id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081222.6 Rolnummer: 2007/AR/2325 Rechtsgebied: Octrooirecht Invoerdatum: 2009-02-02 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 18:36 Fiche begrip tergend en roekeloos geding UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Octrooi - Nationaal octrooi - Nietigheid nationaal octrooi Vrije woorden: octrooiwet - nietigverklaring - staking - beperkt hoger beroep - tergend en roekeloos geding Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de bis Kamer ________ Terechtzitting van 22 december 2008 ________ 2007/AR/2325 - In de zaak van: N.M.C. N.V., met maatschappelijke zetel te 4731 EYNATTEN, Gert Noël Strasse 10, met ondernemingsnummer 0402.469.826, doch die woonplaats heeft gekozen op het kantoor van haar raadsman, hierna vermeld, appellante, hebbende als raadsman mr. CRIVITS Rik, advocaat te 8000 BRUGGE, Ezelstraat 25, tegen:
- ORAC N.V., met maatschappelijke zetel te 8400 OOSTENDE, Biekorfstraat 32, met ondernemingsnummer 0407.323.091, eerste geïntimeerde,
- VDS CONCEPTS N.V., met maatschappelijke zetel te 8870 IZEGEM, Prins Albertlaan 65, met ondernemingsnummer 0431.984.649, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN INNIS Thierry, advocaat te 1150 SINT-PIETERS-WOLUWE, Tervurenlaan 268A, velt het hof het volgend arrest: Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien.
- Bij verzoekschrift, neergelegd op 20 september 2007, tekende appellante hoger beroep aan tegen het vonnis van 23 april 2007 op tegenspraak gewezen door de 1ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (AR. 02/4668/A). Een exploot van betekening ligt niet voor. Feiten en procedure in eerste aanleg
- De NV N.M.C. (hierna: "appellante") is een vennootschap, ge-specialiseerd in het vervaardigen van sierprofielen in kunststof, dewelke in de bouw- en decoratiesector worden gebruikt ter verfraaiing van plafonds en wanden. Bij M.B. van 28 februari 1985 verkreeg appellante een Belgisch octrooi (geregistreerd onder nummer 901.682) m.b.t. haar pro-ductiemethode voor het vervaardigen van voormelde sierprofielen, verleend met inroeping van de prioriteit van indiening op 2 maart 1984 van een corresponderende octrooiaanvraag in Duitsland. In mei 2002 vernam appellante dat een concurrent, de NV ORAC (hierna: "eerste geïntimeerde"), haar leveranciers had gecontacteerd met de vraag tot levering van specifieke grondstoffen en een soortgelijke persmachine. Volgens appellante behoorden deze laatsten tot haar fabrieksgeheim en hadden twee ex-werknemers (met belangrijke technische kennis) haar knowhow doorgespeeld. Op 9 augustus 2002 legde appellante een verzoekschrift houdende beslag inzake namaak neer. Bij beschikking van 19 augustus 2002 stelde de beslagrechter te Gent Godwin VAN HOOREWEDER aan als deskundige, werd bewarend beslag toegestaan lastens eerste geïntimeerde, de BVBA GIMATEC en de BVBA VDS CONCEPTS (hierna: "tweede geïntimeerde") en werd mr. Peter VANHOORNE als sekwester aangesteld. Op verzet oordeelde de beslagrechter te Gent bij beschikking van 5 november 2002 dat de bewarende maatregel ten onrechte werd toegestaan, terwijl de onderzoeksmaatregel gehandhaafd bleef. Uit het expertiseverslag bleek dat eerste geïntimeerde in het bezit was van de originele matrijstekeningen van appellante. Op 21 juni 2002 had tweede geïntimeerde een offerte opgesteld voor het produceren van de betrokken matrijs, dewelke werd besteld door appellante. Op 11 december 2002 dagvaardde appellante lastens geïntimeerden, strekkende tot:
(1)vaststelling van de inbreuk door geïntimeerden op art. 27 §2 Octrooiwet voor haar octrooi BE 901.682 van 28 februari 1985;
(2)staking van deze inbreuken op straffe van een dwangsom van 5.000,00 EUR per vastgestelde inbreuk;
(3)betaling van een provisionele schadevergoeding van 12.500,00 EUR, méér de gedingkosten. Bij conclusie, neergelegd op 3 januari 2003, vorderden geïntimeerden bij tegenvordering:
(1)nietigverklaring van voormeld octrooi wegens een gebrek aan nieuwheid, minstens van uitvinderswerkzaamheid;
(2)te bevelen dat een afschrift van het tussen te komen vonnis moet worden overgemaakt aan de Belgische Dienst voor Industriële Eigendom;
(3)betaling van een gezamenlijke schadevergoeding van 750.000,00 EUR, méér de gedingkosten. Bij tussenvonnis van 5 mei 2003 stelde de eerste rechter Claude QUINTELIER aan als deskundige, met als opdracht advies te verlenen omtrent de octrooieerbaarheid en de geldigheid van het Belgisch octrooi van appellante met nummer 901.
- Op 26 mei 2005 legde de deskundige zijn eindverslag neer ter griffie. Bij eindvonnis van 23 april 2007 trad de eerste rechter de conclusies van de deskundige bij en verwees naar het verstrijken van de maximale beschermingsduur van het octrooi (20 jaar), waardoor het vervallen was. Voor zoveel als nuttig, werd het octrooi van appellante nietig verklaard. Aan elke geïntimeerde kende de eerste rechter -recht doende op hun tegeneis- de som van 5.000,00 EUR schadevergoeding toe wegens tergend en roekeloos geding. Procedure in hoger beroep
- Het beperkt hoger beroep werd ingesteld door de oorspronkelijke eiseres. Appellante stelt dat haar vorderingen géén tergend en roekeloos karakter vertoonden, zodat er hiervoor geen schadevergoeding kan verschuldigd zijn en het vonnis a quo op dit punt moet worden tenietgedaan. In ondergeschikte orde, dient het toegekende bedrag verminderd te worden. Appellante vordert dat geïntimeerden zouden worden veroordeeld tot de gedingkosten van beide aanleggen. Geïntimeerden vorderen afwijzing van het principaal hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep vorderen ze:
(1)de schade wegens tergend en roekeloze proceshouding bedraagt 150.000,00 EUR voor elke geïntimeerde;
(2)op deze schadevergoeding dient gerechtelijke rente (aan de wettelijke rentevoet) te worden toegekend vanaf 3 januari 2003, datum van de eerste conclusie met tegeneis;
(3)de kosten van eerste geïntimeerde voor de expertise moeten begroot worden en bedragen 8.521,50 EUR. Tenslotte vorderen geïntimeerden elk een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 20.000,00 EUR. Voor de gedetailleerde uiteenzetting van de grieven en de middelen van partijen, kan verwezen worden naar de beroepsakte en hun conclusies. Beoordeling
- De blijvende betwisting betreft het al dan niet tergend en roekeloos karakter van de initiële hoofdvordering van appellante. De toepasselijke nieuwe rechtsplegingsvergoedingen (met ingang van 1 januari 2008) staan er niet aan in de weg dat tevens een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding/hoger beroep kan worden toegekend (SAMOY, I. en SAGAERT, V., "De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de kosten en ereloon van een advocaat", R.W. 2007-2008, 691). Bij tergend en roekeloos geding moet de procespartij lichtzinnig of te kwader trouw hebben gehandeld, op een wijze waarvan een normaal redelijk en behoedzaam persoon zich zou onthouden (Cass., 12 mei 2005, RABG 2005, 1683 e.v. , met noot B. MAES, "De toetsing van het begrip tergend en roekeloos hoger beroep"; Cass., 31 oktober 2003, J.T. 2004, 135; Cass., 24 april 1978, Pas. 1978, I, 955; Brussel, 4 mei 2000, DAOR 2000, 237; Brussel, 27 juni 1997, J.T. 1997, 688; Antwerpen, 19 december 1995, R.W. 1995-1996, 1223). Vooreerst kan worden vastgesteld dat de rechten voortvloeiende uit het octrooi BE 901.682 reeds op 2 maart 2004 waren vervallen wegens het verstrijken van de geldigheidsduur van 20 jaar. Na lezing van het verslag van Ir. VAN HOOREWEDER had appellante reeds moeten besluiten dat haar eerdere vermoedens van octrooi-inbreuk ongegrond waren en dat ze lichtzinnig te werk zou gaan om niettemin de bodemrechter te vatten wegens octrooi-inbreuk (zie reeds brief van 18 november 2002 - stuk 8 geïntimeerden). Door de beslagrechter werd reeds gesteld dat er voor een onrechtstreekse octrooi-inbreuk conform art. 27 §2 Octrooiwet sprake moest zijn van ofwel toepassing van de beschermde werkwijze op Belgisch grondgebied, ofwel verhandeling van volgens deze werkwijze geproduceerde goederen in België. Er werd toen géén enkel bewijs gebracht van de toepassing van het geoctrooieerde procédé in België, teméér appellante zelf stelde dat eerste geïntimeerde overwoog om een identieke productiemethode toe te passen in Slowakije en hiertoe een aantal voorbereidende stappen had ondernomen door contacten met o.a. tweede geïntimeerde. Er was zelfs géén begin van aanwijzing dat eerste geïntimeerde producten in België zou invoeren, vervaardigd middels de geoctrooieerde werkwijze van appellante. Appellante had enkel een vermoeden van een voornemen tot namaak in hoofde van eerste geïntimeerde. Desondanks is appellante lopende de bodemprocedure in eerste aanleg van december 2002 tot en met haar conclusie van 31 juli 2006 steeds schadevergoeding blijven vorderen wegens "octrooi-inbreuken" en blijven volharden in haar initiële vorderingen terwijl niet de minste inbreuk vaststond. Samen met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat appellante inderdaad tergend en roekeloos heeft geprocedeerd.
- Geïntimeerden hebben recht op een schadevergoeding wegens tergend en roekeloze proceshouding. Bij incidenteel hoger beroep vorderen ze 150.000,00 EUR voor elke geïntimeerde. De hoegrootheid van dit bedrag wordt geenszins verantwoord. De eerste rechter kende aan elke geïntimeerde een schadevergoeding toe, ex aequo et bono begroot op 5.000,00 EUR. Het Hof treedt deze billijke begroting bij, zodat het principaal hoger beroep én het incidenteel hoger beroep (voor dit onderdeel) ongegrond zijn.
- Op de veroordeling van appellante tot het betalen aan geïntimeerden van voormelde schadevergoeding heeft de eerste rechter géén rente toegekend, stellende dat géén intrest werd gevorderd. Thans vorderen geïntimeerden bij incidenteel hoger beroep op deze schadevergoeding de gerechtelijke rente (aan de wettelijke rentevoet) vanaf 3 januari 2003, datum van de eerste conclusie met tegeneis. Deze gerechtelijke rente kan worden toegekend.
- De eerste rechter legde de gedingkosten terecht lastens appellante. Er werd in fine geoordeeld: "De expertisekosten ingevolge het deskundig onderzoek van Claude Quintelier kunnen niet worden vereffend bij gebrek aan enige opgave hiervan. Ook uit de neergelegde stukken kan niet worden afgeleid hoeveel deze bedragen." In hoger beroep leggen geïntimeerden hiervan de stukken voor. Deze expertisekosten die door eerste geïntimeerde werden voorgeschoten, kunnen vereffend worden op in totaal 8.521,50 EUR (stuk 18 geïntimeerden).
- Tenslotte vorderen geïntimeerden elk een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 20.000,00 EUR "gelet op het belang en de complexiteit van de zaak". Dit is het maximumbedrag voor vorderingen tussen 500.000,00 EUR en 1.000.000,00 EUR... (K.B. 26 oktober 2007). Vooreerst kent het Hof aan geïntimeerden slechts één rechtsplegingsvergoeding toe, gezien zij worden bijgestaan door dezelfde advocaat, eenzelfde verweer voeren en in dezelfde zin hebben geconcludeerd. Inzake het principaal hoger beroep, waarbij de door de eerste rechter toegekende schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding van 2 x 5.000,00 EUR = 10.000,00 EUR werd aangevochten, is appellante de "in het ongelijk gestelde partij". Het basisbedrag RPV voor dergelijke vordering is 900,00 EUR, met een maximumbedrag van 2.000,00 EUR. Dit laatste kan aan geïntimeerden worden toegekend wegens het belang en de complexiteit van de zaak. Bij incidenteel hoger beroep vorderden geïntimeerden verhoging naar een schadevergoeding van 2 x 150.000,00 EUR = 300.000,00 EUR, wat wordt afgewezen zodat geïntimeerden hierop uiteraard hun rechtsplegingsvergoeding niet kunnen baseren. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en beperkt gegrond: bevestigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat:
(1)op de lastens appellante uitgesproken veroordeling tot betaling van schadevergoeding, de gerechtelijke rente (aan de wettelijke rentevoet) wordt toegekend vanaf 3 januari 2003 tot de dag der volledige betaling, en
(2)de kosten van de expertise van Claude Quintelier, die door eerste geïntimeerde werden voorgeschoten, worden vereffend op 8.521,50 EUR; wijst het méérgevorderde af als ongegrond; veroordeelt appellante tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, vereffend in hoofde van geïntimeerden gezamenlijk op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer zeven bis, op tweeëntwintig december tweeduizend en acht. Aanwezig: de heer Frank Deschoolmeester raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div