id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081203.12 Rolnummer: 2007/AR/1381 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-11-09 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 18:27 Fiche Overeenkomstig artikel 1057, 7° Ger.W. dient de beroepsakte de grieven tegen het bestreden vonnis weer te geven. De argumenten ter ondersteuning van deze grieven vallen hier niet onder. Het betreft een relatieve nietigheid zodat belangenschade moet bewezen worden. Tussen handelaars wordt het bestaan van een makelaarsovereenkomst bewezen overeenkomstig het soepeler bewijsregime in handelszaken, t.t.z. door alle middelen van recht. Bij gebrek aan bewijs van het bestaan van de makelaarsovereenkomst is het gevorderde commissieloon niet verschuldigd. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Algemeen Vrije woorden: Hoger beroep - Beroepsakte - Opgave van grieven (artikel 1057,7° Ger.W.) - Draagwijdte - Relatieve nietigheid - Belangenschade - Vastgoed - Makelaarsovereenkomst - Bewijs. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 03 december 2008 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1381 van: nv I.V.P., met zetel te 9220 Hamme (O.-VL.), Driegoten 25, met ondernemingsnr.: 0446.510.202, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de zevende kamer dd. 2-5-2007, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. SUCAET Jo, advocaat te 9880 Aalter, Lostraat 85 tegen : V. P., te , in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van bvba B. V. & Partners, met zetel te 2100 Deurne, Frans Craeybeckxlaan 98, daartoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen dd. 31-5-2001, geïntimeerde, oorspronkelijk eiser qq., velt het hof het volgend arrest. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 mei 2007 tekende de N.V. I.V.P. (hierna "appellante" genoemd) hoger beroep aan tegen het vonnis op tegenspraak gewezen op 2 mei 2007 door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, zevende kamer, tussen meester P. V. in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de BVBA B. V. & Partners (failliet verklaard bij vonnis dd. 31/5/2001 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen) (hierna "geïntimeerde qq." genoemd) enerzijds en de appellante en de N.V. I.W.P. anderzijds in de zaak met A.R. nr. 233/
- Aangezien blijkens voorliggend exploot van betekening-bevel, voormeld bestreden vonnis op verzoek van geïntimeerde qq. op 7 juni 2007 werd betekend aan appellante, d.i. nà het neerleggen van de beroepsakte, is het hoger beroep tijdig. Het is eveneens regelmatig naar de vorm. De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies. De overgelegde stukken werden ingezien. Antecedenten Onderhavig geschil houdt verband met een door de geïntimeerde qq. lastens appellante aangerekend commissieloon voor de tussenkomst van de inmiddels failliete vennootschap BVBA B. V. & Partners in de verkoop van twee projecten te nl. de villa en het hotel . De discussie startte met een schrijven dd. 6/8/2001 van geïntimeerde qq. aan de B.V.B.A. I.V.W. t.a.v. de heer J. L. waarin hij als curator van het faillissement BVBA B. V. & Partners vraagt een commissie-opgave mee te delen m.b.t. de realisatie van een aantal verkopen of projecten, waaronder de projecten / . Aangezien hierop niet werd gereageerd volgde op 7/11/2001 een herinneringsschrijven waarin eveneens melding wordt gemaakt van nog verschuldigde commissies voor verkoopbemiddeling van gronden te . Een en ander werd naderhand in der minne geregeld en vormt geen voorwerp van betwisting meer. Met brief van 11/10/2002, waarin wordt verwezen naar een (niet voorliggend) schrijven dd. 21/3/2002, verwijst geïntimeerde qq. naar een strafonderzoek geïnitieerd op klacht van de heer V. lastens een vroegere medewerker J. V. B. en in het bijzonder naar een verklaring van de heer L. waaruit hij afleidt dat de gefailleerde vennootschap eveneens gerechtigd is op een commissieloon van 3% op de verkoop van twee panden te nl. de villa en het hotel en vordert hij uit dien hoofde een totaal bedrag van 114.977,02 EUR (inclusief BTW 21% en intresten aan 7%). Er werden inderdaad op 2/5/2000 twee onderhandse verkoopsovereenkomsten afgesloten m.b.t. de onroerende goederen genaamd "" (een afbraakvilla) en het naburige pand "" te , en , waarbij als verkoper optrad respectievelijk de N.V. Seawind Invest Company ("") en de B.V.B.A. ("") en als kopers (elk voor de helft) in de beide gevallen de N.V. D. Land Corporation (D.L.C.), vertegenwoordigd door de heer D., en de N.V. K. K. (inmiddels N.V. I.V.P. geworden en huidig appellante), vertegenwoordigd door de heren N. en L.. Beide kopers hadden met het oog op het verwezenlijken van het verbouwingsproject E. een tijdelijke vereniging opgericht genaamd tijdelijke handels-vennootschap Residentie . Hoewel de verkoopsakten niet worden overgelegd wordt het niet betwist dat de notariële akten m.b.t. voormelde aankopen werden opgemaakt op 31/8/2000 door notaris Lucas Vanden Bussche te Knokke-Heist. Deze onroerende goederen werden aangekocht voor een bedrag van 16.000.000 BEF ("") en 94.000.000 BEF (""), hetzij samen 110.000.000 BEF ofwel 2.726.828,77 EUR. Naar aanleiding van de realisatie van deze verkopen werd door de BVBA J.C. Fashion met zetel te Gent, Nieuwe Bosstraat 2, op 27/4/2000 een factuur nr. 2000/002 uitgeschreven voor een bedrag van 12.100.000 BEF (inclusief BTW 21%) en dit voor "Bemiddeling en commissie voor overname "". Het commissieloon zelf bedroeg een bedrag van 10.000.000 BEF. Deze factuur werd "voor voldaan" afgetekend. Eenzelfde bedrag van 12.100.000 BEF werd op 15/5/2000 middels een loketcheque afgehaald van de zichtrekening van de T.V. Residentie . Voormelde facturatie gaf aanleiding tot een BTW-regularisatie inzake ten onrechte door de B.V.B.A. J.C. Fashion aangerekende èn door de T.V. Residentie afgetrokken BTW, alsook tot een procedure uitgaande van de T.V. Residentie , de N.V. D.I.C. en de N.V. I.V.P. lastens de BVBA Management Associated Group (zijnde het voormalige B.V.B.A. J.C. Fashion) in recuperatie van zowel het bedrag van de BTW als de opgelegde administratieve geldboete. Deze procedure resulteerde in een verstekvonnis dd. 22/3/2002 van de rechtbank van koophandel te Brussel, tweede kamer, waarbij de vordering in betaling van 57.263,40 EUR méér intresten, lastens de BVBA Management Associated Group integraal werd toegekend. Bij schrijven dd. 22/9/2004 stelde geïntimeerde qq. appellante als één van de kopende partijen van "" en "" in gebreke tot betaling van het volgens hem verschuldigd bedrag aan commissiefee (3% exclusief BTW) van 98.983,88 EUR (81.804,86 EUR + 17.179,02 EUR). Aangezien geen regeling in der minne volgde, maakten geïntimeerde qq. als eiser en appellante en N.V. I.W.P. als verweersters, het geschil bij proces-verbaal van vrijwillige verschijning opgemaakt op 5 januari 2005 aanhangig bij de eerste rechter. Geïntimeerde qq. vorderde de solidaire of in solidum veroordeling van de beide verweersters, minstens de ene bij gebreke van de andere, tot betaling van het bedrag van 98.983,88 EUR meer de intrest op basis van artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, te rekenen vanaf 3/5/2000, meer een schadebeding overeenkomstig artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 ten bedrage van 10% op de hoofdsom, meer de gerechtelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele betaling, meer de kosten. Appellante en de N.V. I.W.P. betwistten de gegrondheid van deze vordering voorhoudende dat er geen bemiddelingsovereenkomst met de failliete B.V.B.A. B. V. & Partners m.b.t. de bemiddeling bij de aankoop van de panden te bestaan heeft, dat, ondanks het feit dat de heer L. in de beide vennootschappen N.V. I.V.P. en N.V. I.W.P. gerechtigd is, de N.V. I.W.P. met voormelde aankopen geen uitstaans heeft, en dat geen toepassing van de wet van 2 augustus 2002 kan gemaakt worden. Zij vorderen bovendien te zeggen voor recht dat de gerechtskosten boedelschulden zijn want gemaakt nà het faillissement en in het kader van het beheer van het faillissement. In zijn aanvullende en tevens laatste conclusie neergelegd voor de eerste rechter op 30/11/2006 vorderde geïntimeerde qq. een bedrag in hoofdsom van 98.983,88 EUR als bemiddelingsfee, méér de gedingkosten, en te vermeerderen met een intrest van 9,5% vanaf 2/6/2000, minstens vanaf 11/11/2002 tot de dag der algehele betaling, en een schadebeding van 10%, een en ander op basis van de wet van 2 augustus
- Ondergeschikt vorderde hij een wettelijke intrest van 7% vanaf 11/10/
- De eerste rechter, zich in hoofdzaak baserende op voormelde verklaring van de heer L. in het strafonderzoek, verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond in zover tegen de N.V. I.W.P. gericht en deels gegrond ten aanzien van appellante. Hij veroordeelde deze laatste tot betaling aan geïntimeerde qq. van het bedrag van 39.492,43 EUR, zijnde de helft van het gevorderd makelaarsloon aangezien appellante slechts koper was voor de helft, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 9/2/2005 tot de dag van de betaling. De eerste rechter achtte de wet van 2 augustus 2002 niet toepasselijk. Appellante werd eveneens veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde qq. van de som van 8.293,41 EUR (zijnde de verschuldigde BTW) meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf acht dagen na de aangetekende verzending van een factuur tot de dag van de betaling. Het meergevorderde werd als ongegrond afgewezen en de gedingkosten werden ten laste van appellante gelegd. Met haar hoger beroep beoogt appellante de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde qq., meer de veroordeling van deze laatste tot de gedingkosten van beide aanleggen. Geïntimeerde qq. besluit tot de afwijzing van het hoger beroep als ontvankelijk doch ongegrond en de bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van appellante tot de gedingkosten van beide instanties. In zijn beroepsconclusies vordert hij expliciet de veroordeling van appellante tot betaling van het bedrag van 47.785,84 EUR (nl. 39.492,43 EUR in hoofdsom + 8.293,41 EUR BTW) meer de gerechtelijke rente op 39.492,43 EUR vanaf 9/2/2005 tot de dag der betaling, meer de gerechtelijke rente op 8.293,41 EUR vanaf 8 dagen na de aangetekende verzending van een factuur tot de dag der betaling. Beoordeling
- Beide partijen hebben hun middelen en argumenten, zoals reeds ontwikkeld in hun voor de eerste rechter neergelegde besluiten, in graad van hoger beroep herhaald en verder uitgewerkt. Deze zullen, in de mate deze dienend zijn, hierna worden ontmoet.
- Bij afwezigheid van hetzij ambtshalve, hetzij door de partijen ingeroepen, middelen van onontvankelijkheid, is het hoger beroep ontvankelijk. Het is wel te verstaan dat geïntimeerde qq. géén incidenteel beroep heeft ingesteld in zover in het bestreden vonnis zijn vordering slechts tot belope van de helft werd toegekend, in zover de toepassing van de wet van 2 augustus 2002 m.b.t. de intresten en het schadebeding werd afgewezen en waar geïntimeerde qq. rechtstreeks werd veroordeeld tot de gedingkosten. Dit brengt op grond van het beginsel van de partijautonomie mee dat het bestreden vonnis op deze punten definitief is.
- Geïntimeerde qq. houdt in eerste instantie voor dat het geschil in hoger beroep door appellante zelf werd beperkt tot één geschilpunt, nl. de afwezigheid van het bestaan van een makelaarsovereenkomst, derwijze dat de discussie niet meer kan uitgebreid worden tot de andere door appellante in haar beroepsbesluiten aangevoerde bijkomende grieven en argumenten. Hij beroept zich hierbij op de artikelen 1057 7° en 1068, eerste lid, Ger. W. Ten onrechte evenwel. 3.
- De eerste rechter verklaarde de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde qq. - weliswaar tot beloop van de helft (doch dit om andere redenen) - gegrond overwegende dat het voldoende vaststond dat de bewuste onroerende goederen werden aangeboden door de gefailleerde en dat deze laatste is opgetreden als tussenpersoon. Het feit dat er oorspronkelijk sprake was dat de gefailleerde de goederen mee zou aankopen achtte de eerste rechter niet relevant. De eerste rechter aanvaardde bijgevolg het bestaan van een makelaarsovereenkomst als grond tot toekenning van de vordering. De enige mogelijke hiertegen in te roepen grief is dan ook het argument dat appellante voor de eerste rechter steeds heeft ingeroepen nl. de afwezigheid van een makelaarsovereenkomst. Door de beroepsakte te beperken tot één grief, voldeed appellante bijgevolg aan artikel 1057 7° Ger. W. krachtens hetwelk de beroepsakte op straffe van nietigheid de "uiteenzetting van de grieven" moet vermelden, waarmee immers bedoeld wordt de grieven tegen het aangevochten vonnis. 3.
- In haar beroepsbesluiten voert appellante inderdaad bijkomende argumenten aan o.m. m.b.t. de tussenkomst van de vennootschap J.C. Fashion en haar zaakvoerder de heer V., het bevrijdend karakter van de betaling aan de B.V.B.A. J.C. Fashion en de afwezigheid van een BIV-erkenning in hoofde van de failliete vennootschap doch deze argumenten zijn noch min noch meer het gevolg van de argumentatie door geïntimeerde qq. zelf in diens beroepsbesluiten ontwikkeld. En dat appellante zich aan deze argumentatie had verwacht bewijst het voorbehoud dat zij in de beroepsakte onder punt III.C. heeft gemaakt. Maar deze argumenten vormen géén echte grieven tegen het bestreden vonnis zelf, doch zijn argumenten ter staving van de ingeroepen grief. Als zodanig vallen zij niet onder de toepassing van artikel 1057 7° Ger. W. (vlg. CASS. 7 september 2000, Arr. Cass. 2000, 1321). Ten overvloede dient gewezen op de relatieve aard van de in artikel 1057 Ger. W. opgenomen nietigheid en is er in hoofde van geïntimeerde qq. geen enkele belangenschade te weerhouden, nu deze laatste zich op alle door appellante in de beroepsprocedure ingeroepen middelen en argumenten ten volle heeft kunnen verweren. 3.
- Geïntimeerde qq. maakt voorts een verkeerde toepassing van het principe van de partijautonomie in hoger beroep door voor te houden dat in de beroepsprocedure slechts één geschilpunt te weerhouden valt, nl. de door appellante in de beroepsakte weerhouden énige grief m.b.t. de afwezigheid van het bestaan van een makelaars-overeenkomst. Het beginsel van de partijautonomie in hoger beroep, dat een beperking uitmaakt van de devolutieve werking van het hoger beroep zoals vervat in artikel 1068, eerste lid, Ger. W. houdt in dat de beoordeling van de appelrechter beperkt is tot de geschilpunten die hem door de partijen worden voorgelegd. Hiermee wordt bedoeld dat de appelrechter kennis neemt van het geschil binnen de perken die de partijen hebben aangegeven in hun beroepsakte én conclusies (J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS, P. THIRIAR, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2008, nr. 1449 p. 666). Het geschil is derhalve niet - noodzakelijk - beperkt tot de in de beroepsakte uiteengezette grief of grieven. Te dezen heeft het beginsel van de partijautonomie enkel voor gevolg dat door de afwezigheid van incidenteel beroep van geïntimeerde qq. het bestreden vonnis m.b.t. een aantal beslissingen definitief is (zie punt 2 van onderhavig arrest).
- Aangezien geïntimeerde qq. zich ter staving van het door hem gevorderde commissieloon beroept op de makelaarsovereenkomst tussen de failliete vennootschap B.V.B.A. V. & partners en appellante, dient hij als eisende partij het bestaan van deze overeenkomst aan te tonen. Inzake het bewijs van de makelaarsovereenkomst geldt in onderhavig geschil het handels-rechtelijke bewijsregime voor de normale handelscontracten, aangezien de (beweerde) opdrachtgever (N.V. I.V.P.) handelaar is en de (beweerde) opdracht binnen diens handelsactiviteiten kadert, wat ook niet betwist wordt. Tussen de partijen, handelaars, bij een makelaarsovereenkomst wordt het bestaan en de inhoud van de overeenkomst bijgevolg bewezen door alle middelen van recht. Een schriftelijke overeenkomst is te dezen trouwens niet voorhanden. Zowel appellante als geïntimeerde qq. beroepen zich ter staving van hun gelijk op de verklaring van de heer L. op 3/8/2001 afgelegd aan de verbalisanten in het kader van het strafonderzoek lastens J. V. B. (not. Nr. AN.20.99.000357/2001), en meer bepaald op de volgende passage : "U spreekt me over de verkoop van te . V. en V. B. brachten dit pand aan. Om het risico te spreiden hebben wij met twee ondernemingen deze panden gekocht. De twee betrokken ondernemingen betroffen D. LAND CORPORATION en K. K., waarin ik belangen heb. Wij hebben de panden opgekocht, naar ik meen, via V. B. en V., doch ik verwijs u voor verdere details naar de aankoopakte en notaris Lucas VANDEN BUSSCHE te Knokke. Deze notaris heeft de constructie opgezet en de verkoop afgehandeld. Eerst hadden V. B. en V. voorgesteld om het pand te kopen, doch het kwam er op neer dat wij aandelen zouden moeten kopen, wat boekhoudkundig niet te verwezenlijken was. Daarom drongen wij er op aan om de panden daadwerkelijk te kopen. U spreekt me over een storting aan B. V. van 2.500.000 frank. Wij hebben deze som gestort als optiewaarborg voor de aankoop. V. B. en V. zouden dit doorstorten aan de verkoper. U toont me een check van BBL, uitgeschreven door BVBA B. V. & PARTNERS, ter waarde van 2.500.000 frank aan I.V.W. dd. 17/8/
- Zij dienden dit terug te storten omdat niet I.V.W. maar K. K., samen met D. de aankoop zou realiseren. Ik zal laten nakijken bij de bank of dit bedrag is terugbetaald (...) ". Zoals blijkt uit een schrijven dd. 6/8/2001 van NV I.V.W. aan de heer E. N. van de Politie Antwerpen werd de BBL-cheque, waarvan sprake in voormelde verklaring van de heer L., op 22/5/2000 aan NV I.V.W. effectief terugbetaald. Volgens geïntimeerde qq. vormt deze verklaring het bewijs dat de failliete BVBA B. V. & Partners als tussenpersoon bij de verkopen van de panden "" en "" te betrokken was op een zodanige wijze dat de vennootschap gerechtigd is op het gebruikelijke commissieloon van 3% op de verkoopprijs. Appellante van haar kant leidt uit deze verklaring af dat de heer V., zaakvoerder van de failliete vennootschap, weliswaar de panden heeft aangebracht doch énkel met oog op een eigen investering en niet als tussenpersoon. Het weze vooraf opgemerkt dat deze verklaring van de heer L. een geïsoleerde verklaring is die niet kan getoetst worden aan de verklaringen door de mede-betrokkenen in het strafonderzoek afgelegd, bij gebrek aan voorlegging van deze verklaringen en van het strafdossier zelf. Hoe dan ook, wijst het feit dat de kwestige panden volgens dhr. L. werden opgekocht "via V. B. en V." er naar het oordeel van het Hof niet op dat de failliete vennootschap BVBA B. V. & Partners is opgetreden als onafhankelijk tussenpersoon tussen de verkopers en de uiteindelijke kopers van de panden te . Uit de verdere verklaring van dhr. L. blijkt immers dat de enige reden die V. in contact bracht met dhr. L. de door V. zelf opgezette investeringsconstructie in het verbouwingsproject van de kwestige panden in is geweest; een constructie erin bestaande dat mede door V. en V. B. zelf zou worden overgegaan tot aankoop van de panden en waarin door geldschieters naderhand zou worden geïnvesteerd via een aandeelhouderschap. Op deze manier kwam V. aldus in contact met L. die op zijn beurt andere geldschieters zoals N. en D. aanzocht. Dit verklaart de in handen van V. door de N.V. I.W.P. gestortte optie-waarborg van 2.500.000 BEF. De N.V. I.W.P. is immers een vennootschap van L.. Toen de constructie om welbepaalde redenen niet doorging, zijn de heren L., N. en D., weliswaar via hun vennootschappen, zelf overgegaan tot de rechtstreekse aankoop van de panden, en werd de gestorte optie-waarborg aan de N.V. I.W.P. terugbetaald. Niets wijst erop dat de failliete vennootschap B. V. & Partners hierin ook maar enige bemiddelingsdaad heeft gesteld. De aankoop van de panden is louter een verderzetting van een aanvankelijk door V. en V. B. zelf opgezette investeringsconstructie. Appellante kan bijgevolg worden bijgetreden waar zij voorhoudt dat V. heeft gehandeld met het oog op het afsluiten van een overeenkomst waarin hijzelf ging participeren. Het is zelfs niet duidelijk of V. handelde in persoonlijke naam dan wel als (mede)zaakvoerder van de inmiddels failliete BVBA B. V. & Partners. Het staat bijgevolg geenszins vast dat V. is opgetreden als onafhankelijke tussenpersoon die ten professionelen titel ermee belast is twee of meer partijen bij elkaar te brengen, opdat die partijen een juridische handeling zouden kunnen stellen. Juist omwille van de intentie zelf bij de investering betrokken te worden, kan geen sprake zijn van een makelaarsovereenkomst, nu essentieel aan de figuur van de makelaar is dat deze zelf geen partij is bij de juridische handeling. Niet alleen wordt het bewijs niet geleverd dat er tussen de failliete BVBA B. V. & Partners en appellante m.b.t. de twee panden in een bemiddelingsovereenkomst was afgesloten, evenmin wordt aangetoond noch zelfs waarschijnlijk gemaakt dat, eenmaal de investeringsconstructie mislukte, appellante als mede-koper zich ten aanzien van de BVBA B. V. & Partners had verbonden tot betaling van een commissieloon van 3% op de uiteindelijk betaalde verkoopprijs. De door de BVBA B. V. & Partners opgemaakte lijst van "ondertekende verkoopsmandaten omtrent nieuwbouwprojecten" waarnaar geïntimeerde qq. eveneens verwijst (zie zijn st. 12.) levert evenmin enig afdoend bewijs van een makelaarsovereenkomst, nu dit stuk door de vennootschap zelf werd opgesteld en niemand zichzelf een bewijs kan verschaffen. Dat de B.V.B.A. B. V. & Partners zelf in de - terechte - mening verkeerde niet gerechtigd te zijn op enig commissieloon m.b.t. de verkopen van de panden "" en "", blijkt uit de niet te miskennen vaststelling dat de vennootschap zelf nooit is overgegaan tot facturatie van een commissieloon, en dit niettegenstaande de verkopen reeds plaatsvonden op 2 mei 2000 en de vennootschap pas failliet werd verklaard op 31 mei
- Bij gebrek aan bewijs van het bestaan van een makelaarsovereenkomst is het gevorderde commissieloon aldus niet verschuldigd. De vraag of er al dan niet bevrijdend werd betaald in handen van de B.V.B.A. J.C. Fashion, noch het antwoord op de argumentatie omtrent de beweerde afwezigheid van BIV-erkenning in hoofde van de vennootschap, zijn hierbij relevant, nu de antwoorden niet van aard zijn afbreuk te doen aan het vaststaande feit dat niet bewezen is dat de vennootschap als makelaar voor appellante is opgetreden en er enkel om deze reden geen commissieloon kan verschuldigd zijn.
- In het licht van voormelde overwegingen en vaststellingen komt het hoger beroep gegrond voor en dringt zich een hervorming van het bestreden vonnis op. Geïntimeerde qq. dient als in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten van de beide aanleggen te worden veroordeeld. Deze gedingkosten zijn immers, evenals de gedingkosten van de eerste aanlegprocedure, te aanzien als boedelschulden en vallen zodoende onder het toepassingsgebied van artikel 99 Faill. Wet. Geïntimeerde qq. heeft dit trouwens in graad van hoger beroep niet ernstig - meer - betwist. Op grond van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 vordert appellante het basisbedrag van 2.500 EUR als rechtsplegingvergoeding hoger beroep. Gelet op het tussengekomen faillissement en de door de geïntimeerde qq. vermelde beperkte omvang van de activabestanddelen, hetgeen door appellante niet tegengesproken wordt, kan ingegaan worden op het verzoek tot herleiding van het basisbedrag tot het door geïntimeerde qq. voorgestelde minimumbedrag van 1.000 EUR. OP DEZE GRONDEN HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende : Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond en wijst deze af. Zegt voor recht dat de aan deze procedure verbonden gerechtskosten boedelschulden uitmaken. Veroordeelt geïntimeerde qq. tot de gedingkosten der beide aanleggen, aan zijn zijde niet nuttig te begroten vermits deze toch te zijnen laste blijven, en aan de zijde van appellante te begroten als volgt : - rechtsplegingvergoeding eerste aanleg 364,40 EUR - rolrecht hoger beroep 186,00 EUR - rechtsplegingvergoeding hoger beroep (herleid) 1.000,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 3-12-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. B. De Wilde G. Danneels E. Dursin A. Van de Putte Rep.nr.: 2008/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div