← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090106.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090106.3 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-01-07 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-07-03 06:19 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging Vrije woorden: BOM-controle - artikel 235ter Sv. - observatie - rechten van verdediging - behoorlijke rechtspleging - artikel 6 EVRM - toelaatbaarheid bewijs - ontvankelijkheid strafvordering Tekst van de beslissing Het hof van beroep te Gent, Achtste kamer, recht doende in correctionele zaken in de zaak van het openbaar ministerie en van de burgerlijke partij : Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, autonome openbare dienst, met kantoren te 1000 Brussel, Koningsstraat 138 zich gesteld voor de onderzoeksrechter op 12.02.2008 tegen allen Tegen: X Verdacht van : A. de eerste, de tweede, de derde, de vierde, de zevende en de negende Te 9230 Wetteren en met samenhang te 1060 Sint-Gillis, 1050 Elsene en elders in het rijk, meermaals op niet nader gekende tijdstippen in de periode van op 1 januari 2007 tot op 3 oktober 2007 Als dader of mededader zoals voorzien door artikel 66 van het strafwetboek, om het misdrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben Bij inbreuk op de artikelen 77bis § 1 en 80 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zich schuldig te hebben gemaakt aan het misdrijf van mensensmokkel door ertoe bijgedragen te hebben, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel met de verzwarende omstandigheden: - dat het misdrijf gepleegd werd ten opzichte van een minderjarige (art. 77 quater 1° van de wet van 15 december 1980) - dat zij misbruik hebben gemaakt van de bijzonder kwetsbare situatie waarin een persoon verkeert tengevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat de persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken (art. 77 quater 2° van de wet van 15 december 1980) - dat van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt (art. 77 quater 6° van de wet van 15 december 1980) - dat het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet (art. 77 quinquies 2° van de wet van 15 december 1980) minstens en onder meer ten nadele van : .... B. De eerste, de vijfde en de zesde Met samenhang te 1030 Schaarbeek, 1020 Brussel, 1080 Molenbeek, meermaals op niet nader gekende tijdstippen in de periode van op 1 januari 2007 tot op 3 oktober 2007 Als dader of mededader zoals voorzien door artikel 66 van het strafwetboek, om het misdrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben Bij inbreuk op de artikelen 77bis § 1 en 80 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zich schuldig te hebben gemaakt aan het misdrijf van mensensmokkel door ertoe bijgedragen te hebben, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied vaneen lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel met de verzwarende omstandigheden: - dat zij misbruik hebben gemaakt van de bijzonder kwetsbare situatie waarin een persoon verkeert tengevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat de persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken (art. 77 quater 2° van de wet van 15 december 1980) - dat het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet (art. 77 quinquies 2° van de wet van 15 december 1980) ten nadele van niet nader geïdentificeerde vreemdelingen C Wetens en willens betrokken te zijn geweest bij een criminele organisatie die gebruikt maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie,of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, ook al had hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de wijzen bedoeld in de artikel 66 tot 69 van het strafwetboek bedoelde wijzen

  1. De eerste, de tweede, de derde, de vierde, de zevende en de negende Met samenhang te 1030 Schaarbeek, 1080 Molenbeek en elders in het rijk, meermaals op niet nader gekende tijdstippen in de periode van op 1 januari 2007 tot op 3 oktober 2007
  2. De eerste, de vijfde en de zesde Met samenhang te 1030 Schaarbeek, 1020 Brussel, 1080 Molenbeek en elders in het rijk, meermaals op niet nader gekende tijdstippen in de periode van op 1 januari 2007 tot op 3 oktober 2007 D In het openbaar, een naam die hem niet toekomt te hebben aangenomen
  3. De eerste Te 9200 Dendermonde en met samenhang 1000 Brussel, op 3 oktober 2007: de naam S.
  4. De tweede Te 9200 Dendermonde en met samenhang 1080 Brussel, op 3 oktober 2007: de naam S. E Bij inbreuk van artikel 75 van de wet van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, als vreemdeling onwettig het Rijk te zijn binnengekomen of er verbleven te hebben
  5. De eerste Met samenhang te 1030 Schaarbeek en elders in het rijk, in de periode van op 24 mei 2004 tot op 3 oktober 2007
  6. De tweede Met samenhang te 1080 Sint-Jans-Molenbeek en elders in het rijk, in de periode van op 1 september 2006 tot op 3 oktober 2007
  7. De derde Met samenhang te 1080 Sint-Jans-Molenbeek en elders in het rijk, in de periode van op 1 januari 2005 tot op 3 oktober 2007
  8. De vierde Met samenhang te 1080 Sing-Jans-Molenbeek en elders in het rijk, in de periode van op 5 juni 2006 tot op 3 oktober 2007
  9. De achtste Met samenhang te 1060 Sint-Gillis in periode van op 1 juni 2007 tot op 3 oktober 2007 De eerste, de tweede, de derde, de vierde, de zevende en de negende tevens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43 bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd door de Wet van 17 juli 1990, te horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 234.000 euro zijnde de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf A zijn verkregen waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de beklaagde, de geldwaarde daarvan dient te ramen (het equivalent bedrag). De eerste, de vijfde en de zesde tevens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43 bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd door de Wet van 17 juli 1990, te horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 5000 euro zijnde de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf B zijn verkregen waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de beklaagde, de geldwaarde daarvan dient te ramen (het equivalent bedrag). ... Te zeggen voor recht dat in hoofde van de derde de inbeslaggenomen gelden ten bedrage van 200 rupees gestort op de rekening van het C.O.I.V., na verbeurdverklaring ervan, zullen dienen toegerekend te worden op het bedrag van de bij tussen te komen vonnis uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van de wederrechtelijke vermogensvoordelen. ... Te zeggen voor recht dat in hoofde van de zesde de inbeslaggenomen gelden ten bedrage van 2.080.017 Lei en 195 rupees gestort op de rekening van het C.O.I.V., na verbeurdverklaring ervan, zullen dienen toegerekend te worden op het bedrag van de bij tussen te komen vonnis uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van de wederrechtelijke vermogensvoordelen. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, negentiende correctionele kamer, not.nr. 55.F1.6126/07, dd. 20 mei 2008 op tegenspraak gewezen in hoofde van de tweede, de derde, de vijfde, de zesde en de zevende (thans in hoger beroep in zake) - toepassing makend van artikel 65 SWB - werd als volgt ondermeer beslist : Op strafrechtelijk gebied: ... STELT VAST dat volgens het inlichtingsbulletin en de schrijfwijze in het strafdossier en de besluiten voor zesde beklaagde de naam van zesde beklaagde als M. dient te worden geschreven en verbetert de dagvaarding in die zin. ... VERKLAART de tweede beklaagde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten omschreven onder de tenlasteleggingen A, C.1, D.2 en E.2; TOEPASSING makend van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek; VEROORDEELT tweede beklaagde voor de hierboven omschreven tenlasteleggingen tot een hoofdgevangenisstraf van VIJF JAREN en een GELDBOETE van VIJFDUIZEND EURO, met 45 opdeciemen verhoogd (= x 5,5), 27.500,- euro bedragende; ONTZET tweede beklaagde overeenkomstig artikel 77sexies van de Vreemdelingenwet van de in artikel 31 van het Strafwetboek genoemde rechten en dit gedurende een termijn van TIEN JAREN; VERKLAART de derde beklaagde Gurpreet SINGH schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten omschreven onder de tenlasteleggingen A, C.1 en E.3; TOEPASSING makend van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek; VEROORDEELT derde beklaagde voor de hierboven omschreven tenlasteleggingen tot een hoofdgevangenisstraf van VIJF JAREN en een GELDBOETE van VIJFDUIZEND EURO, met 45 opdeciemen verhoogd (= x 5,5), 27.500,- euro bedragende; ONTZET derde beklaagde overeenkomstig artikel 77sexies van de Vreemdelingenwet van de in artikel 31 van het Strafwetboek genoemde rechten en dit gedurende een termijn van TIEN JAREN; ... VERKLAART de vijfde beklaagde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten omschreven onder de tenlasteleggingen B en C.2; TOEPASSING makend van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek; VEROORDEELT vijfde beklaagde voor de hierboven omschreven tenlasteleggingen tot een hoofdgevangenisstraf van VIER JAREN en een GELDBOETE van VIJFDUIZEND EURO, met 45 opdeciemen verhoogd (= x 5,5), 27.500,- euro bedragende; ONTZET vijfde beklaagde overeenkomstig artikel 77sexies van de Vreemdelingenwet van de in artikel 31 van het Strafwetboek genoemde rechten en dit gedurende een termijn van TIEN JAREN; VERKLAART de zesde beklaagde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten omschreven onder de tenlasteleggingen B en C.2; TOEPASSING makend van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek; VEROORDEELT zesde beklaagde voor de hierboven omschreven tenlasteleggingen tot een hoofdgevangenisstraf van VIER JAREN en een GELDBOETE van VIJFDUIZEND EURO,met 45 opdeciemen verhoogd (= x 5,5), 27.500,- euro bedragende; ONTZET zesde beklaagde overeenkomstig artikel 77sexies van de Vreemdelingenwet van de in artikel 31 van het Strafwetboek genoemde rechten en dit gedurende een termijn van TIEN JAREN; VERKLAART de zevende beklaagde schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten omschreven onder de tenlasteleggingen A en C.1; TOEPASSING makend van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek; VEROORDEELT zevende beklaagde voor de hierboven omschreven tenlasteleggingen tot een hoofdgevangenisstraf van VIJF JAREN en een GELDBOETE van VIJFDUIZEND EURO, met 45 opdeciemen verhoogd (= x 5,5), 27.500,- euro bedragende; ONTZET zevende beklaagde overeenkomstig artikel 77sexies van de Vreemdelingenwet van de in artikel 31 van het Strafwetboek genoemde rechten en dit gedurende een termijn van TIEN JAREN; ... Bijzondere verbeurdverklaring ... SPREEKT lastens tweede beklaagde overeenkomstig art. 42 en 43bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd door de wet van 17 juli 1990 en thans gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, de bijzondere verbeurdverklaring uit van een bedrag van 44.000,00 euro, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf omschreven onder de tenlastelegging A zijn verkregen; SPREEKT lastens derde beklaagde overeenkomstig art. 42 en 43bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd door de wet van 17 juli 1990 en thans gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, de bijzondere verbeurdverklaring uit van een bedrag van 44.000,00 euro, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf omschreven onder de tenlastelegging A zijn verkregen; Verklaart in hoofde van derde beklaagde verbeurd de in beslag genomen gelden ten bedrage van 200 rupees, gestort op de rekening van het C.O.I.V., en zegt dat dit bedrag dient te worden toegerekend op de hiervoor uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring ten belope van dit bedrag. ... SPREEKT lastens vijfde beklaagde overeenkomstig art. 42 en 43bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd door de wet van 17 juli 1990 en thans gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, de bijzondere verbeurdverklaring uit van een bedrag van 1.500,00 euro, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf omschreven onder de tenlastelegging B zijn verkregen; SPREEKT lastens zesde beklaagde overeenkomstig art. 42 en 43bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd door de wet van 17 juli 1990 en thans gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, de bijzondere verbeurdverklaring uit van een bedrag van 1.500,00 euro, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf omschreven onder de tenlastelegging B zijn verkregen; Verklaart in hoofde van zesde beklaagde verbeurd de in beslag genomen gelden ten bedrage van 2.080.017 Lei en 195 rupees, gestort op de rekening van het C.O.I.V., en zegt dat dit bedrag dient te worden toegerekend op de hiervoor uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring ten belope van dit bedrag. SPREEKT lastens zevende beklaagde overeenkomstig art. 42 en 43bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd door de wet van 17 juli 1990 en thans gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, de bijzondere verbeurdverklaring uit van een bedrag van 44.000,00 euro, zijnde het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf omschreven onder de tenlastelegging A zijn verkregen; OVERTUIGINGSSTUKKEN: ... Kosten: ... Op burgerrechtelijk gebied: ... Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld: 1) op 26 mei 2008 door de tweede beklaagde ; 2) op 27 mei 2008 door de derde beklaagde ; 3) op 21 mei 2008 door de zesde beklaagde ; 4) op 21 mei 2008 door de zevende beklaagde 5) op 4 juni 2008 door het Openbaar Ministerie tegen de tweede, derde, vijfde, zesde en zevende beklaagde. Gehoord in openbare terechtzitting van 10 december 2008 in het Nederlands: - de beklaagde S. in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door de aangestelde tolk Punjabi, bijgestaan door meester Tom Van Bockstaele, advocaat te Zottegem; - de beklaagde S. in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door de aangestelde tolk Punjabi, bijgestaan door meester Lieven Van Caeneghem, advocaat te Dendermonde; - de beklaagde P. in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door de aangestelde tolk Roemeens, bijgestaan door meester Soetekin Steverlynck, advocaat te Gent; - de beklaagde I. in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door de aangestelde tolk Frans, bijgestaan - door meester Filip Van Hende, advocaat te Gent; - de beklaagde S. in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door de aangestelde tolk Afghaans, bijgestaan door meester Abderrahim Lahlali, advocaat te Gent; - het Openbaar Ministerie in zijn vordering uitgebracht door Advocaat-generaal L. Decreus; - de burgerlijke partij in haar eis, vertegenwoordigd door meester Jan De Winter, advocaat te Gent, loco meester Paul Quirynen, advocaat te Reet; Procesrechtelijk De door de (initieel) tweede beklaagde op 26 mei 2008, de derde beklaagde Singh Gurpreet op 27 mei 2008, de vijfde beklaagde op 27 mei 2008, de zesde beklaagde op 21 mei 2008 en de zevende beklaagde op 21mei 2008, alsook door het Openbaar Ministerie lastens deze vijf beklaagden op 4 juni 2008 tegen het wat ieder van hen betreft op tegenspraak gewezen vonnis van de 19° Correctionele kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde dd. 20 mei 2008 ingestelde hoger beroepen zijn regelmatig naar tijd en vorm. Elk hoger beroep is ontvankelijk. Deze zaak werd naar de Correctionele rechtbank te Dendermonde verwezen bij beschikking, verleend door de Raadkamer te Dendermonde op 21 maart
  10. Deze verwijzingsbeschikking was voorafgegaan door het arrest, gewezen op 11 maart 2008 door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent, waarbij in toepassing van het artikel 235 ter Sv.de regelmatigheid van de in deze zaak toegepaste bijzondere opsporingsmethode van observatie werd getoetst en correct bevonden (cfr.karton IV, onderkaft 1bis). De verjaring van de strafvordering is op heden niet ingetreden. Probleemstelling Tijdens de openbare terechtzitting van dit Hof van 10 december 2008 heeft de Heer Advocaat-generaal er in zijn rekwisitoor op gewezen dat er een procedureprobleem bestaat, nu het Openbaar Ministerie in deze zaak niet aanwezig was bij het afzonderlijk horen van de inverdenkinggestelden/ huidige beklaagden bij de wettigheidscontrole van de tijdens het gerechtelijk vooronderzoek toegepaste bijzondere opsporingsmethode van observatie, die in toepassing van het artikel 235ter Sv. op 11 maart 2008 door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent werd uitgevoerd. Het Openbaar Ministerie vorderde dat - in het licht van het arrest van het Hof van Cassatie van 28 oktober 2008 - waarbij in een analoge procedure werd geoordeeld dat door de afwezigheid van het Openbaar Ministerie bij de wettigheidscontrole, deze door een nietigheid was aangetast, deze zaak onbepaald zou worden uitgesteld met het oog op de toepassing van het artikel 441 Sv., teneinde te kunnen overgaan tot rechtzetting van de procedure voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling m.b.t. de BOM-controle, waarna de procedure ten gronde zou kunnen worden verder gezet. De verdediging verzette zich unaniem tegen het gevorderde onbepaald uitstel. De burgerlijke partij daarentegen, is het standpunt van het Openbaar Ministerie bijgetreden. Historiek Het Hof acht het noodzakelijk om prealabel het ontstaan van de huidige problematiek chronologisch te analyseren alvorens de argumenten van het Openbaar Ministerie en van de beklaagden te ontmoeten. In de motieven van het arrest van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof ) nr. 202/2004 van 21 december 2004 (B.S. 06.01.2005) werd sub B27.
  11. expliciet onder meer het volgende overwogen m.b.t. de wettigheidscontrole op de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie, in ons rechtsbestel ingevoerd bij het artikel 4 (onderafdeling 3 en 4) van de Wet van 6 januari 2003 (B.S. 12.05.2003) : "...... De inmenging in de rechten van de verdediging kan echter enkel worden verantwoord indien zij strikt evenredig is met het belang van de te bereiken doelstellingen en indien zij wordt gecompenseerd door een procedure die een onafhankelijke en onpartijdige rechter in staat stelt de wettigheid van de procedure te onderzoeken (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arresten Edwards en Lewis t/ Verenigd Koninkrijk, 22 juli 2003 en 27 oktober 2004)......" Als gevolg van dit arrest heeft de wetgever door middel van het artikel 23 van de Wet van 27 december 2005 "houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit" (B.S. 30.12.2005 - ed.2) het artikel 235ter in het Wetboek van Strafvordering ingevoegd. Op grond van die wetsbepaling controleert de Kamer van Inbeschuldigingstelling de wettelijkheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier. Het artikel 235ter §2 Sv. bepaalt de concrete werkwijze, die daarbij dient te worden gevolgd : " De Kamer van Inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de vordering van het Openbaar Ministerie. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien één van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De Kamer van Inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de Procureur-generaal. Zij hoort, op dezelfde wijze, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur vóór de zitting per faxpost of bij een ter post aangetekende brief wordt gedaan....." (eigen onderlijning door het Hof) Er werden meerdere beroepen ingesteld tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de voormelde Wet, inclusief van het artikel 235ter Sv., waaromtrent door het Grondwettelijk Hof onder meer werd geoordeeld bij arrest nr.105/2007 van 19 juli 2007 (B.S.13.08.2007 - ed.2). De partijen hadden aangevoerd dat het artikel 235ter, § 6, van het Wetboek van strafvordering de rechten van de verdediging schendt doordat het bepaalt dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de Kamer van Inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat aldus zonder verantwoording een verschil in behandeling was ingesteld in vergelijking met andere procedures, zoals die van artikel 235bis van het Wetboek van strafvordering, waarin tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over de regelmatigheid van de strafprocedure wel cassatieberoep mogelijk is en vernietigde deze wetsbepaling. Sinds deze uitspraak van het Grondwettelijk Hof, houdende de vernietiging van het artikel 235 ter § 6 Sv., kan cassatieberoep worden ingesteld tegen het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling houdende de wettigheidscontrole op grond van het artikel 235 ter Sv. De arresten van de Kamers van Inbeschuldigingstelling van de Hoven van Beroep konden sindsdien getoetst worden door het Hof van Cassatie, dat eind 2007 meermaals de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Grondwettelijk Hof (bij arresten van 2 oktober 2007, 30 oktober 2007, 27 november 2007 en 18 december 2007), nl. : « Schenden artikel 235ter en/of artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat daarin niet wordt voorzien in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij een controle van het vertrouwelijk dossier overeenkomstig de artikelen 189ter en/of 235ter van het Wetboek van Strafvordering dat een voorbereidend arrest is, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging dat een gelijkaardig voorbereidend arrest is als dit gewezen bij toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering ? ». Deze vraagstelling leidde tot het arrest van het Grondwettelijk Hof van 31 juli 2008 (B.S. 15.9.2008). Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn overwegingen sub B8 en B9: "... Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever, zoals in B.5 is omschreven, om tegen de arresten van de Kamer van Inbeschuldigingstelling betreffende de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure met toepassing van artikel 235bis een onmiddellijk cassatieberoep mogelijk te maken door af te wijken van de regel vervat in het eerste lid van artikel 416, is het niet verantwoord dat de arresten van de Kamer van Inbeschuldigingstelling over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier met toepassing van artikel 189ter of artikel 235ter niet eveneens het voorwerp zouden kunnen uitmaken van een onmiddellijk cassatieberoep. Dat onverantwoorde verschil in behandeling vloeit voort uit de ontstentenis, in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, van een wetsbepaling die voor de beslissingen van de Kamer van Inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter eenzelfde draagwijdte heeft als die ten aanzien van de beslissingen van de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235bis. Hieruit volgt dat artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het niet voorziet in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling wanneer deze een controle van het vertrouwelijk dossier uitoefent met toepassing van de artikelen 189ter of 235ter van het Wetboek van Strafvordering..." Bij arrest van 14 oktober 2008 (N.C. 2008, 458) heeft het Hof van Cassatie (voltallige Kamer) voor het eerst een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van een Hof van Beroep (Antwerpen), Kamer van Inbeschuldigingstelling, gewezen in toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Sv., ontvankelijk verklaard. Het kort daarop gewezen arrest van het Hof van Cassatie van 28 oktober 2008 (P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3), dat aan de oorsprong ligt van de huidige problematiek, is eveneens tot stand gekomen ingevolge een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, Kamer van Inbeschuldigingstelling, waarbij de wettigheidscontrole in toepassing van het artikel 235ter Sv. was uitgeoefend. Het Hof van Cassatie oordeelde daarbij - met referte naar de artikelen 138, eerste lid en 140 Gerechtelijk Wetboek en naar het artikel 273 Wetboek van Strafvordering - als volgt (derde middel): "...Artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering die bepalen dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal hoort, en op dezelfde wijze de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde hoort (cfr. de hoger door het Hof onderlijnde tekst), houdt niet in dat de Procureur-generaal niet aanwezig mag zijn bij het horen van de burgerlijke partij of de inverdenkinggestelde. Het houdt integendeel in dat wanneer de Procureur-generaal niet aanwezig was, de rechtspleging van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering door nietigheid is aangetast." Het Hof van Cassatie heeft de zaak vervolgens na verbreking verwezen naar de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent, anders samengesteld en - gezien het een onmiddellijk cassatieberoep betrof - kon de procedure bij het afsluiten van het vooronderzoek ten spoedigste geregulariseerd worden, met het oog op navolgende verwijzing door de Raadkamer. In het derde lid van het artikel 235ter §2 Sv.staat letterlijk dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde op dezelfde wijze hoort als het Openbaar Ministerie. De formulering van deze wettekst had onder meer in dit rechtsgebied sinds 30 december 2005 ( tijdstip van het in voege treden van het artikel 23 van de wet van 27 december 2005 « houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksmethoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit), steeds tot de interpretatie geleid: "afzonderlijk, dus buiten de aanwezigheid van het Openbaar Ministerie". Uit de geschetste historiek blijkt dat elk rechtsmiddel uitgesloten was tot aan het arrest van het Grondwettelijk Hof van 19 juli 2007 en dat pas na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 31 juli 2008 een onmiddellijk cassatieberoep kon worden ingesteld tegen de arresten gewezen in toepassing van het artikel 235ter Sv. Dit verklaart waarom er eerder nog geen eenheid van rechtspraak kon ontstaan omtrent de concrete toepassingsmodaliteiten van deze wetsbepaling. Het hoger aangehaalde arrest van 28 oktober 2008 is trouwens de eerste verbreking door het Hof van Cassatie op deze gronden in het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Gent (rekwisitoor O.M.). Bevoegdheid - saisine De vraag die zich thans stelt en die het Hof aan tegenspraak heeft onderworpen luidt of het standpunt dat door het Hof van Cassatie werd ingenomen in het recente arrest van 28 oktober 2008 al dan niet enig impact kan hebben op de saisine van dit Hof in deze zaak, reeds hangende in graad van hoger beroep, te meer nu tegen het arrest van 11 maart 2008, tijdstip waarop de wettigheidscontrole door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent gebeurde, nog geen onmiddellijk cassatieberoep was toegelaten. Uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan, namelijk uit de expliciete bewoordingen van dit arrest, blijkt dat er geen tegenspraak is geweest bij de wettigheidscontrole, waarbij door de Kamer van Inbeschuldigingstelling werd geoordeeld dat de bijzondere opsporingsmethode van de observatie regelmatig is verlopen. Bij de controle op grond van het artikel 235 ter Sv.werd het Openbaar Ministerie afzonderlijk gehoord en vervolgens, in afwezigheid van het Openbaar Ministerie, de inverdenkinggestelden. Geen van de thans nog in zake zijnde beklaagden hebben alsdan enige opmerking geformuleerd. Voortbouwend op de cassatierechtspraak van 28 oktober 2008, zijn er in de door de beklaagden ingenomen standpunten diverse nuances. Enkel de beklaagde S. meent dat het Hof zich onbevoegd dient te verklaren. Het merendeel van de beklaagden meent dat de strafvordering onontvankelijk is, nu hun rechten van verdediging geschonden zijn ingevolge de nietigheid waardoor deze verplichte wettigheidscontrole, voorafgaand aan de verwijzingsbeschikking, is aangetast. De (initieel tweede, vijfde en zevende) beklaagden leiden daaruit tevens af dat zij als gevolg daarvan in vrijheid dienen te worden gesteld of dat hun vrijspraak zich opdringt. Alle partijen, met uitzondering van de burgerlijke partij, wijzen formeel een onbepaald uitstel af en verzetten zich tegen de toepassing van het artikel 441 Sv. Het Hof is van oordeel dat zijn bevoegdheid/saisine geenszins is aangetast. Er is immers een cesuur tussen de beslissingen genomen door de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten, die van elkaar volstrekt onafhankelijk zijn. Het Hof, als vonnisgerecht, beschikt immers niet over het recht om de wettigheid van de beslissing van een onderzoeksgerecht te toetsen. Zolang er geen vernietiging is van een beslissing van het onderzoeksgerecht (hier van het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling) door het Hof van Cassatie, blijft deze beslissing alle effect ressorteren en dient het Hof uitspraak te doen over de zaak zelf ( cfr. R. DECLERCQ " Onderzoeksgerechten " A.P.R. 1993, nr.192; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS & A. MASSET " Manuel de procédure pénale " 2 ed. 2006, p.515-516). Nu in deze zaak de verwijzingsbeschikking door de Raadkamer te Dendermonde, voorafgegaan was door de verplichte wettigheidscontrole van de bijzondere opsporingsmethode van observatie door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent en de beklaagden nadien ingevolge een regelmatige dagstelling gedagvaard werden om te verschijnen voor dit Hof, op grond van de ontvankelijke hoger beroepen, is deze Kamer derhalve bevoegd om kennis te nemen van de zaak en er over te beslissen. Vordering van het Openbaar Ministerie Gelet op hetgeen hoger werd uiteengezet, is het Openbaar Ministerie uitgegaan van de correcte premisse dat dit Hof over geen rechtsmacht beschikt om het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 11 maart 2008 te toetsen naar wetmatigheid toe en a fortiori dit arrest niet nietig kan verklaren. Ongetwijfeld met het maatschappelijk belang voor ogen, nu dezelfde problematiek zich aandient in meerdere zaken in dit rechtsgebied, heeft het Parket-generaal geopteerd voor het nemen van een vordering, die tot een collectieve oplossing zou kunnen leiden, met name een vraag gericht aan het Hof strekkende tot het onbepaald uitstellen van deze zaak om primordiaal over te gaan tot het toepassen van het artikel 441 Sv. Dit zou inhouden dat de Procureur-generaal bij de tweede kamer van het Hof van Cassatie aangifte doet van het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling en/of van andere akten die strijdig zijn met de Wet. Het initiatief kan alleen uitgaan van de Minister van Justitie, waardoor deze beslissing(en) kan (kunnen) worden vernietigd. Het Hof kan om diverse redenen niet ingaan op het verzoek van het Openbaar Ministerie om de zaak daartoe onbepaald uit te stellen : - de beslissing tot het verlenen van een dergelijk uitstel zou als dusdanig kunnen geïnterpreteerd worden dat deze impliciet een niet geoorloofde wettigheidstoetsing van het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 11 maart 2008 inhoudt, vermits het gevorderde uitstel met het oog op het instellen van de procedure op grond van het artikel 441 Sv. de nietigverklaring beoogt van dit laatste arrest, hetgeen aldus expliciet is verwoord door het O.M. ; - de vraag op zich is totaal onnuttig omdat het instellen van een dergelijke procedure niet termijngebonden is en dat deze wetsbepaling niet vereist dat het om een eindbeslissing zou gaan, of dat deze beslissing kracht van gewijsde zou hebben ( cfr. R. DECLERCQ: " Beginselen van strafrechtspleging " 4° ed. 2007, nr. 3622; P. LEMMENS & W. VANDENHOLE: " De heropening van een strafprocedure na een veroordelend arrest van het EHRM " T.Strafr. 2001, blz.66 nrs.35-36) ; de Minister van Justitie zou tot deze aangifte hoe dan ook en om het even wanneer soeverein kunnen overgaan, daarvoor dient dit Hof geen uitstel te verlenen ; - het belangrijkste argument om het onbepaald uitstel te weigeren is naar het oordeel van het Hof het gevolg van de toetsing aan het artikel 5.3 E.V.R.M. Het Hof stelt vast dat de (initieel tweede) beklaagde voor de feiten, voorwerp van de tenlastelegging A in deze zaak aangehouden is sinds 3 oktober 2007 en onder de banden van het aanhoudingsmandaat verwezen werd. Hij is sindsdien onafgebroken in hechtenis gebleven en werd door de eerste rechter op grond van de bewezen geachte feiten sub A, C1, D2 en E2 samen, veroordeeld tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van vijfduizend euro. Het Hof stelt vast dat de (initieel derde) beklaagde voor de feiten, voorwerp van de tenlastelegging A in deze zaak aangehouden is sinds 3 oktober 2007 en onder de banden van het aanhoudingsmandaat verwezen werd. Hij is sindsdien onafgebroken in hechtenis gebleven en werd door de eerste rechter op grond van de bewezen geachte feiten sub A, C1 en E3 samen, veroordeeld tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van vijfduizend euro. Het Hof stelt vast dat de (initieel vijfde) beklaagde voor de feiten, voorwerp van de tenlastelegging B in deze zaak aangehouden is sinds 4 oktober 2007 en onder de banden van het aanhoudingsmandaat verwezen werd. Hij is sindsdien onafgebroken in hechtenis gebleven en werd door de eerste rechter op grond van de bewezen geachte feiten sub B en C2 samen, veroordeeld tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van vier jaar en een geldboete van vijfduizend euro. Het Hof stelt tenslotte vast dat de (initieel zevende) beklaagde voor de feiten, voorwerp van de tenlastelegging A in deze zaak aangehouden is sinds 4 oktober 2007 en onder de banden van het aanhoudingsmandaat verwezen werd. Hij is sindsdien onafgebroken in hechtenis gebleven en werd door de eerste rechter op grond van de bewezen geachte feiten sub A en C1 samen, veroordeeld tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van vijfduizend euro. Tot op heden heeft het procesverloop, rekening houdend met de aard van de feiten en de betwistingen die terzake in feite en in rechte worden gevoerd, steeds een normale voortgang gekend. Het Hof dient er over te waken dat de rechtsgang niet wordt gestremd opdat aan de redelijke termijnvereiste, zoals vervat in het artikel 5.3 E.V.R.M. blijvend zou worden voldaan. Door in deze zaak in te gaan op het verzoek van het Openbaar Ministerie om de zaak onbepaald uit te stellen, zou deze waarborg niet langer kunnen gegarandeerd worden. (cfr. J. VANDE LANOTTE & Y. HAECK (eds.) " Handboek E.V.R.M., 2004, deel 2 volume I, blz.343-348 en de aldaar geciteerde rechtspraak). De beklaagden dienen immers binnen een redelijke termijn berecht te worden. Ontvankelijkheid van de strafvordering Onrechtmatig bewijs ? Het Hof dient tot een zo ruim mogelijke beoordeling van het voorhanden bewijs over te gaan, rekening houdend met alle elementen waarover het in het (open) strafdossier beschikt en met alle gegevens die werden aangevoerd bij het onderzoek ter terechtzitting. Het Hof dient m.a.w. na te gaan of het beschikt over voldoende informatie en of de bewijsgaring niet onrechtmatig is (cfr. H.BERKMOES & J.DELMULLE: " De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden ", 2008, blz. 167 en de aldaar geciteerde rechtspraak). Het Hof merkt op dat - hangende het vooronderzoek lastens X. en nog vooraleer tot enige aanhouding werd overgegaan - het Hof, Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent, bij arrest van 27 september 2007, op grond van het artikel 235 bis §2 Sv. ingevolge het verzoek daartoe uitgaande van het Parket-generaal, reeds overgegaan is tot de zuivering van nietigheden, waarbij de nietigverklaring van een aantal stukken werd bevolen en de neerlegging ervan ter griffie van de Correctionele Rechtbank te Dendermonde. Deze stukken hadden voornamelijk betrekking op de thans niet meer in zake zijnde (initieel eerste) beklaagde Singh Gurcharan (cfr.karton IV -subkaft 3). Noch in eerste aanleg, noch voor dit Hof, werd door de verdediging enige negatieve opmerking gemaakt omtrent de bewijsverkrijging zelf (in de zin van het artikel 131 Sv.). Uit de conclusies, neergelegd voor de eerste rechter door de (initieel) vijfde en zesde beklaagden, blijkt dat er enkel betwistingen waren die de bewijswaardering betreffen, niet de bewijsverkrijging op zich. Aan de hand van het open dossier stelt het Hof geen onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vast, die invloed heeft op de bewijsverkrijging, rekening houdend met de voorafgaande zuivering van de nietigheden vastgesteld door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent bij arrest van 27 september
  12. Zoals reeds hoger werd gesteld, waren door de verdediging omtrent het aanwenden van de bijzondere opsporingsmethode van observatie evenmin bij de behandeling voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent opmerkingen geformuleerd. Het Hof is dan ook van oordeel dat er in deze zaak geen sprake kan zijn van nieuwe en concrete elementen, die het Hof zouden toelaten om deze zaak op grond van het artikel 189ter Sv. te verwijzen naar de Kamer van Inbeschuldigingstelling teneinde de wettigheidscontrole opnieuw te laten uitvoeren (cfr.: Cass.19 maart 2008, T. Strafr. 2008/37). Recht op tegenspraak - eerlijk proces ? De beklaagden voeren terzake aan dat het voorhanden bewijs door een onregelmatigheid is aangetast, in die zin dat een regel van het strafprocesrecht werd miskend doordat de Heer Procureur-generaal niet aanwezig was bij het afzonderlijk horen van de partijen tijdens de wettigheidscontrole door de Kamer van Inbeschuldigingstelling in toepassing van het artikel 235 ter Sv. en dat daardoor precies de rechten van verdediging werden geschonden. In de conclusie van Advocaat-generaal D.Vandermeersch bij het arrest van het Hof van Cassatie van 19 maart 2008 (T. Strafr. 2008/37) wordt - uitgaande van het arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2006 (T. Strafr. 2006, blz.92 en N.C. 2006, blz.204) en refererend naar het standpunt ingenomen door het Arbitragehof bij arrest van 21 december 2004 (nr. 202/2004) en door het Grondwettelijk Hof bij arrest van 19 juli 2007 (nr.105/2007) - gesteld dat de invoering van een verplicht onderzoek van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden tot doel heeft om te beantwoorden aan de vereisten van een eerlijke behandeling van de zaak zoals deze blijken uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Met de controle, vastgesteld bij het artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering heeft de wetgever een volledig en daadwerkelijk onderzoek van de wettigheid van de bijzondere opsporingsmethoden van observatie en infiltratie willen waarborgen door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Aldus is deze controle in overeenstemming met het artikel 6 E.V.R.M. Vanuit deze premisse wordt besloten : " ...dat de controle op de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling een substantieel vormvereiste is dat het gebrek aan tegenspraak qua inhoud van het vertrouwelijk dossier, goedmaakt, en poogt aan de vereisten van een eerlijk proces te beantwoorden...". Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens heeft in de interne rechtsorde rechtstreekse werking en de in dit Verdrag besloten waarborgen moeten toepassing vinden bij de beoordeling van de gegrondheid van de tegen de beklaagden ingestelde strafvordering. Het recht van verdediging dient daarbij opgevat te worden als een deelaspect van het breder begrip "behoorlijke rechtsbedeling", zoals omschreven in artikel 6 E.V.R.M. Het Hof is als vonnisrechter gehouden om het "proces in zijn geheel" te evalueren en te toetsen aan de verdragsrechterlijke normen. Het Hof heeft aan alle nog in zake zijnde beklaagden de kans gegeven om vrij tegenspraak te voeren tegen de door het OM tegen hen ingebrachte gegevens waarop de strafvordering steunt, om aan de vereisten van een eerlijk proces te kunnen beantwoorden. Het Hof kan aan de beklaagden echter niet de kans geven om vrij tegenspraak te voeren omtrent het vertrouwelijk dossier, omdat het Hof daar geen rechtsmacht toe heeft en zelfs niet over enig inzagerecht beschikt, het Hof kan evenmin een nieuwe BOM-controle gelasten (cfr.supra). In het (Antigoon-) arrest van 14 oktober 2003 (T.Strafr. 2004/11) wordt door het Hof van Cassatie het volgende overwogen: " Overwegende dat de omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen, in de regel slechts tot gevolg heeft dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat gegeven rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen: - hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden voorgeschreven wordt op straffe van nietigheid; - hetzij wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast; - hetzij wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces;..." In deze zaak is duidelijk het derde criterium, namelijk het "behoorlijkheidsverweer", aan de orde. Nu het immers precies de doelstelling van de wetsbepaling van het artikel 235ter Sv. is om het gebrek aan tegenspraak qua inhoud van het vertrouwelijk dossier goed te maken in het licht van de vereisten van een eerlijk proces (cfr. supra concl. Adv.gen. Vandermeersch) en de in concreto begane onregelmatigheid net bestaat uit een gebrek aan tegenspraak (afzonderlijk gehoorde inverdenkinggestelden/ thans beklaagden versus het Openbaar Ministerie), werden de rechten van verdediging in het licht van de vereisten van een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door het artikel 6.
  13. E.V.R.M. op een door dit Hof niet te herstellen wijze miskend (cfr. R. DECLERCQ op. cit. nrs.1671-1674). Het bewijs dat gestoeld is op de bijzondere opsporingsmethode van observatie is derhalve niet onrechtmatig verkregen, doch wel ontoelaatbaar. Het ontoelaatbaar bewijs heeft immers niets te maken met de bewijsverkrijging, maar wel met de wijze waarop het voor de rechter is gebracht (cfr. J.DU JARDIN : "Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie 1990-2003" R.W. 2003-2004, blz.771-772, H.; L. ARNOU : " Toelaatbaarheid van bewijs in strafzaken en het recht van verdediging" R.Cass. 1997, blz.11, nr. 6). Aangezien het gerechtelijk vooronderzoek in ruime mate steunt op de bijzondere opsporingsmethode van observatie, dient de strafvordering ingevolge de uitsluiting van dit ontoelaatbaar bewijs onontvankelijk te worden verklaard. De kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, dienen ten laste van de Staat te worden gelegd. De tolkkosten in de beide aanleggen, dienen eveneens ten laste van de Staat te worden gelegd. Burgerrechtelijk Nu de strafvordering niet ontvankelijk is dient de burgerlijke vordering, die erop geënt is eveneens niet ontvankelijk verklaard te worden (cfr. R. DECLERCQ op. cit. nr. 2665). De kosten in de beide aanleggen gevallen aan de zijde van de burgerlijke partij dienen te haren laste te worden gelegd. OP DEZE GRONDEN Het HOF, rechtdoende op tegenspraak Gelet op : - de artikelen 13, 24 en 31 Wet van 15 juni 1935 ; - de artikelen 185§1,194, 210, 211, 215 en 332 Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 5.3 en 6.
  14. E.V.R.M. van 4 november 1950, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955; Al deze wetsbepalingen aangehaald ter terechtzitting van heden ; Verklaart elk hoger beroep ontvankelijk en er over beslissend : Doet het bestreden gedeelte van het aangevochten vonnis, verleend door de 19° correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 20 mei 2008 teniet en, Opnieuw wijzend : Strafrechtelijk Wijst het verzoek van het Openbaar Ministerie, strekkende tot het onbepaald uitstellen van de behandeling van deze zaak af, dit op grond van de hoger in het overwegend gedeelte van dit arrest aangehaalde motieven; Zegt voor recht dat het aan het oordeel van het Hof onderworpen strafproces, in zijn geheel beschouwd, niet voldoet aan de vereisten van een behoorlijke rechtsbedeling, zoals omschreven in het artikel 6.
  15. E.V.R.M.; Zegt voor recht dat, ingevolge het schenden van de rechten van verdediging, het bewijs geput uit de bijzondere opsporingsmethode van observatie, als niet toelaatbaar dient te worden geweerd ; Verklaart derhalve de strafvordering niet ontvankelijk ; Laat de kosten, gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, ten laste van de Staat. Laat de tolkkosten, gevallen in de beide aanleggen, ten laste van de Staat. Burgerrechtelijk Verklaart de burgerlijke vordering niet ontvankelijk; Laat de kosten gevallen in de beide aanleggen aan de zijde van de burgerlijke partij te haren laste. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van ZES JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN Aanwezig : I. Mallems, wnd. voorzitter, F. De Tandt en M. De Busscher, raadsheren, L. Decreus, advocaat-generaal, K. Goossens, griffier, K. Goossens M. De Busscher F. De Tandt I. Mallems Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.