← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081120.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081120.15 Rolnummer: 2008/AR/143 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 18:22 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: homologatie van de staat van vereffening en verdeling van nalatenschappen Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 20 november 2008 EINDARREST - In de zaak met het rolnr. 2008/AR/143 van: H.E., appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de tweede kamer dd. 25-10-2007, - TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND -, oorspronkelijk verweerder, hebbende als raadsman mr. ROELAND Jean-Paul, advocaat te 9000 Gent, Recollettenlei 43 tegen :

  1. H.G.,
  2. H.S.,
  3. H.J.,
  4. H.A.,
  5. H.M., geïntimeerden, oorspronkelijk eisers, hebbende als raadsman mr. VAN HERREWEGHE Elie, advocaat te 9240 Zele, Kouter 153 velt het hof het volgend arrest.
  6. 1.
  7. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 16-1-2008, heeft appellant tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 25 oktober 2007 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, tweede kamer, waarbij de homologatie gebeurde van de staat van vereffening en verdeling van de nalatenschappen van wijlen A.H. en M.V.L. d.d. 7 december 2006 opgemaakt door notaris Ch. Denys te Zele en notaris Ch Uyttenhaegen te Wetteren. 1.
  8. De conclusies die neergelegd zijn ter griffie op 6 maart 2008 en 17 maart 2008 - respectievelijk door geïntimeerden en door appellant -, zijn tijdig neergelegd en worden gezien als syntheseconclusies die overeenkomstig artikel 748 bis van het Gerechtelijk Wetboek het verzoekschrift hoger beroep en de vorige conclusies vervangen. In de conclusies van 17 maart 2008 leest het Hof dat appellant volhardt in zijn stelling uiteengezet in de beroepsakte. De conclusies bevatten op pagina 2 een korte uiteenzetting. Deze conclusies beantwoorden niet aan de eisen van artikel 744 Ger.W. dat stelt dat de conclusies uitdrukkelijk de eisen van de concluderende partij uiteenzetten alsook de middelen in feite en in rechte waarop iedere eis steunt. Dat artikel bepaalt voorts dat de in een andere aanleg genomen conclusies waarnaar wordt verwezen of waaraan wordt gerefereerd niet worden beschouwd als conclusies in de zin van artikel 780, eerste lid 3° Ger.W.. 1.
  9. Geïntimeerden vragen dat het hoger beroep zou worden afgewezen als ongegrond. Er werd geen incidenteel beroep ingesteld. 1.4 Overeenkomstig artikel 756 Ger.W. werden de stukken van de partijen voorafgaandelijk aan de zitting van 23.10.2008 aan de griffie toegezonden. Het bundel van appellant bevat één stuk, nl. een geschreven verklaring van W.V. d.d. 15 november
  10. Het bundel van geïntimeerden omvat 8 stukken. 1.
  11. Op de terechtzitting van 23.10.2008 waarop appellant noch een advocaat die hem vertegenwoordigde, is verschenen, heeft de raadsman van geïntimeerden een arrest op tegenspraak gevorderd.
  12. Op de genoemde staat van vereffening en verdeling volgde een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden d.d. 1 februari
  13. Uit de opmerkingen van geïntimeerden bleek dat ze akkoord zijn met de staat maar dat ze voorbehoud maakten voor al de kosten dewelke de weigerachtige houding van appellant veroorzaakt. Wat betreft appellant werd een kopie van een strafklacht van appellant aan het proces-verbaal gehecht en werd geacteerd dat hij de feiten handhaaft zoals omschreven in zijn strafklacht. Deze strafklacht die dateert van begin 2006 werd gedaan tegen A.H. en G.H. wegens verduistering, valse eed en valse verklaring. De klacht heeft geleid tot een strafonderzoek en een strafdossier, dat geseponeerd werd om reden van onvoldoende bewijzen (zie de brief van de Procureur des Konings d.d. 26.06.2006). Het strafdossier maakt onderdeel uit van het stukkenbundel van geïntimeerde. De klacht heeft betrekking op twee verkopen nl: - de verkoop van een perceel landbouwgrond gelegen te ... "..." aan de heer B., waarvan de notariële verkoopakte d.d. 30.10.2000 zegt dat de verkoopprijs 400.000 oude BEF beliep; - de verkoop van een hoeve gelegen te ..., aan K.V., waarvan de notariële verkoopakte d.d. 29.06.2000 zegt dat de verkoopprijs 6.400.000 oude BEF beliep. Appellant stelt in zijn klacht dat er naast de in de akten bepaalde prijs, een som in het zwart werd betaald, nl. 300.000 oude BEF voor de eerstvermelde koop en minstens 1.500.000 oude BEF voor de andere koop. Bij de verkopen zou A.H. gehandeld hebben als volmachtdraagster voor alle consoorten H.. Appellant beschuldigde A.H. van verduistering van het bedrag van 1.900.000 oude BEF. De eerste rechter heeft nauwgezet alle beoordelingselementen onderzocht en besloten dat er geen bewijs is geleverd dat er bij de verkopen een hogere prijs werd betaald dan de prijs vermeld in de akte, en dat er gelden voortkomende van de verkopen, zijn verduisterd.
  14. aangaande de verkoopprijs voor de grond te Kalken (sectie B nr 536/E) In zijn conclusies van 17 maart 2008 verwijst appellant naar het nieuwe stuk dat hij voorbrengt, nl. de verklaring van W.V. en vraagt het Hof het voor waar te aanzien wat er door laatstgenoemde werd verklaard. Deze verklaring luidt als volgt: "Ik verklaar dat vier en een half jaar geleden H.E. met mijn mobiele telefoon contact opnam van de zaak B.. Mijnheer B. zei zelf door de mobiele telefoon dat hij 700.000 BF betaalde op papier + 400.000 BF zwart geld heeft moeten betalen aan H.A. zus van E.. En mijnheer B. zei ge kunt mij toch niets doen voor het zwart geld. U hebt geen bewijzen dat heeft hijzelf tot 3 maal toe herhaald. Ik heb het gehoord en gelezen op mijn mobiele telefoon." Appellant beweert niet in zijn conclusies van 17 maart 2008 dat er vóór het vellen van het bestreden vonnis al afdoende bewijzen waren voor de beweerde verduistering. Als dan plots een geschreven verklaring van W.V. opduikt, verandert dat niets aan de toestand. Over de waarachtigheid van die verklaring kan niet geoordeeld worden als er geen omstandigheden zijn waaruit enige waarachtigheid kan afgeleid worden. De geschreven verklaring doet enkel vragen rijzen. In zijn verklaring aan de politie op 14 maart 2006 heeft appellant gewag gemaakt van een telefonisch gesprek met de koper B. die het had over een prijs van 1.100.000 oude BEF maar van W.V. heeft hij geen gewag gemaakt, zodat deze persoon ook niet werd ondervraagd. Door het strafonderzoek werd niet bevestigd dat er na de verkoop een telefonisch gesprek is gevoerd tussen de koper B. en appellant over de betaalde prijs.
  15. aangaande de verkoopprijs voor de boerderij te ... In zijn conclusies van 17 maart 2008 wijst appellant erop dat het niet bewezen is dat er bij de verkoop geen zwart geld werd betaald. Appellant ziet de bewijskwestie verkeerd. Hij dient te bewijzen dat er geld verduisterd werd. Ten onrechte meent appellant dat het Hof zou kunnen besluiten dat hij benadeeld is geworden bij de verdeling zonder zich uit te spreken over het bestaan van het misdrijf dat appellant met zijn strafklacht aan het licht wilde brengen. Als appellant stelt dat de door hem aangeklaagde gedragingen misschien niet van aard waren dat zij vatbaar waren voor strafrechtelijk gevolg, dan toont hij zijn eigen twijfels over de misdrijven die volgens zijn strafklacht waren gepleegd. Appellant vestigt hoofdzakelijk de aandacht op de verklaringen die M.D.W. en G.F. hebben afgelegd tijdens het strafonderzoek. G.F. verklaarde dat hij niets wist over de prijzen van de verkopen maar dat hij samen met appellant en met M.D.W. in 2001 of 2002 op de jaarmarkt was te .... Hij zegde dat appellant aldaar de nieuwe eigenares van de hoeve aansprak en legde uit wat hij gehoord had. Naarmate de verbalisanten meer vragen stelden, werd G.F. voorzichtiger: eerst zegde hij dat hij alles van het gesprek hoorde omdat hij bij de personen stond die het gesprek voerden over de prijs, maar later zegde hij dat hij niet veel interesse had en zodoende het gesprek op een afstand volgde. Hij zegde nog "ik stond erbij en hoorde hen over miljoenen praten maar zonder eigenlijk alles te vatten....Neen, nogmaals ze waren over miljoenen bezig maar exacte bedragen hoorde ik niet vernoemen. Die 5.000.000 waarvan ik daarpas sprak is, denk ik zijn bod op de ouderlijke woonst geweest en ook over dat bedrag van 1.000.000 in 't zwart ben ik niet zeker meer" M.D.W. werd ondervraagd op 24 maart 2006, zo blijkt uit de informatie van de verbalisanten, die kort verslag deden van het onderzoek bij voornoemde. Er is geen afzonderlijke verklaring van deze persoon opgenomen in het proces-verbaal. De verbalisanten zegden het volgende: "Wij geven hem kennis van ons onderzoek doch betrokkene wenst hier geen verklaring in af te leggen om reden dat hij buurman is en/of kennis van beide partijen. H.E. haalt deze persoon aan als man die hem de koopster van de ouderlijke hoeve aanwees op de bewuste ... D.W.M. bevestigt dit mondeling en zegt dat er wel degelijk toen een gesprek plaats vond. Over de inhoud van dat gesprek kan hij zich echter niet uitspreken omdat hij het niet hoorde. Over de ontmoeting door B.E. aangehaald is D.W.M. eveneens zeker. Volgens D.W.M. ons mondeling meedeelt zijn er dus wel degelijk twee ontmoetingen geweest tussen B.E. en H.E. nl. één aan het erf van B.E. en één op de .... Hij zegt ons zelfs dat de twee ontmoetingen redelijk snel na elkaar plaats vonden. Over de inhoud van de gesprekken t.g.v. die ontmoetingen weet hij niks." De verwijzing naar de verklaringen van G.F. en M.D.W. kan geen basis zijn om het vonnis te hervormen.
  16. Appellant wordt verwezen in de kosten van deze aanleg, zoals de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van geïntimeerde ten belope van 1.200 EUR, zijnde het basisbedrag voor de niet in geld waardeerbare vorderingen zoals deze vordering. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Verwijst appellant in de kosten van deze aanleg in hoger beroep en begroot deze kosten voor geïntimeerde op 1.200 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 20-11-
  17. Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.