id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081222.13 Rolnummer: 2007/AR/1503 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-04-16 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-02 18:35 Fiche Als een feitelijke vereniging is opgegaan in een VZW, bestaat de feitelijke vereniging niet meer en kan er dus niemand voor die feitelijke vereniging optreden. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERENIGINGEN - Algemeen (verenigingen) BURGERLIJK RECHT - VERENIGINGEN - Belgische vzw - Algemeen Vrije woorden: Feitelijke vereniging - VZW geworden - FV bestaat niet meer. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 22-12 2008 Nr. 2007/AR/1503 ------------------------ in de zaak van : J.B., , wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. Stefan Van der Jeught, advocaat met kantoor te 9400 Ninove, Stationsstraat 48, tegen
- M.L., , wonende te
- M.D.S., , wonende te
- L.D.B., , wonende te
- H.D.B., , wonende te geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Brigitte Van Schoote, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Rooigemlaan 532 bus B, velt het Hof volgend arrest : De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten. * Het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 13 juni 2007 tegen het vonnis d.d. 12 april 2007 gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, tweede kamer, is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. ANTECEDENTEN I. A. Met dagvaarding van 3 oktober 2002 vorderen M. (ten onrechte M. geschreven) L., M.D.S., L. B. en H. B. - waarvan in de dagvaarding vermeld staat dat zij samen met J.B. de leden en de beheerraad vormen van de "Feitelijke Vereniging Zaalvoetbalclub Tolhuis Gent" - de veroordeling van J.B. tot de som van 22.325,00 EUR, meer de moratoire intresten en gerechtelijke intresten. In de dagvaarding wordt verwezen naar een overeenkomst van 10 april 2002 die door de "partijen" is ondertekend, volgens welke J.B. uiterlijk tegen 31 augustus 2002 15.000,00 EUR moest storten als provisie op zijn financiële inbreng voor het seizoen 2002-2003 voor een totaal bedrag van 22.325,00 EUR en dat deze betaling nog niet is geschied. Met besluiten neergelegd op 22 december 2005 genomen voor "de Feitelijke Vereniging Zaalvoetbalclub Tolhuis, sinds 17.11.2004 omgezet in VZW Fortuna Tolhuis Gent" "vertegenwoordigd door de heer M.L. voorzitter", wordt ten laste van J.B. het bedrag van 66.705,00 EUR gevorderd, meer de wettelijke intresten op 22.325,00 EUR vanaf 02.09.2002 tot 03.10.2002 en de gerechtelijke intresten vanaf 03.10.2002 tot de algehele betaling, meer de gerechtelijke intresten op 44.470,00 EUR vanaf datum van de besluiten tot de algehele betaling. Een en ander komt neer op de sponsorgelden voor de seizoenen 2002-2003, 2003-2004 en 2004-2005, telkens 22.235,00 EUR (22.325,00 EUR ?). B. Na de betwisting door J.B. van de ontvankelijkheid van de tussenkomst en de vordering van de VZW Fortuna Tolhuis Gent, legt de VZW Fortuna Tolhuis Gent neer a. "akte gedinghervatting" op 15 februari 2007, onder meer vermeldend: " Concludente herneemt hierbij het geding destijds ingesteld door de heer M. L., de heer M.D.S., L. B. en de heer H.D.B. handelend namens de FEITELIJKE VERENIGING ZAALVOETBALCLUB TOLHUIS. Gezien bij beslissing van de Algemene Vergadering d.d. 03.11.2004 de VZW FORTUNA TOLHUIS werd opgericht. Deze VZW neemt alle rechten en verplichtingen van de feitelijke vereniging over. Het gaat hier om een wijziging van hoedanigheid in de zin van art. 815 Ger.W. " b. besluiten, eveneens op 15 februari 2007 en schrijft onder meer wat volgt: "
- Concludente heeft thans een akte gedinghervatting neergelegd en herneemt dus het geding destijds ingesteld namens de Feitelijke Vereniging Zaalvoetbalclub Tolhuis.
- De VZW heeft alle rechten en verplichtingen overgenomen van de feitelijke vereniging, zodat het duidelijk is dat zij een belang en hoedanigheid heeft om de hangende procedure tegen verweerder [J.B.] verder te zetten. " (zie besluiten blz. 2, bovenaan) Met deze besluiten van 15 februari 2007 breidt de VZW de oorspronkelijke vordering uit tot 88.940,00 EUR in hoofdsom, meer de intresten, bedrag dat volgens haar beantwoordt aan de sponsoring voor vier seizoenen waartoe J.B. zich zou hebben verbonden. C. Met verzoekschrift neergelegd op 7 maart 2007 komen vrijwillig tussen in het hoofdgeding voor de eerste rechter: M.L., M.D.S., L.D.B. en H.D.B.. In de motivering van het verzoekschrift staat onder meer : " De feitelijke vereniging is overgegaan in de VZW Fortuna Tolhuis Gent. De VZW heeft het geding hervat destijds ingesteld door de feitelijke vereniging. Thans wordt door verweerder opgeworpen dat er geen rechtsband zou zijn tussen verweerder en VZW Fortuna Tolhuis Gent. Hoewel verzoekers dit formeel betwisten, en zij daartoe verwijzen naar de conclusies genomen namens de Feitelijke Vereniging Zaalvoetbalclub Tolhuis Gent en de VZW Fortuna Tolhuis Gent die zij tot de hunne maken, komen zij in deze zaak tussen teneinde in eigen naam hun vordering te stellen tegen verweerder. Zij behouden zich het recht voor om nog te concluderen in antwoord op de conclusie die eventueel nog namens verweerder zal genomen worden. " De aldus vrijwillig tussenkomende partijen vorderen in hun verzoekschrift de veroordeling van J.B. tot betaling van 66.705,00 EUR in hoofdsom, meer de intresten. II. A. De eerste rechter verklaart de vordering van de VZW Fortuna Tolhuis Gent onontvankelijk. Hierbij overweegt de eerste rechter dat het geding is ingeleid door de Feitelijke Vereniging Zaalvoetbalclub Tolhuis en dat deze evenwel geen rechtsbekwaamheid heeft en niet als persoon in rechte kan optreden, zodat de vordering zoals die initieel door de Feitelijke Vereniging was ingesteld, onontvankelijk is. Wat de VZW betreft, de eerste rechter verklaart diens vordering evenzeer onontvankelijk, daar er geen sprake is van een overlijden noch wijziging van staat of wijziging van hoedanigheid, zodat art. 815 Ger.W. dat de gedinghervatting regelt, niet aan de orde kan zijn. Overigens neemt - nog steeds volgens de eerste rechter - de VZW de plaats in van de Feitelijke Vereniging wiens vordering eveneens onontvankelijk is. B. De vrijwillige tussenkomst en de vordering van de vrijwillig tussenkomende partijen wordt wél ontvankelijk verklaard. De eerste rechter overweegt desbetreffend onder meer dat J.B., door zich tegenover de Feitelijke Vereniging te verbinden, " zich de facto tegenover alle leden gezamenlijk van deze feitelijke vereniging heeft verbonden "; deze leden zijn dan ook gerechtigd om " in eigen naam de verweerder in rechte aan te spreken om hem tot de uitvoering van zijn contractuele verbintenissen te verplichten ". Naar de grond van de zaak toe stelt de eerste rechter vast dat de vordering op zich niet nader wordt betwist en kan worden toegekend aan de vrijwillig tussenkomende partijen aan wie deze gelden in onverdeeldheid toebehoren. De eerste rechter veroordeelt J.B. tot betaling van 66.705,00 EUR aan de vrijwillig tussenkomende partijen, meer de intresten aan de wettelijke rentevoet op 22.325,00 EUR vanaf 2 september 2002 tot 2 oktober 2002, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet op het voornoemde bedrag vanaf 3 oktober 2002 tot de dag van de algehele betaling, meer de gerechtelijke intresten op 44.470,00 EUR vanaf 7 maart
- J.B. wordt tenslotte veroordeeld tot alle gerechtskosten behalve die aan de zijde van de "eiseres / gedinghervattende partij" die haar eigen gerechtskosten dient te dragen. III. A. De heer J.B., de appellant, vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden M.L., M.D.S., L.D.B. en H.D.B., als onontvankelijk, minstens als ongegrond. In eerste orde gaat de appellant in op de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering respectievelijk op de vordering uitgaande van de VZW. Er zij evenwel vastgesteld dat de appellant uitsluitend de vier fysieke personen in zijn hoger beroep betrekt en dus niet de VZW. De VZW heeft harerzijds geen hoger beroep aangetekend. Als belangrijkste middelen van de appellant, weerhoudt het hof wat volgt: - een vrijwillige tussenkomst in het kader van een procedure die oorspronkelijk met een onontvankelijke vordering is aangevat, is eveneens onontvankelijk; - niet alle leden van de feitelijke vereniging treden op; - er is geen doelvermogen meer van de feitelijke vereniging, aangezien deze feitelijke vereniging niet meer bestaat. B. De geïntimeerden vragen de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. Zij formuleren incidenteel beroep tot toekenning van het bedrag van 88.940,00 EUR in hoofdsom, meer de intresten. BEOORDELING I. De eerste rechter heeft de oorspronkelijke vordering en de daaropvolgende gedinghervatting door de VZW Fortuna Tolhuis Gent niet onontvankelijk verklaard wegens nietigheid van de dagvaarding, doch wegens het ontbreken van de rechtspersoonlijkheid c.q. hoedanigheid in hoofde van de oorspronkelijke eiseres / eisers (al dan niet q.q.) respectievelijk in hoofde van de gedinghervattende VZW Fortuna Tolhuis Gent. In deze context is de vrijwillige tussenkomst vanwege de geïntimeerden in de loop van de procedure voor de eerste rechter wel degelijk ontvankelijk. Immers, er is hoe dan ook een rechtsgeldige procedure ingeleid. Eenieder met het wettelijk vereiste belang en hoedanigheid kan op ontvankelijk wijze in dergelijk regelmatig hoofdgeding vrijwillig tussenkomen. II. A. Het hof stelt vast dat de oorspronkelijke eisers (al dan niet q.q.) noch de VZW Fortuna Tolhuis Gent hoger beroep hebben aangetekend. B. De geïntimeerden zijn voor de eerste rechter vrijwillig tussengekomen "in eigen naam". Zowel ter zake van hun vrijwillige tussenkomst op zich, als ter zake van hun vordering, beschikten de geïntimeerden over het vereiste wettelijke belang en dito hoedanigheid. De procespartij, die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (Laenens, J., Broeckx, K. en Scheers, D., Handboek gerechtelijk recht, nr. 131, p. 84). De geïntimeerden mochten bij het instellen van hun vordering ten laste van de appellant tot betaling ongetwijfeld een materieel voordeel verwachten. Of zij daadwerkelijk aanspraak kunnen maken op de gevorderde betaling betreft niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid van de vordering, maar de gegrondheid ervan. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt. De loutere bewering door de eisende partij dat zij titularis is van een subjectief recht, verschaft haar de hoedanigheid om op grond daarvan een vordering in te stellen. Geïntimeerden vorderen betaling op grond van de overeenkomst van 10 april 2002 tussen de feitelijke vereniging Zaalvoetbalclub Tolhuis Gent en de appellant. In zover zij voorhouden titularis te zijn van een subjectief recht, hebben zij hoedanigheid om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist, nu het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering betreft (vgl. Cass. 2 april 2004, Eur. Vervoerr. 2004, 417). C. a. De geïntimeerden stoelen hun aanspraken op een overeenkomst die is afgesloten op 10 april 2002 tussen enerzijds de "Zaalvoetbalclub ZVC Tolhuis Gent" - voor wie M. L. als voorzitter en L.D.B. als "gerechtigd correspondent" hebben ondertekend - en anderzijds J.B. (zie stuk nr. 1, dossier geïntimeerden). Toentertijd bestond de VZW Fortuna Tolhuis Gent nog niet; de oprichtingsakte van de VZW dateert van anderhalf jaar later, nl. 3 november 2004 (zie stukken nrs. 11, 12 en 13, dossier geïntimeerden). Uit die overeenkomst van 10 april 2002 volgt dat de contractuele wederpartij van de appellant de feitelijke vereniging is. b. De geïntimeerden schrijven in hun besluiten neergelegd op 20 december 2007, blz. 4, randnummer 1.9: " Ondertussen werd op de algemene vergadering van 3 november 2004 beslist om de feitelijke vereniging om te vormen tot een VZW (...) ". De feitelijke vereniging bestaat bijgevolg niet meer en dit vanaf de stichting van de VZW van 3 november
- Dit sluit naadloos aan bij alle voorliggende stukken en anderzijds ook bij de verklaringen van de voor de eerste rechter aanwezige wederpartijen van de appellant (zie hierboven de besluiten en de akte van gedinghervatting waaruit onder "ANTECEDENTEN" ruim is geciteerd). De appellant heeft zich verbonden ten opzichte van een feitelijke vereniging die thans niet meer bestaat. De geïntimeerden kunnen niet optreden voor een niet bestaande feitelijke vereniging. c. Anderzijds blijkt nergens dat de beweerde schuldvordering ten opzichte van de appellant zich thans in het eigen vermogen van de geïntimeerden zou bevinden. Integendeel, precies uit de voorliggende stukken én verklaringen volgt dat moet besloten worden dat het hele vermogen van de feitelijke vereniging, zowel het actief als passief, overgedragen is naar de VZW Fortuna Tolhuis Gent. De vordering bevindt zich op geen enkele wijze meer in het vermogen van wie dan ook van de geïntimeerden. De vordering van de geïntimeerden is hoe dan ook ongegrond. Er moet dan ook niet worden ingegaan op de cijfermatige aspecten van de aanspraken van de geïntimeerden. III. De gerechtskosten Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. worden de geïntimeerden veroordeeld tot de gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen. Het Koninklijk besluit van 26.10.2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat" heeft het Koninklijk besluit van 30.11.1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" buiten werking gesteld, zodat geen rechtsplegingsvergoeding op die wettelijke basis kan worden toegekend. Alsnog konden partijen geen omstandige opgave van hun onderscheiden rechtsplegingsvergoedingen indienen m.b.t. de procedure in hoger beroep, conform de nieuwe wettelijke bepalingen vervat in de wet van 21.4.2007 "betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten, verbonden aan de bijstand van een advocaat" en voornoemd Koninklijk besluit van 26.10.2007, zoals deze vanaf 1.1.2008 op de hangende zaken moet toegepast worden, zodat een rechtsplegingsvergoeding op die wettelijke basis alsnog niet kan worden toegekend. Zodoende kan niet worden beslist over de omvang van deze rechtsplegingsvergoedingen, zodat de begroting daarvan moet geacht worden te zijn aangehouden. In dat geval geschiedt de vereffening op de vordering van de meest gerede partij, conform artikel 1021, tweede lid Ger. W.. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de zin die volgt; Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond; Vernietigt het vonnis a quo in zoverre het is bestreden; Verklaart de vordering van de geïntimeerden, de vrijwillig tussenkomende partijen in de procedure voor de eerste rechter, ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt de geïntimeerden tot de gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan hun zijde daar zij te hunnen laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de appellant op 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding procedure voor de eerste rechter en aangehouden wat de rechtsplegingsvergoeding verbonden aan de beroepsprocedure betreft. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op tweeëntwintig december tweeduizend en acht. Repertorium nr. 2008/ A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele P. Vanherpe Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div