← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081201.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081201.4 Rolnummer: 2008/RK/94 Rechtsgebied: Overige - Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-01-30 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 18:25 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Know-how en fabrieksgeheimen Vrije woorden: - De verplichting volgens artikel 1125 Ger. Wetb. om in geval van derdenverzet te dagvaarden voor de rechter die de bestredenbeslissing gewezen heeft, mag niet worden geïnterpreteerd als een verplichting om te dagvaarden voor dezelfde persoon, noch voor de rechter die zitting heeft in dezelfde hoedanigheid. Het volstaat te dagvaarden voor een rechter van dezelfde rechtbank of van hetzelfde hof, onverminderd een eventuele regeling van een incident van de verdeling; - Artikel 1369bis Ger. Wetb. is niet van toepassing op het intellectuele eigendomsrecht knowhow Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 01-12 2008 Nr. 2008/RK/94 --------------------- AUTEURSRECHTEN in de zaak van : 1. PHILIPS LIGHTING B.V., vennootschap naar Nederlands recht met maatschappelijke zetel te 5611 BD Eindhoven (Nederland), Mathildelaan 1 en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel van Oost-Brabant (Nederland) onder nr. 17.061.150, 2. KONINKLIJKE PHILIPS ELECTRONICS N.V., vennootschap naar Nederlands recht met maatschappelijke zetel te 5621 BA Eindhoven (Nederland), Groenewoudseweg 1 en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel van Oost-Brabant (Nederland), onder nr. 17.001.910, appellanten, woonplaats kiezende ten kantore van gerechtsdeurwaarders Dirk Dams - Peter Coene, met kantoren te 1180 Ukkel, Brugmannlaan 577, en hebbende als raadslieden mr. Carl De Meyer en mr. Maarten Bouciqué, advocaten met kantoor te 1040 Brussel, Nerviërslaan 9-31, tegen 1. AGC FLAT GLASS EUROPE N.V., met maatschappelijke zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Terhulpsesteenweg 166 en met ondernemings-nummer 0413.638.187, 2. AGC MIRODAN N.V., met maatschappelijke zetel te 8501 Kortrijk (Heule), Industrielaan 1 en met ondernemingsnummer 0405.334.294, 3. AGC MIRODAN BOUWGLAS N.V., met maatschappelijke zetel te 8501 Kortrijk (Heule), Izegemsestraat 375 B20 en met ondernemingsnummer 0441.099.283, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Bruno Vandermeulen, advocaat met kantoor te 1140 Brussel, Oudergemselaan 22-28, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep 1. Bestreden beslissing: De beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent (C/08/3) van 5 maart 2008. 2. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 10 april 2008. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II . Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg 3. De overblijvende betwisting betreft de vraag: - of de oorspronkelijke vordering toelaatbaar was, gelet op het feit dat de dagvaarding in derdenverzet als bevoegde rechter de Voorzitter van de rechtbank van koophandel die zitting neemt in kort geding, aangeduid heeft, terwijl niet artikel 584 Ger. Wb. van toepassing is in deze zaak, maar wel artikel 588 Ger. Wb.; - of artikel 1369bis Ger. Wb. van toepassing is op knowhow. 4. Philips Lighting BV en Koninklijke Philips Electronics N.V. (hierna samen aangeduid als "Philips") maken deel uit van de Philips groep. Deze zaak betreft vooral de divisie die actief is op de markt van verlichting. AGC Flat Glass Europe, AGC Mirodan en AGC Mirodan Bouwglas (hierna aangeduid als "AGC") zijn gespecialiseerd in de productie, verwerking en verdeling van glas. Gedurende 2 jaar (van januari 2005 tot het voorjaar van 2007) hebben Philips en AGC samengewerkt en kennis en technologie uitgewisseld, vooral met betrekking tot het inbouwen van verlichting in spiegels. Op 17 november 2005 sluiten partijen een "Letter of Intent" (intentieverklaring) waarin overeengekomen wordt dat partijen zullen onderhandelen over de gezamenlijke oprichting van een "Joint Venture" (gemeenschappelijke onderneming) en waarin een aantal afspraken gemaakt worden over vertrouwelijkheid en intellectuele eigendomsrechten (stuk II.1 van het dossier van appellanten). De samenwerking wordt beëindigd in de loop van 2007. Dit maakt het voorwerp uit van een bodemgeschil. Op 17 december 2007 bekomt Philips op eenzijdig verzoekschrift een beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent tot een beschrijvend beslag inzake namaak. Dit wordt uitgevoerd op 19 december 2007. Dan blijkt dat de rechtspersoon die de beschikking bekwam niet de houder was van het octrooi op grond waarvan het beschrijvend beslag inzake namaak was toegekend. Niettegenstaande het feit dat AGC en haar raadsman bekend waren, legt Philips opnieuw een eenzijdig verzoekschrift neer, deze keer door de octrooihouder. De Voorzitter verleent een beschikking tot beschrijvend beslag op 24 december 2007. AGC tekent derdenverzet aan op 28 december 2007 tegen de twee beschikkingen. 5. De eerste rechter oordeelt op 5 maart 2008 in de hier bestreden beschikking dat het derdenverzet toelaatbaar is en gedeeltelijk gegrond, in die zin dat de het bevelschrift van 17 december 2007 ingetrokken wordt. Het bevelschrift van 24 december 2008 wordt gehandhaafd, met dien verstande dat het ook geldt voor mogelijke namaak van kleurenled's. Dit bevelschrift slaat enkel op het octrooi en niet op de knowhow en het auteursrecht. III . Grieven - Voorwerp van het hoger beroep 6. In essentie werpt Philips twee grieven op: 1) de vordering in derdenverzet was ontoelaatbaar, nu de Voorzitter die in kort geding zitting neemt, niet bevoegd is om kennis te nemen van een vordering op grond van artikel 1369bis Ger. Wb.; 2) de beschikking van 17 december 2007 is ten onrechte ingetrokken, nu Philips prima facie over geldige auteursrechten beschikt en omdat een beschrijvend beslag inzake namaak kan gelegd worden in zaken die betrekking hebben op knowhow. 7. AGC stelt bij conclusie incidenteel hoger beroep in. Zij vordert onder meer: 1) een schadevergoeding van euro 2.500 wegens tergend en roekeloos hoger beroep; 2) een aantal maatregelen te bevelen die betrekking hebben op het materiaal dat in beslag genomen is op grond van de eerste beschikking (17 december 2007) en de beëindiging van de uitvoering van het beschrijvend beslag op grond van de tweede beschikking (24 december 2007). IV. Beoordeling HET HOOFDBEROEP De toelaatbaarheid van het derdenverzet van AGC 8. Philips werpt op dat het derdenverzet van AGC niet toelaatbaar was omdat AGC in haar dagvaarding in derdenverzet de Voorzitter die in kort geding als bevoegde rechter aanduidde. Volgens Philips is de Voorzitter die in kort geding zitting neemt, niet bevoegd om kennis te nemen van een vordering op grond van artikel 1369bis Ger. Wb.. Op de volgende gronden verwerpt het Hof deze exceptie. 9. Artikel 1125, eerste lid Ger. Wb. bepaalt dat derdenverzet met dagvaarding aan alle partijen gebracht wordt voor de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen. Die verplichting betekent niet dat de verzet doende partij moet dagvaarden voor dezelfde persoon, noch voor de rechter, die zitting neemt in dezelfde hoedanigheid (zie ook Vz. Brussel, 2 maart 1999, P. & B., 1999, 349-351). Indien de volgens art. 1125 Ger.W. bevoegde rechter behoort tot dezelfde rechtbank als de bij akte van derdenverzet aangewezen rechter, is er geen sprake van een bevoegdheidsincident maar van een verdelingsincident binnen de rechtbank. Er ontstaat slechts een werkelijk bevoegdheidsprobleem indien de bevoegde rechter een andere rechtbank is. Een verdelingsincident wordt in de rechtbanken van eerste aanleg opgelost aan de hand van art. 88 § 2 Ger.W.. Voor de rechtbanken van koophandel (en de arbeidsrechtbanken) geldt er geen precies omschreven procedure (zie WAGNER, K., Derdenverzet, in APR, nr. 56, blz. 39-41), maar wordt in de praktijk dat artikel naar analogie toegepast.. De derdenverzetprocedure tot inleiding voor de "voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent, die zitting neemt in kort geding" schept geen enkel bevoegdheidsprobleem (dat zou moeten worden opgelost aan de hand van de artikelen 639 e.v. Ger.W.), aangezien de rechter die kennis diende te nemen van het derdenverzet - met name de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent - behoort tot de rechtbank van koophandel te Gent, voor een rechter waarvan AGC hoe dan ook heeft gedagvaard. 10. De dagvaarding vermeldt weliswaar als bevoegde instantie de Voorzitter die zitting neemt in kort geding, maar heeft het nergens over de noodzakelijke toelaatbaarheidsvereiste van spoed, gesteld dat AGC artikel 584 Ger. Wb. als rechtsgrond zou beoogd hebben. In tegendeel volgt daarna een uiteenzetting die verband houdt met artikel 588, 15° Ger. Wb.. De aanduiding dat de Voorzitter zitting neemt in kort geding vindt geen steun in de rest van het verzoekschrift, terwijl de aanduiding van de Voorzitter wel correct is en consistent met de andere elementen van het verzoekschrift. Het geheel van het verzoekschrift is derhalve zinvol. De onterechte aanduiding van de bevoegdheid in kort geding is, gelet op het zinvol karakter van de rest van het verzoekschrift, niet van die aard dat zij het verzoekschrift elke betekenis ontneemt en de vordering ontoelaatbaar verklaart. Artikel 702,4° Ger. Wb. bepaalt dat het exploot van dagvaarding op straffe van nietigheid opgeeft voor welke rechter de vordering aanhangig gemaakt wordt. Dit artikel bepaalt niet dat ook de bevoegdheid van de aangeduide rechter moet opgegeven worden. Deze bepaling slaat bovendien op het geval dat de gedinginleidende akte het gerecht waarbij de zaak aanhangig gemaakt wordt hoegenaamd niet opgeeft. Dit is in deze zaak niet het geval. De Voorzitter is correct opgegeven. De bevoegdheid van de Voorzitter is enkel onjuist in de aanduiding in de derde paragraaf van de tweede pagina van de dagvaarding. Voor het overige kan geen enkele twijfel bestaan over de bevoegdheid van de Voorzitter. Nu de Voorzitter in institutionele zin terecht gevat is, belet in deze zaak niets hem in de juiste hoedanigheid zitting te nemen en ambtshalve met de juiste bevoegdheid op te treden. Beschrijvend beslag inzake namaak op knowhow Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat artikel 1369bis Ger. Wb. niet van toepassing is op knowhow. Met de hierna volgende enigszins andere motivering bevestigt het Hof het oordeel van de eerste rechter. 11. Artikel 1.1

  1. i)van de EG Verordening nr 772/2004 van de Commissie van 27 april 2004 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3 op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht (hierna "Verordening 772/2004) definieert knowhow als: "Een geheel van niet-geoctroieerde praktische kennis die voortvloeit uit ervaring en onderzoek en die: (
  2. i)geheim is, dit wil zeggen niet algemeen bekend of gemakkelijk verkrijgbaar is; (
  3. ii)wezenlijk is, dit wil zeggen, belangrijk en nuttig is voor de productie van de contractproducten, en (iii) bepaald is, dit wil zeggen, zodanig volledig beschreven is dat kan worden nagegaan of deze kennis aan de criteria van geheim-zijn en wezenlijkheid voldoet.". In de opsomming van de intellectuele eigendomsrechten in artikel 1.1
  4. g)van de Verordening 772/2004 is knowhow uitdrukkelijk vermeld als een apart intellectueel eigendomsrecht. Knowhow behoort tot de niet vrijgegeven informatie van een bedrijf. De overeenkomst betreffende aspecten van intellectuele eigendomsrechten (Agreement on Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights, Annex 1C bij het verdrag van Marrakesh van 15 april 1994 van de Wereldhandelsorganisatie, www.wto.org, doorklikken naar Legal texts) bevat een sectie met als titel "Bescherming van niet vrijgegeven informatie" (Protection of Undisclosed Information). Daarin is bepaald dat natuurlijke en rechtspersonen de mogelijkheid hebben te voorkomen dat informatie, die zij op een wettige manier bezitten, meegedeeld wordt aan of verworven wordt door of gebruikt wordt zonder hun toestemming door anderen, op een manier die strijdig is met de goede handelspraktijken, voor zover deze informatie: A) geheim is in die zin dat het in zijn geheel of in de precieze samenstelling van zijn delen niet algemeen gekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen in de kringen die normaal vertrouwd zijn met (handelen met) de betrokken informatie; B) handelswaarde bezit omdat ze geheim is; C) het voorwerp is van redelijke inspanningen in de gegeven omstandigheden van de persoon die de rechtmatige (wettige) houder is van de informatie om deze geheim te houden. 12. De bescherming van knowhow is enigszins specifiek, gelet op de aard van knowhow. Bewijs en bescherming zijn nauw verbonden. De Belgische wetgeving verleent geen autonome rechtsbescherming aan knowhow. Ook de TRIPS-overeenkomst brengt het element goede handelspraktijken in verband met de bescherming van de knowhow. Kenmerkend voor knowhow is het geheime karakter (samen met de handelswaarde) ervan. Daarin verschilt knowhow van de intellectuele eigendomsrechten die opgesomd zijn in artikel 1369bis/1. §1. Ger. Wb.. De uitvindingsoctrooien, beschermingscertificaten, kwekerscertificaten, topografieën van halfgeleidersproducten, tekeningen en modellen, merken, geografische aanduidingen, benamingen van oorsprong, auteursrecht, naburige rechten of het recht van producenten van databanken hebben allemaal een publiek aspect. Een octrooiaanvraag is niet vatbaar voor beslag inzake namaak, een octrooi wel. Precies omwille van dit geheim karakter is knowhow niet vatbaar voor beslag inzake namaak en is de uitsluiting uit artikel 1369bis/1/ §1. Ger. Wb. geoorloofd. Een belangrijk element uit de procedure van het beslag inzake namaak is de openbaarmaking van het verslag door de neerlegging ter griffie en de kennisgeving aan de partijen (de verzoekende partij, de houder van de beschreven ‘voorwerpen' en eventueel de beslagene), zoals bepaald in artikel 1369bis/7 Ger. Wb.. Deze vorm van openbaarmaking is strijdig met het geheim karakter van de knowhow. Karakteristiek voor knowhow is verder het feit dat knowhow niet is vastgelegd of geregistreerd, zoals dat bijvoorbeeld bij een merk of octrooi wel het geval is. Hoewel uiteindelijk wel bepaalbaar, is knowhow voortdurend onderhevig aan onzichtbare en sluipende evoluties. Zij evolueert soepeler dan andere intellectuele eigendomsrechten. Knowhow kan op andere rechtsgronden bewezen en beschermd worden, bijvoorbeeld via artikel 93 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument (hierna WHPC), zoals achteraf gewijzigd. Het bewijs dient niet noodzakelijkerwijze verzameld te worden via een beslag inzake namaak. Het gemeenrechtelijke kort geding en beslag zijn onder meer ter beschikking van de persoon die van oordeel is dat zijn rechten inzake knowhow geschonden zijn. In tegenstelling tot wat Philips suggereert maar niet argumenteert (in haar pleidooi en op de pagina's 18 tot 20 van haar syntheseconclusie) is de uitsluiting van knowhow uit het toepassingsgebied van artikel 1369bis Ger. Wb. niet in strijd met de artikelen 6 en 7 van de Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van Intellectuele Eigendomsrechten. Integendeel, artikel 7 van deze Handhavingsrichtlijn stelt precies als voorwaarde dat de bescherming van vertrouwelijke informatie gewaarborgd moet zijn. Door artikel 1369bis Ger. Wb. toe te passen op knowhow, zou die bescherming van het vertrouwelijk karakter precies niet meer gewaarborgd zijn. De lezing van artikel 1369bis Ger. Wb., die ertoe leidt dat knowhow uitgesloten is van de procedure van beslag inzake namaak, is dan ook conform (met de TRIPS-overeenkomst
  5. en)met de Handhavingsrichtlijn. 13. Aangezien geen beslag wegens namaak van knowhow kan gelegd worden, gaat het Hof niet verder in op de argumentatie van Philips met betrekking tot de knowhow die zij zou bezitten en zou meegedeeld hebben aan AGC (randnummers 52 tot en met 61 van haar syntheseconclusie). Beslag inzake namaak van knowhow wegens samenhang met één of meerdere auteursrechten 14. Ten onrechte argumenteert Philips dat het beslag inzake namaak kan toegestaan worden op knowhow in geval auteursrechten en / of octrooirechten zouden geschonden zijn. Beslag inzake namaak blijft beperkt tot deze twee laatste intellectuele eigendomsrechten en kan niet uitgebreid worden. Een auteursrecht moet op zichzelf voldoende bepaalbaar zijn om rechtsgeldig te zijn en om beschreven te kunnen worden in een beslagprocedure wegens namaak. Dit is des te meer het geval nu het in de voorliggende zaak om auteursrechten op computerprogramma's gaat. Beslag inzake namaak wegens de schending van auteursrechten 15. Opdat haar vordering tot beslag wegens namaak van auteursrechten op bepaalde software gegrond zou kunnen verklaard worden, moet Philips aantonen dat zij ogenschijnlijk over deze auteursrechten beschikt en dat er aanwijzingen zijn dat een inbreuk gemaakt is (artikel 1369bis/1.§3. Ger. Wb.). Zij doet dat niet naar genoegen van recht. Philips argumenteert dat zij verschillende specificaties opgesteld heeft. Zij zou de manier beschreven hebben waarop de verschillende acties door de pick-and-place machine moet worden uitgevoerd en de data die aan deze machine moeten worden gecommuniceerd om een vlot productieproces mogelijk te maken. De broncode van de software voor de machine die AGC gebruikt zou bijgevolg gebaseerd zijn op de creatie van Philips, waarop zij auteursrechten claimt. Dit zou ook het geval zijn voor niet één of meerdere interfaces. Philips verwijst tot bewijs naar de stukken III.C. en III.D.. Deze stukken tonen aan dat partijen hebben samengewerkt, dat er informatie over en weer is uitgewisseld, maar laten niet toe te besluiten tot het prima facie bestaan van auteursrechten in hoofde van eerste en / of tweede appellante. Philips weerlegt niet dat een deel van het zogenaamde bewijs flowcharts zijn waarin op abstracte wijze de algemene productiewijze voor Glassiled wordt uiteen gezet, waardoor dit onderdeel van de vordering feitelijke grondslag mist (gesteld dat deze flowcharts principieel juridisch al voldoende zouden zijn om een auteursrecht aan te tonen). Uit de stukken die Philips voorlegt kan niet naar genoegen van recht afgeleid worden dat Philips prima facie een auteursrecht heeft op de broncode van de besturingssoftware van de pick-and-placemachine, nu er geen precieze beschrijving op basis waarvan het computerprogramma daadwerkelijk is geprogrammeerd (en de broncode dus is gecreëerd) wordt voorgelegd. Het oorspronkelijk karakter kan niet prima facie aangetoond worden op basis van de neergelegde stukken. Hoewel het de bewijsvoering en de beoordeling aanzienlijk zou vergemakkelijken is het, gelet op het voorgaande, niet noodzakelijk dat AGC in het kader van deze procedure tot beslag inzake namaak een kopie van haar beweerde licentieovereenkomst met betrekking tot de software voor de "dispense jet" (bij Asymtec) en de "pick-and-place" machine (bij GefaSoft GmbH) voorlegt. Stuk II.C.1 (Interface specification) toont aan dat er over en weer gecommuniceerd is over dit onderwerp. De inhoud van punt 8 van dit document "Open issues and additional points" (open vragen en bijkomende punten) doen besluiten dat er prima facie geen auteursrecht ontstaan was op de bedoelde interface, nu er nog te veel elementen onaf waren. Philips ontkracht evenmin de stelling van AGC dat een aantal van de stukken die Philips bijbrengt tot bewijs van haar auteursrecht niet pertinent zijn in het voorliggende geschil en betrekking hebben op andere zaken. Verder weerlegt Philips niet dat enkele stukken niet haar auteursrecht prima facie aantonen, maar integendeel een zeer sterk vermoeden scheppen dat de informatie van AGC afkomstig is. Stukken III.B.3 en III.D.3 zijn ontstaan uit de compilatie die Philips naar eigen zeggen zou hebben laten maken door haar archiveringssoftware uit bestaande e-mails, met het oog op archivering. Zij ontkent niet dat deze stukken de volledige werkelijke correspondentie niet weergeven en dat de stukken die AGC bijbrengt een heel andere werkelijkheid weergeven dan deze stukken. Er kan dan ook geen rekening met deze stukken gehouden worden. Philips weerlegt niet dat de stukken C.VI. van AGC aantonen dat bepaalde kennis (inzake de te gebruiken lijm en spuitkop) tot het publiek domein behoren en niet tot de auteursrechten van eerste en / of tweede appellante. Tot slot lijken sommige van de bijgebrachte stukken prima facie tot uitgewisselde knowhow te behoren en niet tot het auteursrecht, zodat zij hoe dan ook niet vatbaar zijn voor beslag inzake namaak. 16. De bestreden beschikking wordt op dit punt bevestigd, zij het met een andere motivering. HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP De uitbreiding van de beschrijvingsopdracht tot kleurenLED's 17. AGC stelt geen incidenteel hoger beroep in. Zij "betreurt" enkel de uitbreiding (p. 40 van haar syntheseconclusie). Bovendien heeft zij vrijwillig meegewerkt aan de uitvoering ervan. Terecht merkt zij op dat de deskundige niets openbaar mag maken dat buiten de hier bevestigde beschikking van 5 maart 2008 valt. In de mate de kleurenLED's niet vallen onder het octrooi van Philips (tweede appellante) kan de deskundige geen gebruik maken van eventuele vaststellingen met betrekking tot de kleurenLED's. De bestreden beschikking is definitief met betrekking tot dit punt. De aanwezigheid van de heer C. L. tijdens de beschrijvingswerkzaamheden op 19 december 2007 en de overige "nevenvorderingen" 18. Gelet op het voorgaande wordt de bestreden beschikking bevestigd en dus blijft de beschikking van 17 december 2007 ingetrokken en de beschikking van 24 december 2007 behouden. De informatie die op 19 december 2007 verzameld werd, in uitvoering van de beschikking van 17 december 2007, mag maar gebruikt worden, voor zover deze bruikbaar is voor de uitvoering van de beschikking van 24 december 2007. De aanwezigheid van de heer L. is toegestaan om de deskundige bij te staan met zijn specifieke kennis van de materie. De deskundige getuigt dat het plaatsbezoek correct verlopen is en dat de aanwezigheid op plaatsen, die door personeelsleden van AGC aangeduid waren als ongepast en onnodig, wel terecht was. In dit stadium van het geding zijn er geen redenen om aan te nemen dat de deskundige de situatie niet correct beoordeeld zou hebben en dat het gedrag van de heer L. niet in verband zou gestaan hebben met de verleende beschikking. Het zij herhaald dat slechts gebruik gemaakt mag worden van alle informatie, die bij de verschillende afstappingen vergaard is, voor zover zij rechtstreeks in verband staat met de bevestigde bestreden beschikking en dus met name betrekking heeft op het octrooi dat genoemd is in de beschikking van 24 december 2007. De bestreden beschikking wordt bevestigd. 19. De vordering om "beide appellanten verbod op te leggen om nog enige beschrijvingsmaatregel of uitbreiding van een bestaande beschrijvingsmaatregel aan te vragen of uit te voeren die betrekking heeft op de Glassiled producten of productielijn van geïntimeerden" is ongegrond om de volgende redenen. 1) In geval Philips een nieuwe beschrijvingsmaatregel of een uitbreiding van een bestaande maatregel zou vorderen zal deze op dat ogenblik op zijn toelaatbaarheid en gegrondheid beoordeeld worden. 2) Philips kan bij gebrek aan de vereiste wettelijke machtiging geen nieuwe beschrijvingsmaatregel of een uitbreiding van een bestaande maatregel (doen) uitvoeren. 20. De deskundige is met de heer L. afgestapt op 19 december 2007, 18 april 2008 en 22 augustus 2008. Het is inherent aan de bevestigde beschikking van 5 maart 2008 dat zij is uitgedoofd van zodra de deskundige Walter Huys zijn verslag neergelegd heeft ter griffie. Gelet op het verloop van de procedures en de afstappingen zegt het Hof toch nog uitdrukkelijk voor recht dat vanaf dat ogenblik dat de heer Walter Huys, aangestelde expert, zijn verslag in uitvoering van de beschikking van 5 maart 2008 ter griffie heeft neergelegd, geen nieuwe afstappingen kunnen uitgevoerd worden in uitvoering van deze beschikking. 21. Het is alleen maar vanzelfsprekend dat de deskundige in zijn verslag geen informatie verwerkt die hij verkregen heeft op grond van de ingetrokken beschikking van 17 december 2007. Hetzelfde geldt voor het doorgeven aan Philips van deze informatie. Het voorgaande geldt uiteraard eveneens voor de aangestelde gerechtsdeurwaarder, de heer Marc Beerten. De enige rechtsgeldige beslissing op grond waarvan een beschrijvend beslag inzake namaak kan uitgevoerd worden, is deze van 5 maart 2008, zoals hier bevestigd, zij het met een andere motivering. Gelet op het verloop van de procedures en de gegeven uitvoering zegt het Hof uitdrukkelijk voor recht dat het de heer Walter Huys, deskundige, en de heer Marc Beerten, gerechtsdeurwaarder, verboden is om enig verslag neer te leggen op grond van de ingetrokken beschikking van 17 december 2007 en om enige informatie die zij rechtstreeks of onrechtstreeks verkregen hebben tijdens de uitvoering van de opdracht op 19 december 2007, zoals gegeven in de bevestigde beschikking van 5 maart 2008, mee te delen aan één en / of aan beide appellanten en / of om deze op enige wijze publiek te maken, behoudens de toelating hiertoe van de bodemrechter. De vordering wegens tergend en roekeloos geding en wegens tergend en roekeloos instellen en / of handhaven van het hoger beroep 22. Het Hof is gevat om een hoger beroep tegen een derdenverzet tegen twee beschikkingen tot beslag wegens namaak te beoordelen. Het Hof heeft op basis van artikel 1369bis Ger. Wb. geen rechtsmacht om te oordelen over een schadevergoeding. De bodemrechter zal desgevallend oordelen over de vraag of het geding, het instellen van het hoger beroep en / of het handhaven ervan al dan niet een fout uitgemaakt hebben, die schade veroorzaakt heeft. Kosten 23. Terecht argumenteert AGC dat de procedure in derdenverzet een aparte procedure vormt met een verschillend en zelfstandig voorwerp, zodat de kosten ervan niet bij de bodemprocedure gevoegd kunnen worden. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden beide appellanten in solidum tot betaling van 9/10de vande kosten van het derdenverzet in eerste aanleg veroordeeld. Het overige tiende moet door geïntimeerden in solidum betaald worden. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden beide appellanten in solidum tot betaling van de kosten van het hoger beroep veroordeeld. De vordering in derdenverzet en het hoofdberoep betreffen niet op geld waardeerbare vorderingen. Geen der partijen argumenteert om af te wijken van het basisbedrag. Dit bedraagt telkens euro 1.200. Het incidenteel beroep werd gedeeltelijk ingewilligd voor het niet op geld waardeerbare gedeelte. Voor de schadevergoeding heeft het Hof geen rechtsmacht. Ook hier is het bedrag derhalve euro 1.200. V. Beslissing Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar enkel het incidenteel hoger beroep is gegrond in de hierna volgende mate; Het Hof: - bevestigt het bestreden vonnis, zij het met een enigszins andere motivering; - zegt voor recht dat vanaf dat ogenblik dat de heer Walter Huys, aangestelde expert, zijn verslag in uitvoering van de beschikking van 5 maart 2008 ter griffie heeft neergelegd, geen nieuwe afstappingen kunnen uitgevoerd worden in uitvoering van deze beschikking; - zegt voor recht dat het de heer Walter Huys, deskundige, en de heer Marc Beerten, gerechtsdeurwaarder, verboden is om enig verslag neer te leggen op grond van de ingetrokken beschikking van 17 december 2007 en om enige informatie die zij rechtstreeks of onrechtstreeks verkregen hebben tijdens de uitvoering van de opdracht op 19 december 2007, zoals gegeven in de bevestigde beschikking van 5 maart 2008, mee te delen aan één en / of aan beide appellanten en / of om deze op enige wijze publiek te maken, behoudens de toelating hiertoe van de bodemrechter; - verklaart zich zonder rechtsmacht om de vordering tot schade-vergoeding te beoordelen; - verwerpt de vorderingen en alle middelen en argumenten die strijdig zijn met het bovenstaande voor het overige; - veroordeelt appellanten in solidum tot betaling van negen tiende van de kosten van het derdenverzet in eerste aanleg en van het volledige bedrag van de kosten van het derdenverzet in hoger beroep en veroordeelt geïntimeerden in solidum tot betaling van één tiende van de kosten van het derdenverzet in eerste aanleg, bepaald als volgt: geïntimeerden: eerste aanleg: dagvaarding in derdenverzet: euro 709,00 rechtsplegingvergoeding: euro 1.200,00 betekening: euro 831,44 hoger beroep: principaal hoger beroep: euro 1.200,00 incidenteel hoger beroep: euro 1.200,00 appellanten: eerste aanleg: rechtsplegingvergoeding: euro 1.200,00 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op één december tweeduizend en acht. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.