id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081120.13 Rolnummer: 2006/AR/112 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-07 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 18:22 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Eigendom - Algemeen Vrije woorden: eigendomsrecht - geïntimeerde is steeds exclusief eigenaar geweest en gebleven van de grond - appellant heeft kosten betaald voor de oprichting van de woning tot beloop van 6771,68 euro - vordering van geïntimeerde tot betaling van huur van vennootschap in vereffening werd voor het eerst gesteld in hoger beroep - afgewezen als onontvankelijk. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 20 november 2008 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2006/AR/112 van: S.R., appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, op tegenspraak gewezen door de eerste-bis kamer dd. 19-9-2005, oorspronkelijk eisende partij, hebbende als raadsman mr. GLAS Christoph, advocaat te 9620 Zottegem, Meerlaan 134 tegen : D.V.D., (in het bestreden vonnis : D.D.), geïntimeerde, oorspronkelijk verwerende partij, hebbende als raadsman mr. VYLS Hugo, advocaat te 9700 Oudenaarde, Kerkgate 19 velt het hof het volgend arrest. 1. 1.1. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 januari 2006, heeft appellant tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een op 15.12.2005 betekend vonnis dat op 19.09.2005 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste bis kamer. De eerste rechter verklaarde de vordering van appellant slechts in beperkte mate gegrond. Geïntimeerde werd veroordeeld om aan appellant de som te betalen van 9.300 EUR meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van aanmaning. De tegenvordering van geïntimeerde werd ongegrond verklaard. 1.2. De conclusies die neergelegd zijn ter griffie op 30 mei 2008 en 18 juli 2008 - respectievelijk door appellant en geïntimeerde -, zijn tijdig neergelegd en worden gezien als syntheseconclusies die overeenkomstig artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek het verzoekschrift hoger beroep en de vorige conclusies vervangen. 1.3. Het beroep strekt in hoofdorde ertoe: - te zeggen voor recht dat het goed, gelegen te ..., voor de helft in mede-eigendom aan appellant toebehoort; - te horen bevelen dat er op vervolging van de meest naarstige partij en in tegenwoordigheid van de andere partijen, of deze daartoe behoorlijk aangemaand, zal worden overgegaan voor het ambt van notaris Marc Sobrie te Zwalm tot de bewerkingen van de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid bestaande tussen partijen, met betrekking tot een onroerend goed, gelegen te ... : een woonhuis op en met grond gelegen aan de ... gekadastreerd sectie A deel van nummer 1305 met een oppervlakte van 14 a 75 ca; - te horen bevelen dat er voorafgaandelijk aan deze bewerkingen van vereffening en verdeling zal worden overgegaan, door het ambt van dezelfde notaris, tot de openbare verkoping van het hierboven vermeld onroerend goed; - een notaris aan te wijzen, gelast om de niet-verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen en in hun plaats de akten en processen-verbaal te tekenen, en die bevoegd is om de toewijzingen en andere schuldvorderingen in kapitaal en toebehoren te ontvangen, kwijting ervan te geven met of zonder indeplaatsstselling en, ten gevolge van deze betalingen, opheffing te verlenen van elke inschrijving die is of moet worden genomen, van elke inschrijving die is of moet worden genomen, van elke overschrijving van bevel en beslag alsmede van elk verzet indien daartoe grond bestaat. In ondergeschikte orde wordt gevorderd minstens te zeggen voor recht dat het gebouw, opgetrokken op de grond, gelegen te ... voor de helft de eigendom is van appellant en een notaris aan te stellen met de reeds hoger beschreven opdracht; In uiterst ondergeschikte orde wordt gevorderd geïntimeerde te veroordelen om aan appellant de som te betalen van 76.117,48 EUR meer de gerechtelijke intresten op 46.767,99 EUR. In de dagvaarding was het bedrag gevorderd van 73.103,67 EUR, waarvan de samenstelling moest blijken uit de bijlagen die met de dagvaarding mee waren betekend. In beroep werd de vordering dus uitgebreid met 3.013,82 EUR op basis van facturen die appellant beweert nog gevonden te hebben na het vonnis. 1.4. Geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep zou worden afgewezen als ongegrond. Zij stelde tevens incidenteel beroep in, hetgeen gebeurde op rechtsgeldige wijze. Zij vraagt: - het vonnis a quo teniet te doen waar het aan appellant een vergoeding van 9.300 EUR toekent en het de tegenvordering van geïntimeerde ongegrond verklaart; - en opnieuw wijzend: Ø te zeggen voor recht dat appellant jegens geïntimeerde op geen enkele vergoeding aanspraak kan maken; Ø de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens appellant te veroordelen tot betaling van een bedrag van 67.305,77 EUR meer de gerechtelijke intresten; 1.5. Overeenkomstig het artikel 756 Ger.W. werden de stukken van de partijen aan de griffie bezorgd voorafgaandelijk aan de zitting van 23.10.2008. Het bundel van appellant bevat 34 stukken, die vermeld zijn op de inventaris. Het bundel van geïntimeerde bevat 23 stukken die vemeld zijn op de inventaris. 2. Partijen hebben samengewoond vanaf juli 1991 tot begin 2002, toen appellant is ingegaan op de vraag van geïntimeerde om de woning te ... te verlaten en om de maatschappelijke zetel van de G.C.V. Steyvers & C° naar een ander adres over te brengen. Uit de relatie zijn twee kinderen geboren, namelijk S.S. (°13.01.1991) en S.S. (°26.07.1992). Partijen begonnen hun relatie terwijl ze nog gehuwd waren met iemand anders. Geïntimeerde was vanaf 26.06.1992 uit de echt gescheiden. Appellant was uit de echt gescheiden vanaf 22.01.1993. Het gezin nam op 08.08.1994 (datum van inschrijving) zijn intrek in de woning te .... Geïntimeerde is een kleuterleidster. Appellant had inkomstem uit verschillende jobs. Op 1 september 1994 was de G.C.V. Steyvers & C° opgericht, die haar maatschappelijke zetel had in de voornoemde woning. Op de buitengewone algemene vergadering van 27.12.2002 werd beslist tot de stopzettting van de bedrijvigheid. Op 29 december 1999 werd de BVBA Econex opgericht: appellant was medeoprichter en één van de zaakvoerders: zijn inkomsten als zaakvoerder beliepen anno 2003 1.124,74 EUR. Enkele weken nadat geïntimeerde was gescheiden, meer bepaald op 29 juli 1992, werd de notariële akte verleden aangaande de aankoop van de bouwgrond waarop de woning werd gebouwd. De aankoopprijs beliep 1.000.000 oude BEF. De akte maakte gewag van A.D.B. als verkoper en D.D.V. als koopster. Van appellant, die de akte ondertekende, werd gezegd dat hij de koopster vertegenwoordigde. Er werd ook gezegd dat hij zich sterk maakt voor haar en dat hij verklaarde de koopsom te betalen met fondsen die haar toebehoren. Op 6 november 1992 werd voor notaris Rens Jean-Louis een akte hypothecair krediet verleden waaruit blijkt dat het Centraal Bureau voor Hypothecair krediet aan de partijen een krediet toestond van 3.000.000 oude BEF. Bij de beschrijving van het goed waarop de hypotheek werd gevestigd, werd gezegd dat de bouwgrond gelegen te ... (voorheen ...) aan de ... aan geïntimeerde toebehoort als een eigen goed doordat zij het verkreeg van de heer A.D.B.. Op 4 juni 2003 heeft appellant gevraagd om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling. Appellant stelt dat er geen financiële problemen bestonden tot eind 1999: het tegendeel is door geïntimeerde wel beweerd maar niet bewezen. Op 6 juli 2002 heeft de raadsman van appellant een ingebrekestelling gestuurd naar de raadsman van geïntimeerde om de laatste de som te doen betalen van 70.107,64 EUR. Ter rechtvaardiging van dat bedrag werden stukken meegestuurd samen met de lijst van de verschillende bedragen waarvan appellant de terugbetaling vroeg (de lijst werd later als bijlage aan de dagvaarding gehecht). Er werd toen geen gewag van enig zakelijk recht dat appellant liet gelden. Er volgde een dagvaarding op 5 juni 2003 en daarna een tegeneis van geïntimeerde. De tegeneis die ingesteld werd in conclusies van 10 november 2003, had betrekking op de eigen gelden die geïntimeerde volgens haar zeggen zou besteed hebben aan het afbetalen van schulden van geïntimeerde. Een provisioneel bedrag van 30.000 EUR werd gevorderd zonder enige verdere toelichting maar met voorbehoud om daar verder over conclusies te nemen. In beroep beloopt de tegenvordering een provisioneel bedrag van 67.305,77 EUR. Dat bedrag heeft betrekking op: - een som van 19.586,56 EUR op basis van een overzicht dat geïntimeerde gaf van alle betalingen ten behoeve van appellant en van de geldafhalingen door appellant van haar rekening (stuk 12); - een som van 47.719,21 EUR omdat de G.C.V. Steyvers & C° een gedeelte van de woning huurde aan de maandelijkse huurprijs van 619,73 EUR van augustus 1995 tot januari 2002. 3. Appellant is het niet eens met de eerste rechter waar deze stelt dat: a. het buiten betwisting staat dat de exclusieve eigendom van de grond toebehoort aan geïntimeerde nu dit ‘zo in de authentieke akte d.d. 29.07.1992 staat'; b. aan de inhoud van deze akte niet mag worden getornd; c. deze akte volledig bewijs oplevert tegen appellant nu hij in deze akte verklaarde dat de koopsom volledig voldaan werd met fondsen van geïntimeerde; d. partijen, indien het de bedoeling was dat de grond hun gemeenschappelijke eigendom zou zijn, naderhand (dit is na het definitief worden der echtscheiding van appellant) de nodige aanpassingen zouden doorgevoerd hebben. Nochtans kan appellant niet weerleggen dat geïntimeerde als bewijs van haar eigendomsrecht een titel kan voorleggen waarvan hij trouwens de geldigheid heeft erkend in de notariële akte van 6 november 1992 toen gezegd werd dat het goed waarop de hypotheek werd gevestigd, een eigen goed was van geïntimeerde. Geïntimeerde heeft tegenover appellant nooit erkend dat hij mede-eigenaar is van de woning of van de grond. Voor de beoordeling van het eigendomsrecht op de grond is het artikel 553 B.W. helemaal niet relevant. Gegevens over de financiering zijn al evenmin relevant zodat het Hof kan voorbijgaan aan de argumentatie van appellant op dat punt.. Overigens waar hij verklaarde dat de prijs met de eigen gelden van geïntimeerde werd betaald kan hij bezwaarlijk nu op eigen houtje gaan stellen dat het ging om een veinzing. Appellant vergeet overigens dat de titel van eigendomsverkrijging is overgeschreven in de registers van de hypotheekbewaarder en dat de eigendomsverkrijging aan hem als derde tegenstelbaar is gemaakt. Appellant is in de akte niet vermeld als partij bij de verkoop. De eerste rechter heeft op correcte wijze besloten dat geïntimeerde steeds exclusief eigenaar is geweest en gebleven van de grond. 4. Artikel 553 B.W. heeft wel een belang voor appellant omdat de vermoedens die daarin zijn bepaald, weerlegbaar zijn en omdat hij door de weerlegging kan komen tot een recht op schadevergoeding lastens de partner. Om op de woning rechten als mede-eigenaar te laten gelden ontbreekt het hem aan een juridische grondslag (zie F. BAUDONCQ en V. GUFFENS "Bouwen op andermans grond in het specifiek geval van concubinaat" T. Not. 2003; 327 nr 20). Appellant heeft ook niets kunnen inbrengen tegen het vonnis waar gezegd wordt dat "eiser de verkeerde redenering maakt waar hij stelt dat het onroerend goed, ingevolge niet bewezen exclusieve eigendom door verweerster, moet worden geacht in onverdeeldheid toe te behoren aan partijen." In art. 553 B.W. worden twee wettelijke vermoedens uitgedrukt: alle gebouwen, beplantingen en werken, op of onder de grond van een erf, worden vermoed door de eigenaar, op zijn kosten, te zijn tot stand gebracht (eerste vermoeden); bovendien wordt vermoed dat al wat tot stand werd gebracht, aan de eigenaar toebehoort (tweede vermoeden). Wordt het eerste vermoeden weerlegd, dan blijkt dat de eigenaar van de grond niet de eigenaar van het materiaal is waarmee gebouwd werd. In de mate dat appellant aantoont dat het door hem gevorderd bedrag van 76.117,48 EUR betrekking heeft op kosten voor de oprichting van het gebouw kan hij schadevergoeding bekomen omdat het Hof het alsdan moet bewezen achten dat de oprichting van de bouw of de beplantingen op de grond niet uitsluitend door geïntimeerde zijn gefinancierd. Het bedrag van 76.117,48 EUR bestaat uit enerzijds een bedrag van 49.781,81 EUR (46767,99 EUR en 3013,82 EUR) en anderzijds een bedrag van 26.335,67 EUR. De afrekening, die in bijlage is gevoegd bij de dagvaarding, toont aan het bedrag van 46767,99 EUR betrekking heeft op een helft van de aankoopprijs van de grond (12394,68 EUR), op allerlei facturen voor aankoop van goederen (28.423,87 EUR) en op betalingen door appellant op de bankrekening van geïntimeerde (5949,44 EUR). Daaruit blijkt voorts dat het bedrag van 26.335,67 EUR een totaal is van een kolom met een reeks bedragen waarvan in de afrekening niet wordt gezegd waarop deze bedragen slaan. De opmerking van geïntimeerde dat over deze kolom in de afrekening niets is te achterhalen, heeft niet geleid tot enige verduidelijking. Het Hof heeft geen enkele reden om aan te nemen dat dit bedrag gevorderd wordt als vergoeding voor het eigen werk dat appellant beweert geleverd te hebben bij de oprichting en de afwerking van het gebouw. Het verzuim van appellant om het bedrag toe te lichten leidt ertoe dat de vordering tot betaling van 26.335,67 EUR zeker niet kan ingewilligd worden. Blijft dus de vraag in welke mate is bewezen dat in het bedrag van 49.781,81 EUR betalingen zijn begrepen waarmee is aangetoond dat de woning of de beplantingen ook op zijn kosten werd tot stand gebracht. In dat verband dient alleen nader gekeken te worden naar de facturen die in de bijlage bij de dagvaarding zijn vermeld zijn en niet naar de andere posten vermeld op die afrekening. De uitbreiding van eis is gesteund op facturen die in de genoemde bijlage al waren vermeld, zodat de bedragen van deze facturen tweemaal in rekening zijn gebracht. Een uitzondering is de factuur van de BVBA Vancoppenolle d.d. 07.09.1999 ten bedrage van 2.842 BEF voor verf en behang (stuk 19 van appellant): deze factuur wordt hierna ook vermeld.. Tot die reeks facturen behoren volgende facturen (waarvan de nummering betrekking heeft op een onderkaft van het bundel van geïntimeerde : zie kaft ‘stukken tegenpartij') :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.