id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081216.14 Rolnummer: 2008/AR/906 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-09-21 Raadplegingen: 458 - laatst gezien 2026-07-03 06:19 Fiche Aangezien geen veroordelende beslissing, bij toepassing van artikel 1495 eerste lid Ger. Wetb. kan ten uitvoer worden gelegd, wanneer deze beslissing niet vooraf werd betekend aan de executieplichtige, kunnen ook de gevolgen van deze titel, zoals een uitvoeringstermijn, geen gevolgen sorteren buiten iedere betekening. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE Vrije woorden: Beslag- en executierecht - dwangsom - verbeurte - verjaring - schorsing. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 16 december 2008 ________ 2008/AR/906 in de zaak van: V.... D.... V..... A....., wonende te .........................................., appellant, hebbende als raadsman mr. LACHAERT Patrick, advocaat te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166 bus 5-6 tegen: GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR BEVOEGD VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, optredend namens het Vlaamse Gewest, met kantoor te 9000 GENT, Gebr. Van Eyckstraat 4-6 WOONSTKEUZE DOENDE op het kantoor van haar raadsman Mr. TOLLENAERE Veerle, met kantoor te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128, geïntimeerde, Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van de op 26 februari 2008 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent verleende beschikking, waartegen appellant, met zijn op 1 april 2008 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. VOORGAANDEN.
- Appellant werd bij tussenarrest dd.14.09.2001 en bij arrest van 20.06.2003 van de 10e kamer van het Hof van Beroep te Gent veroordeeld wegens een stedenbouwkundige inbreuk op het onroerend goed gelegen te 9968 Assenede, Bekputstraat 12, gekend ten kadaster onder 3e afdeling Bassevelde, Sectie C, nr.1036B, groot 28 aren (stuk 2 en 3 geïntimeerde). Bij het arrest van 20.06.2003 van de 10e kamer van het Hof van Beroep te Gent werd appellant wat de gevorderde herstelmaatregel betreft, veroordeeld als volgt: "beveelt aan A. V. d. V. over te gaan tot het herstel van de plaats te A........ (B...........), nader in de oorspronkelijke dagvaarding vermeld, in de oorspronkelijke toestand binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit arrest in kracht van gewijsde zal treden (onderlijning door het Hof); Beveelt dat voor het geval dat de plaats niet in de oorspronkelijke toestand wordt hersteld binnen voormelde termijn de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en/of het college van burgemeester en schepenen van de gemeente A........ van ambtswege in de uitvoering ervan kunnen voorzien, overeenkomstig hetgeen is bepaald in art.68§2 van het coördinatiedecreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996, thans art.153 van het decreet houdende de organisatie van ruimtelijke ordening van 18 mei
- Zegt voor recht dat op vordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur door de veroordeelde A. V. d. V. een dwangsom zal worden verbeurd van 500 EUR per dag vertraging in de nakoming van dit bevel".
- Beide arresten van de 10e kamer van het Hof van Beroep te Gent, alsook het vonnis van de 21e kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd.30.05.2000 werden op verzoek van geïntimeerde aan appellant betekend op 28.11.2003 (stuk 4 geïntimeerde). In het exploot van betekening werd door geïntimeerde uitdrukkelijk verwezen naar de inhoud van het arrest van 20.06.2003, hieraan toevoegend dat het bevolen herstel "ten laaste op 05.01.2004" moet uitgevoerd zijn. Door geïntimeerde werd respectievelijk op 09.04.2004, 27.09.2004, 18.03.2005, 09.09.2005, 22.02.2006, 18.07.2006 en 02.01.2007 bevel betekend aan appellant met het oog op de stuiting van de verjaring van de verbeurde dwangsommen. Nooit werd door appellant enige vordering in verzet geformuleerd, noch tegen het exploot van betekening dd. 28.11.2003, noch tegen de achtereenvolgende bevelen. Op 04.06.2007 werd ten verzoeke van geïntimeerde aan appellant bevel betekend voorafgaand aan onroerend beslag krachtens het vonnis dd. 30.05.2000 en krachtens de arresten dd. 14.09.2001 en 20.06.2003 (stuk 5 geïntimeerde). Op 25.06.2007 liet geïntimeerde uitvoerend onroerend beslag leggen lastens appellante op de in het beslagexploot vermelde onroerende goederen teneinde betaling te bekomen van het bedrag van 634.360,38 EUR (stuk 6 geïntimeerde). Op 24.07.2007 werd door geïntimeerde een verzoekschrift neergelegd voor de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, teneinde een notaris te horen aanstellen overeenkomstig artikel 1580 van het Gerechtelijk Wetboek om over te gaan tot de verkoop van de onroerende goederen, als vermeld in het beslagexploot dd.25.06.
- Bij beschikking van de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd.25.07.2007 werd notaris G.CEULENAERE, met standplaats te Assenede, aangesteld om tot de veiling over te gaan van voormelde onroerende goederen (stuk 7 geïntimeerde). Met exploot dd. 19.10.2007 werd de beschikking van de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd. 25.07.2007 door geïntimeerde aan appellant betekend. Op 29.10.2007 tekende appellant verzet aan tegen de beschikking tot aanstelling van een notaris, belast met de veiling en verrichtingen tot rangregeling van de in beslag genomen onroerend goederen, hetwelk werd ingeleid op 13.11.2007 voor de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. Bij dagvaardingsexploot, betekend aan geïntimeerde, vorderde appellant: "Het verzet van mijn verzoeker tegen de beschikking dd. 25.07.2007 van de heer Beslagrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent geldig en van waarde te horen verklaren. Te horen zeggen voor recht dat de rechterlijke uitspraak ten gronde dd. 20.06.2003 van het Hof van Beroep te Gent niet strekt tot reële executie voor zover deze niet uitdrukkelijk een veiling en verrichtingen tot rangregeling van onroerende goederen toestaat en zodoende deze vorm van reële executie niet op enige titel is gesteund. Dientengevolge de beschikking dd. 25.07.2007 van de heer beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent te horen intrekken. Het verzet van mijn verzoeker tegen de akte van betekening van de beschikking dd. 25.07.2007 van de heer beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent geldig en van waarde te horen verklaren. Dientengevolge de akte van betekening dd. 19.10.2007 te horen vernietigen en elke hieropvolgende daad van gedwongen tenuitvoerlegging nietig en van generlei waarde te horen verklaren. Gedaagde te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens tergende en roekeloze uitvoering. Te horen zeggen voor recht dat in elk geval geen enkele daad van tenuitvoerlegging kan worden gesteld, verbeuring van dwangsommen incluis, dan na het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het herstelbeleid met toepassing van artikel 153 DRO, art. 6 van het Besluit van 23.04.2004 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de nadere regels voor de organisatie en de werkwijze van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, en art.15 van het Huishoudelijk Reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid".
- Bij de bestreden beschikking dd. 26.02.2008 van de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent wordt het verzet van appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard, wordt de vordering van appellant wegens tergende en roekeloze uitvoering ongegrond verklaard en wordt appellant veroordeeld tot de kosten en de rechtsplegingsvergoeding. Door appellant werd hoger beroep aangetekend bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 01.04.
- Met zijn hoger beroep beoogt appellant de vernietiging van de bestreden beschikking en de toekenning van zijn oorspronkelijke vorderingen, met verwijzing van geïntimeerde in de gedingkosten van beide aanleggen. Geïntimeerde besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van de bestreden beschikking met veroordeling van appellant tot de gedingkosten. II. Standpunten van de partijen Appellant stelt dat het onroerend uitvoerend beslag een reële executie betreft, waarvoor het arrest van het Hof van Beroep te Gent geen machtiging heeft verleend. Verder stelt appellant dat artikel 153 DRO het bestuur verplicht voorafgaand advies te vragen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, wat zij echter heeft nagelaten, zodat de betekening dd. 19.10.2007 onwettig is en zonder hetwelk geen dwangsom kon worden verbeurd. Appellant is bovendien van oordeel dat de handelswijze van geïntimeerde in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, de fair-play en het rechtszekerheids-beginsel en dat het opteren voor een drukkingsmiddel als de dwangsom misbruik van recht uitmaakt, nu geen advies werd gevraagd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Appellant wijst er ten slotte op dat de dwangsommen ten vroegste konden worden verbeurd vanaf het verstrijken van de respijttermijn van zes maanden na de betekening van het arrest, welke volgens haar is gebeurd op 04.06.
- Geïntimeerde van haar zijde is van oordeel dat de vordering van appellant ontoelaatbaar is, aangezien appellant verzet heeft aangetekend waar hij derdenverzet diende aan te tekenen. Ten gronde wijst zij erop dat zij met haar uitvoerend onroerend beslag enkel de invordering van de verbeurde dwangsommen nastreeft, en het geenszins een reële executie betreft. Tevens wijst geïntimeerde erop dat voor de invordering van de verbeurde dwangsommen geen advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist is. Dergelijk advies zou enkel noodzakelijk zijn bij ambtshalve uitvoering van een vonnis of arrest. Geïntimeerde stelt dat het arrest van het Hof van Beroep te Gent een uitvoerbare titel vormt, op basis waarvan zij uitvoert, zodat geen sprake kan zijn van enige schending van welkdanig recht of beginsel. Ten slotte is geïntimeerde van oordeel dat appellant ten onrechte meent dat de dwangsom niet kan worden verbeurd vooraleer de termijn van uitvoering van de hoofdveroordeling- in casu een termijn van zes maanden- en dit te berekenen vanaf de betekening van het arrest. III. Beoordeling A. Wat betreft de toelaatbaarheid van het verzet Geïntimeerde werpt op dat de vordering van appellant ontoelaatbaar is, aangezien appellant verzet heeft aangetekend, terwijl hij derdenverzet diende aan te tekenen. Uit de formulering van het voorwerp van de vordering van appellant in het beschikkende gedeelte van de gedinginleidende dagvaarding dd. 06.11.2007 blijkt onbetwistbaar dat appellant niet enkel verzet aantekende tegen de betekening van de beschikking tot benoeming van een notaris, belast met de veiling en verrichtingen van rangregeling, maar ook derdenverzet instelde teneinde de bestreden beschikking dd. 25.07.2007 te horen intrekken op de gronden, uitvoerig in de akte toegelicht. Het verzet is toelaatbaar. B. Wat betreft de gegrondheid van het verzet Het Hof stelt vooreerst vast dat appellant nooit verzet heeft aangetekend tegen de betekening op 28.11.2003 van het thans ten uitvoer gelegde arrest van 20.06.2003, noch tegen de opeenvolgende zesmaandelijkse verjaringstuitende bevelen in de periode april 2004 - januari 2007, noch tegen het bevel voorafgaand aan onroerend beslag betekend op 04.06.2007, noch tegen het uitvoerend beslag van 25.06.
- Appellant beperkte zich tot het instellen van verzet tegen de beschikking dd. 25.07.2007 tot aanstelling van een notaris, belast met de veiling en verrichtingen tot rangregeling van de in beslag genomen onroerend goederen. Appellant betwist de rechtmatigheid van de uitvoering op de gronden : - dat het arrest van 20.06.2003 geen machtiging inhoudt tot reële executie; - geïntimeerde niet het verplicht voorafgaand advies heeft ingewonnen van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid; - het fairplay-, rechtszekerheids, vertrouwensbeginsel werd geschonden en geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt aan rechtsmisbruik; - geen dwangsom werd verbeurd vanaf 05.01.
- Het Hof kan kennis nemen van het executiegeschil dat ontstaat wanneer de schuldeiser overgaat tot gedwongen tenuitvoerlegging van een vonnis en de schuldenaar de rechtmatigheid/rechtsgeldigheid van de uitvoering en de verbeur-te van de dwangsom betwist. De taak van het Hof bestaat erin te onderzoeken en vast te stellen of geïntimeerde op regelmatige wijze is overgegaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van een uitvoerbare titel, waarbij de dwangsom werd opgelegd en of de dwangsom is verbeurd. De partij, ten gunste van wie een dwangsom werd uitgesproken, kan aanspraak maken op de dwangsom, eens de veroordeelde partij een overtreding begaat op de hoofdveroordeling, na de voorafgaande betekening van het veroordelend vonnis of arrest.
- De uitvoerbare kracht van het arrest van 20.06.2003 Appellant verzet zich tegen de gedwongen uitvoering op de onroerende goederen, omdat het ten uitvoer gelegde arrest dd. 20.06.2003 geen uitdrukkelijke machtiging inhoudt tot veiling en verrichtingen tot rangregeling als onderdeel van de reële executie, doch enkel de ambtshalve tenuitvoerlegging toestaat van de herstelmaatregel in geval van niet vrijwillige uitvoering van de hoofdveroordeling. Dit bezwaar van appellant kan niet worden bijgetreden. Het arrest van 20.06.2003 houdt twee onderscheiden maatregelen in: enerzijds wordt aan appellant een herstel-maatregel opgelegd, waaraan een dwangsom wordt gekoppeld van 500 EUR per dag vertraging in de nakoming van het bevel, anderzijds wordt aan de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur en/of het college van burgemeester en schepenen, de mogelijkheid gegeven om van ambtswege te voorzien in de uitvoering van de herstelmaatregel, en het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. De dwangsomveroordeling, waarbij het Hof besliste dat op vordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur door de veroordeelde A. V. d. V. een dwangsom zal worden verbeurd van 500 EUR per dag vertraging in de nakoming van het opgelegde bevel, is een accessoire veroordeling bij de opgelegde herstelmaatregel, die los staat van de machtiging tot ambtshalve uitvoering. Aangezien appellant in gebreke bleef binnen de hem toegekende uitvoeringstermijn vrijwillig gevolg te geven aan de herstelmaatregel, beschikte geïntimeerde over een uitvoerbare titel die haar het recht gaf om na betekening ervan over te gaan tot gedwongen tenuitvoerlegging van de krachtens deze titel verbeurde dwangsommen, door het leggen van een uitvoerend onroerend beslag ter invordering van de verbeurde dwangsommen. De bevelen en het beslag hebben enkel betrekking op de invordering van de verbeurde dwangsommen. De akte van betekening van de beschikking dd. 25.07.2007, waarbij aan Notaris CEULENAERE opdracht werd gegeven om over te gaan tot veiling en tot de verrichtingen van rangregeling, betreft derhalve geen reële executie van de hoofdveroordeling, doch een maatregel van gedwongen tenuitvoerlegging waarop geïntimeerde een beroep kon doen ter invordering van de krachtens het arrest verbeurde dwangsommen. Het arrest diende geen uitdrukkelijke machtiging te verlenen aan geïntimeerde om over te gaan tot veiling en tot verrichtingen van rangregeling. De betekening van de beschikking tot aanstelling van een notaris na onroerend beslag kadert in de gedwongen uitvoering van de dwangsomveroordeling, waartoe het arrest een uitvoerbare titel verschaft.
- Het voorafgaand advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid Appellant stelt dat de uitvoering is aangetast door een onwettigheid, omdat geïntimeerde in gebreke is gebleven voorafgaand aan de uitvoering te voldoen aan de wettelijke verplichting om het voorafgaandelijk advies in te winnen van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Krachtens artikel 153 DRO wordt aan het bestuur de verplichting opgelegd om het voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid te vragen, alvorens tot de ambtshalve uitvoering van de herstelmaatregel kan worden overgegaan. In zijn eensluidend advies moet de Hoge Raad voor het Herstelbeleid aangeven of geïntimeerde het opportuun acht dat geïntimeerde aandringt op de uitvoering van de herstelmaatregel. Het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid heeft onder meer betrekking op het tijdstip en de nadere uitvoeringsregelen van die herstelmaatregel (Parl.St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr.1566/1, p.8-9). Door het nieuwe mechanisme van de tussenkomst van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid wordt het daadwerkelijk nastreven van de ambtshalve uitvoering door de overheid van de herstelmaatregel afhankelijk gesteld van het beschikken door geïntimeerde over een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. De vraag is of deze verplichting ook van toepassing is wanneer - zoals in huidig geschil- het bestuur wenst over te gaan tot de gedwongen invordering van de dwangsommen, die verschuldigd zijn wegens de niet-nakoming van de hoofdveroordeling door de veroordeelde zelf. Het Hof is van mening dat dit niet het geval is. De wet heeft de verplichting tot voorafgaandelijk advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid enkel opgelegd aan het bestuur dat wenst over te gaan tot ambtshalve uitvoering van de herstelmaatregel, waartoe het werd gemachtigd. De ambtshalve uitvoering is het uitvoeren van een rechterlijk bevel gericht tot de veroordeelde in de plaats en op kosten van de veroordeelde. De gedwongen uitvoering van de accessoire veroordeling tot een dwangsom lastens de overtreder, die tot een herstelmaatregel werd veroordeeld en deze niet vrijwillig is nagekomen, staat los van de ambtshalve uitvoering van de herstelmaatregel. De veroordeling tot een dwangsom beoogt de veroordeelde, niet de overheid, ertoe aan te zetten om de hoofdveroordeling na te komen. Deze accessoire veroordeling tot een dwangsom, gekoppeld aan de hoofdveroordeling ten laste van de veroordeelde, houdt geen verband met het rechterlijk bevel dat de herstelvorderende overheid machtigt tot ambtshalve uitvoering. De invordering van de verbeurde dwangsommen kan niet worden beschouwd als de start van de ambtshalve uitvoering, zoals bedoeld in artikel 153 DRO (zie M.Boes, "Kroniek Ruimtelijk Ordening (1999-2007), R.W. 2007-2008, 1799, nr.157). Het is slechts in zoverre de herstelmaatregel niet tijdig, dit is voor het verstrijken van de hersteltermijn, ten uitvoer wordt gelegd door de veroordeelde dat de overheid kan uitvoeren in de plaats van de veroordeelde. De toelating voor de gemachtigde ambtenaar om bij niet uitvoering door de veroordeelde zelf in het herstel of de uitvoering van de werken te voorzien, doet niets af aan het door de rechter aan de veroordeelde gegeven bevel om de plaats in de vorige staat te herstellen. Dergelijk bevel houdt de hoofdveroordeling in als bedoeld in artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij een dwangsom kan worden opgelegd (zie Cass.7 november 1995, www.cass.be). Er is bijgevolg geen verplichting voor geïntimeerde om, voor het invorderen van de dwangsommen, advies te vragen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.
- Fairplay-, vertrouwens en rechtszekerheidsbeginsel, misbruik van recht en zorgvuldigheidsbeginsel Appellant stelt dat geïntimeerde, overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur ten tijde van de betekening van de akte op 19.10.2007, diende rekening te houden met de inmiddels in werking getreden nieuwe regelgeving, waardoor thans op geïntimeerde de verplichting rust, alvorens het drukkingsmiddel van de dwangsom aan te wenden, te beschikken over de zekerheid dat geïntimeerde ook nog de nakoming van de hoofdveroordeling kan nastreven. Artikel 153 DRO laat volgens appellant niet toe dat het geïntimeerde is toegestaan eeuwig dwangsommen te verbeuren, zonder te beschikken over de gestelde zekerheid om de naleving van de hoofdveroordeling na te streven. Zoals hiervoor reeds werd geoordeeld, was geïntimeerde niet verplicht het voorafgaand advies te vragen van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alvorens over te gaan tot de gedwongen uitvoering van de verbeurde dwangsommen. De Hoge Raad voor het Herstelbeleid kan de rechterlijke bevelen, gegeven aan de veroordeelde, niet wijzigen of herzien. De Hoge Raad bepaalt enkel de modaliteiten van de eventuele ambtshalve uitvoering door de overheid. Voor zover appellant opwerpt dat er in zijnen hoofde ingevolge de nieuwe regelgeving een onmogelijkheid zou bestaan om de hoofdveroordeling na te leven, merkt het Hof op dat deze discussie niet kan worden voorgelegd aan de beslagrechter/hof, maar moet worden beoordeeld door de bevoegde rechter ten gronde, zijnde de dwangsomrechter. De betekening dd. 19.10.2007 van de beschikking dd. 25.07.2007 is bijgevolg niet aangetast door een onwettigheid. De omstandigheid dat geïntimeerde geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot ambtshalve uitvoering, maar meteen overging tot invordering van de dwangsommen, die verbeurd waren wegens niet nakoming van de hoofdveroordeling door appellant, maakt geen rechtsmisbruik uit. Door de betekening van het arrest en het herhaaldelijk invorderen van de dwangsommen, maakte geïntimeerde duidelijk aan appellant dat zij de nakoming van de hoofdveroordeling wenste. Dat geïntimeerde opteert voor het invorderen van de verbeurde dwangsommen, en geen gebruik maakt van de haar geboden mogelijkheid tot ambtshalve uitvoering, waarvoor zij krachtens artikel 153 DRO thans over een voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid dient te beschikken, is een keuze die het arrest van 20.06.2003 haar heeft geboden en waarvan het gebruik niet als rechtsmisbruik kan worden bestempeld. Geïntimeerde beschikt over een uitvoerbare titel lastens appellant, te weten de veroordeling door het Hof van Beroep te Gent tot het herstel in de oorspronkelijke staat. Door de betekening van het arrest werd appellant in gebreke gesteld om uitvoering te geven aan de hoofdveroordeling. De actualiteit en de doeltreffendheid van de titel - voor zover deze een veroordeling van appellant inhoudt- kan niet worden onderworpen aan het voorafgaand advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, aangezien hierdoor uitvoerbare kracht van de hoofdveroordeling van appellant afhankelijk wordt gemaakt van het niet-bindend advies van een orgaan, dat geen rechtscollege is en enkel advies verleent over de opportuniteit van een ambtshalve uitvoering door de overheid van de herstelvordering lastens de in gebreke blijvende veroordeelde.
- De verbeurte van de dwangsom 4.
- Dit punt van het executiegeschil betreft een aanhoudende discussie in rechtspraak en rechtsleer omtrent de vraag of de termijn, die de dwangsomrechter aan de veroordeelde verleent om de hoofdveroordeling uit te voeren pas begint te lopen vanaf de betekening van de uitspraak (standpunt van de appellant), dan wel of deze uitvoeringstermijn kan beginnen lopen vanaf het door de dwangsomrechter bepaalde aanvangspunt dat eventueel het ogenblik van de betekening van de uitspraak kan voorafgaan (standpunt geïntimeerde). Zo werd in onderhavige zaak de aan appellant opgelegde herstelmaatregel gekoppeld aan een uitvoeringstermijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde treden van arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 20.06.2003, waarna - bij gebreke van vrijwillige uitvoering- een dwangsom van 500,00 EUR per dag vertraging zou verbeuren. Met het arrest van 20.06.2003 van het hof van beroep te Gent werd als volgt geoordeeld omtrent de gevorderde herstelmaatregel en de gevorderde dwangsom: ""beveelt aan A. V. d. V. over te gaan tot het herstel van de plaats te A....... (B.......), nader in de oorspronkelijke dagvaarding vermeld, in de oorspronkelijke toestand binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit arrest in kracht van gewijsde zal treden (onderlijning door het Hof); Beveelt dat voor het geval dat de plaats niet in de oorspronkelijke toestand wordt hersteld binnen voormelde termijn de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en/of het college van burgemeester en schepenen van de gemeente A........ van ambtswege in de uitvoering ervan kunnen voorzien, overeenkomstig hetgeen is bepaald in art.68§2 van het coördinatiedecreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996, thans art.153 van het decreet houdende de organisatie van ruimtelijke ordening van 18 mei
- Zegt voor recht dat op vordering van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur door de veroordeelde A. V. d. V. een dwangsom zal worden verbeurd van 500 EUR per dag vertraging in de nakoming van dit bevel". Derhalve heeft het Hof van Beroep te Gent in het arrest van 20.06.2003 in duidelijke en niet voor betwisting vatbare bewoordingen: - appellant bevolen om over te gaan tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde zal treden; - geoordeeld dat appellant na het verstrijken van deze termijn op vordering van geïntimeerde een dwangsom zal verbeuren van 500 EUR per dag vertraging in de nakoming van dit bevel (onderlijning door dit Hof); Het arrest dd. 20.06.2003 van het Hof van Beroep werd betekend aan appellant op 28.11.2003 en vervolgens werden vanaf april 2004 tot januari 2007 opeenvolgende verjaringstuitende dwangbevelen betekend m.b.t. de verbeurde dwangsommen. De eerste rechter oordeelde dat de dwangsom verbeurd is vanaf de betekening van het arrest, mits de termijn voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling verstrijkt zonder dat de hoofdveroor-deling is uitgevoerd. De termijn voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling was volgens de eerste rechter reeds verstreken op 05.01.2004, d.i. zes maanden na het in kracht van gewijsde treden van het arrest, zodat de dwangsom - na voorafgaande betekening van het arrest op 28.11.2003- onmiddellijk vanaf het verstrijken van de uitvoeringstermijn is verbeurd. 4.
- Appellant stelt dat de dwangsommen ten vroegste kunnen verbeuren vanaf het verstrijken van de uitvoeringstermijn van zes maanden ná de betekening van het arrest van het Hof van Beroep te Gent d.i. ten vroegste vanaf 29.05.
- 4.
- Hoewel de herstelmaatregel een aanvulling uitmaakt van de strafvordering, ressorteert zij inhoudelijk onder de regels van het civiel procesrecht. De dwangsom is een burgerlijke maatregel, die een aanvullende veroordeling uitmaakt bij de strafrechtelijke veroordeling en waarop de artikelen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de dwangsom dwingend van toepassing zijn. Volgens het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 25 juni 2002 dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de uitvoeringstermijn, d.i. de termijn die wordt opgelegd voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en anderzijds de respijttermijn, d.i. de mogelijkheid voor de dwangsomrechter verleend door artikel 1, 4e van de Eenvormige Wet inzake de dwangsom, om te bepalen dat de dwangsom pas na een bepaalde termijn zal verbeuren. De rechter heeft hierdoor de mogelijkheid om aan de veroordeelde nog enig respijt te gunnen om zich naar de uitspraak te schikken en de nodige maatregelen te treffen om te voldoen aan de hoofdveroordeling (Arrest Benelux-Gerechtshof 25 juni 2002, N.J.W. 2003, 197). Al is de aard en de strekking van beide termijnen volgens het Benelux-Gerechtshof verschillend, toch blijkt uit de respectieve omschrijving van de doelstelling van beide termijnen door het Hof zelf in voornoemd arrest, dat het onderscheid kunstmatig is. De termijn die gegeven wordt aan de veroordeelde om de hoofdveroordeling uit te voeren, is volgens het Hof bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken hoofdveroordeling na te komen. Maar ook de termijn bedoeld in artikel 1, 4e Eenvormige Wet inzake de Dwangsom (zie artikel 1385bis, lid 4 Ger.W) gedurende dewelke de dwangsom niet kan worden verbeurd, strekt er volgens het Hof toe de veroordeelde nog enige tijd te geven de veroordeling na te komen, zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft. Het Hof verwijst hiervoor naar de Gemeenschappelijk Memorie van Toelichting volgens dewelke die mogelijkheid berust op de gedachte dat het wenselijk is dat de rechter de schuldenaar uit billijkheidsoverwegingen nog een uitstel kan geven, die hem moet toelaten de veroordeling vrijwillig uit te voeren en hem daartoe de noodzakelijke tijd te geven. 4.
- In ieder geval volgt uit artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek dat een dwangsom ten vroegste kan verbeuren vanaf de betekening van de uitspraak, waarbij ze werd opgelegd, hetgeen in onderhavig geschil geschiedde op 28.11.
- De voorafgaande betekening van de uitvoerbare titel is evenwel een fundamentele vereiste niet alleen voor de verbeurte van de dwangsom, maar voor elke gedwongen tenuitvoerlegging, dus ook van de hoofdveroordeling, zoals blijkt uit artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek. De betekening van de rechterlijke uitspraak strekt ertoe de veroordeelde schuldenaar in kennis te stellen van de uitspraak, van het feit dat de schuldeiser de nakoming van deze uitspraak verlangt en van het feit dat de dwangsomrechter hem nog een bepaalde termijn heeft vergund om aan de hoofdveroordeling te voldoen voordat de dwangsom wordt verbeurd. Zolang er niet betekend is, wordt de veroordeelde niet geacht te weten dat de eisende partij erop staat dat de veroordeling wordt uitgevoerd (K.Wagner, APR, tw.Dwangsom, Antwerpen, Kluwer, 2003, 29, randnrs.31-34). Deze fundamentele voorwaarde heeft voor gevolg dat de termijn in de zin van artikel 1, lid 4 van de Eenvormige Wet (=art.1385bis,4e lid Ger.W.), na het verstrijken waarvan de dwangsom kan worden verbeurd, ook pas ingaat op het moment van de betekening aan de veroordeelde van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Wanneer de rechter een termijn toestaat, kan deze pas een aanvang nemen vanaf de betekening. 4.
- Toepassing van voornoemde principes op huidig executiegeschil, leidt tot de volgende bevindingen. Zoals blijkt uit de hierboven aangehaalde passage van het arrest en zoals gebruikelijk in veroordelingen wegens miskenning van stedenbouwkundige voorschriften en daaraan gekoppelde bevelen tot herstel in de oorspronkelijke staat, heeft het arrest van het Hof van Beroep te Gent: (a) aan appellant een uitvoeringstermijn verleend van zes maanden "vanaf de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde zal treden" voor de uitvoering van de hoofdveroordeling. (b) voor recht gezegd dat appellant een dwangsom zal verbeuren van 500 EUR per dag vertraging in de nakoming van de hoofdveroordeling. De veroordeling is in kracht van gewijsde getreden op 4 juli
- Vanaf dit tijdstip beschikte de appellant volgens de bewoordingen van het arrest over een termijn van zes maanden om de hoofdveroordeling uit te voeren, d.i. tot 4 januari
- Opdat de appellant de opgelegde dwangsom zou kunnen verbeuren, diende deze veroordeling alleszins krachtens het basisbeginsel van 1385bis, 3e lid Ger.W. voorafgaand aan hem te worden betekend. Deze betekening geschiedde niet op de dag van het in kracht van gewijsde treden van de veroordeling (4 juli 2003), maar op 28 november
- De cruciale rechtsvraag, die thans aan de orde is, betreft de vraag of arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 20.06.2003 aan appellant al dan niet een respijttermijn heeft toegekend in de zin van artikel 1385bis, 4e lid Ger.W. die pas een aanvang kon nemen na de voorafgaande betekening van het arrest. Met andere woorden, beschikte de appellant krachtens de veroordeling nog over een termijn van 6 maanden in de zin van artikel 1385bis, 4e lid, tijdens dewelke nog geen dwangsom kon worden verbeurd, of beschikte hij niet over dergelijke respijttermijn, zodat de dwangsom onmiddellijk na de betekening van het arrest werd verbeurd? Voor de gedwongen uitvoering van rechterlijke veroordelingen en de verbeurte van opgelegde dwangsommen is het een elementaire voorwaarde van burgerlijk procesrecht dat de uitvoerbare titel voorafgaand wordt betekend aan de veroordeelde schuldenaar. Dit basisbeginsel is uitdrukkelijk bepaald in de artikelen 1495 en 1385bis, 3e lid Ger.W. Het arrest werd aan de appellant betekend op 28.11.2003, dus geruime tijd nadat dit arrest in kracht van gewijsde was getreden. Dit verklaart meteen de kern van huidig executiegeschil: waar de dwangsomrechter de uitvoeringstermijn doet ingaan vanaf het ogenblik dat zijn uitspraak in kracht van gewijsde zal treden, moet voor de verbeurte van de opgelegde dwangsommen de beslissing voorafgaand worden betekend. De beslissing terzake van de dwangsomrechter omtrent het verbeuren van de dwangsom na de termijn van zes maanden vanaf het in kracht van gewijsde treden van zijn uitspraak, tijdens dewelke de veroordeelde de veroordeling vrijwillig kan uitvoeren, is in strijd met het voorschrift van artikel 1495 Ger.W. dat een voorafgaande betekening vereist. Nu uit de aangehaalde bewoordingen van het veroordelend arrest blijkt dat de dwangsomrechter aan appellant nog een termijn van 6 maanden verleende voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling, binnen dewelke ook geen dwangsom verbeuren, kon deze termijn - met het oog op de verbeurte van de dwangsom- pas ingaan daags na de betekening van de hoofdveroordeling, te weten op 29.11.
- Pas op het moment van de betekening van het arrest werd appellant immers voor het eerst "officieel" in kennis gesteld van de uitspraak en van het feit dat de schuldeiser de nakoming ervan verlangt, zodat hij vanaf deze betekening nog moest kunnen beschikken over de termijn die hem door de dwangsomrechter was verleend om de hoofdveroordeling uit te voeren, zonder dat de dwangsom werd verbeurd. De termijn voor de uitvoering van de hoofdveroordeling kon met het oog op de daaraan gekoppelde verbeurte van de dwangsom, slechts beginnen lopen vanaf de door artikel 1385bis, 3e lid Ger.W. wettelijk opgelegde betekening van de hoofdveroordeling. De dwangsomrechter heeft derhalve niet alleen een uitvoeringstermijn bepaald, maar terzelfdertijd ook een termijn in de zin van artikel 1385bis, 4e lid Ger.W., tijdens dewelke geen dwangsom kon worden verbeurd en welke termijn krachtens artikel 1385bis, 3e lid Ger.W. niet kon ingaan voor de betekening van de uitspraak, waarbij de veroordeelde officieel in kennis werd gesteld van de veroordeling en de termijn hem daarbij verleend om de veroordeling uit te voeren. Stellen dat de dwangsom onmiddellijk verbeurt na de betekening, omdat de dwangsomrechter - met miskenning van artikel 1385bis, 3e lid Ger.W.- de termijn voor vrijwillig herstel heeft doen ingaan vanaf de uitspraak of vanaf het in kracht van gewijsde treden ervan, en deze uitvoeringstermijn inmiddels is verstreken, is in strijd met het fundamenteel procesrechtelijk beginsel dat de schuldeiser enkel door de betekening kan aangeven dat hij de tenuitvoerlegging ervan verlangt en dat de schuldenaar in kennis wordt gesteld van de inhoud van de veroordeling en het feit dat de dwangsomrechter hem hiervoor nog een uitvoeringstermijn heeft verleend. Er anders over oordelen heeft de werking van een valstrik. De termijn zou immers lopen zonder dat de schuldenaar er weet van heeft en de schuldeiser zou in die omstandigheden kunnen wachten met de betekening totdat de termijn verstreken is (zie ook: E.DIRIX, "Executieproblemen met betrekking tot de dwangsom", De Gerechtsd., 1998, 61-81; E.DIRIX, "Overzicht van rechtspraak. Beslag en collectieve schuldregeling (1997-2001)", T.P.R., 2002,
(1187), 1197; Gent 24 mei 1994, R.W. 1995-96, 779; K.WAGNER, Algemene Praktische Rechtsverzameling, tw.Dwangsom, Antwerpen, Kluwer, 2003, randnr.34). 4.
- Wanneer de dwangsomrechter een termijn bepaalt voor de uitvoering van de hoofdveroordeling en oordeelt dat de opgelegde dwangsom eerst zal verschuldigd zijn na verloop van die termijn, dan heeft deze termijn, wat de dwangsom betreft, de strekking aan de veroordeelde nog enige tijd te geven om de veroordeling te na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft en dient deze termijn, wat de dwangsom betreft, te worden beschouwd als een termijn, bedoeld in artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek (Cass., 28 maart 2003, RW, 2004-05, 137, noot K.Wagner). Ook een dergelijke termijn begint, bij toepassing van artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, eerst te lopen vanaf de betekening, wat trouwens spoort met het betekeningsvereiste als algemeen rechtsbeginsel in het executierecht. Aangezien geen veroordelende beslissing, bij toepassing van artikel 1495, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan ten uitvoer worden gelegd, wanneer die niet vooraf werd betekend aan de executieplichtige, kunnen ook de gevolgen van deze titel, zoals een uitvoeringstermijn, geen gevolgen sorteren buiten iedere betekening. Het hof treedt dan ook het standpunt bij van de doctrine (E., DIRIX, ‘Overzicht van rechtspraak - beslag en collectieve schuldenregeling (2002-2007)', TPR, 2007, pag. 2048-49, nr. 10) waarin wordt gesteld: - dat het onderscheid tussen een - buiten het toepassingsgebied van de Eenvormige Wet vallende - termijn die wordt verleend om de hoofdveroordeling uit te voeren en een termijn die betrekking heeft op de dwangsom volkomen kunstmatig is; - dat de schuldenaar het risico loopt in het ongewisse te blijven over het lopen van de termijn, die de rechter hem heeft toegekend, wanneer de rechter een termijn voor de nakoming heeft bepaald en aan het verstrijken van deze termijn het gevolg koppelt dat de dwangsom vanaf dit tijdstip zal verschuldigd zijn; - dat in dit laatste geval, hetwelk zich ten deze voordoet, de termijn eerst begint te lopen vanaf de betekening van de uitspraak; - dat de gedachte dat een termijn zou beginnen lopen en de verbeurte van de dwangsom tot gevolg heeft, zonder dat de executieplichtige mogelijk daar weet van heeft, ‘weinig aanlokkelijk' is, - dat het recht valkuilen en wolfijzers moet vermijden en - dat de rechtspraak en de rechtsleer in hun taak tekort schieten, indien zij enkel bij machte zijn tot een dergelijk resultaat te komen. Dat het strafrechtelijk arrest kracht van gewijsde verwerft zonder dat het wordt betekend, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Daarbij wordt voor zo veel als nodig vastgesteld dat de herstelmaatregel - hoewel zij tot de strafvordering behoort - in werkelijkheid een civielrechtelijk karakter heeft (zie o.m. Cass., 9 september 2004, T.R.O.S., 2004, 268; Cass., 13 december 2005, onuitg.; Cass., 17 januari 2006, onuitg.), zodat - onverminderd hetgeen werd overwogen in verband met de vereiste van betekening inzake de dwangsom - met betrekking tot de uitvoering de burgerlijke procesregels en dus ook artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. 4.
- Aangezien appellant werd bevolen over te gaan tot het herstel in de vorige staat binnen een termijn van zes maand vanaf de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde treedt, en aangezien de uitvoeringstermijn gelet op het voorgaande pas een aanvang kon nemen vanaf de betekening van het arrest, dus op 29.11.2003 is deze termijn verstreken op 28.05.2004, zodat dwangsommen konden verbeuren vanaf 29.05.
- Ondanks het feit dat de dwangsommen pas verschuldigd waren vanaf 29.05.2004 en niet vanaf 05.01.2004, zodat de dwangsommen door geïntimeerde ingevorderd over de periode 05.01.2004 tot 29.05.2004 niet kunnen worden ingevorderd, staat vast dat er door appellant ten tijde van de diverse opeenvolgende bevelen, hem betekend vanaf 29 mei 2004, wel degelijk dwangsommen verschuldigd waren, zodat de door geïntimeerde ondernomen uitvoeringsdaden correct zijn verlopen. Het derdenverzet tegen de beschikking van de beslagrechter van 25.07.2007 is ongegrond. 4.
- Gelet op de ongegrondheid van het derdenverzet, is de vordering in schadevergoeding wegens tergende en roekeloze uitvoering eveneens ongegrond. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, stelt het Hof vast dat appellant toepassing vraagt van de minimumbedragen, terwijl geïntimeerde vraagt om de basisbedragen toe te passen. Het Hof ziet geen reden tot toepassing van de minimumbedragen. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beschikking, zij het deels op andere gronden; Veroordeelt appellant tot de kosten van het geding in hoger beroep, begroot als volgt: - aan de zijde van appellant: - rolrechten: 185,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding: 1.200 EUR - aan de zijde van geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding: 1.200 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 16 december
- Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div