← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081216.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081216.13 Rolnummer: 2005/AR/1663 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 18:32 Fiche Opdat een dwangsom zou verbeurd zijn, is het noodzakelijk dat er betekend wordt, zelfs indien de titel reeds strafrechtelijk gewijsde kent. Een toegekende respijttermijn begint pas te lopen vanaf de datum van betekening, en niet vanaf de datum van uitspraak. Door de dwangsommen in te vorderen, die verbeurd zijn, krachtens een in kracht van gewijsde gegane titel, pleegt de overheid geen rechtsmisbruik, zelfs indien later een regularisatievergunning werd verleend. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Algemeen (dwangsom) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Rechtsmisbruik Vrije woorden: Stedenbouwmisdrijf - Herstelvordering - Respijttermijn - dwangsom - Betekeningsvereisten - uitvoering titel - tussengekomen regularisatievergunning - rechtsmisbruik. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 16 december 2008 ________ NA TA 07.02.2006 22.04.2008 2005/AR/1663 in de zaak van: H.J., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. LACHAERT Patrick, advocaat te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166 bus 5-6 appellant van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dd 9 juni 2005 tegen: GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen, optredend voor het Vlaams gewest, met kantoor te 9000 Gent, Gebr. Van Eyckstraat 4-6 woonstkeuze doende op het kantoor van diens raadsman Mtr. TOLLENAERE Veerle, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. TOLLENAERE Veerle, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van de op 9 juni 2005 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent verleende beschikking, waartegen appellant, met zijn op 28 juni 2005 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. Met het tussenarrest van 7 februari 2006 werden de debatten, op verzoek van appellant, heropend. Met het tussenarrest van 22 april 2008 werden de debatten ambtshalve heropend. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. BEOORDELING

  1. Het hof verwijst naar de uiteenzettingen en de overwegingen in de tussenarresten van 7 februari 2006 en van 22 april
  2. 2.1 Met het vonnis van 14 december 1999 van de 21ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg werd appellant - recht doende omtrent de herstelvordering - bevolen de plaats in de vroegere staat te herstellen binnen een termijn van zes maanden nadat het vonnis kracht van gewijsde zal gekregen hebben en werd appellant veroordeeld tot het betalen aan de gemachtigde ambtenaar van een dwangsom van 3.000 frank (= 74,37 euro) per dag vertraging voor het geval de veroordeling tot herstel niet volledig werd uitgevoerd. 2.2 Met het arrest van 24 oktober 2002 van de tiende kamer van het hof van beroep te Gent werd als volgt geoordeeld omtrent de gevorderde herstelmaatregel en de gevorderde dwangsommen: « beveelt aan de, beklaagde over te gaan tot het herstel van de plaats te , in eigendom toebehorende aan de N.V. Orangerie, nader in de oorspronkelijke dagvaarding vermeld, in de oorspronkelijke toestand door het verwijderen van de constructies hiervoor in de, telastlegging A.1 vermeld binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit arrest in kracht van gewijsde zal treden, beveelt dat voor het geval dat de plaats aldus niet in de, oorspronkelijke toestand wordt hersteld binnen voormelde termijn de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en /of het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke van ambtswege in de uitvoering ervan kunnen voorzien, overeenkomstig hetgeen is bepaald in art.68 § 2 van het voormeld coördinatiedecreet betreffende de ruimtelijke ordening, thans art.153 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van 18 mei 1999, zegt voor recht dat op vordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur de beklaagde een dwangsom zal verbeuren van euro 200 per dag vertraging in de nakoming van dit bevel. » 2.3 De tegen dit arrest ingestelde voorziening in cassatie werd met het arrest van 6 mei 2003 verworpen. 2.4 Met het exploot van 11 augustus 2003 werden het voorzegd vonnis en de voorzegde arresten betekend aan appellant. Met hetzelfde exploot werd aan appellant - krachtens de voorzegde titels - bevel gedaan om, onder verbeurte van de in het exploot bepaalde dwangsom, over te gaan tot herstel van de plaats in de vorige staat. 2.5 Wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, wat ten deze het geval is, dan heeft deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking aan de veroordeelde nog enige tijd te geven om de veroordeling te na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft en dient deze termijn, wat de dwangsom betreft, te worden beschouwd als een termijn, bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek (Cass., 28 maart 2003, RW, 2004-05, 137). Ook een dergelijke termijn begint, bij toepassing van artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, eerst te lopen vanaf de betekening, wat trouwens spoort met het betekeningsvereiste als algemeen rechtsbeginsel in het executierecht. Aangezien geen veroordelende beslissing, bij toepassing van artikel 1495, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan ten uitvoer worden gelegd, wanneer die niet vooraf werd betekend aan de executieplichtige, kunnen ook de gevolgen van deze titel, zoals een uitvoeringstermijn, geen gevolgen sorteren buiten iedere betekening. Het hof treedt de standpunten bij van de doctrine (E., DIRIX, ‘Overzicht van rechtspraak - beslag en collectieve schuldenregeling (2002-2007)', TPR, 2007, pag. 2048-49, nr. 10) waarin wordt gesteld: - dat het onderscheid tussen een - buiten het toepassingsgebied van de Eenvormige Wet vallende - termijn die wordt verleend om de hoofdveroordeling uit te voeren en een termijn die betrekking heeft op de dwangsom volkomen kunstmatig is; - dat de schuldenaar het risico loopt in het ongewisse te blijven over het lopen van de termijn, die de rechter hem heeft toegekend, wanneer de rechter een termijn voor de nakoming heeft bepaald en aan het verstrijken van deze termijn het gevolg koppelt dat de dwangsom vanaf dit tijdstip zal verschuldigd zijn; - dat in dit laatste geval, hetwelk zich ten deze voordoet, de termijn eerst begint te lopen vanaf de betekening van de uitspraak; - dat de gedachte dat een termijn zou beginnen lopen en de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft, zonder dat de executieplichtige mogelijk daar weet van heeft, ‘weinig aanlokkelijk' is; - dat het recht valkuilen en wolfijzers moet vermijden; - dat de rechtspraak en de rechtsleer in hun taak tekort schieten, indien zij enkel bij machte zijn tot een dergelijk resultaat te komen. Dat het strafrechtelijk arrest kracht van gewijsde verwerft zonder dat het wordt betekend, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Daarbij wordt voor zo veel als nodig vastgesteld dat de herstelmaatregel - hoewel zij tot de strafvordering behoort - in werkelijkheid een civielrechtelijk karakter heeft (zie o.m. Cass., 9 september 2004, T.R.O.S., 2004, 268; Cass., 13 december 2005, onuitg.; Cass., 17 januari 2006, onuitg.), zodat - onverminderd hetgeen werd overwogen in verband met de vereiste van betekening inzake de dwangsom - met betrekking tot de uitvoering de burgerlijke procesregels en dus ook artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. 2.6 Aangezien het arrest pas werd betekend op 11 augustus 2003, aangezien appellant werd bevolen over te gaan tot herstel in de vorige staat door verwijdering van de constructies, nader vermeld in de tenlastelegging, binnen een termijn van zes maand vanaf de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde treedt en aangezien het ten uitvoer gelegde arrest van het hof van beroep op 11 augustus 2003 reeds in kracht van gewijsde was getreden, konden de dwangsommen pas verbeuren vanaf 11 februari
  3. 3.1 Op grond van hetgeen voorgaand werd uiteengezet, dient dus te worden besloten dat met het exploot van 23 augustus 2004 hoogstens uitvoerend beslag kon worden gelegd tot zekerheid van de betaling van de in de periode van 11 februari 2004 tot 23 augustus 2004 verbeurde dwangsommen à rato van 200 euro per dag. 3.2 Met exploot van 28 juni 2004 werd bevel gegeven tot het betalen van een bedrag van 46.200 euro, in hoofdsom, uit hoofde van verbeurde dwangsommen. Dit bedrag stemt overeen met 231 dagen aan 200 euro per dag (gerekend tot 24 juni 2004). In hetzelfde exploot werd vermeld dat gezegd - met de kosten vermeerderd - bedrag tevens dient te worden vermeerderd met een dwangsom van 200 euro per dag vanaf 24 juni
  4. Met het exploot van 23 augustus 2004 werd herhaald bevel - minstens bevel - gedaan tot het betalen van een bedrag van 57.400 euro, uit hoofde van verbeurde dwangsommen. Dit bedrag stemt overeen met 287 dagen aan 200 euro per dag (gerekend tot 19 augustus 2008). Bij gebrek aan betaling werd met hetzelfde exploot uitvoerend beslag tot zekerheid van de betaling van gezegd bedrag, vermeerderd met de aldaar bepaalde kosten, gelegd. 3.3 In het licht van voorgaande overwegingen, dient te worden besloten dat het uitvoerend beslag regelmatig en rechtmatig werd gelegd voor een hoofdsom van 37.800 euro, uit hoofde van verbeurde dwangsommen in de periode van 11 februari 2004 tot en met 19 augustus 2004, het zij 189 dagen à rato van 200 euro per dag. Het beslag werd voor alle overige en meerdere bedragen (in hoofdsom) onterecht gelegd en het wordt voor deze meerdere en overige bedragen teniet gedaan. Dat met het exploot van 28 juni 2004 geen bevel tot betaling van de in de periode van 24 juni 2004 tot en met 19 augustus 2004 verbeurde dwangsommen werd gegeven, doet geen afbreuk aan de regelmatigheid en rechtmatigheid van het beslag in zoverre het strekt tot zekerheid van de betaling van de in die periode verbeurde dwangsommen. Er werd hoe dan ook met het exploot van 23 augustus 2004 - en voor het beslag - bevel gegeven tot het betalen van de op deze periode betrekking hebbende bedragen. Artikel 1499 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat aan elk uitvoerend beslag op roerend goed een bevel aan de schuldenaar, hetwelk ten minste één dag voor het beslag wordt gedaan, dient vooraf te gaan, Deze in artikel 1499 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde wachttermijn is evenwel niet op straffe van nietigheid voorgeschreven, zodat, gelet op artikel 860, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, niet tot nietigheid kan worden besloten bij miskenning van deze termijn. Appellant voert trouwens niet aan dat hij betalingen zou hebben uitgevoerd en ten overvloede zij vastgesteld dat in het exploot van 28 juni 2004 werd bepaald dat de verschuldigde bedragen dienen te worden vermeerderd met de vanaf 24 juni 2004 te verbeuren dwangsommen à rato van 200 euro per dag.
  5. Het hof stelt vast dat appellant in uitdrukkelijke bewoordingen verklaart dat de door hem geformuleerde vordering in geen geval een vordering, in de zin van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, uitmaakt. Het hof neemt daarvan akte. Dergelijke vordering behoort trouwens niet tot de bevoegdheid van de beslagrechter, maar wel tot de bevoegdheid van de dwangsomrechter. 5.1 Appellant vordert het beslag op te heffen en minstens de verkoopdag uit te stellen. Hij voert daartoe in essentie samengevat aan: - dat de titel zijn actualiteit heeft verloren en dat zij ondoelmatig is geworden door de - bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 en bij Besluit van de Bestendige Deputatie van 16 maart 2006 - goedgekeurde bestemmingswijziging en zeker door de op 24 januari 2008 door het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Merelbeke verleende regularisatievergunning; - dat het flagrant onredelijk en onbillijk is van geïntimeerde om de handhaving en uitvoering van de veroordeling zo hevig na te jagen, zeker rekening houdende met het feit dat zij enerzijds in de persoon van geïntimeerde aandringt om het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand te benaarstigen en anderzijds de planologische oorzaak van de veroordeling wegneemt; - dat hij zich - in het kader van redelijkheids- en billijkheidsnormen - in een morele onmogelijkheid bevond om de hoofdveroordeling te voldoen, nu vaststond dat de geldende regels achterhaald waren door de situatie ter plaatse en nu hij zich in de wetenschap bevond dat de planologische voorschriften gingen aangepast worden; - dat het redelijk en billijk is om dezelfde redenen het beslag op te heffen; - dat er om voorzegde redenen sprake is van rechtsmisbruik 5.2 Uit voorgaande overwegingen komt vast te staan dat appellant in de periode, waarin de dwangsommen werden verbeurd, het hem - met het ten uitvoer gelegde arrest - gegeven bevel tot herstel in de oorspronkelijke toestand niet had te na gekomen. Geïntimeerde is in deze periode op regelmatige en rechtmatige wijze overgegaan tot het verbeuren van de dwangsommen. De middelen en argumentaties van appellant, die er (samengevat) op neerkomen dat planologische wijzigingen op komst waren, werden in de beide procedures voor de dwangsomrechter aangevoerd. Deze middelen en argumenten - waaronder begrepen zijnde de morele onmogelijkheid tot het uitvoeren van het bevel omwille van de op komst zijnde planologische wijziging - alsook het middel, gegrond op de morele onmogelijkheid tot het uitvoeren van het bevel omwille van het feit dat door het herstel een rendabele exploitatie onmogelijk zou worden, waren naar het oordeel van de dwangsomrechter, als geformuleerd in het arrest van 24 oktober 2002, niet van aard om de gevorderde herstelmaatregel af te wijzen. Met het - bij toepassing van artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek - verleende arrest van 28 mei 2004 overwoog het hof dat het bij zijn beslissing van 24 oktober 2002 reeds kennis had genomen van de mededeling in het infoblad van de gemeente Merelbeke van september 2002 waarbij de wijziging van de planologische bestemming van het gebied waarbinnen de betrokken constructies zijn gelegen naar een gemengd regionaal bedrijventerrein in het vooruitzicht wordt gesteld. In hetzelfde arrest worden de overwegingen van het arrest van 24 oktober 2002 herhaald en wordt verder overwogen dat geen enkel van de alsdan aangevoerde gegevens toelaat aan te nemen dat deze overwegingen niet meer zouden gelden. Tenslotte overwoog het hof in zijn arrest van 28 mei 2004 nog: « De toenmalige gemachtigde ambtenaar stelde de huidige eiser reeds in de loop van het jaar 1998 in gebreke om een einde te stellen aan de wederrechtelijke toestand, die ten slotte het gevolg was van de door eiser bewust en buiten elke dwang gemaakte keuze om de constructies op te richten zonder de vereiste vergunning. Sindsdien heeft eiser geweigerd het herstel uit te voeren; zelfs de serre, die naar eigen zeggen niet voor een regularisatie-vergunning in aanmerking komt, werd al die jaren niet verwijderd; niets wijst erop dat eiser hiertoe zou willen overgaan mocht er geen sprake zijn van een eventuele wijziging van de planologische bestemming, met andere woorden het verleden toont aan dat het gaat om en niet om gehele of gedeeltelijke, al dan niet tijdelijke, onmogelijkheid om de hoofdveroordeling uit te voeren. Eiser toont niet aan dat in de gegeven omstandigheden van eiser niet meer inspanningen en zorgvuldigheid zouden kunnen worden verwacht dan hetgeen hij reeds zou hebben ondernomen om aan de hoofdveroordeling te voldoen. 5.3 Op grond van artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, dient de beslagrechter - in geval van zwarigheden bij de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing die een veroordeling tot een dwangsom inhoudt - te bepalen en vast te stellen of de voorwaarden, waarbij de dwangsom verschuldigd zijn, al dan niet vervuld zijn. Behoudens in de in de wet bepaalde gevallen doet de beslagrechter geen uitspraak over de zaak zelf. Hij kan geen uitspraak doen over de rechten van de partijen die zijn vastgelegd in de titel waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd. Het hof is bovendien gebonden door het gewijsde van de voorzegde arresten hetwelk het hof dient te respecteren. 5.4 Op het moment dat de dwangsommen werden verbeurd en op het moment dat het beslag werd gelegd, gold de voornoemde situatie, die in de voorzegde procedures aan het hof werd voorgelegd, onverkort. De planologische situatie was niet gewijzigd en er werd - a fortiori - geen regularisatievergunning afgeleverd. Zelfs het besluit van 29 oktober 2004, waarbij de Vlaamse Regering haar goedkeuring verleende aan een aantal aanpassingen van het ontwerp van gewestelijk uitvoeringsplan (RUP) tot afbakening van het grootstedelijk gebied Gent, was toen nog niet tussengekomen. Geïntimeerde heeft in geen geval onrechtmatig, wederrechtelijk of op een onbillijke wijze gehandeld door het leggen van uitvoerend beslag tot zekerheid van de betaling van de krachtens voorzegde titel verbeurde dwangsommen. Er is evenmin sprake van rechtsmisbruik. Geïntimeerde heeft haar titel niet op een kennelijk onredelijke wijze geëxecuteerd en het is in geen geval zo dat de invordering van de dwangsom op dat moment voor geïntimeerde een voordeel met zich zou hebben gebracht dat kennelijk niet in verhouding staat tot het door appellant geleden nadeel. Het is in geen geval onredelijk in hoofde van geïntimeerde en het behoort zelfs tot haar kerntaak de handhaving van de regels met betrekking tot de openbare orde te doen naleven en een goede ruimtelijke ordening te doen handhaven. Dit geldt zeker, nu appellant, die reeds jaar en dag halsstarrig weigert de strafwet te respecteren, daartoe met een uitvoerbare rechterlijke beslissing werd veroordeeld. Ook wanneer een wijziging van deze regels en van de planologische situatie zich aankondigt, blijft het - zeker in de gegeven omstandigheden - niet onredelijk dat geïntimeerde overgaat tot executie van haar titel. Dat de overheid op een bepaald ogenblik de procedure tot wijziging van de plannen aanvat en stuurt, behoort evenzeer tot haar kerntaak. Of de wijziging er uiteindelijk zal komen is onzeker en hangt van de politieke wil en besluitvorming, eigen aan de werking van onze democratische rechtstatelijke instellingen. Wanneer diezelfde overheid ondertussen en tegelijk de handhaving van de actuele toestand benaarstigt, voert zij haar andere voornoemde kerntaak uit. Er kan dan ook geen sprake zijn van enige fout of van rechtsmisbruik, wanneer de overheid zowel een wijziging van de plannen aanvat en stuurt, als de handhaving van de actuele toestand afdwingt. Dit geldt a fortiori, wanneer dit - zoals ten deze - geschiedt krachtens een rechterlijke beslissing. Er is dus geen sprake van enig foutief of onbillijk handelen of van rechtsmisbruik, op het moment dat geïntimeerde is overgegaan tot het betekenen van het exploot van uitvoerend beslag. Op grond van hetgeen voorafgaat, stelt het hof evenzeer - en voor zoveel als nodig - vast dat de door appellant aangevoerde morele onmogelijkheid, getoetst aan redelijkheids- en billijkheidsnormen, niet voorhanden is. 5.5 De vraag stelt zich of dit wel het geval geworden is, nu geïntimeerde - nadat een regularisatievergunning is afgeleverd - blijft volharden in de executie. Ook in die zin dienen de middelen en argumentaties van appellant te worden begrepen. 5.5.1 Artikel 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek luidt: "De dwangsom, eenmaal verbeurd, komt ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld". 5.5.2 Zoals voorgaand werd overwogen, is het vaststaand dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan het hem gegeven rechterlijk bevel. De dwangsommen zijn verbeurd in de voorzegde - door het hof aanvaarde - periode. Deze dwangsommen blijven geïntimeerde - verbeurd zijnde - ten volle toekomen. Het hof verwijst naar twee analoge en markante situaties, waarin het hof het standpunt van vooraanstaande rechtsleer dat de verbeurde dwangsommen aan de schuldeiser blijven toekomen, bijtreedt en onderschrijft : - Het is mogelijk dat een uitvoerbare titel zijn actualiteit verliest door nieuwe wetgeving. Dit is het geval, wanneer een nieuwe wet een handeling toestaat, die met een vonnis onder verbeurte van een dwangsom werd verboden. Evenwel zal in deze situatie het vonnis wel actueel blijven, wanneer de dwangsom verbeurd is onder de inwerkintreding van de nieuwe wet (E., DIRIX, en K., BROECKX, in A.P.R., tw. Beslag, pag. 331, nr. 532). - Wanneer de rechter in kort geding een verbod heeft opgelegd onder verbeurte van een dwangsom en wanneer tegen het in kort geding gegeven verbod geen rechtsmiddel werd aangewend, dan zullen de dwangsommen verbeurd zijn, telkens wanneer de veroordeling niet wordt nageleefd en zulks tot op het ogenblik dat over het bodemgeschil uitspraak wordt gedaan. Die dwangsommen zijn definitief verbeurd, zelfs indien ingevolge de uitspraak over het bodemgeschil het door de rechter gegeven verbod geen reden van bestaan meer heeft (E., KRINGS, concl. voor Benelux-Gerechtshof, 14 april 1983, R.W., 1983-84,

(223), 228). De eerste situatie verschilt met de ter beoordeling voorliggende zaak enkel in die zin dat ten deze niet de wet maar wel - krachtens de wet - de plannen werden gewijzigd en een regularisatie werd verleend. De tweede situatie verschilt met de ter beoordeling voorliggende zaak in die zin dat de dwangsommen ten deze werden verbeurd krachtens een rechterlijke uitspraak, die volledig gegrond is op regelmatige en rechtmatige materieelrechtelijk aanspraken van geïntimeerde, terwijl - in de geciteerde casus - de beschikking, die het verbod oplegt, niet gedragen wordt door en in strijd is met de materieelrechtelijke aanspraken van de partijen. Hoewel de beslissing in de bodemprocedure strijdt met de beslissing van de kortgedingrechter, is deze vaststelling op zich onvoldoende om tot rechtsmisbruik te besluiten, indien de verbeurde dwangsommen verder worden geëxecuteerd. 5.5.3 Er kan evenmin rechtsmisbruik worden weerhouden in hoofde van geïntimeerde, omdat zij - spijts de na het beslag tussengekomen regularisatie - blijft volharden en de veroordeling blijft executeren. Vooreerst stelt het hof, op grond van hetgeen voorgaand werd overwogen, vast dat de omstandigheid op zich dat het ten deze gegeven bevel thans in gevolge de regularisatie ‘geen reden van bestaan' meer heeft niet voldoende is om tot rechtsmisbruik te besluiten. Waar in de voorzegde tweede casus op grond van voorzegde vaststelling alleen geen rechtsmisbruik kan worden weerhouden, zijn er in onderhavige zaak a fortiori geen redenen om daartoe te besluiten. Appellant dient heel concreet aan te duiden, waarom de houding van appellant rechtsmisbruik zou uitmaken Dienaangaande wordt verwezen naar hetgeen sub 5.4 werd overwogen. Ook na tussengekomen regularisatie - die mogelijk was geworden ingevolge het optreden van de overheid - blijven deze overwegingen gelden en blijft de houding van geïntimeerde niet onredelijk of onbillijk te noemen. Daarbij zij nog vastgesteld en herhaald dat appellant de constructies op wederrechtelijke wijze heeft opgericht en dat deze constructies minstens vijftien jaar geleden - en lang voor er nood was aan de wijziging van de plannen - illegaal werden opgericht en al die tijd bleven bestaan. In die periode werd niet voldaan aan het doel en de strekking van de veroordeling.
  1. Het hoger beroep is dus ten dele gegrond en de bestreden beschikking wordt in de hierna bepaalde mate hervormd. Geïntimeerde wordt als in het ongelijk gestelde partij, bij toepassing van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen in de hierna aan de zijde van appellant begrote kosten van het geding in beide aanleggen. Het verzet tegen een uitvoerend beslag betreft een niet in geld waardeerbare vordering, zodat de rechtsplegingsvergoeding voor niet in waardeerbare vorderingen wordt toegekend. OM DEZE REDENEN HET HOF; Recht doende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de mate, zoals hierna bepaald; Doet de beroepen beschikking - in zoverre ze op hoger beroep werd bestreden - teniet; En dienaangaande opnieuw oordelend; Verklaart de oorspronkelijke vordering gegrond, in de mate, zoals hierna bepaald; Stelt vast dat de dwangsommen verbeurd zijn voor een bedrag van 37.800 euro in hoofdsom; Zegt dat het exploot van uitvoerend beslag op roerend goed van 23 augustus 2004 geldig en van waarde is voor een bedrag van 37.800 euro uit hoofde van verbeurde dwangsommen en voor de in dit exploot gestelde gerechts- en uitvoeringskosten; Doet het exploot voor alle meerdere en overige bedragen teniet; Beveelt geïntimeerde dit uitvoerend beslag, in zoverre het strekt tot zekerheid en betaling van meerdere en grotere bedragen, binnen de veertien dagen na betekening van onderhavig arrest op te heffen en zegt voor recht dat onderhavig arrest - bij gebreke daaraan binnen deze termijn - in gezegde mate als opheffing zal gelden; Wijst de oorspronkelijke vordering voor al het overige of meer gevorderde af als ongegrond; Verwijst geïntimeerde in de kosten van het geding in beide aanleggen en begroot deze kosten als volgt aan de zijde van appellante: - kosten dagvaarding en rolstelling: 201,32 euro - kosten rolstelling verzoekschrift hoger beroep: 186,00 euro - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 121,47 euro - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.200,00 euro - totaal: 1.708,79 euro Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 16 december
  2. Aanwezig: Paul Dauw, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier C. Sonneville P. Dauw Rep. 2008/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.