← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081219.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 19 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081219.9 Rolnummer: 2007/AR/174 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-29 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-02 20:49 Fiche Het hof beveelt een adviesaanvraag bij de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Algemeen (ruimtelijke ordening) Vrije woorden: Advies Hoge Raad Herstelbeleid - Stedebouwwet - Herstelvordering - Ruimtelijke ordening. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 19-12-2008 tussenarrest vergunningsregister eerste hypotheekkantoor te kortrijk overgeschreven op 22.04.2004 nr. 64-T-22/04/2004-02990 Hoge Raad voor het Herstelbeleid, art. 198bis, 2de lid van het decreet van 18 mei 1999 BR BR 2007/AR/174 in de zaak van: De GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR, bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van de afdeling Ruimtelijke Ordening voor de provincie West-Vlaanderen, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9, woonstkeuze doende bij zijn raadsman hierna vermeld, appellant, hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106 tegen: P. J., wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. GITS Arnold, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A velt het Hof het volgend arrest: 1. Het hof nam kennis van het bestreden vonnis d.d. 15 november 2005, gewezen op tegenspraak door de 3de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk in de zaak, aldaar gekend onder A.R. 04/734/A. Het hof heeft de partijen, bij monde van hun raadslieden, gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. 2. De betwisting betreft de oprichting en instandhouding van een woning gelegen te , kadastraal gekend, ste afdeling, sectie , nr. , eigendom van de geïntimeerde. Het perceel is gelegen in agrarisch gebied, zoals vastgesteld door het gewestplan Kortrijk bij K.B. van 4 november 1977. Op 28 februari 1996 werd door de gemeente Zwevegem aan de geïntimeerde en diens echtgenote een bouwvergunning afgeleverd strekkende tot het verbouwen van een zich op het perceel bevindende eengezinswoning. Volgens de geïntimeerde zijn bij het uitvoeren van de verbouwingswerken op 2 mei 1996 de bestaande muren van de woning, nadat deze reeds volledig waren onderkapt en behandeld tegen opstijgend vocht, ingestort en dit bij abnormale weersomstandigheden. De geïntimeerde heeft alsdan een aanvang genomen met het herbouwen van de muren waarbij volledig de afmetingen werden gevolgd van de goedgekeurde verbouwingsplannen. Op 22 augustus 1996 werd een proces-verbaal van vaststelling opgesteld door de afdeling RHOM West-Vlaanderen wegens inbreuk op art. 44 en 64 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw (hierna genoemd stedebouwwet) en werd tezelfdertijd de stillegging van de werken bevolen welke werd bekrachtigd door de (toenmalige) gemachtigde ambtenaar bij beslissing d.d. 23 augustus 1996. Middels brief aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zwevegem d.d. 17 oktober 1996 meldde de (toenmalige) gemachtigde ambtenaar dat voor de wederrechtelijk uitgevoerde werken geen regularisatievergunning kon worden verleend doch niettemin een herstel van de plaats in de vorige toestand niet aangewezen voorkwam. Hij verzocht alsdan om het akkoord met de door hem gevorderde tweeledige herstelmaatregel m.n.: - onder toepassing van art. 65 §1 b stedebouwwet aanpassingswerken die erin bestonden dat de bouwwerken volgend het op 28 februari 1996 vergund bouwplan zouden volgen; - onder toepassing van art. 65 §1 c stedebouwwet een meerwaardesom te betalen van 117.050,- frank, thans 2.901,59 euro, volgens een bijgevoegde berekeningsnota. Het voormeld college van burgemeester en schepenen verklaarde zich bij brief d.d. 31 oktober 1996 akkoord met het principe van de meerwaardevordering doch stelde dat er, in acht genomen de door haar geschetste omstandigheden, geen sprake kon zijn van enige meerwaarde als dusdanig. Bij brief d.d. 14 november 1996 aan het voormeld college van burgemeester en schepenen nam de (toenmalige) gemachtigde ambtenaar akte van het principieel akkoord met de meerwaardevordering en meldde hij dat: - hij tezelfdertijd zijn herstelvordering overmaakte aan de procureur des Konings; - het milderen of kwijtschelden van de meerwaarde door de rechtbank zal dienen te worden beoordeeld; - ondertussen de werken verder konden worden afgewerkt. Het één en ander werd ook gemeld aan de geïntimeerde (bij brief van dezelfde datum), die de woning verder afwerkte en ze sindsdien als hoofdverblijfplaats betrekt. Op 18 november 1996 werd door de (toenmalige) gemachtigde ambtenaar de herstelvordering ter kennis gebracht aan de procureur des Konings te Kortrijk die bij brief d.d. 19 september 2000 evenwel meldde dat het strafdossier zonder gevolg werd gerangschikt. Door de appellant werd alsdan op niet nader aangegeven datum in toepassing van artikel 149 § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna genoemd D.O.R.O.) een herstelvordering opgesteld, waarbij het betalen van een meerwaarde van 148.081,07 euro werd voorgesteld volgens een bijgaande berekeningsnota. 3. De zaak werd voor de eerste rechter gebracht door de appellant bij dagvaarding d.d. 15 april 2004 (overgeschreven in het 1ste hypotheekkantoor te Kortrijk op 22 april 2004). De vordering van de appellant (zoals geformuleerd in deze dagvaarding en gehandhaafd in conclusies voor de eerste rechter) strekte o.g.v. art. 151 juncto 149 § 1 D.O.R.O. tot: - het doen bepalen van de meerwaarde op 148.081,07 euro conform de berekeningsnota, opgemaakt volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de berekening en de betaling van de meerwaarde in uitvoering van artikel 149 §5 D.O.R.O.; - de veroordeling van de geïntimeerde tot het betalen van de meerwaardesom aan hem, begroot op 148.081,07 euro, meer de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding, zijnde 15 april 2004; - de veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van het geding, zoals nader begroot aan zijn zijde; - de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis. Middels het bestreden vonnis d.d. 15 november 2005 werd de vordering van de appellant verjaard en derhalve onontvankelijk verklaard. De appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding, niet nader begroot aan zijn zijde en nader begroot aan de zijde van de geïntimeerde. 4. Met het hoger beroep beoogt de appellant dat zijn voor de eerste rechter gebrachte vordering vooralsnog wordt toegekend, met de verwijzing van de geïntimeerden in de gedingkosten van de beide instanties, zoals nader begroot aan zijn zijde. De geïntimeerde verzoekt: - in hoofdorde dat het hof het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond verklaart met verwijzing van de appellant in de kosten van de beide instanties, nader begroot aan zijn zijde; - in ondergeschikte orde dat het hof advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid inwint; - in uiterst ondergeschikte orde dat het hof zegt voor recht dat het hem toegestaan zal zijn de meerwaarde in hoofdsom te betalen 3 jaar te rekenen vanaf de dag dat het arrest in kracht van gewijsde gaat en dat ondertussen geen gerechtelijke interesten lopen. 5. Het hoger beroep werd tijdig en in regelmatige vorm ingesteld. Alhoewel door de geïntimeerde wordt geconcludeerd tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep, worden door hem geen middelen uit het materiële of formele recht aangehaald die deze exceptie schragen. Bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen exceptie is dit hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren. 6. 6.a. De appellant wordt gegriefd door het bestreden vonnis waar zijn herstelvordering ex art. 158 D.O.R.O. onontvankelijk werd verklaard wegens verjaring, inzonderheid waar werd geoordeeld dat de herstelmaatregel niet kan worden losgekoppeld van de strafbare handeling zodat: - nu het onroerend goed waarop het bouwmisdrijf betrekking heeft niet in ruimtelijk kwetsbaar gebied gelegen is en de strafbaarheidstelling van het instandhouden van het stedenbouwkundig misdrijf is weggevallen; - enkel het oorspronkelijk misdrijf van oprichting strafbaar is, hetgeen een aflopend misdrijf vormt, en welke verjaart na 5 jaar overeenkomstig artikel 2262 bis §1, 2de lid B.W.. Het middel van verjaring werd opgeworpen door de geïntimeerde en hij werd hierin gevolgd door de eerste rechter. Het inroepen van de bevrijdende verjaring impliceert dat aan de rechter wordt gevraagd te beslissen dat de eiser niet meer over het vorderingsrecht, het ius agendi (het recht om aan de rechter een beslissing te vragen), beschikt m.a.w. dat zijn mogelijkheid om een vonnis te krijgen over de gegrondheid van zijn aanspraak verloren is. 6.b. De appellant is in eerste instantie van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte zijn vordering, gegrond op het misdrijf van de oprichting, verjaard verklaarde. Volgens de appellant werd deze vordering om dit illegaal oprichten van een bouwwerk ongedaan te maken, tijdig ingesteld, gezien deze vordering overeenkomstig art. 2262 bis §1, 1ste lid B.W. slecht verjaart na 10 jaar. Hij kan evenwel geenszins in dit standpunt worden gevolgd. Er is geen betwisting dat strafrechtelijk het misdrijf van oprichting van de bedoelde woning zonder stedenbouwkundige vergunning verjaard is. Ook burgerechtelijk is de herstelvordering o.g.v. het wederrechtelijk oprichten in augustus 1996 van de kwestieuze constructie verjaard. De herstelmaatregel inzake ruimtelijke ordening is, ongeacht de gekozen vorm van herstel en ongeacht of de vordering uitgaat van de derde-benadeelde of de handhavende overheid, een bijzondere modaliteit van de in de art. 44 Sw. en 161 (en 189) Sv. bedoelde teruggave en schadevergoeding, ertoe strekkende een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad. De teruggave behoort tot het zijnswezen van de herstelmaatregelen in de zin van art. 149 D.O.R.O.. De teruggave in de zin van het herstel van de toestand die bestond vóór het misdrijf, is de meest natuurlijke vorm van herstel van de gevolgen van een misdrijf en geldt als vorm van schadeloosstelling bij uitstek om aan de benadeelde genoegdoening te geven. De herstelvordering vanwege de bevoegde overheid dient dan ook beschouwd te worden als een rechtsvordering tot vergoeding van buitencontractuele schade, in de zin van art. 2262 bis, §1, 2de en 3de lid B.W.. Luidens art. 2262 bis, §1, 2de lid B.W. verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De termijn van 5 jaar zal derhalve eerst beginnen lopen van zodra de benadeelde kennis heeft van zowel (het bestaan van) de schade als de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Toegepast op bouwmisdrijven dient onder de term "schade" te worden verstaan de krenking van het algemeen en/of particulier belang door het (verder) bestaan van de gevolgen van het bouwmisdrijf, terwijl als "de voor deze schade aansprakelijke personen" in de eerste plaats de daders en medeplichtigen aan het bouwmisdrijf moeten worden aangeduid. Het gegeven dat de handhavende overheden optreden vanuit het algemeen belang en geen persoonlijke schade lijden door het bouwmisdrijf, neemt niet weg dat zij kunnen worden beschouwd als "benadeelde". Immers, uit de parlementaire voorbereiding m.b.t. art. 2262 bis, §1, 2de lid B.W. blijkt dat onder de term "benadeelde" de "titularis van het vorderingsrecht" kan worden begrepen (Parl. St. Kamer, 1997-1998, 1087/7,4). Dit vorderingsrecht wordt wat betreft de krenking van het algemeen belang precies toevertrouwd aan de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen (art. 151 D.O.R.O.). Waar op 22 augustus 1996 door de afdeling Rhom een proces-verbaal werd opgesteld wegens het niet bouwen van de woning conform de op 28 februari 1996 afgeleverde bouwvergunning, moet worden aangenomen dat de appellant vanaf dan kennis heeft genomen van de ‘schade' in de zin van art. 2262 bis, §1, 2de lid B.W.. Voor herstelvorderingen van de handhavende overheid en de derde-benadeelde m.b.t. bouwmisdrijven die op 27 juli 1998 reeds voltrokken waren, geldt bovendien art. 10 van de Wet van 10 juni 1998. Bij wijze van overgangsbepaling wordt aldaar m.b.t. dergelijke vorderingen voorzien dat de nieuwe verjaringstermijn slechts loopt vanaf de inwerkingtreding (zijnde vanaf 27 juli 1998). Nu in de onderhavige zaak de bedoelde ‘kennis' reeds bestond vóór die voormelde inwerkingtreding, loopt de verjaringstermijn van 5 jaar pas vanaf 27 juli 1998. De dagvaarding in de onderhavige zaak dateert pas van 15 april 2004, zijnde buiten de termijn van 5 jaar vanaf 27 juli 1998 in de zin van art. 2262 bis, §1, 2de lid B.W. en art. 10 van de Wet van 10 juni 1998. Er liggen geen tijdige daden van stuiting voor in de zin van de art. 2244 e.v. B.W.. Zo vormt de inleiding van de herstelvordering bij de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk op 18 november 1996 geen burgerlijke stuiting, nu het geen dagvaarding voor het gerecht uitmaakt in de zin van art. 2244 B.W.. Onder "dagvaarding voor het gerecht" verstaat art. 2244 B.W. immers een akte van rechtsingang die de zaak aanhangig maakt voor het gerecht. Dit laatste gebeurt in het specifieke geval van art. 149 § 2 D.O.R.O. (dat hier echter niet aan de orde

  1. is)pas door toedoen van het openbaar ministerie, dat inzake bouwmisdrijven de strafvordering uitoefent en daarbij in de regel de herstelvordering van de administratie overneemt. In de onderhavige aangelegenheid gebeurde dit zelfs uitdrukkelijk niet, nu op 19 september 2000 door de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk integendeel werd medegedeeld dat de zaak zonder gevolg werd geklasseerd omdat de redelijke termijn voor vervolging overschreden was. Immers, art. 149 § 2 D.O.R.O. machtigt de er genoemde overheden niet om een misdrijf bij de strafgerechten aanhangig te maken, doch enkel om de wijze van herstel aan te geven die in het algemeen belang moet worden uitgesproken indien het misdrijf is bewezen. De herstelvordering is derhalve afhankelijk van de beslissing van het parket om het misdrijf al dan niet te vervolgen. In zoverre art. 149 § 2 D.O.R.O. bepaalt dat de herstelvordering bij het parket wordt ingeleid bij gewone brief, regelt het slechts de wijze waarop de gekozen herstelmaatregel kenbaar wordt gemaakt en stelt het niet de procedureregels vast voor de bevoegde rechtbank. (zie: Arbitragehof nr. 57/2002, 28 maart 2002, www.arbitrage.be, overweging B.7.2 en B.7.3). De vordering van de appellant lastens de geïntimeerde op grond van de voorgehouden wederrechtelijke oprichting van de woning is dus hoe dan ook verjaard, zodat de in die zin geformuleerde grief faalt naar recht. 6.c. Wat betreft de door de eerste rechter weerhouden verjaring van de (herstel)vordering van de appellant, voor zover gegrond op het voorgehouden (misdrijf van) instandhouden van de wederrechtelijke opgerichte woning, vermag het hof het volgende te stellen. Volgens art. 146, 3de lid D.O.R.O. (invoeging bij art. 7 van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft - hierna genoemd handhavingsdecreet - met ingang van 22 augustus 2003 zelf gedeeltelijk vernietigd bij arrest Arbitragehof nr. 14/2005, 19 januari 2005) geldt de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het 1ste lid van dat art. 146 onder 1°, 2°, 3°, 6° en 7° niet voor zover de werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden. Vraag is dan ook of er nog wel een herstelmaatregel kan worden bevolen wanneer een veroordeling wegens het voormelde instandhouden niet meer mogelijk is op grond van art. 146, 3de lid D.OR.O.. Volgens deze bepaling geldt immers geen strafsanctie, behoudens in (oorspronkelijk) 3 gevallen die, na het arrest 14/2005 van het Arbitragehof van 19 januari 2005, zijn herleid tot het enkele geval van instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Het litigieuze onroerend goed is gelegen in een agrarisch gebied zodat voor het misdrijf van instandhouding geen strafsanctie (meer) geldt. Specifiek stelt zich dus de vraag of deze bepaling het strafbare karakter van de instandhouding, voor zover aan de negatief geformuleerde voorwaarde is voldaan, opheft, dan wel of deze bepaling een strafuitsluitingsgrond bevat. Het verschil tussen de beide oplossingen is van bepalend belang. Immers, een strafuitsluitingsgrond doet enkel de strafvordering vervallen doch doet geen afbreuk aan de kwalificatie van de feiten als misdrijf. Aldus zou de regelmatig ingestelde herstelvordering, gegrond op het (steeds voortdurende) instandhoudingsmisdrijf, niet kunnen vervallen zijn. Over o.m. deze vraagstelling (weliswaar ruimer gesitueerd) werd reeds op omstandige wijze onderzoek verricht en advies verstrekt door procureur-generaal bij het Hof van Cassatie M. DE SWAEF (Cass., 13 december 2005, AR P.2005.0693.N en P.2005.0891.N). Gelet op de hier gelijklopende vraagstelling kan het hof zich bij wijze van antwoord aansluiten bij deze bevindingen en die hier in de navolgende zin overnemen. De vraagstelling is het gevolg van de tekst van art. 146 D.O.R.O.. Het instandhoudingsmisdrijf wordt er eerst, zoals voordien, zonder restrictie omschreven in het 1ste lid. Pas daarna in het 3de lid wordt er bepaald dat "de strafsanctie" in bepaalde gevallen "niet geldt". Uit de parlementaire voorbereiding dienaangaande valt niet af te leiden dat de decreetgever met zekerheid ervan is uitgegaan dat de opheffing van de strafbaarstelling van "instandhouding" meteen het opleggen van herstelmaatregelen zou doen vervallen. In het eerste voorstel van decreet, neergelegd op 10 februari 2003 (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/1) werd bepaald: - schrapping van de strafbaarstelling van de instandhouding, tenzij het misdrijf gelegen is in ruimtelijk kwetsbaar gebied of voorkomt op een limitatieve en nominatieve lijst van stedenbouwmisdrijven (art. 4); - verplichting van meerwaarde als herstelmaatregel voor misdrijven "gepleegd vóór 1 januari 1995", tenzij het misdrijf voorkomt op de limitatieve en nominatieve lijst van stedenbouwmisdrijven (art. 5); - een vermoeden van vergunning voor alle gebouwen opgericht vóór 31 december 1994 (art. 7). Wanneer het ging over een bouwmisdrijf, niet gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied en niet voorkomend op de lijst, was de instandhouding niet strafbaar. Toch ging de decreetgever uit van de mogelijkheid dat de meerwaarde werd opgelegd voor "misdrijven gepleegd vóór 1 januari 1995", dit zijn gebouwen opgericht vóór 1 januari 1995. De toelichting bevestigt dit. Voor de op de lijst voorkomende misdrijven blijft instandhouding strafbaar, zodat de misdrijven niet verjaren en herstel door middel van de meerwaarde uitgesloten is: "Alle andere overtredingen worden maximaal geregeld door middel van het vorderen van een meerwaarde via een gerechtelijke procedure" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/1, p. 5). Na betaling van de meerwaarde gold dan het vermoeden van vergunning (aldus de toelichting). Voor bouwovertredingen na 1995 ging de decreetgever ervan uit dat de meerwaarde niet op zijn plaats was, tenzij in niet-kwetsbare gebieden en voor kleine overtredingen. Dat zijn dus stedenbouwmisdrijven waarvoor de instandhouding niet langer strafbaar is. Maar als de herstelvordering zou vervallen bij verval van de strafvordering m.b.t. het instandhoudingsmisdrijf, zou geen herstelmaatregel meer mogelijk zijn voor alle gebouwen waarvoor de werken beëindigd waren begin 1998. In het geamendeerde voorstel (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/2, p. 6-7) werd de lijst geschrapt en werd een andere scharnierdatum vooropgesteld, zijnde 1 mei 2000 (datum van de inwerkingtreding van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening). De Raad van State maakte in zijn advies over deze kwestie geen bijzondere opmerking. Integendeel, bij de bespreking van de vraag wat moet worden verstaan onder een vóór 1 januari 1995 gepleegd misdrijf, wees de Raad erop dat het gaat om voortdurende misdrijven, daarbij de vraag over het hoofd ziende of nog van voortdurend misdrijf kan worden gesproken indien de instandhouding niet langer strafbaar is (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/4, p. 7, voetnoot 4). Na het advies van de Raad van State is er voor het eerst sprake van overgangsmaatregelen. Het amendement nr. 9 (dat dan de tekst van het decreet geworden
  2. is)bevat die "overgangsmaatregelen", die het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid betreffen. De toelichting bij het voorgestelde artikel 11 vat aan met de mededeling "Een aantal overgangsbepalingen waren over het hoofd gezien" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr 1566/5, p. 6). De overgangsmaatregel m.b.t. hangende zaken werd als volgt toegelicht. "Voor de reeds lopende vorderingen, waarvoor nog geen vonnis of arrest is geveld, kan de rechter soeverein oordelen om al dan niet het advies in te winnen van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.". Over de vraag wat er moet gebeuren met regelmatig ingestelde herstelvorderingen, wordt echter niets expliciets gezegd, ook niet tijdens de bespreking in de Commissie (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, zie vooral p. 20-21) dat handelt over de "behandeling van de bouwmisdrijven tussen 1 januari 1995 en 1 mei 2000"). Indirect blijkt wel uit de "overgangsmaatregel" dat de "waarborg" voor zgn. "oude" bouwmisdrijven (vóór 1 mei 2000) precies gelegen was in de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. De minister verklaarde o.a.: - "Voor de bouwmisdrijven die dateren van vóór 1 mei 2000 is een belangrijke rol weggelegd voor de Hoge Raad voor het Herstelbeleid" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 22); - "bouwmisdrijven uit het verleden (moeten) op een objectieve en aangepaste wijze (...) worden behandeld, waarbij ook rekening wordt gehouden met de tijdsgeest binnen dewelke die bouwinbreuk werd gepleegd. (...). Retroactieve zaken zullen worden beoordeeld door de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Voor bouwmisdrijven vanaf 1 mei 2000 geldt in principe de nultolerantie" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1556/7, p. 23); - "Het moet volgens de minister de ambitie van de decreetgever zijn om een streep te trekken onder het verleden (...). De Hoge Raad zal zich uitspreken over dossiers uit het verleden en moet daarbij instaan voor de nodige interpretatie en motivering en het opbouwen van een jurisprudentie terzake" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 32). De indiener van het voorstel (Vlaams volksvertegenwoordiger P. LACHAERT) verklaarde ook, na te hebben uiteengezet dat een vermoeden van vergunning geldt voor constructies die werden gebouwd vóór de definitieve vaststelling van de gewestplannen: "Er kunnen wel strafbare feiten zijn bij constructies die gebouwd zijn na de definitieve totstandkoming van de gewestplannen van het gebied waarin ze zijn gelegen. Voor de periode tussen 1977-1979 (definitieve vaststelling van de gewestplannen) tot 1 mei 2000 heeft het decreet een duidelijk doel voor ogen. Vanaf 1 mei 2000 geldt de zogenaamde nultolerantie" (Parl. St. Vl. Parl. 2002-03, nr. 1566/7, p. 24). Waar evenwel dit "duidelijke doel" niet nader werd geduid en zich dan ook de vraag zou kunnen stellen of dit al dan niet alleen de meerwaarde en de Hoge Raad voor het Herstelbeleid zou kunnen zijn, moet er toch uit deze besprekingen en voorbereidende handelingen worden vastgesteld dat er nooit uitdrukkelijk als doel werd vooropgesteld dat ook de herstelvorderingen zouden zijn vervallen. In de gegeven omstandigheden dient er op grond van art. 198 bis D.O.R.O., waarbij de rechter de ingediende vorderingen voor inbreuken die dateren van (vóór 1 mei 2000 - cf. infra wat dit laatste betreft) alsnog kan voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, te worden afgeleid dat de decreetgever niet heeft gewild dat regelmatig ingestelde herstelvorderingen, gegrond op een instandhoudingsmisdrijf, wegens het verval van de strafvordering eveneens zouden vervallen. Zoals boven reeds gesteld hebben de in art. 149, § 1, 1ste lid, D.O.R.O. bedoelde herstelmaatregelen een civielrechtelijk karakter en strekken zij als bijzondere vorm van vergoeding of teruggave ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad. De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding ingevolge de wijziging van art. 146 D.O.R.O. (invoeging van het 3de lid bij art. 7 handhavingsdecreet), heeft alleen het verval van de op dat misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg. Bij ontstentenis van een anders luidende bepaling, brengt deze wijziging evenwel niet mee dat de instandhouding (die in de onderhavige kwestie strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond) niet langer de grondslag zou kunnen uitmaken van een herstelvordering. In de gegeven omstandigheden, gelet op: - de voormelde data; - het feit dat de herstelvordering van de appellant als maatregel van burgerlijke aard die de strafvordering beoogt, overeenkomstig artikel 26 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, niet verjaart voor de strafvordering; - de voortdurende instandhouding van de inbreuk; kan er te dezen op het ogenblik van de stuiting ingevolge de dagvaarding d.d. 15 april 2004 geen sprake zijn van de verjaring van de aldus gestelde herstelvordering. Tot op heden is geen einde gesteld aan de voorgehouden onwettig uitgevoerde werken en evenmin is hiervoor een regelmatige vergunning bekomen zodat de herstelvordering tot op heden niet verjaard is. De dienaangaande door de geïntimeerde aangevoerde middelen falen naar recht en van een verjaring van de vordering van de appellant lastens de geïntimeerde op grond van het instandhouden van de wederrechtelijk opgerichte nieuwbouwwoning is dus hoe dan ook geen sprake in onderhavig geval. 7. Met betrekking tot het door de geïntimeerde in ondergeschikte orde geformuleerd verzoek om advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid in te winnen, vermag het hof het volgende te stellen. Artikel 198 bis D.O.R.O luidt als volgt: "De bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zoals bedoeld in artikel 149 §1, en artikel 153, treden pas in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijke reglement is goedgekeurd. De rechter kan ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van voor 1 mei 2000, maar die nog niet voor een eensluidend advies werden voorgelegde aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid." De Vlaamse Regering heeft overeenkomstig art. 9bis § 8 D.O.R.O. de nadere regels vastgesteld met betrekking tot de werking en de organisatie van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid (Besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004, B.S. 24 mei 2004). Op 22 juli 2005 werden de voorzitter, de leden en de vaste secretaris van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid benoemd (Besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005, B.S. 12 augustus 2005). Zoals voorzien door de art. 198 bis, 1ste lid en 9 bis § 5 D.R.O. werd door de Hoge Raad voor het Herstelbeleid het huishoudelijk reglement opgesteld en goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 16 december 2005 (B.S. 13 januari 2006, p. 2414-2418). De bepalingen met betrekking tot het in de art. 149 §1 en 153 D.O.R.O. bedoeld advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid zijn aldus, gelet op het bepaalde in art. 198 bis, 1ste lid D.O.R.O. in werking getreden De herstelvordering, aangebracht middels dagvaarding d.d. 15 april 2004, dateert van vóór de goedkeuring van voormeld huishoudelijk reglement en dienvolgens van voor de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Bij arrest van het Arbitragehof d.d. 19 januari 2005 werden de woorden "vóór 1 mei 2000" vernietigd in artikel 149 §1 D.O.R.O. (Arbitragehof, 19 januari 2005, nr. 14/2005) zodat de bevoegdheid van de rechter om overeenkomstig artikel 198 bis, 2e lid D.OR.O. de ingediende vorderingen voor advies voor te leggen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet alleen geldt voor de voor 1 mei 2000 ingediende herstelvorderingen doch ook voor deze vanaf 1 mei 2000 (vgl. Cass., 5 september 2006, P060543N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.1; Grondwettelijk Hof, 7 maart 2007, nr. 34/2007). M.a.w. artikel 198 bis, 2e lid D.O.R.O. geldt als overgangsbepaling en laat de rechter vrij toe te oordelen telkens wanneer het bestuur de ingediende herstelvordering nog niet kon voorleggen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid omdat deze nog niet functioneerde; hieruit volgt evenwel niet dat de rechter de ingediende vorderingen die nog niet voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid "moet" voorleggen (vgl. Cass., 5 juni 2007, T.M.R., 2008, 58 e.v.). De rechter beslist dus in het bedoelde geval soeverein of er al dan niet nood bestaat om het advies van de Hoge Raad voor herstelbeleid in te winnen (Parl. St., Vl. Parl., 2002-03,1566/5,6). In de concreet gegeven omstandigheden zijn er naar het oordeel van het hof redenen om voorafgaand aan verdere beoordeling van de herstelvordering (o.m. wat betreft de gevorderde meerwaardesom) advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid in te winnen aangaande de te bevelen herstelmaatregel in de zin van art. 198bis, 2de lid D.O.R.O., inzonderheid nu door de appellant initieel slechts een meerwaardesom van 2.901,59 euro werd gevorderd terwijl hij thans in zijn herstelvordering een meerwaardesom vordert van maar liefst 148.081,07 euro, en dit voor een blijkens de voorliggende plannen en foto's eerder bescheiden woning. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en thans reeds ten dele gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en wijst opnieuw. Verklaart de vordering ontvankelijk zoals nader gemotiveerd in de redengeving. Alvorens nader te oordelen: Beslist dat de ingediende vordering, zoals voormeld, wordt voorgelegd voor een advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zoals bedoeld in art. 198bis, 2de lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Beveelt dat daartoe, zoals voorzien in de art. 28 en 29 § 1 van het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 16 december 2005, de vereiste stukken en gegevens aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid door middel van aangetekend schrijven zullen worden overgemaakt, zijnde minstens:

(1)een eensluidend verklaard afschrift van het onderhavige arrest waarbij met toepassing van art. 198bis, 2de lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de Hoge Raad voor het Herstelbeleid wordt gevat;
(2)een eensluidend verklaarde kopie van de dagvaarding d.d. 15 april 2004 houdende de herstelvordering waarover het advies wordt gevraagd. Verstaat dat deze adviesaanvraag zal worden overgemaakt aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid op het volgende adres: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Hoge Raad voor het Herstelbeleid Phoenixgebouw Koning Albert II-laan 19 bus 14 1210 Brussel Telefoon: 02/553 17 93 Fax: 02/553 17 94 E-mail: info@hrh.vlaanderen.be Verstaat dat de griffier daartoe het nodige zal doen op verzoek van de meest gerede partij. Verwijst de zaak naar de bijzondere rol van deze kamer. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op negentien december tweeduizend en acht, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2008/ Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.