id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081120.17 Rolnummer: 2006/AR/2496 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-02-12 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-07-02 18:21 Fiche In de waarborg van de verzekeringsovereenkomst 'eigen schade' van een vortuig waarin dekking voorzien is van de schade aan het voertuig ingevolge het omslaan, het zinken, een botsing, de aanraking met elk ander voorwerp of uit een daad van vandaliseme, is eveneens begrepen de schade aan de motor van het voeruig die het gevolg is van het tanken van benzine in plaats van diesel. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Algemeen Vrije woorden: Verzekeringsovereenkomst - eigen schade - omvang waarborg - schade aan motor door brandstof Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 20 november 2008 2006/AR/2496 in de zaak van: NATEUS N.V., verzekeringsonderneming, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 79, ingeschreven met KBO-nummer 0404.484.654, appellante, hebbende als raadsman mr. VAN CROMBRUGGE Jan, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Putkapelstraat 105 tegen: V.L., wonende te geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. AMPE Geert en mr. SOETE Gérard, beiden advocaat te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 8 bus 1 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 29 september 2006 stelt N.V. NATEUS tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep in tegen een vonnis van 28 juni 2006 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van koophandel te Veurne, enige kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
- De betwisting van partijen houdt verband met de omniumverzekering die geïntimeerde met appellante sloot voor zijn voertuig. Volgens geïntimeerde tankte hij op 8 augustus 2004 benzine in plaats van diesel, waardoor zijn voertuig werd beschadigd en hij gerechtigd is op vergoeding van deze schade in het kader van de omniumverzekering. Geïntimeerde vorderde voor de eerste rechter de veroordeling van appellante tot betaling van het bedrag van 4.536,37 EUR, meer de vergoedende intresten vanaf 8 augustus 2004, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Op 29 april 2005 ging geïntimeerde over tot dagvaarding in tussenkomst van de N.V. AUDI bij wie hij een verzekeringsovereenkomst rechtsbijstand had afgesloten en vorderde hij haar veroordeling tot betaling van het provisioneel bedrag van 1.400,00 EUR., meer de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. De eerste rechter heeft bij het bestreden vonnis appellante veroordeeld tot betaling van het bedrag van 3.057,96 EUR, meer de vergoedende intresten a rato van 4 % per jaar vanaf 8 augustus 2004 tot de datum van algehele betaling. De vordering van geïntimeerde lastens de N.V. AUDI werd ongegrond verklaard.
- Appellante beoogt met haar hoger beroep dat enkel gericht is tegen geïntimeerde L. V., het tenietdoen van het bestreden vonnis en de afwijzing als ongegrond van de vordering van geïntimeerde. Bij besluiten neergelegd op 28 maart 2007 tekent geïntimeerde incidenteel beroep aan en herneemt hij zijn vorderingen lastens appellante en de N.V. AUDI zoals gesteld voor de eerste rechter. In zijn besluiten neergelegd op 8 oktober 2007 vraagt geïntimeerde te akteren "dat niet langer wordt aangedrongen betreffende N.V. AUDI omdat die niet in de beroepsprocedure betrokken is". In zijn synthesebesluiten neergelegd op 28 mei 2008 herleidt geïntimeerde zijn vordering tot 3.136,37 EUR in hoofdsom. beoordeling Geïntimeerde is eigenaar van een voertuig Mercedes verzekerd in "omnium" bij appellante onder polis nummer
- Op 8 augustus 2004 tankte geïntimeerde bij vergissing benzine in plaats van diesel, waardoor de motor van het voertuig werd beschadigd. Hieromtrent bestaat geen betwisting. Geïntimeerde maakt aanspraak op vergoeding van zijn schade in het kader van de omniumverzekering. Het behoort aldus aan geïntimeerde om aan te tonen dat het schadegeval onder de dekking valt en er niet van uitgesloten is. Overeenkomstig artikel 1 van afdeling II "speciale voorwaarden volledige omnium" van de polis dekt appellante de schade aan het voertuig "ingevolge het omslaan, het zinken, een botsing, de aanraking met elk ander voorwerp of nog uit een daad van vandalisme". Van "omslaan", "zinken" of een daad van vandalisme is ten deze geen sprake. Wel bestaat betwisting of het inbrengen van benzine kan beschouwd worden als een aanraking met een voorwerp zoals bedoeld in voormeld artikel
- In strijd met hetgeen appellante voorhoudt, is het Hof van oordeel dat benzine wel een voorwerp is, dat door het tanken ervan in aanraking met het verzekerd voertuig is gekomen. Het door appellante gemaakte onderscheid tussen een voorwerp en een product is niet relevant terwijl de inwerking van de benzine enkel het gevolg kan zijn van een aanraking die aan de basis van de beschadiging ligt. Appellante verwijst verder naar een aanraking door een voorwerp van buitenaf. Ongeacht het feit dat artikel 1 dit niet voorziet, is de toevoeging van benzine in elk geval een voorwerp dat van buitenaf in contact wordt gebracht met het voertuig. Dat brandstof noodzakelijk is om het voertuig te laten rijden belet niet dat benzine in dit geval een voorwerp is dat schade heeft berokkend aan het voertuig. Appellante kan niet gevolgd worden waar zij verwijst naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen die er zou in bestaan dat schade aan de motor te wijten aan verkeerde brandstof uit de dekking zou gesloten zijn. Deze beweerde gemeenschappelijke bedoeling blijkt geenszins uit de polisvoorwaarden. Artikel 1 voorziet in tegendeel in een ruime omschrijving van de dekking waarbij elke aanraking van een voorwerp waardoor schade ontstaat, onder de waarborg valt. Appellante beroept zich in ondergeschikte orde op de uitsluiting van dekking wegens slecht onderhoud van het verzekerde voertuig. Dat het voertuig slecht onderhouden was blijkt uit niets. Het tanken van verkeerde benzine kan niet beschouwd worden als een slecht onderhoud. Hetzelfde geldt de bewering dat geïntimeerde niet onmiddellijk is gestopt van zodra vastgesteld werd dat er iets mis was met de motor. In nog meer ongeschikte orde betwist appellante de door de eerste rechter toegekende vergoeding uit hoofde van gebruiksderving. Hierin dient appellante te worden bijgetreden. De verzekeringsovereenkomst dekt enkel de waarde van het voertuig, forfaitair vastgesteld en verhoogd met de btw. Geen enkele bepaling van de verzekeringsovereenkomst voorziet in vergoeding van de gebruiksderving. De door de eerste rechter toegekende vergoeding van 90,00 EUR voor gebruiksderving dient aldus te worden afgewezen. Geïntimeerde is aldus gerechtigd op een vergoeding ten bedrage van 2.517,66 EUR + 528,71 EUR = 3.046,37 EUR, min 2,5 % op 3.046,37 EUR, hetzij 76,15 EUR (vrijstelling) = 2.970,22 EUR. De rechtsplegingsvergoeding dient in graad van hoger beroep bepaald te worden overeenkomstig het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 09.11.2007). Er zijn geen redenen voorhanden om af te wijken van de basisrechtsplegingsvergoeding. De basisrechtsplegingsvergoeding is ten deze niet kennelijk onredelijk, noch kan de complexiteit van de zaak of de financiële draagkracht van de partijen een afwijking verantwoorden. Gelet op het bedrag van de vordering dient de rechtsplegingsvergoeding te worden begroot op 650,00 EUR. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat de aan geïntimeerde toekomende vergoeding wordt herleid tot 2.970,22 EUR in hoofdsom. Veroordeelt appellante tot de kosten van deze instantie gevallen aan de zijde van geïntimeerde en begroot deze op de rechtsplegingsvergoeding van 650,00 EUR. Zegt dat appellante haar eigen kosten van deze instantie dient af te dragen. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, EERSTE KAMER, zetelende in burgerlijke zaken, op TWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT. aanwezig: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div