← België

ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081224.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081224.3 Rolnummer: 2007/AR/1475 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-04-01 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 18:37 Fiche Het ontbreken van de motivering bij de uitsluiting van het recht tot kantonnement is een legitieme en afdoende reden tot hoger beroep. Er is geen procesrechtmisbruik. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Kantonnement Vrije woorden: kantonnement - uitsluiting - voorwaarden - procesrechtmisbruik - voorwaarden Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 13de Kamer ________ Terechtzitting van 24 december 2008 ________ TUSSENARREST (na toepassing van art. 19, 2° Ger.W.) ________ kantonnement toegestaan ________ 2007/AR/1475 - In de zaak van: D.V. C., , wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. VERSTRAETEN Michael, advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, Beelbroekstraat 60, tegen: G. J. M., luidens de termen van het verzoekschrift hoger beroep en van het vonnis a quo: G. wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANTHUYNE Kurt, advocaat te 8870 IZEGEM, Dam 25, velt het hof het volgend arrest:

  1. Het hof heeft de partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies en heeft de stukken ingezien. Appellant heeft tijdig en op rechtsgeldige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 6 april 2007 op tegenspraak werd uitgesproken door de 9de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.
  2. Het geschil betreft een overeenkomst de dato 31 maart 2005 waarbij geïntimeerde aan appellant tegen de prijs van 74.368,06 EUR 840 aandelen van de N.V. Bracha verkocht. Er werd door partijen overeengekomen dat de levering door de verkoper en de betaling door de koper uiterlijk op 1 juni 2008 zouden geschieden. Geïntimeerde stelde per aangetekend schrijven van 17 december 2006 appellant in gebreke om de overeenkomst uit te voe-ren. Gezien appellant daaraan geen gevolg gaf dagvaardde geïntimeerde hem in uitvoering van de overeenkomst. Appellant betwistte de vordering van geïntimeerde.
  3. De eerste rechter verklaart geïntimeerdes vordering ontvankelijk. De eerste rechter geeft aan geïntimeerde akte van diens aanbod tot levering van de 840 aandelen van de N.V. Bracha en veroordeelt appellant tot het betalen van de overeengekomen koopsom van 74.368,06 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 17 januari 2006 tot 29 maart 2006 en vanaf dan met de gerechtelijke intresten tot de dag van de uiteindelijke betaling. De eerste rechter veroordeelt appellant tot de gedingkosten die aan de zijde van appellant worden bepaald op 258,48 EUR voor dagvaarding en rol en op 364,40 EUR voor de rechtsplegingvergoeding. De eerste rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande ieder verhaal en zonder borgstelling noch kan-tonnement. 4.
  4. Appellant maakt toepassing van artikel 19, 2° Ger. Wb. Appellant voert als grief aan dat hij in het bestreden vonnis van het recht tot kantonnement werd uitgesloten en dat de eerste rechter die beslissing niet heeft gemotiveerd. Appellant vordert om te worden toegelaten tot het kantonnement voor de bedragen waartoe de eerste rechter hem heeft veroordeeld. 4.
  5. Geïntimeerde vordert dat het aanbod door appellant om te kantonneren zou worden afgewezen en hij zou worden veroordeeld tot een schadevergoeding van 10.000,00 EUR wegens tergende en dilatoire procesvoering. BEOORDELING
  6. Het kantonnement is de mogelijkheid die aan de schuldenaar geboden wordt om het beslagene te bevrijden of het beslag te verhinderen door een voldoende bedrag in bewaring te geven in de Deposito- en Consignatiekas of in handen van een erkende of aangewezen sekwester. Het recht tot kantonnement kan door de rechter slechts uitgesloten worden, indien hij in concreto vaststelt dat de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt. Het is aan de schuldeiser om aan te tonen dat hem een ernstig nadeel zou worden berokkend indien het vonnis niet onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Zo kan het nadeel worden geacht ernstig te zijn, indien er een dringende behoefte aan contant geld bestaat om onmiddellijk opeisbare schuldvorderingen te kunnen voldoen. Is dit niet het geval, dan is het niet aangewezen om het kantonnement te verbieden, daar dit als betaling geldt en aldus een afdoende bescherming biedt.
  7. Het hof stelt vast dat in het bestreden vonnis geen specifieke motivering voorkomt voor de uitsluiting van het kantonnement. Geïntimeerde bewijst noch maakt in concreto aannemelijk voor het hof dat hij zich in de voorwaarden bevindt om t.a.v. appellant de uitsluiting van diens recht tot kantonnement te verkrijgen.
  8. Het verbod van eigenrichting heeft tot gevolg dat elk rechtssubject binnen de door het gerechtelijk wetboek bepaalde grenzen het recht heeft om zich bij een geschil tot de rechter te wenden en ook om hoger beroep in te stellen tegen een rechterlijk uitspraak die hem of haar geheel of deels in het ongelijk stelt. Dat recht trekt zich uit tot het kantonnement indien het door de eerste rechter werd uitgesloten. Weliswaar moet dat recht worden uitgeoefend met inachtneming van de voor iedereen geldende zorgvuldigheidsplicht. Het ontbreken van de motivering bij de uitsluiting van het recht tot kantonnement is voor appellant een legitieme en afdoende reden om dat in hoger beroep aan te vechten. Gezien er volgens het hof geen procesrechtsmisbruik is bij appellant zijn er geen termen om hem tot een schadevergoeding te veroordelen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak en met inachtneming van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; maakt toepassing van artikel 19, 2° Ger. Wb.; doet het bestreden vonnis teniet waar het appellant uitsluit van het recht tot kantonnement; laat appellant toe om te kantonneren voor de bedragen in hoofdsom, intresten en kosten waartoe hij in het bestreden vonnis is veroordeeld; houdt de beslissing over de gedingkosten aan en voegt ze bij de behandeling van het bodemgeschil. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op vierentwintig december tweeduizend en acht. Aanwezig: de heer Dominique Vandorpe kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.