id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090106.1 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-01-06 Raadplegingen: 609 - laatst gezien 2026-07-03 06:19 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: BOM-controle - observatie en infiltratie - artikel 235ter Sv. - recht op verdediging - behoorlijke rechtsbedeling - artikel 6 E.V.R.M. - ontvankelijkheid strafvordering - ontoelaatbaar bewijs Tekst van de beslissing In de zaak van D. A. N. B. Verdacht van: FEIT A DE TWEEDE: Te Dendermonde, te Gent, te Mechelen, te Antwerpen, te Brugge of elders in het Rijk op niet nader te bepalen data in de periode gaande van 01.03.2007 tot en met 26.03.2007: De aanstoker te zijn geweest tot een vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen, of er als hoofd van die bende deel van uitgemaakt te hebben of daarin enig bevel te hebben gevoerd de vereniging bestaande door het enkele feit van het inrichten der bende, en ten doel hebbende wanbedrijven te plegen, namelijk deze bestraft door artikel 337 lid 1 en 2 Strafwetboek FEIT B DE EERSTE, DE DERDE, DE VIERDE en DE VIJFDE: Te Dendermonde, te Gent, te Mechelen, te Antwerpen, te Brugge of elders in het Rijk op niet nader te bepalen data in de periode gaande van 01.03.2007 tot en met 26.03.2007: Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, om door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, om hetzij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of -zinnebeeld, aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het feit rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door artikel 66 van het Strafwetboek. Deel uitgemaakt te hebben van een vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen, bestaande door het enkele feit van het inrichten der bende, de vereniging ten doel hebbende wanbedrijven te plegen , namelijk deze bestraft door artikel 337 lid 1 en 2 Strafwetboek FEIT C DE EERSTE en DE TWEEDE: Te Dendermonde, te Gent, te Mechelen, te Antwerpen, te Brugge of elders in het Rijk op niet nader te bepalen data in de periode gaande van 01.03.2007 tot en met 26.03.2007: Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, om door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, om hetzij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of -zinnebeeld, aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het feit rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door artikel 66 van het Strafwetboek. Niet belast zijnde met het bewaken of het geleiden van gevangene Zariouh Jaoide, diens ontvluchting of diens poging tot ontvluchting bevorderd te hebben door het verschaffen van wapens met de omstandigheid dat de ontvluchting of de poging daartoe geschied is met geweld, bedreiging of gevangenisbraak en dat de ontvluchte vervolgd werd of veroordeeld werd wegens een wanbedrijf FEIT D DE DERDE Te Dendermonde, te Gent, te Mechelen, te Antwerpen, te Brugge of elders in het Rijk op niet nader te bepalen data in de periode gaande van 01.03.2007 tot en met 26.03.2007: Niet belast zijnde met het bewaken of het geleiden van gevangene Zariouh Jaoide, diens ontvluchting of de poging tot ontvluchting bevorderd te hebben door het verschaffen van de daartoe geschikte werktuigen met de omstandigheid dat de ontvluchting of de poging daartoe geschied is met geweld, bedreiging of gevangenisbraak en dat de ontvluchte vervolgd werd of veroordeeld werd wegens een wanbedrijf FEIT E DE EERSTE, DE DERDE, DE VIERDE en DE VIJFDE: Te Dendermonde, te Gent, te Mechelen, te Antwerpen, te Brugge of elders in het Rijk op niet nader te bepalen data in de periode gaande van 01.03.2007 tot en met 26.03.2007: Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, om door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben, om hetzij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of -zinnebeeld, aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het feit rechtstreeks uitgelokt te hebben, als dader of mededader zoals voorzien door artikel 66 van het Strafwetboek. Niet belast zijnde met het bewaken of het geleiden van gevangene A., diens ontvluchting of de poging tot ontvluchting bevorderd te hebben door het verschaffen van de daartoe geschikte werktuigen met de omstandigheid dat de ontvluchting of de poging daartoe geschied is met geweld, bedreiging of gevangenisbraak en dat de ontvluchte geïnterneerd was krachtens de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij FEIT F DE EERSTE: Te Dendermonde, te Gent, te Mechelen, te Antwerpen, te Brugge of elders in het Rijk op niet nader te bepalen data in de periode gaande van 01.03.2007 tot en met 26.03.2007: Bij inbreuk op de artikelen 3 §3.1°, 14 en 23 lid 1 van de Wet houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens de dato 08.06.2006, een vergunningsplichtig vuurwapen, meerbepaald een pistool FN cal. 7.65, te hebben gedragen zonder een wettige reden, zonder in het bezit te zijn van een vergunning tot het voorhanden hebben van het betrokken wapen evenals zonder in het bezit te zijn van een wapendrachtvergunning. De eerste verdachte zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, veroordeeld geweest zijnde tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar, namelijk tot een hoofdgevangenisstraf van 3 jaren hoofdens meerdere (pogingen) diefstallen met braak, inklimming of valse sleutels ingevolge arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 25.11.2002 dat kracht van gewijsde bekomen heeft op het ogenblik der huidige feiten en het nieuwe feit gepleegd zijnde voordat vijf jaar zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is. De tweede verdachte zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, veroordeeld geweest zijnde tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar, namelijk tot een hoofdgevangsenisstraf van 5 jaren met probatie-uitstel gedurende 5 jaren voor 2 jaren hoofdens bendevorming, diefstal met geweld en weerspannigheid ingevolge arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 08.06.2000 dat kracht van gewijsde bekomen heeft op het ogenblik der huidige feiten en het nieuwe feit gepleegd zijnde voordat vijf jaar zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is. De derde verdachte zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, veroordeeld geweest zijnde tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar, namelijk tot een hoofdgevangenisstraf van 2 jaren met uitstel gedurende een termijn van 3 jaren behalve 3 maanden hoofdens diefstal met geweld ingevolge vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 23.03.2001 dat kracht van gewijsde bekomen heeft op het ogenblik der huidige feiten en het nieuwe feit gepleegd zijnde voordat vijf jaar zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is. De vijfde verdachte zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, veroordeeld geweest zijnde tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar, namelijk tot een hoofdgevangenisstraf van 30 maanden met uitstel gedurende een termijn van 5 jaren voor de helft hoofdens opzettelijke slagen en verwondingen, bedreigingen, diefstallen met braak, inklimming of valse sleutels, diefstallen, smaad, inbreuken op de wapenwetgeving ingevolge vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen dd. 28.10.2002 dat kracht van gewijsde bekomen heeft op het ogenblik der huidige feiten en het nieuwe feit gepleegd zijnde voordat vijf jaar zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, negentiende correctionele kamer, Not.nr. 10.98.1208/07, dd. 23 juni 2008 op tegenspraak ten aanzien van de beklaagden D., A., N. en B. bij verstek gewezen ten aanzien van de beklaagde beslist : Strafrechtelijk D. SPREEKT de eerste beklaagde D. vrij wegens de feiten voorwerp van de tenlasteleggingen C en E; VERKLAART de eerste beklaagde D. schuldig aan de tenlasteleggingen B en F; Toepassing makend van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek; VEROORDEELT de eerste beklaagde D., zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, tot een gevangenisstraf van TWEE JAAR; A. SPREEKT de tweede beklaagde A. vrij wegens de feiten voorwerp van de tenlastelegging C; VERKLAART de tweede beklaagde A. schuldig aan de tenlastelegging A; VEROORDEELT de tweede beklaagde A., zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, tot een gevangenisstraf van DRIE JAAR; STELT de veroordeelde A. gedurende een termijn van vijf jaren ter beschikking van de regering na afloop van zijn straf; N. SPREEKT de derde beklaagde N. vrij wegens de feiten voorwerp van de tenlasteleggingen D en E; VERKLAART de derde beklaagde N. schuldig aan de tenlastelegging B; VEROORDEELT de derde beklaagde N., zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, tot een gevangenisstraf van ACHTTIEN MAANDEN; ... VEROORDEELT de eerste beklaagde tot 1/7, tweede beklaagde tot 3/7, derde beklaagde tot 1/7, vierde beklaagde tot 1/7 en vijfde beklaagde tot 1/7 van de gerechtskosten, in hun geheel begroot aan de zijde van het openbaar ministerie op de som van 13.336,71 euro. Legt iedere veroordeelde eveneens een vergoeding op van 29,30 euro in uitvoering van art. 77 K.B. 27.4.2007 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. Spreekt bovendien lastens elke veroordeelde de verplichting uit om een bedrag van VIJFENTWINTIG EURO, met 45 opdeciemen verhoogd, telkens 137,50 EURO bedragende, te betalen bij wijze van bijdrage tot financiering van het fonds tot financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Overtuigingsstukken - SPREEKT overeenkomstig artikel 42, 1° en 43 van het Strafwetboek de bijzondere verbeurdverklaring uit van de zaken vermeld onder nummers 04281/2007, 02226/2007, 02496/2007, 02042/2007, 02054/2007, 02055/2007, 01427/2007, 01493/2007 en 01495/2007 van het register van overtuigingsstukken van de correctionele griffie te Dendermonde, zijnde zaken die hebben gediend of bestemd waren om de in hoofde van de beklaagden bewezen geachte feiten te plegen. - STELT ter beschikking van de procureur des Konings teneinde te handelen als naar recht de hiernavolgende overtuigingsstukken: 03263/2007, 02317/2007, 01823/2007, 01817/2007, 01494/
- HOUDT de burgerlijke belangen ambtshalve aan conform artikel 4 van de Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij art. 2 van de Wet van 13 april 2005 (B.S. 03.05.2005). Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld: 1) op 24 juni 2008 door de beklaagde A. ; 2) op 7 juli 2008 door de beklaagde N. ; 3) op 7 juli 2008 door de beklaagde D. ; 4) op 7 juli 2008 door het Openbaar Ministerie tegen de tweede en derde beklaagde. 5) Op 8 juli 2008 door het Openbaar Ministerie tegen de eerste beklaagde *** Gehoord in openbare terechtzitting van 12 november 2008 in het Nederlands: - de eerste beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Filip Van Hende, advocaat te Gent; - de tweede beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Koen Krikillion, advocaat te Schendelbeke; - de derde beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Koen Krikillion, advocaat te Schendelbeke; - het Openbaar Ministerie in zijn vordering uitgebracht door Advocaat-generaal L. Decreus; *** De zaak werd in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 26/11/2008 om 9 uur. *** Gehoord in openbare terechtzitting van 26/11/2008 in het Nederlands : - de eerste beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Filip Van Hende, advocaat te Gent; - de tweede beklaagde in zijn middelen van verdediging, vertegenwoordigd door meester Koen Krikillion, advocaat te Schendelbeke; *** De zaak werd in voortzetting gesteld op de terechtzitting van 10 december
- *** Gehoord in openbare terechtzitting van 10 december 2008 in het Nederlands: - de eerste beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Filip Van Hende, advocaat te Gent; - de tweede beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Koen Krikillion, advocaat te Schendelbeke; - de derde beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Koen Krikillion, advocaat te Schendelbeke; - het Openbaar Ministerie in zijn vordering uitgebracht door Advocaat-generaal Luc Decreus; *** Procesrechtelijk De door de (initieel) eerste beklaagde D. op 7 juli 2008, de tweede beklaagde A. op 24 juni 2008 en de derde beklaagde N. op 7 juli 2008, alsook door het Openbaar Ministerie op 7 en op 8 juli 2008 lastens deze drie beklaagden tegen het wat ieder van hen betreft op tegenspraak gewezen vonnis van de 19° Correctionele kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde dd. 23 juni 2008 ingestelde hoger beroepen zijn regelmatig naar tijd en vorm. Elk hoger beroep is ontvankelijk. Deze zaak werd naar de Correctionele rechtbank te Dendermonde verwezen bij beschikking, verleend door de Raadkamer te Dendermonde op 26 oktober
- Deze verwijzingsbeschikking was voorafgegaan door het arrest, gewezen op 4 oktober 2007 door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent, waarbij in toepassing van het artikel 235 ter Sv.de regelmatigheid van de in deze zaak toegepaste bijzondere opsporingsmethode van observatie werd getoetst en correct bevonden (cfr.karton I, kaft 8 st.5). De verjaring van de strafvordering is op heden niet ingetreden. Probleemstelling Tijdens de openbare terechtzitting van dit Hof op 10 december 2008 heeft de Heer Advocaat-generaal er in zijn rekwisitoor op gewezen dat er een procedureprobleem bestaat, nu het Openbaar Ministerie in deze zaak niet aanwezig was bij het afzonderlijk horen van de inverdenkinggestelden/ huidige beklaagden bij de wettigheidscontrole van de tijdens het gerechtelijk vooronderzoek toegepaste bijzondere opsporingsmethode van observatie, die in toepassing van het artikel 235ter Sv. op 4 oktober 2007 door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent werd uitgevoerd. Het Openbaar Ministerie vorderde dat, in het licht van het recente arrest van het Hof van Cassatie van 28 oktober 2008 (P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3) - cfr. infra historiek - , deze zaak onbepaald zou worden uitgesteld met het oog op de toepassing van het artikel 441 Sv., teneinde te kunnen overgaan tot rechtzetting van de procedure voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling m.b.t.de BOM-controle, waarna de procedure ten gronde zou kunnen worden verder gezet. De verdediging verzette zich unaniem tegen het gevorderde onbepaald uitstel. Historiek Het Hof acht het noodzakelijk om prealabel het ontstaan van de huidige problematiek chronologisch te analyseren alvorens de argumenten van het Openbaar Ministerie en van de beklaagden te ontmoeten. In de motieven van het arrest van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof ) nr. 202/2004 van 21 december 2004 (B.S. 06.01.2005) werd sub B27.
- expliciet onder meer het volgende overwogen m.b.t. de wettigheidscontrole op de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie, in ons rechtsbestel ingevoerd bij het artikel 4 (onderafdeling 3 en 4) van de Wet van 6 januari 2003 (B.S. 12.05.2003) : "...... De inmenging in de rechten van de verdediging kan echter enkel worden verantwoord indien zij strikt evenredig is met het belang van de te bereiken doelstellingen en indien zij wordt gecompenseerd door een procedure die een onafhankelijke en onpartijdige rechter in staat stelt de wettigheid van de procedure te onderzoeken (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arresten Edwards en Lewis t/ Verenigd Koninkrijk, 22 juli 2003 en 27 oktober 2004)......" Als gevolg van dit arrest heeft de wetgever door middel van het artikel 23 van de Wet van 27 december 2005 "houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit" (B.S. 30.12.2005 - ed.2) het artikel 235ter in het Wetboek van Strafvordering ingevoegd. Op grond van die wetsbepaling controleert de Kamer van Inbeschuldigingstelling de wettelijkheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier. Het artikel 235ter §2 Sv. bepaalt de concrete werkwijze, die daarbij dient te worden gevolgd : " De Kamer van Inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de vordering van het Openbaar Ministerie. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien één van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De Kamer van Inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de Procureur-generaal. Zij hoort, op dezelfde wijze, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur vóór de zitting per faxpost of bij een ter post aangetekende brief wordt gedaan....." (eigen onderlijning door het Hof) Er werden meerdere beroepen ingesteld tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de voormelde Wet, inclusief van het artikel 235ter Sv., waaromtrent door het Grondwettelijk Hof onder meer werd geoordeeld bij arrest nr.105/2007 van 19 juli 2007 (B.S.13.08.2007 - ed.2). De partijen hadden aangevoerd dat het artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering de rechten van de verdediging schendt doordat het bepaalt dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de Kamer van Inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat aldus zonder verantwoording een verschil in behandeling was ingesteld in vergelijking met andere procedures, zoals die van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, waarin tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over de regelmatigheid van de strafprocedure wel cassatieberoep mogelijk is en vernietigde deze wetsbepaling. Sinds deze uitspraak van het Grondwettelijk Hof, houdende de vernietiging van het artikel 235ter §6 Sv., kan cassatieberoep worden ingesteld tegen het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling houdende de wettigheidscontrole op grond van het artikel 235ter Sv. De arresten van de Kamers van Inbeschuldigingstelling van de Hoven van Beroep konden sindsdien getoetst worden door het Hof van Cassatie, dat eind 2007 meermaals de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Grondwettelijk Hof (bij arresten van 2 oktober 2007, 30 oktober 2007, 27 november 2007 en 18 december 2007), nl. : « Schenden artikel 235ter en/of artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat daarin niet wordt voorzien in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij een controle van het vertrouwelijk dossier overeenkomstig de artikelen 189ter en/of 235ter van het Wetboek van Strafvordering dat een voorbereidend arrest is, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging dat een gelijkaardig voorbereidend arrest is als dit gewezen bij toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering ? ». Deze vraagstelling leidde tot het arrest van het Grondwettelijk Hof van 31 juli 2008 (B.S. 15.9.2008). Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn overwegingen sub B8 en B9: "... Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever, zoals in B.5 is omschreven, om tegen de arresten van de Kamer van Inbeschuldigingstelling betreffende de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure met toepassing van artikel 235bis een onmiddellijk cassatieberoep mogelijk te maken door af te wijken van de regel vervat in het eerste lid van artikel 416, is het niet verantwoord dat de arresten van de Kamer van Inbeschuldigingstelling over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier met toepassing van artikel 189ter of artikel 235ter niet eveneens het voorwerp zouden kunnen uitmaken van een onmiddellijk cassatieberoep. Dat onverantwoorde verschil in behandeling vloeit voort uit de ontstentenis, in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, van een wetsbepaling die voor de beslissingen van de Kamer van Inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter eenzelfde draagwijdte heeft als die ten aanzien van de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235bis. Hieruit volgt dat artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet voorziet in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling wanneer deze een controle van het vertrouwelijk dossier uitoefent met toepassing van de artikelen 189ter of 235ter van het Wetboek van Strafvordering..." Bij arrest van 14 oktober 2008 (N.C. 2008, 458) heeft het Hof van Cassatie (voltallige Kamer) voor het eerst een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van een Hof van Beroep (Antwerpen), Kamer van Inbeschuldigingstelling, gewezen in toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Sv., ontvankelijk verklaard. Het kort daarop gewezen arrest van het Hof van Cassatie van 28 oktober 2008 (P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3), dat aan de oorsprong ligt van de huidige problematiek, is eveneens tot stand gekomen ingevolge een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, Kamer van Inbeschuldigingstelling, waarbij de wettigheidscontrole in toepassing van het artikel 235ter Sv. was uitgeoefend. Het Hof van Cassatie oordeelde daarbij - met referte naar de artikelen 138, eerste lid en 140 Gerechtelijk Wetboek en naar het artikel 273 Wetboek van Strafvordering - als volgt (derde middel): "...Artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering die bepalen dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal hoort, en op dezelfde wijze de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde hoort (cfr. de hoger door het Hof onderlijnde tekst), houdt niet in dat de Procureur-generaal niet aanwezig mag zijn bij het horen van de burgerlijke partij of de inverdenkinggestelde. Het houdt integendeel in dat wanneer de Procureur-generaal niet aanwezig was, de rechtspleging van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering door nietigheid is aangetast." Het Hof van Cassatie heeft de zaak vervolgens na verbreking verwezen naar de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent, anders samengesteld en - gezien het een onmiddellijk cassatieberoep betrof - kon de procedure bij het afsluiten van het vooronderzoek ten spoedigste geregulariseerd worden, met het oog op navolgende verwijzing door de Raadkamer. In het derde lid van het artikel 235ter § 2 Sv. staat letterlijk dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde op dezelfde wijze hoort als het Openbaar Ministerie. De formulering van deze wettekst had onder meer in dit rechtsgebied sinds 30 december 2005 (tijdstip van het in voege treden van het artikel 23 van de wet van 27 december 2005 "houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit"), steeds tot de interpretatie geleid : "afzonderlijk, dus buiten de aanwezigheid van het Openbaar Ministerie". Uit de geschetste historiek blijkt dat elk rechtsmiddel uitgesloten was tot aan het arrest van het Grondwettelijk Hof van 19 juli 2007 en dat pas na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 31 juli 2008 een onmiddellijk cassatieberoep kon worden ingesteld tegen de arresten gewezen in toepassing van het artikel 235ter Sv. Dit verklaart waarom er eerder nog geen eenheid van rechtspraak kon ontstaan omtrent de concrete toepassingsmodaliteiten van deze wetsbepaling. Het hoger aangehaalde arrest van 28 oktober 2008 is trouwens de eerste verbreking door het Hof van Cassatie op deze gronden in het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Gent (rekwisitoor O.M.). Bevoegdheid - saisine De vraag die zich thans stelt en die het Hof aan tegenspraak heeft onderworpen luidt of het standpunt dat door het Hof van Cassatie werd ingenomen in het recente arrest van 28 oktober 2008 al dan niet enig impact kan hebben op de saisine van dit Hof in deze zaak, reeds hangende in graad van hoger beroep, te meer nu tegen het arrest van 4 oktober 2007, tijdstip waarop de wettigheidscontrole door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent gebeurde, nog geen onmiddellijk cassatieberoep was toegelaten. Uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan, namelijk uit de expliciete bewoordingen van dit arrest, blijkt dat er geen tegenspraak is geweest bij de wettigheidscontrole, waarbij door de Kamer van Inbeschuldigingstelling werd geoordeeld dat de bijzondere opsporingsmethode van de observatie regelmatig is verlopen. Bij de controle op grond van het artikel 235 ter §2 Sv.werd het Openbaar Ministerie afzonderlijk gehoord en vervolgens, in afwezigheid van het Openbaar Ministerie, de inverdenkinggestelde A. (huidige tweede beklaagde), die geen opmerkingen heeft geformuleerd; D. en S. zijn alsdan niet verschenen. Voortbouwend op de cassatierechtspraak van 28 oktober 2008, werpt de verdediging van A. en van N. op dat het Hof onbevoegd is om in deze zaak alsnog te statueren ingevolge de nietigheid waardoor deze verplichte wettigheidscontrole, voorafgaand aan de verwijzingsbeschikking, is aangetast. De verdediging van D. stelt daarentegen dat de strafvordering niet ontvankelijk is. Het Hof is van oordeel dat zijn bevoegdheid/saisine geenszins is aangetast. Er is immers een cesuur tussen de beslissingen genomen door de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten, die van elkaar volstrekt onafhankelijk zijn. Het Hof, als vonnisgerecht, beschikt immers niet over het recht om de wettigheid van de beslissing van een onderzoeksgerecht te toetsen. Zolang er geen vernietiging is van een beslissing van het onderzoeksgerecht (hier van het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling) door het Hof van Cassatie, blijft deze beslissing alle effect ressorteren en dient het Hof uitspraak te doen over de zaak zelf ( cfr. R. DECLERCQ " Onderzoeksgerechten " A.P.R. 1993, nr.192 ; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS & A. MASSET: " Manuel de procédure pénale " 2 ed. 2006, p.515-516). Nu in deze zaak de verwijzingsbeschikking door de Raadkamer te Dendermonde, voorafgegaan was door de verplichte wettigheidscontrole van de bijzondere opsporingsmethode van observatie door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent en de beklaagden nadien ingevolge een regelmatige dagstelling gedagvaard werden om te verschijnen voor dit Hof, op grond van de ontvankelijke hoger beroepen, is deze Kamer derhalve bevoegd om kennis te nemen van de zaak en er over te beslissen. Vordering van het Openbaar Ministerie Gelet op hetgeen hoger werd uiteengezet, is het Openbaar Ministerie uitgegaan van de correcte premisse dat dit Hof over geen rechtsmacht beschikt om het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 4 oktober 2007 te toetsen naar wetmatigheid toe en a fortiori dit arrest niet nietig kan verklaren. Ongetwijfeld met het maatschappelijk belang voor ogen, nu dezelfde problematiek zich aandient in meerdere zaken in dit rechtsgebied, heeft het Parket-generaal geopteerd voor het nemen van een vordering, die tot een collectieve oplossing zou kunnen leiden, met name een vraag gericht aan het Hof strekkende tot het onbepaald uitstellen van deze zaak om prealabel over te gaan tot het toepassen van het artikel 441 Sv. Dit zou inhouden dat de Procureur-generaal bij de tweede kamer van het Hof van Cassatie aangifte doet van het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling en/of van andere akten die strijdig zijn met de Wet. Het initiatief kan alleen uitgaan van de Minister van Justitie, waardoor deze beslissing(en) kan (kunnen) worden vernietigd. Het Hof kan om diverse redenen niet ingaan op het verzoek van het Openbaar Ministerie om de zaak daartoe onbepaald uit te stellen : - de beslissing tot het verlenen van een dergelijk uitstel zou als dusdanig kunnen geïnterpreteerd worden dat deze impliciet een niet geoorloofde wettigheidstoetsing van het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 4 oktober 2007 inhoudt, vermits het gevorderde uitstel met het oog op het instellen van de procedure op grond van het artikel 441 Sv. de nietigverklaring beoogt van dit laatste arrest, hetgeen aldus expliciet is verwoord door het O.M. ; - de vraag op zich is totaal onnuttig omdat het instellen van een dergelijke procedure niet termijngebonden is en dat deze wetsbepaling niet vereist dat het om een eindbeslissing zou gaan, of dat deze beslissing kracht van gewijsde zou hebben ( cfr. R. DECLERCQ: " Beginselen van strafrechtspleging " 4° ed. 2007, nr. 3622; P. LEMMENS & W. VANDENHOLE: " De heropening van een strafprocedure na een veroordelend arrest van het EHRM " T.Strafr. 2001, blz.66 nrs.35-36) ; de Minister van Justitie zou tot deze aangifte hoe dan ook en om het even wanneer soeverein kunnen overgaan, daarvoor dient dit Hof geen uitstel te verlenen ; - het belangrijkste argument om het onbepaald uitstel te weigeren is naar het oordeel van het Hof het gevolg van de toetsing aan het artikel 5§3 E.V.R.M. Het Hof stelt vast dat de (initieel eerste) beklaagde D. voor de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B, C en F in deze zaak aangehouden is sinds 26 maart 2007 en onder de banden van het aanhoudingsmandaat verwezen werd. Hij is sindsdien onafgebroken in hechtenis gebleven en werd door de eerste rechter op grond van de bewezen geachte feiten B en F samen, in staat van wettelijke herhaling, veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van twee jaar. Het Hof stelt vast dat de (initieel tweede) beklaagde A. eerder werd geïnterneerd. Het aanhangig zijn van het huidige strafgeding kan echter implicaties ressorteren op de mogelijkheid tot een invrijheidsstelling op proef. Deze beklaagde werd door de eerste rechter op grond van het bewezen geachte feit A, in staat van wettelijke herhaling, veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar, alsook gedurende een termijn van vijf jaar ter beschikking van de regering gesteld na de afloop van zijn straf. Het Hof stelt vast dat deze laatste bijkomende straf onwettig was, gezien in eerste aanleg aan de vereisten, gesteld bij het artikel 24 van de Wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten niet was voldaan. De betreffende procedures werden pas tegen de terechtzitting van dit Hof van 26 november 2008 bij het dossier gevoegd door het Openbaar Ministerie. Tot op heden heeft het procesverloop, rekening houdend met de aard van de feiten en de betwistingen die terzake in feite en in rechte worden gevoerd, steeds een normale voortgang gekend. Het Hof dient er over te waken dat de rechtsgang niet wordt gestremd opdat aan de redelijke termijnvereiste, zoals vervat in het artikel 5§3 E.V.R.M., blijvend zou worden voldaan. Mocht dit Hof in deze zaak ingaan op het verzoek van het Openbaar Ministerie om de zaak onbepaald uit te stellen, dan zou deze waarborg niet langer kunnen gegarandeerd worden. (cfr. J. VANDE LANOTTE & Y. HAECK (eds.): " Handboek E.V.R.M., 2004, deel 2 volume I, blz.343-348 en de aldaar geciteerde rechtspraak). De beklaagden, die van hun vrijheid beroofd zijn conform het artikel 5§1c) E.V.R.M., dienen immers binnen een redelijke termijn berecht te worden. Ontvankelijkheid van de strafvordering
- Exceptio obscurri libelli Enkel de beklaagde A. beroept zich in graad van hoger beroep in zijn syntheseconclusie nog steeds op een vermeende onduidelijkheid van de feiten, voorwerp van de tenlastelegging A, om tot de niet ontvankelijkheid van de strafvordering te besluiten. In beginsel tast de onduidelijkheid van een tenlastelegging de ontvankelijkheid van de strafvordering niet aan (cfr.L. HUYBRECHTS & M. ROZIE :" De rechten van verdediging bij de behandeling ten gronde " N.C.2008, blz.124 nr.101) en uit de debatten is gebleken dat een gericht verweer kon gevoerd worden waaruit het Hof afleidt dat de beklaagde wel degelijk wist waaromtrent hij zich specifiek diende te verdedigen. Dit verweer werd ook reeds door de eerste rechter beantwoord sub 2.
- van het bestreden vonnis. De motieven van de eerste rechter worden niet ontkracht door het verweer in graad van hoger beroep. Het Hof herneemt deze motieven en maakt deze tot de zijne.
- Onrechtmatig bewijs ? Het Hof dient tot een zo ruim mogelijke beoordeling van het voorhanden bewijs over te gaan, rekening houdend met alle elementen waarover het in het (open) strafdossier beschikt en met alle gegevens die werden aangevoerd bij het onderzoek ter terechtzitting. Het Hof dient m.a.w. na te gaan of het beschikt over voldoende informatie en of de bewijsgaring niet onrechtmatig is (cfr. H.BERKMOES & J.DELMULLE: " De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden ", 2008, blz. 167 en de aldaar geciteerde rechtspraak). Noch in eerste aanleg, noch voor dit Hof, werd door de verdediging enige negatieve opmerking gemaakt omtrent de bewijsverkrijging zelf (in de zin van het artikel 131 Sv.). Aan de hand van het open dossier stelt het Hof geen onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vast, die invloed heeft op de bewijsverkrijging. Zoals reeds hoger werd gesteld, waren door de verdediging omtrent het aanwenden van de bijzondere opsporingsmethode van observatie evenmin bij de behandeling voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent opmerkingen geformuleerd. Het Hof is dan ook van oordeel dat er in deze zaak geen sprake kan zijn van nieuwe en concrete elementen, die het Hof zouden toelaten om deze zaak op grond van het artikel 189ter Sv. te verwijzen naar de Kamer van Inbeschuldigingstelling teneinde de wettigheidscontrole opnieuw te laten uitvoeren (cfr.: Cass.19 maart 2008, T. Strafr. 2008/37). De verdediging van de beklaagde D. (cfr.conclusies sub 2.1.2.3/) meent dat er in deze zaak dient beslist te worden tot bewijsuitsluiting in de zin van het Antigoonarrest van 14 oktober 2003, als een vierde categorie van uit te sluiten onrechtmatig bewijs. Hij leidt dit echter ten onrechte af uit de arresten van het Grondwettelijk Hof van 19 juli 2007 (B.S. 13.08.2007 -ed.2) rolnr. 105/2007 en van 26 juli 2007 (2007 (B.S.10.9.2007 - ed.2) rolnr.107/2007 met verwijzing naar T. DECAIGNY " De BOM-controle anno 2008 " T.Strafr.2008, nr.3). In deze beide arresten van het Grondwettelijk Hof (resp. sub B.3.
- en sub B.4.2.) staan de volgende overwegingen : " De bijzondere opsporings- en onderzoeksmethoden die het voorwerp uitmaken van de in het geding zijnde bepalingen, hebben gemeen dat zij een diepgaande inmenging kunnen inhouden in diverse grondrechten. Zowel uit het ingrijpend karakter van die methoden, als uit de zorg waarmee de wetgever het juridisch kader heeft omschreven voor de aanwending ervan, volgt dat, in geval van niet-naleving van de essentiële voorwaarden voor de aanwending van die methoden, het met overtreding daarvan verkregen bewijs ongeldig is." Deze laatste zinsnede handelt duidelijk over de bewijsverkrijging zelf, nl. het bewijs dat verkregen wordt door het aanwenden van de bijzondere opsporings-en onderzoeksmethoden en niet over de procedure houdende de controle op deze bewijsverkrijging. Dit argument is duidelijk niet relevant in de huidige problematiek, zodat er derhalve ook geen stukken te betitelen als "onrechtmatig verkregen bewijs" uit het dossier dienen geweerd te worden.
- Recht op tegenspraak - eerlijk proces ? De beklaagden voeren terzake aan dat het voorhanden bewijs door een onregelmatigheid is aangetast, in die zin dat een regel van het strafprocesrecht werd miskend doordat de Heer Procureur-generaal niet aanwezig was bij het afzonderlijk horen van de partijen tijdens de wettigheidscontrole door de Kamer van Inbeschuldigingstelling in toepassing van het artikel 235 ter Sv. en dat daardoor precies de rechten van verdediging werden geschonden. In de conclusie van Advocaat-generaal D.Vandermeersch bij het arrest van het Hof van Cassatie van 19 maart 2008 (T. Strafr. 2008/37) wordt - uitgaande van het arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2006 (T.Strafr. 2006, blz.92 en N.C. 2006, blz.204) en refererend naar het standpunt ingenomen door het Arbitragehof bij arrest van 21 december 2004 (nr. 202/2004) en door het Grondwettelijk Hof bij arrest van 19 juli 2007 (nr.105/2007) - gesteld dat de invoering van een verplicht onderzoek van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden tot doel heeft om te beantwoorden aan de vereisten van een eerlijke behandeling van de zaak zoals deze blijken uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Met de controle, vastgesteld bij het artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering heeft de wetgever een volledig en daadwerkelijk onderzoek van de wettigheid van de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie willen waarborgen door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Aldus is deze controle in overeenstemming met het artikel 6 E.V.R.M. Vanuit deze premisse wordt besloten : " ...dat de controle op de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling een substantieel vormvereiste is dat het gebrek aan tegenspraak qua inhoud van het vertrouwelijk dossier, goedmaakt, en poogt aan de vereisten van een eerlijk proces te beantwoorden...". Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens heeft in de interne rechtsorde rechtstreekse werking en de in dit Verdrag besloten waarborgen moeten toepassing vinden bij de beoordeling van de gegrondheid van de tegen de beklaagden ingestelde strafvordering. Het recht van verdediging dient daarbij opgevat te worden als een deelaspect van het breder begrip "behoorlijke rechtsbedeling", zoals omschreven in artikel 6 E.V.R.M. Het Hof is als vonnisrechter gehouden om het "proces in zijn geheel" te evalueren en te toetsen aan de verdragsrechterlijke normen. Het Hof heeft aan alle nog in zake zijnde beklaagden de kans gegeven om vrij tegenspraak te voeren tegen de door het OM tegen hen ingebrachte gegevens waarop de strafvordering steunt, om aan de vereisten van een eerlijk proces te kunnen beantwoorden. Het Hof kan aan de beklaagden echter niet de kans geven om vrij tegenspraak te voeren omtrent het vertrouwelijk dossier, omdat het Hof daar geen rechtsmacht toe heeft en zelfs niet over enig inzagerecht beschikt, het Hof kan evenmin een nieuwe BOM-controle gelasten (cfr.supra). In het (Antigoon-) arrest van 14 oktober 2003 (T.Strafr. 2004/11) wordt door het Hof van Cassatie het volgende overwogen: " Overwegende dat de omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen, in de regel slechts tot gevolg heeft dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat gegeven rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen: - hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden voorgeschreven wordt op straffe van nietigheid; - hetzij wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast; - hetzij wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces;..." In deze zaak is duidelijk het derde criterium, namelijk het "behoorlijkheidsverweer", aan de orde. Nu het immers precies de doelstelling van de wetsbepaling van het artikel 235ter Sv. is om het gebrek aan tegenspraak qua inhoud van het vertrouwelijk dossier goed te maken in het licht van de vereisten van een eerlijk proces (cfr. supra concl. Adv.gen. Vandermeersch) en de in concreto begane onregelmatigheid net bestaat uit een gebrek aan tegenspraak (afzonderlijk gehoorde inverdenkinggestelden/ thans beklaagden versus het Openbaar Ministerie), werden de rechten van verdediging in het licht van de vereisten van een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door het artikel 6.
- E.V.R.M. op een door dit Hof niet te herstellen wijze miskend (cfr. R. DECLERCQ op. cit. nrs.1671-1674). Het bewijs dat gestoeld is op de bijzondere opsporingsmethode van observatie is derhalve niet onrechtmatig verkregen, doch wel ontoelaatbaar. Het ontoelaatbaar bewijs heeft immers niets te maken met de bewijsverkrijging, maar wel met de wijze waarop het voor de rechter is gebracht (cfr. J.DU JARDIN : "Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie 1990-2003" R.W. 2003-2004, blz.771-772, H.; L. ARNOU : " Toelaatbaarheid van bewijs in strafzaken en het recht van verdediging" R.Cass. 1997, blz.11, nr. 6). Aangezien het gerechtelijk vooronderzoek in ruime mate steunt op de bijzondere opsporingsmethode van observatie, dient de strafvordering ingevolge de uitsluiting van dit ontoelaatbaar bewijs onontvankelijk te worden verklaard. De kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, in eerste aanleg begroot op 13.366,71 euro en in beroep in het geheel begroot op 272,90 euro dienen ten laste van de Staat te worden gelegd. OP DEZE GRONDEN HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op : - de artikelen 13 en 24 Wet van 15 juni 1935 ; - de artikelen 185§1,194, 210, 211 en 215 Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 5.3 en 6.
- E.V.R.M. van 4 november 1950, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955; Al deze wetsbepalingen aangehaald ter terechtzitting van heden ; Verklaart elk hoger beroep ontvankelijk en er over beslissend : Doet het bestreden gedeelte van het aangevochten vonnis, verleend door de 19° correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 23 juni 2008 teniet en, Opnieuw wijzend : Wijst het verzoek van het Openbaar Ministerie, strekkende tot het onbepaald uitstellen van de behandeling van deze zaak af, dit op grond van de hoger in het overwegend gedeelte van dit arrest aangehaalde motieven; Zegt voor recht dat het aan het oordeel van het Hof onderworpen strafproces, in zijn geheel beschouwd, niet voldoet aan de vereisten van een behoorlijke rechtsbedeling, zoals omschreven in het artikel 6.
- E.V.R.M.; Zegt voor recht dat, ingevolge het schenden van de rechten van verdediging, het bewijs geput uit de bijzondere opsporingsmethode van observatie, als niet toelaatbaar dient te worden geweerd; Verklaart derhalve de strafvordering niet ontvankelijk; Laat de kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, ten laste van de Staat. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van ZES JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN Aanwezig : I. Mallems, wnd. voorzitter, F. De Tandt en M. De Busscher, raadsheren, L. Decreus, advocaat-generaal, K. Goossens, griffier, Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div