedaan bij de oprichting van de FOD's, vereist niet meteen of noodzakelijk dat eveneens elke wet waarin sprake van ministerambten van voorheen meteen zou worden aangepast. Dit is trouwens niet ten nadele van de rechtsonderhorige die de Staat moet dagvaarden, gelet op het bepaalde in art. 705 lid 2 Ger.W.. Anderzijds kan de rechtsonderhorige niet voorhouden dat de vordering van de Minister van Binnenlandse zaken, ofschoon bevoegd om sinds de FOD Binnenlandse Zaken (zoals hiervoor nader gepreciseerd) de Staat te vertegenwoordigen in rechte om namens haar de betreffende voorziening inzake rampen in te stellen, toch onontvankelijk zou zijn.
- wat de ingeroepen niet toelaatbaarheid/niet ontvankelijkheid wegens laattijdigheid betreft: De verklarende nota bij de bestreden beslissing van de Provinciegouverneur van West-Vlaanderen vermeldt dat volgens de wet van 12 juli 1976 het beroep, op straffe van verval, moet in-gediend zijn binnen de maand na ontvangst van de aangeteken-de brief waarbij de vergoedingsbeslissing, betekend wordt. Er is geen discussie over tussen partijen dat de bestreden beslissing aangetekend werd verstuurd op 18 augustus 2006, een vrijdag. Volgens de BELGISCHE STAAT werd de bestreden beslissing door haar pas ontvangen op 22 augustus 2006 wat zou blijken uit de aangebrachte datumstempel van die datum. De echtgenoten S.-M. houden evenwel voor dat allicht op 21 augustus 2006 de beslissing door de BELGISCHE STAAT zou moeten zijn ontvangen. Hoe dan ook, zelfs indien de effectieve ontvangst door de BELGISCHE STAAT op 21 augustus 2006 zou zijn geschied (waaromtrent geen verdere stukken zijn overgelegd), dan nog is dit binnen de beroepstermijn in de wet omschreven als zijnde "binnen de maand na de ontvangst van de aangetekende brief". Binnen de maand na 21 augustus 2006 impliceert immers dat tot en met de laatste dag van de maand volgend op 21 augustus 2006, dit wil zeggen tot en met 21 september 2006, de voorziening kon worden ingesteld, zodat het op 21 september 2006 daartoe ter griffie van het hof neergelegde verzoekschrift in alle geval tijdig is.
- Waar de echtgenoten S.-M. zich beroepen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dient te worden gezegd dat weliswaar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het recht op rechtszekerheid insluiten, wat inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op de openbare diensten en erop moet kunnen rekenen dat zij regels in acht nemen en een standvastig beleid voeren dat de burger niet anders kan opvatten, maar dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kunnen wor-den ingeroepen indien die leiden tot een beleid dat tegen de wet-telijke bepalingen ingaat (Cass. 14 juni 1999, R.W. 1999-2000,1450). Waar de echtgenoten S.-M. willekeur voorhouden in hoofde van de overheid en met name dat er aan velen die in dezelfde situatie zouden zijn als zijzelf wél vergoedingen zouden zijn toegekend en dat zij die ook zouden hebben genoten omdat er geen voorziening werd ingesteld tegen de betreffende beslissingen van de Provinciegouverneur, dient gezegd dat de echtgenoten S.-M. dit in geen enkele mate aannemelijk weten te maken. Er valt niet zomaar aan te nemen dat vele van de naar aanleiding van deze algemene ramp ingediende dossiers betrekking zouden hebben op net hetzelfde soort groenten (bonen), geteeld volgens een teeltcontract, in dezelfde rijpingsgraad en op hetzelfde type grond en met een aanvraag en bijhorende stukken qua inhoud en formulering vergelijkbaar met de aanvraag en de stukken van de echtgenoten S.-M.. Uiteindelijk vernoemen de echtgenoten S.-M. slechts concreet één naam van een dossier dat louter beweerd gelijkaardig zou zijn aan het hunne, zonder dat die bewering van gelijkaardigheid ook maar in enige mate nader wordt toegelicht. Er is geen aanleiding om aan de BELGISCHE STAAT of aan eventuele andere(n) de overlegging te bevelen van andere dossiers, temeer de beoordeling die de echtgenoten S.-M. nastreven tegen de schadebepaling vereist door de wet van 12 juli 1976 in-gaat (zoals hierna verder wordt uiteengezet). Krachtens art. 1§1 van de wet van 12 juli 1976 (rampenschade-wet) geeft alleen de rechtstreekse, materiële en zekere schade, op het grondgebied van België aan private lichamelijke goederen, roerende en onroerende, veroorzaakt door de in artikel 2 bepaalde schadelijke feiten, aanleiding tot een financiële tege-moetkoming onder de bij deze wet bepaalde voorwaarden. De wet van 12 juli 1976 is in navolging van de wet op de oorlogsschade een uitzonderingswet die gebaseerd is op het principe van de nationale solidariteit. In dit kader dienden door de wetgever keuzes gemaakt te worden in verband met de goederen die voor vergoeding in aanmerking kunnen genomen worden, in verband met de rechthebbenden op vergoeding... Het gaat hier derhalve om een uitzonderingswetgeving die aangenomen wordt van openbare orde te zijn als wetgeving die mee de grondslagen van de sociale en economische maatschappelijke orde en de noodzaak tot maatschappelijke solidariteit bepaalt en die uiteraard, aangezien afwijkend van het gemene aansprakelijkheidsrecht en het in het gemene recht algemeen gehanteerde schadebegrip, van strikte en zeer restric-tieve interpretatie is/dient te zijn. Het feit dat deze uitzonderingswetgeving van openbare orde is vormt op zich een reden temeer opdat het legaliteitsprincipe dient te primeren op de beginselen van behoorlijk bestuur. In art.1§1 van de wet van 12 juli 1976 is voorzien dat enkel de rechtstreekse materiële schade aan een lichamelijk goed voor vergoeding in aanmerking komt. De term ‘materiële schade' doelt op een fysische aantasting van het lichamelijk goed en de term ‘rechtstreekse schade' doelt op het noodzakelijke en onmiddellijke oorzakelijk verband tussen de schade en het geviseerde schadelijke feit (in casu de ramp). Het is niet zo dat de bonen in kwestie door de regen en hagel zelf ter plekke werden vernietigd/aangetast. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt duidelijk genoeg dat de schade hier bestaat in opbrengstverlies omdat omwille van de bodemgesteldheid ingevolge de regens en hagel er niet eerder kon worden geoogst (cf. o.a. ter illustratie het attest van de gemeente Jabbeke van 25 oktober 2005 dat het duidelijk heeft over niet toegankelijke grond voor de oogstmachines en dat stelt dat tegen de tijd dat de grond opnieuw toegankelijk was de bonen overrijp waren met vervolgens wei-gering voor de verwerking). Ten onrechte willen de echtgenoten S.-M. thans voorhouden dat de bonen niet zouden zijn geoogst en dat zij op het veld zouden zijn afgekeurd en dat zij helemaal niet zouden zijn geleverd. De bij het attest van de nv Unifrost gevoegde weegtickets van 23 augustus 2004 tonen echter uitdrukkelijk het tegendeel aan. De schade die zich hier voordoet is derhalve onrechtstreeks van aard en komt zodoende niet in aanmerking voor financiële tege-moetkoming ingevolge de rampenwetgeving. Ten onrechte beroepen de echtgenoten S.-M. zich op de gemeenrechtelijke schadeprincipes die duidelijk niet van toepassing zijn in deze uitzonderingwetgeving waar het begrip schade een duidelijke, strikte, eigen wettelijke omschrijving kreeg, waar-aan de door de echtgenoten S.-M. ingevorderde schade niet vol-doet om voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen.
- met betrekking tot de kosten: De echtgenoten S.-M. beroepen zich op art. 55 van de wet van 12 juli 1976 krachtens hetwelk elke procedure evenals elke verrichting van onderzoek gedaan door de diensten belast met de toepassing van de wet, op kosten van de staat is. De BELGISCHE STAAT rekent aan de echtgenoten S.-M. geen dergelijke kosten aan. Het gaat hier om een niet-contentieuze procedure die voor de echtgenoten S.-M. geen kosten heeft teweeggebracht. Dat immers de procedure gevoerd voor de provinciegouverneur niet gericht is tegen een partij die, ingevolge haar fout of toedoen, de schade dient te vergoeden. Dat ook voor het hof van beroep de procedure van voorziening in se een louter administratief beroep is dat, indien er daartoe redenen zijn, tot doel heeft louter de bedragen van de vergoedingen vast te doen stel-len en waarbij er geen veroordelingen tot betaling van deze vergoedingen dienen te worden uitgesproken. Dat op deze procedure, geregeld in de wet van 12 juli 1976 dan ook de gemeenrechtelijke regels van het Gerechtelijk Wetboek en de in dat kader toepasselijke rechtsplegingvergoedingen geen toepassing vinden en dienvolgens, bij gebreke aan wettelijke grondslag, geen rechtsplegingvergoeding kan worden toegekend aan de echtgenoten S.-M., zoals door hen gevorderd. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak en met toepassing van art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; verklaart de voorziening ontvankelijk en gegrond; doet de bestreden beslissing teniet en opnieuw oordelend: wijst het oorspronkelijk verzoek van de echtgenoten S.-M. af als ontvankelijk maar integraal ongegrond; zegt voor recht dat deze procedure aan partijen wederzijds geen kosten heeft teweeggebracht die zij op de andere zouden gerechtigd zijn te verhalen. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op negentien november tweeduizend en acht. Aanwezig: de heer Henri Debucquoy eerste voorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div