id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090107.9 Rolnummer: 2008/RK/44 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-07-02 18:55 Fiche - Wanneer een partij, ter staving van haar vordering of hoger beroep, middelen zou putten of deze zou ondersteunen met argumenten uit vertrouwelijke briefwisseling of besprekingen, die volgens de andere partij worden aangewend in strijd met deontologische voorschriften, dan zou dit - bij gebrek aan een wettelijke grondslag daartoe - niet kunnen leiden tot de nietigheid van procedureakten waarin deze beweerd vertrouwelijke gegevens voorkomen. De naleving van de deontologische regels door de advocaten van de partijen is geen toelaatbaarheids- of ontvankelijkheidsvereiste voor het hoger beroep. - De Taalwet verbiedt niet dat de partijen zich in hun akten van rechtspleging beroepen op stukken of documenten die in een andere taal zijn gesteld en deze stukken overleggen. Dit leidt niet tot de nietigverklaring van deze akten van rechtspleging, terwijl de rechter de betreffende stukken evenmin uit de debatten mag weren, louter omdat zij in een vreemde taal zijn gesteld. - Wel kan de rechter, op verzoek van de partij tegen wie de in een vreemde taal gestelde stukken of documenten worden ingeroepen, de vertaling daarvan bevelen (artikel 8 van de Taalwet). - Artikel 747 van het gerechtelijk wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het gerechtelijk wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, is in elke aanleg van toepassing op de instaatstelling van de zaken, waarvoor op 1 september 2007 nog niet om een rechtsdag was verzocht of waarvoor geen rechtsplegingskalender was vastgesteld. Zij geldt ook voor de procedures in kort geding, zoals in kort geding of voor de beslagrechter. Alleen gelden in die gevallen kortere termijnen in geval van rechterlijke kalenderregeling. - Een bevel van de Stafhouder, gegeven aan advocaten, dat strekt tot de naleving van deontologische regels, kan geen afbreuk doen aan de door artikel 747§2, zesde lid Ger.W. opgelegde sanctie van het ambtshalve weren uit de debatten van conclusies, die na het verstrijken van de conclusietermijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij worden gezonden - evenals van de stukken waarvan samen met deze conclusies voor het eerst gebruik wordt gemaakt. - De urgentie is enerzijds een bevoegdheidsvereiste en anderzijds een gegrondheidsvereiste van het kort geding. Als bevoegdheidsvereiste houdt de urgentie in dat de eisende partij in de gedinginleidende akte omstandigheden moet aanvoeren waaruit kan worden afgeleid dat de zaak spoedeisend is. - De vraag of de aangevoerde omstandigheden in werkelijkheid aanwezig zijn en of de zaak derhalve werkelijk spoedeisend is, betreft de grond van de zaak. Er is sprake van spoedeisendheid, indien een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang te voorkomen, dan wel ernstige ongemakken te vermijden. - Artikel 1039 van het gerechtelijk wetboek, dat bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, belet de kortgeding-rechter niet de rechten van de partijen te onderzoeken. - De eventuele nalatigheid van een procespartij neemt immers op zich het bestaan van de eventuele urgentie niet weg. De urgentie als gegrondheidsvereiste van het kort geding moet beoordeeld worden op het ogenblik van de uitspraak. - De kortgeding-rechter kan, mits belangenafweging, ingeval van onverwijlde spoed, voorlopig de uitvoering bevelen van een contractuele verbintenis, wanneer de aanspraken van de eisende partij in overeenstemming zijn met haar ogenschijnlijk recht. Daartoe is vereist dat de ingeroepen rechten niet op ernstige wijze (kunnen) worden betwist noch tegengesproken. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat een andersluidende beslissing van de rechter ten gronde de voorlopige maatregel en de gevolgen daarvan, zoals de eventueel verbeurde dwangsommen, niet kan teniet doen. - Hoe verregaander de gevorderde maatregel, des te duidelijker de rechten van de partijen moeten vaststaan. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Conclusie - Termijnen GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemeen (taalgebruik in gerechtzaken) Vrije woorden: - deontologie van de advocaat - (geen) toelaatbaarheidsvereiste van de vordering - wet taalgebruik gerechtszaken - stavingsstukken - vertaling - toepasselijkheid art. 747 Ger. Wetb. op het kort geding - (geen invloed van) protocol van de Stafhouder op toepassing art. 747 Ger. Wetboek. - kort geding - urgentie - bevoegdheidsvereiste - gegrondheidsvereiste - voorlopige uitvoering van contractuele verbintenis - voorwaarde. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 7-1-2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2008/RK/44 van: HABITATS EL DUQUE Sociedad Limitada, vennootschap naar Spaans recht met zetel te 38660 Adeje (Tenerife), Calle Finlandia 9, ingeschreven in het handelsregister van Santa Cruz de Tenerife onder nr. B38609467, appellante tegen de beschikking in kort geding, door de Voorzitter der Rechtbank van Koophandel te Dendermonde op tegenspraak gewezen dd. 6-2-2008, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. RIEDER Hans, advocaat te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40 tegen : 1. D. G. C., bestuurder van vennootschappen, wonende te....................., 2. D. G. F., bestuurder van vennootschappen, wonende te....................., geïntimeerden, oorspronkelijk eisers, hebbende als raadsman mr. BURSSENS Frank, advocaat te 9000 Gent, Burgstraat 38 A velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 februari 2008, heeft de vennootschap naar Spaans recht Habitats El Duque (hierna "de appellante" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die op 6 februari 2008 op tegenspraak tussen partijen gewezen werd door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, zetelend in kort geding. Ontvankelijkheid van het hoger beroep en van de vorderingen van de partijen - Verzoek tot wering uit de debatten - Verzoek tot heropening der debatten Standpunt van de partijen I. 1. In hun eerste conclusie, neergelegd op 2 april 2008, vorderen C. D. G. en F. D. G. (hierna samen "de geïntimeerden" genoemd) dat het verzoekschrift tot hoger beroep uit de debatten wordt geweerd en het hoger beroep van de appellante als onontvankelijk wordt afgewezen wegens schending van de vertrouwelijkheid van de besprekingen. Meer bepaald argumenteren de geïntimeerden dat de raadsman van de appellante een inbreuk heeft gepleegd tegen de deontologische regel van de vertrouwelijkheid, door een verzoekschrift tot hoger beroep neer te leggen, waarin verwezen werd naar de inhoud van besprekingen, die niet geleid hebben tot een dading. De geïntimeerden stellen vast dat de appellante geen gevolg heeft gegeven aan de instructies van de stafhouder om alle verwijzingen naar de brieven tussen advocaten in verband met de gevoerde besprekingen te weren uit de processtukken. Rekening gehouden daarmee vorderen de geïntimeerden dat het hof het verzoekschrift tot hoger beroep, samen met de stukken, die in de inventaris van de appellante vermeld zijn onder 8 (een verklaring van W. N., waarin verslag wordt gedaan van de beweerde inhoud van de besprekingen en beweerde uitspraken van de raadslieden van de partijen), 9 en 10 (verklaringen van de respectieve partners van J. L.) uit de debatten worden geweerd en dat het hoger beroep onontvankelijk wordt verklaard. 2. In haar eerste conclusie in hoger beroep, neergelegd op 18 juni 2008, waarin zij betwist dat haar hoger beroep onontvankelijk is en dat haar verzoekschrift tot hoger beroep, evenals bepaalde stukken, uit het debat dienen geweerd te worden, vraagt de appellante op haar beurt dat de conclusie die de geïntimeerden op 2 april 2008 hebben neergelegd, nietig verklaard wordt en uit de debatten geweerd, omdat de geïntimeerden vier stukken gebruiken (genummerd 6, 16, 21 en 22), die zijn opgesteld in de Spaanse taal. De appellante beroept zich meer bepaald op artikel 40, lid 1 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken (hierna "de Taalwet" genoemd) en argumenteert dat de conclusie van de geïntimeerden moet worden samen gelezen met de aangewende stukken en er één geheel mee vormt. Minstens vraagt zij dat deze stukken uit de debatten geweerd worden. 3. In een tweede conclusie, die zij neerlegde op 13 augustus 2008, vordert de appellante dat ook de conclusie die de geïntimeerden op 18 juni 2008 neerlegden, nietig wordt verklaard en uit de debatten wordt geweerd, omdat zij drie bijkomende stukken aanwenden die in een andere taal zijn opgesteld. Het betreft de stukken 24 (die in de Engelse taal is gesteld) 25 en 26 (die in de Spaanse taal zijn gesteld). 4. In een conclusie, neergelegd op 18 augustus 2008, vorderen de geïntimeerden dat de tweede beroepsconclusie van de appellante uit de debatten wordt geweerd, omdat zij laattijdig werd neergelegd en aan hen gezonden. 5. Op de terechtzitting van 12 november 2008 legde de appellante een syntheseconclusie neer, waarin zij verklaart haar hoger beroep uit te breiden. Zij vordert dat het hof zegt voor recht dat, bij toepassing van artikel 1385quinquies Ger.W. in haren hoofde de onmogelijkheid wordt vastgesteld tot het nakomen van de hoofdveroordeling, zoals uitgesproken bij "vonnis" van 6 februari 2008 en dat de verbeurd verklaarde dwangsom niet meer verbeurd is en wordt opgeheven sedert de datum van 6 februari 2008. 6. Op dezelfde terechtzitting herhaalden de geïntimeerden hun verzoek tot wering uit de debatten van de conclusie van de appellante, neergelegd op 13 augustus 2008. Bovendien vroegen zij de wering van de conclusie, die de appellante ter zitting neerlegde, evenals van haar stukken, genummerd vanaf stuk 24. De appellante verzette zich tegen de wering van deze conclusies en stukken. Zij verwees naar artikel 747 van het gerechtelijk wetboek "dat vandaag niet meer van toepassing is in onderhavige zaak, en omdat onderhavige zaak een kort geding betreft". Verder verklaarden de geïntimeerden, voor het geval dat de conclusies niet zouden geweerd worden, de uitbreiding van het hoger beroep van de appellante te betwisten. Zij stelden dat er noch een juridische, noch een feitelijke, onmogelijkheid bestond voor de appellante om de in de bestreden beslissing opgelegde hoofdvordering na te komen. 7. Nadat de raadslieden waren gehoord tijdens de voormelde openbare terechtzitting van 12 november 2008 werden de debatten gesloten. De zaak werd in beraad genomen en voor uitspraak vastgesteld op de openbare terechtzitting van 10 december 2008. II. 1. Met een brief, gericht aan de voorzitter van de twaalfde kamer van dit hof en neergelegd ter griffie van dit hof op 5 december 2008, liet de raadsman van de geïntimeerden weten dat de stafhouder van de Orde van Advocaten te Gent de raadslieden bevestigd had dat het verboden is om vertrouwelijke briefwisseling en vertrouwelijke besprekingen te gebruiken, aan te halen of over te leggen en dat de raadslieden bevel hadden gekregen om de conclusies, die deze regel schenden, terug te trekken. Hij bracht de voorzitter daarvan op de hoogte, omdat de raadsman van de appellante daaraan blijkbaar nog geen gevolg had gegeven. 2. Op 9 december 2008 legde de appellante een verzoekschrift op grond van artikel 772 van het gerechtelijk wetboek ter griffie neer. Daarin zette zij uiteen dat zij bij protocol van 28 november 2008 door de stafhouder werd verplicht om de syntheseconclusie die door haar werd neergelegd op de zitting van 12 november 2008 "aan te passen, d.w.z. terug te trekken en door andere te vervangen." Zij besloot daaruit dat zij de door haar neergelegde syntheseconclusie aldus diende te herschrijven. Verder zet de appellante in dit verzoekschrift uiteen dat zij bij voormelde beslissing van de stafhouder tevens verplicht wordt om het door haar neergelegde stuk nr. 31 terug te trekken en uit de debatten te halen. Zij argumenteert dat dit bevel van de stafhouder een nieuw feit uitmaakt en de gevolgen ervan van overwegend belang zijn in de zin van artikel 772 van het gerechtelijk wetboek. De appellante vordert dan ook dat het hof de debatten heropent, teneinde haar in de mogelijkheid te stellen:
- a)de syntheseconclusie, neergelegd op de zitting van 12 november 2008, terug te trekken en te vervangen (dit is te herschrijven);
- b)het stuk nr. 31, dat op de zitting van 12 november 2008 werd neergelegd, uit het bundel te halen en desgevallend te vervangen door (een) ander(
- e)stuk(ken). Verder vraagt de appellante dat het hof een nieuwe conclusiekalender en een nieuwe pleitdatum vastlegt, zodat zij gevolg kan geven aan het bevel van de stafhouder en een vervangende syntheseconclusie kan neerleggen, de geïntimeerden daarop kunnen repliceren en de zaak op de nieuw vast te leggen pleitdatum kan worden behandeld. De appellante voegt eraan toe dat het neerleggen van het verzoekschrift tot heropening der debatten niet kan worden beschouwd als een vrijwillige verzaking door haar aan haar rechten van verdediging. Zij stelt dat zij ingevolge de beslissing van de stafhouder verplicht wordt dit verzoek neer te leggen, doch dat zij het daarmee niet eens is. Zij verklaart voorbehoud te maken om, in geval van afwijzing van haar hoger beroep, verhaal in te stellen voor het Hof van Cassatie en deze beperking van haar rechten van verdediging voor te leggen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens teneinde na te gaan of de aan haar opgelegde verplichting al dan niet strijdig is met artikel 6. EVRM. 3. Aan dit verzoekschrift tot heropening der debatten is een "Protocol inzake D. G. C&F/ Habitat El Duque S.L." gedateerd 28 november 2008 gehecht, waarin de stafhouder van de Orde van Advocaten het volgende bevestigt: "Het is uiteraard, volgens de deontologie van de Balie, verboden vertrouwelijke briefwisseling en vertrouwelijke besprekingen in om het even welke procedure, ook vóór arbiters, te gebruiken, aan te halen of over te leggen. De raadslieden in bovengenoemde zaak, behorende tot de Balie van Gent, hebben dan ook van ondergetekende stafhouder bevel gekregen de conclusies die deze regel schenden vóór Hof, Rechtbank of arbiters terug te trekken en door andere te vervangen" 4. Het verzoekschrift tot heropening der debatten werd bij gerechtsbrieven van 10 december 2008 ter kennis gebracht van de geïntimeerden en hun raadsman, die binnen de wettelijke termijn geen opmerkingen aan het hof deden toekomen. Beoordeling I. 1. De geïntimeerden lieten de bestreden beschikking op 7 februari 2008 betekenen aan de appellante. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. 2. De appellante beschikt over de vereiste hoedanigheid en over een rechtmatig, reeds verkregen en dadelijk belang om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking die haar onder meer een verbod heeft opgelegd onder verbeurte van een dwangsom. Wanneer de appellante, ter staving van haar hoger beroep, middelen zou putten of deze zou ondersteunen met argumenten uit vertrouwelijke briefwisseling of besprekingen, die volgens de geïntimeerden worden aangewend in strijd met deontologische voorschriften, dan zou dit - bij gebrek aan een wettelijke grondslag daartoe - niet kunnen leiden tot de nietigheid van procedureakten waarin deze beweerd vertrouwelijke gegevens voorkomen. De naleving van de deontologische regels door de advocaten van de partijen is geen toelaatbaarheids- of ontvankelijkheidsvereiste voor het hoger beroep. 3. Voor al de rechtscolleges in hoger beroep wordt, voor de rechtspleging, de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld (artikel 24 van de Taalwet). Deze bepaling geldt op straffe van nietigheid (artikel 40 van de Taalwet). De verplichting om de rechtspleging - in dit geval - in het Nederlands te voeren impliceert dat alle akten van rechtspleging in deze taal dienen gesteld te worden. De conclusies die de geïntimeerden neerlegden op 2 april 2008 en 18 juni 2008 beantwoorden aan deze verplichting. De Taalwet verbiedt niet dat de partijen zich in hun akten van rechtspleging beroepen op stukken of documenten die in een andere taal zijn gesteld en deze stukken overleggen. Dit leidt niet tot de nietigverklaring van deze akten van rechtspleging, terwijl de rechter de betreffende stukken evenmin uit de debatten mag weren, louter omdat zij in een vreemde taal zijn gesteld. Wanneer deze stukken geheel of gedeeltelijk worden aangehaald in de akten van rechtspleging, dienen zij daarin vertaald te worden of dient hun zakelijke inhoud daarin te worden weergegeven. In de conclusies die de geïntimeerden op 2 april 2008 en 18 juni 2008 neerlegden, worden geen stukken aangehaald, waarvan geen vertaling of zakelijke inhoud wordt weergegeven. Er is aldus geen grond om de nietigheid te vorderen van deze conclusies, noch om deze conclusies en de stukken, die in een vreemde taal zijn gesteld, te weren. Wel kan de rechter, op verzoek van de partij tegen wie de in een vreemde taal gestelde stukken of documenten worden ingeroepen, de vertaling daarvan bevelen (artikel 8 van de Taalwet). 4. Op de openbare terechtzitting van 2 april 2008, waarop de partijen om een uitstel verzochten, verklaarden zij dat zij geen conclusietermijnen geregeld wensten te zien. Op de openbare terechtzitting van 18 juni 2008 heeft de appellante het hof om een uitstel van de zaak verzocht en de geïntimeerden werden daaromtrent gehoord. De zaak werd uitgesteld omdat zij niet in staat was. Op dezelfde zitting werden tussen partijen de volgende conclusietermijnen overeengekomen en geacteerd op het proces-verbaal van de terechtzitting: "Appellante zal desgewenst een conclusie neerleggen uiterlijk op 18-7-2008. Geïntimeerden zullen desgewenst een conclusie neerleggen uiterlijk op 18-8-2008". 4.1. De appellante heeft een conclusie neergelegd op 13 augustus 2008, de geïntimeerden op 18 augustus 2008. De conclusie van de appellante werd aldus neergelegd na het verstrijken van de overeengekomen termijn. Artikel 747 van het gerechtelijk wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 26 april 2007 tot wijziging van het gerechtelijk wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand, is in elke aanleg van toepassing op de instaatstelling van de zaken, waarvoor op 1 september 2007 nog niet om een rechtsdag was verzocht of waarvoor geen rechtsplegingskalender was vastgesteld. Deze bepaling is van toepassing op de onderhavige zaak, waarin het verzoekschrift tot hoger beroep dateert van 13 februari 2008. Zij geldt ook voor de procedures in kort geding, zoals in kort geding of voor de beslagrechter. Alleen gelden in die gevallen kortere termijnen in geval van rechterlijke kalenderregeling (artikel 747§3 van het gerechtelijk wetboek; vgl.: LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek gerechtelijk recht, tweede editie, nr. 880, p. 416). Onverminderd de in artikel 748§§1 en 2 bedoelde uitzonderingen - die met betrekking tot de conclusie, die de appellante neerlegde op 13 augustus 2008, niet van toepassing zijn - worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd (artikel 747§2, zesde lid Ger.W.). De conclusie van de appellante, die gedateerd is op 10 juli 2008, werd pas op 13 augustus 2008 ter griffie neergelegd. De geïntimeerden houden voor dat zij aan hun raadsman werden overgemaakt op 12 augustus 2008. De appellante toont niet aan dat dit eerder zou zijn gebeurd. Deze conclusie is laattijdig en wordt uit de debatten geweerd. 4.2. Op de openbare terechtzitting van 3 september 2008 vroeg de appellante om een uitstel van de zaak, teneinde haar raadsman toe te laten de zaak persoonlijk te pleiten. Er werden geen nieuwe conclusietermijnen toegestaan, noch overeengekomen. De zaak werd in dezelfde staat gesteld op de openbare terechtzitting van 12 november 2008. Ter zitting van 12 november 2008 legde de appellante een syntheseconclusie neer, waarin zij verklaarde haar principaal hoger beroep uit te breiden. Bovendien legde zij blijkens de inventaris, gehecht aan deze conclusie, 16 bijkomende stukken neer, genummerd 24 tot en met 39. Ook deze conclusie, neergelegd na het verstrijken van de overeengekomen conclusietermijnen en zonder dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 748§1 van het gerechtelijk wetboek, noch toepassing is gemaakt van artikel 748§2 van het gerechtelijk wetboek, dient uit de debatten geweerd te worden. Hetzelfde geldt voor de bijkomende stukken 24 tot en met 39, waarvan de appellante pas voor het eerst samen met deze conclusie gebruik maakt. 5. Het hoger beroep van de appellante, zoals geformuleerd in haar verzoekschrift tot hoger beroep en in haar conclusie, neergelegd op 18 juni 2008, is ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerden. De vordering van de geïntimeerden om de percelen, waarop het gevraagde verbod tot verkoop betrekking heeft, te vermelden, evenals hun vordering om afgifte te bekomen van een eensluidend afschrift van alle notariële koopverkoopakten die reeds zijn verleden, betreffen geen incidenteel hoger beroep, aangezien de geïntimeerden dit voor de eerste rechter niet gevorderd hebben, maar eisuitbreidingen, die ontvankelijk zijn, aangezien zij steunen op feiten of handelingen die in de gedinginleidende akte werden aangevoerd. Tenslotte stelt het hof vast dat de appellante de ontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerden om te horen zeggen voor recht dat op datum van 2 juni 2008 voor 15.600.000,00 EUR dwangsommen verschuldigd zijn ingevolge de miskenning van de beschikking van de eerste rechter, niet heeft betwist. Aangezien er geen ambtshalve op te werpen gronden zijn om deze vordering onontvankelijk te verklaren, is zij eveneens ontvankelijk. II. 1. Een verschijnende partij kan de heropening van de debatten vragen, zolang het vonnis of arrest niet is uitgesproken, indien zij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt (artikel 772 van het gerechtelijk wetboek). Op het ogenblik dat het verzoekschrift tot heropening der debatten werd neergelegd, was het arrest nog niet uitgesproken, zodat de heropening tijdig werd gevraagd. Het stuk, op grond waarvan de appellante de heropening der debatten vraagt, is het "Protocol" van de Stafhouder van de orde van advocaten te Gent, gedateerd 28 november 2008, waarin hij beveelt de conclusies, die de deontologische regels inzake vertrouwelijke briefwisseling en vertrouwelijke besprekingen schenden, terug te trekken en door andere te vervangen. Volgens de appelante heeft dit bevel betrekking op de conclusie, die zij neergelegd heeft op de terechtzitting van 12 november 2008 en op haar stavingstuk nr. 31. 2. Uit hetgeen hoger werd overwogen - onder Beoordeling I, 4.2 - volgt dat de betreffende conclusie uit de debatten wordt geweerd, omdat zij werd neergelegd na het verstrijken van de overeengekomen conclusietermijnen. Ook het stavingstuk nr. 31, waarvan de appellante voor het eerst samen met deze conclusie gebruik heeft gemaakt, wordt uit de debatten geweerd. In de mate dat de conclusie en het stuk, waarop het bevel van de stafhouder volgens de appellante zelf betrekking heeft, reeds om andere reden uit de debatten is geweerd, kan dit Protocol de heropening der debatten niet verantwoorden. 3. Het Protocol beveelt de raadslieden om conclusies die de deontologie inzake vertrouwelijke briefwisseling en vertrouwelijke besprekingen schenden niet enkel "terug te trekken" maar ook "door andere te vervangen". Een bevel van de Stafhouder, gegeven aan advocaten, dat strekt tot de naleving van deontologische regels, kan geen afbreuk doen aan de door artikel 747§2, zesde lid Ger.W. opgelegde sanctie van het ambtshalve weren uit de debatten van conclusies, die na het verstrijken van de conclusietermijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij worden gezonden - evenals van de stukken waarvan samen met deze conclusies voor het eerst gebruik wordt gemaakt. Voor zover al gevolg zou gegeven worden aan het - op het bevel van de Stafhouder gesteunde - verzoek van de appellante om conclusies neer te leggen, die haar conclusies, neergelegd op 12 november 2008 vervangen, zouden deze vervangende conclusies al evenzeer uit de debatten moeten geweerd worden wegens laattijdigheid. 4. Het hof besluit dan ook tot de afwijzing van het verzoekschrift tot heropening der debatten. Antecedenten I. 1. In hun dagvaarding in kort geding van 16 november 2007 zetten de geïntimeerden uiteen dat zij leningen hebben toegestaan aan de appellante (waarin J. L. en W. N. elk de helft van de aandelen bezitten) voor de realisatie van een vastgoedproject in Adeje op het eiland Tenerife. Dit project bestond uit de aankoop van een terrein en de bouw van 44 individuele woningen. C. D. G. stelde 2.704.555,00 EUR ter beschikking van de appellante op 6 augustus 2003 en F. D. G. 1.450.000,00 EUR op 22 augustus 2003. Op 4 september 2003 werden kredietovereenkomsten ondertekend, waarbij bedongen werd dat de geïntimeerden krediet verstrekten tot uiterlijk 15 december 2005 of tot de beëindiging van het project, indien dit eerder zou zijn. Het project zou als voltooid worden beschouwd als aan één van de volgende criteria was voldaan: voltooiing van de bouwwerken van 40 van de 44 woningen of verkoop van 40 van de 44 woningen. De appellante verbond zich ertoe om het krediet aan de geïntimeerden terug te betalen en af te bouwen pro rata van de ondertekening van de verkoopovereenkomsten van de 44 woningen en/of van zodra zij bij een financiële instelling een kredietfinanciering zou verkrijgen voor de realisatie van het project. De geïntimeerden hadden recht op een vaste rentevoet van 12% per jaar, jaarlijks te kapitaliseren bij het bedrag van het krediet en voor het eerst op 30 september 2004. Bovendien was er een variabele intrest, gelijk aan 25% (voor C. D. G..), respectievelijk 12,5% (voor F. D. G.) van de winst die zou gerealiseerd worden bij de verkoop van de woningen, onder afhouding van 10% van de winst voor de appellante, als vergoeding voor het projectmanagement. De geïntimeerden wezen erop dat in de kredietovereenkomst uitdrukkelijk verbod was opgelegd aan de appellante om het project, zowel geheel als gedeeltelijk, te vervreemden zonder hun schriftelijk akkoord, zolang de hoofdsom van het krediet en de vaste en variabele intrest niet volledig was betaald. In een bijlage bij de kredietovereenkomst verbond de appellante zich ertoe om de door haar tijdens de uitvoering van het project verkregen liquide middelen in eerste instantie aan te wenden voor de terugbetaling van het krediet. Bovendien werd daarin bedongen dat de intrest jaarlijks bij het bedrag van het krediet zou worden gekapitaliseerd. Op 11 oktober 2005 werd een aanvullende overeenkomst ondertekend, waarbij een aanpassing werd aangebracht aan de wijze waarop de variabele intrest werd berekend en zijn betalingsmodaliteiten nader werden bepaald. Volgens de geïntimeerden had de appellante, vóór de vervaldag van de kredieten, nog maar 1.000.000 EUR terugbetaald aan C. D. G. en 1.100.000 EUR aan F. D. G.. Bovendien gebeurde op 15 december 2005 geen terugbetaling van de uitstaande kredieten en voerde de appellante, na ingebrekestelling, slechts bijkomende betalingen uit aan C. D. G. voor 500.000 EUR. De belofte van de appellante om het saldo van de hoofdsommen terug te betalen, diverse besprekingen en herhaalde ingebreke-stellingen, hadden volgens de laatstgenoemden niet het gewenste gevolg. Op 7 september 2007 startten de geïntimeerden een arbitrage op bij Cepina, overeenkomstig het arbitragebeding in de kredietovereen-komst, om de betaling te bekomen van het saldo van de hoofdsommen, evenals van de vaste intresten. Zij maakten voorbehoud voor de variabele intresten. Verder verklaarden de geïntimeerden op 12 september 2007 vruchteloos de appellante te hebben aangemaand om bepaalde stukken voor te leggen. Zij stelden dat volgens haar eigen verklaringen, de appellante openstaande facturen had van 1.957.000 EUR bij de aannemer en een bijkomend krediet van 1.500.000 EUR had aangevraagd bij de Banco Santander. Bovendien meenden de geïntimeerden te weten dat de werf gedeeltelijk stil lag en dat een vastgoedmakelaar was ingeschakeld om de eerste 24 woningen te verkopen. Zij stelden dat dergelijke verkopen in strijd waren met de kredietovereenkomsten en vreesden dat de appellante de opbrengst van deze verkopen in strijd met de overeenkomsten zou uitkeren aan de aannemer. Volgens hen bracht de handelwijze van de appellante hun recuperatiemogelijkheden ernstig in gevaar en was er uiterste hoogdringendheid om bewarende maatregelen te nemen. De geïntimeerden vorderden dat de appellante veroordeeld werd tot de volgende maatregelen: - een verbod tot het laten verlijden van de notariële akten van verkoop van de woningen en bijgaande percelen grond die deel uitmaken van het vastgoedproject van Habitats el Duque in Adeje (Tenerife), waarvoor de geïntimeerden kredieten hadden verstrekt; - een verbod tot het laten bezwaren van de woningen en bijgaande percelen van dit zelfde vastgoedproject met zakelijke zekerheden ten gunste van derden (hypotheken, hypothecaire volmachten en/of hypotheekbeloften, enz.); dit op straffe van betaling van een dwangsom van 650.000 EUR per woning waarvan de eigendom is overgedragen aan derden bij (notariële) akte en/of per woning die bezwaard wordt met zakelijke zekerheden ten gunste van derden, en dit vanaf de dag dat de beschikking zal betekend zijn aan de appellante en dit zolang de hoofdsom alsmede de vaste en variabele intresten van de beiden kredieten niet integraal zijn voldaan aan de geïntimeerden. Bovendien vorderden de geïntimeerden dat de appellante verplicht werd de volgende documenten aan hen af te geven: - een voor eensluidend verklaarde kopie van alle ondertekende onderhandse verkoopovereenkomsten, van alle aan de kopers verstuurde facturen en door hen uitgevoerde betalingen, van alle facturen van de aannemer van de werken en van alle aan de aannemer uitgevoerde betalingen; - alle nodige informatie over de betwistingen met de aannemer der werken; - een volledig overzicht van de door de appellante met betrekking tot het projectmanagement betaalde vergoedingen; - een voor eensluidend verklaarde kopie van de lening of de leningen afgesloten door de appellante met de Banco Santander of enige andere bank en van de daaraan verbonden toegestane zakelijke zekerheden (hypotheken, hypothecaire volmachten en/of hypotheekbeloften), evenals van de brandverzekering afgesloten met betrekking tot het vastgoedproject Habitats El Duque; dit alles binnen de zeven dagen na de betekening van de beschikking, op straf van een dwangsom van 1.000,00 EUR per ontbrekend document en per dag vanaf de achtste dag na de betekening van de beschikking. 2. De appellante beweerde dat tijdens een vergadering van 7 december 2007 een akkoord was bereikt tussen de partijen, met de volgende krachtlijnen: - onvoorwaardelijke schorsing door de geïntimeerden van alle procedures met afstand van vordering nadat het gesloten akkoord is uitgevoerd, zonder verdere eisen dienaangaande; - afstand door de appellante van haar winstaandeel van 10% aan de geïntimeerden en aan B. (die eveneens was tussengekomen in de financiering van het project); - achterstelling van de uitbetaling van de winstparticipatie van 37,5% van de appellante in het voordeel van de geïntimeerden volgens de navolgende overeengekomen fases van afrekening, waarbij uit de nog te ontvangen verkoopprijs van de kopers, eerst de bank zou worden terugbetaald voor 1/44ste en het saldo als volgt zou worden betaald: o fase 1 (verkoop van de eerste vijf woningen): terugbetaling van de hoofdsom aan de geïntimeerden ten bedrage van 1.554.555 EUR, bij voorrang en zonder dat een andere partij aanspraken kan maken; o fase 2 (tot de verkoop van de dertigste woning): uitbetaling van het winstaandeel van 25/62,5sten aan B. en van 37,5/62,5sten aan de geïntimeerden van het saldo na uitbetaling van de bank en waarbij de geïntimeerden de gelden onder elkaar verdelen; o fase 3 (inhaalfase vanaf de 31ste woning): saldo na terugbetaling van de bank komt integraal toe aan de appellante tot zij een bedrag aan winstparticipatie zal ontvangen hebben gelijk aan de in totaal aan de geïntimeerden uitbetaalde winstparticipatie; o fase 4 (verkoop van de overblijvende woningen): opmaken van de eindafrekening en verdeling van het saldo conform de verdeelsleutel (de geïntimeerden en de appellante ieder van 37,5% van dat saldo en B. 25% van dat saldo). - de dading geldt voor slot van alle rekening tussen partijen en maakt een einde aan alle hangende wederzijdse geschillen en vorderingen na wederzijdse toegevingen; - minnelijke verbreking en verzaking aan alle voorgaande verbintenissen tussen de partijen in zover ze met de dading in strijd zouden zijn onder voorbehoud aan de geïntimeerden dat de originele overeenkomsten die door de partijen werden gesloten opnieuw uitwerking krijgen, indien de appellante zich niet zou houden aan de termen van de dading; - het vastleggen van het akkoord in een akte van dading; - het laten acteren van het akkoord in de kort-geding-procedure. De appellante verzocht de voorzitter akte te nemen van dit akkoord en het te bekrachtigen in een beschikking. 3. De geïntimeerden vorderden dat de conclusie, neergelegd door de appellante, uit de debatten werd geweerd, omdat daarin melding werd gemaakt van voorstellen tot regeling, die in het kader van vertrouwelijke besprekingen waren gedaan en waaromtrent geen akkoord was tot stand gekomen. De geïntimeerden volhardden in hun vordering, met dien verstande dat zij het bedrag van de dwangsom, in geval van niet of niet tijdige mededeling van de stukken, waarvan zij de voorlegging vorderden, verhoogden van 1.000,00 EUR tot 10.000,00 EUR. II. De eerste rechter achtte de vordering hoogdringend. Hij stelde vast dat de kredieten reeds geruime tijd opeisbaar waren en dat pas recent gebleken was dat er een dreiging bestond dat woningen zouden worden verkocht. Hij achtte de urgentie voldoende gemotiveerd onder verwijzing naar de dreiging dat de recuperatiemogelijkheden van de geïntimeerden ernstig in gevaar waren. Verder stelde hij dat artikel 1039 van het gerechtelijk wetboek niet belette dat de rechter de rechten van partijen kan onderzoeken, op voorwaarde dat hij geen definitieve maatregelen beveelt waardoor zij op onherroepelijke en definitieve wijze zouden zijn aangetast. De eerste rechter stelde vast dat de rechten van de geïntimeerden, zoals ze voortvloeien uit de kredietovereenkomst van 4 september 2003, aangevuld met de overeenkomst van 11 oktober 2005, nooit ernstig betwist zijn geweest en de geïntimeerden reeds geruime tijd aanspraak maken op de terugbetaling van het krediet. Op grond van een voorlopige beoordeling achtte hij het vooralsnog niet bewezen dat de besprekingen die de partijen gevoerd hadden, tot een akkoord hadden geleid dat gold ten titel van dading, zodat de vordering van de appellante tot bekrachtiging van de dading diende afgewezen te worden. De eerste rechter was van oordeel dat maatregelen die de geïntimeerden vorderden louter bewarend waren, volledig in de lijn lagen van datgene waarop zij recht hadden en moesten voorkomen dat de recuperatiemogelijkheden werden bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt. Hij overwoog dat de appellante deze maatregelen overbodig kon maken door de overeenkomst van 4 september 2003 uit te voeren en de geïntimeerden uit te betalen, waarna zij vrij de woningen kon verhandelen. Hij voegde eraan toe dat hij zich "in de huidige stand van zaken" niet hoefde te bekommeren over de rechten van derde partijen die deze koopovereenkomsten met de appellante zouden hebben afgesloten. Wat de gevorderde voorlegging van stukken betrof, overwoog de eerste rechter dat dit eveneens een louter bewarende maatregel betrof. Hij stelde vast dat de appellante ter zitting van 30 januari 2008 een omvangrijk dossier had voorgelegd, waarvan zij stelde dat het alle documenten bevatte waarvan de geïntimeerden inzage vorderden. Volgens hem was het niet duidelijk of de geïntimeerden kopie of inzage kregen van dit dossier, doch hij nam aan dat de appellante een kopie van het dossier in deze procedure neerlegde. Hij besloot dat dit vooralsnog volstond en dat, indien zou blijken dat de geïntimeerden in dit bundel onvoldoende inlichtingen vonden, zij hem alsnog konden vatten voor het verkrijgen van aanvullende inlichtingen of documenten. De eerste rechter verklaarde de vordering van de geïntimeerden gegrond als volgt: - hij legde aan de appellante een verbod op om de notariële akten van verkoop te verlijden van de woningen en bijgaande percelen grond, die deel uitmaken van het vastgoedproject van de appellante in Adeje (Tenerife, Spanje), waarvoor de geïntimeerden de kredieten hadden verstrekt, evenals tot het laten bezwaren van de woningen en bijgaande percelen grond van ditzelfde vastgoedproject met zakelijke zekerheden ten gunste van derden; - hij zegde dat beide verboden golden op straf van betaling van een dwangsom van 650.000,00 EUR per verkochte woning waarvan de eigendom was overgedragen bij (notariële) akte en/of per woning die bezwaard werd met zakelijke zekerheden ten gunste van derden, en dit vanaf de dag dat de beschikking werd betekend aan de appellante en zolang de hoofdsom alsmede de vaste en variabele intresten van de kredieten van elk van de geïntimeerden niet integraal was voldaan; - hij beval dat de appellante een kopie van het in de procedure neergelegde dossier zou overmaken aan de geïntimeerden en hij zegde dat, indien dit dossier niet de inlichtingen zou bevatten zoals in de vordering van de geïntimeerden omschreven, zij hem steeds aanvullend kon vatten voor het overleggen van aanvullende nuttige stukken. Het meer gevorderde wees de eerste rechter af als zijnde ongegrond. Bovendien wees hij ook de vordering van de appellante tot bekrachti-ging van de dading af als ongegrond en hij veroordeelde de appellante tot de gedingkosten. III. 1. In haar verzoekschrift tot hoger beroep vordert de appellante dat het hof de bestreden beschikking teniet doet en alle initiële vorderingen van de geïntimeerden afwijst als ongegrond. Bovendien vordert zij dat haar initiële tegeneis gegrond wordt verklaard en dat het hof zegt voor recht dat tussen partijen op 7 december 2007 een dading tot stand is gekomen, minstens dat zij wordt toegelaten die dading met alle middelen van recht, inclusief getuigen, te bewijzen. Tenslotte vordert de appellante dat de geïntimeerden worden veroordeeld tot de gedingkosten in beide aanleggen. 2. In hun eerste conclusie, neergelegd op 2 april 2008, vragen de geïntimeerden dat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. Zij stellen incidenteel hoger beroep in en vragen dat de appellante veroordeeld wordt tot afgifte van een voor eensluidend verklaarde kopie van alle aan de kopers verstuurde facturen en van alle door hen uitgevoerde betalingen, evenals van een volledig overzicht van de door de appellante met betrekking tot het projectmanagement betaalde vergoedingen, dit alles binnen zeven dagen na de betekening van het arrest, op straf van een dwangsom van 10.000 EUR per ontbrekend document en per dag vertraging vanaf de achtste dag na de betekening van het arrest aan de appellante. Bovendien vragen de geïntimeerden in deze conclusie akte van hun voorbehoud voor een vordering in afgifte van bijkomende stukken en de veroordeling van de appellante tot de gedingkosten in beide aanleggen. 3. In haar eerste conclusie in hoger beroep, neergelegd op 18 juni 2008, volhardt de appellante in de afwijzing van de vordering van de geïntimeerden en in de gegrondverklaring van haar hoger beroep en haar vordering, zoals geformuleerd in de beroepsakte. Bovendien vraagt zij dat het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerden wordt afgewezen. 4. In een conclusie, die eveneens op 18 juni 2008 werd neergelegd, volharden de geïntimeerden in hun vorige conclusie. In zover zij besluiten tot de bevestiging van de beschikking van de eerste rechter, vragen zij dat het hof de perceelnummers van de diverse loten van het project, waarop het gevorderde verbod betrekking heeft, zou aanduiden. Zij sommen deze 44 perceelnemers op, telkens met verwijzing naar het overeenstemmende lot. Bovendien vorderen de geïntimeerden daarin dat de appellante bijkomend zou veroordeeld worden tot afgifte van een eensluidend afschrift van alle notariële koopverkoopaktes die reeds zijn verleden. 5. In een conclusie, neergelegd op 18 augustus 2008, volharden de geïntimeerden in hun eerder neergelegde conclusie. Zij vorderen bovendien, naast de afgifte van in eerdere conclusies vermelde stukken, tevens de voorlegging van een eensluidend verklaarde kopie van de brandverzekeringspolis geldend "tot heden". Tevens vorderen zij dat het hof zegt voor recht dat op 2 juni 2008, door het doen verlijden van 23 notariële akten van verkoop en het toestaan op één van de woningen van een zakelijk recht, dwangsommen verschuldigd zijn tot beloop van 24 x 650.000 EUR = 15.600.000 EUR. Beoordeling van de gevorderde maatregelen I. 1. Op grond van artikel 584 Ger.W. doet de kortgeding-rechter, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak. De rechtsmacht van de kortgeding-rechter is aldus aan twee voorwaarden onderworpen, namelijk de spoedeisende aard van de gevorderde maatregel en het feit dat deze maatregel geen nadeel mag toebrengen aan de zaak zelf. 2. De urgentie is enerzijds een bevoegdheidsvereiste en anderzijds een gegrondheidsvereiste van het kort geding (BEERNAERT, S., Algemene principes van het civiele kort geding, R.W., 2001-2002, 1341). Uit artikel 9 van het gerechtelijk wetboek vloeit voort dat de urgentie een wezenlijke component is van de materiële bevoegdheid van de kortgeding-rechter (vgl.: FETTWEIS, A., Bevoegdheid, p. 253, nr. 468; LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 452, p. 244) Als bevoegdheidsvereiste houdt de urgentie in dat de eisende partij in de gedinginleidende akte omstandigheden moet aanvoeren waaruit kan worden afgeleid dat de zaak spoedeisend is. (CASS. 11 mei 1990, R.W. 1990-91, 987). De geïntimeerden hebben in hun inleidende dagvaarding uiteengezet dat hun vordering om verbod tot het verkopen en bezwaren met zekerheden van de woningen te horen opleggen "uiterst hoogdringend" is omdat het verdwijnen van de woningen uit het vermogen van de appellante hun recuperatiemogelijkheden ernstig in gevaar bracht. Bovendien argumenteerden zij dat ook het bekomen van de door hen gevraagde informatie "uiterst dringend" was omdat de stillegging van de werken door de aannemer de ganse realisatie van het project op de helling bracht. Er is aldus voldaan aan de urgentie als bevoegdheidsvereiste voor het kort geding. 3. De vraag of de aangevoerde omstandigheden in werkelijkheid aanwezig zijn en of de zaak derhalve werkelijk spoedeisend is, betreft de grond van de zaak (LAENENS J. e.a., a.w., nr. 452, p. 245; CASS. 10 april 2003, Arr. Cass. 2003, 956). Er is sprake van spoedeisendheid, indien een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang te voorkomen, dan wel ernstige ongemakken te vermijden (vgl. CASS. 21 mei 1987, R.W. 1987-88, 1425). Men kan aldus zijn toevlucht nemen tot het kort geding wanneer een ernstig nadeel te vrezen is indien de gewone procedure zou gevolgd worden of m.a.w. telkens wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen (vgl. CASS. 17 maart 1995, Arr. Cass. 1995, 320). Wanneer aan de voorwaarde van spoedeisendheid voldaan is, kan de kortgeding-rechter maatregelen tot bewaring van recht bevelen, indien er een schijn van rechten is die het nemen van de beslissing verantwoordt (vgl. CASS. 6 juni 2003, T.B.H., 2004, 258). Hoe verregaander de gevorderde maatregel, des te duidelijker de rechten van de partijen moeten vaststaan (BRESSELEERS, G., conclusie bij CASS. 5 mei 2000, Arr. Cass., 2000, 854, nr. 4). 4. De kortgeding-rechter doet bovendien uitspraak bij voorraad. Artikel 1039 van het gerechtelijk wetboek, dat bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, belet de kortgeding-rechter niet de rechten van de partijen te onderzoeken. Alleen mag hij geen maatregelen bevelen die deze rechten op een definitieve en onherroepelijke wijze aantasten (vgl. CASS. 31 januari 1997, Arr. Cass., 1997, 140). II. De appellante laat, voorafgaandelijk aan haar verweer in verband met de gegrondheid van de door de geïntimeerden gevorderde maatregelen, gelden dat een dading is gesloten, die een einde stelt aan de geschillen tussen de partijen. Zij vordert bij tegeneis dat het hof voor recht zegt dat deze dading tot stand gekomen is op 7 december 2007. Minstens vraagt zij toegelaten te worden om het bestaan van deze dading te bewijzen met alle middelen van recht, inclusief getuigen. Niets belet dat de appellante als verweer tegen de vorderingen van de geïntimeerden inroept dat er een dading zou gesloten zijn. In het kader van het onderhavige kort geding kan het hof zich evenwel niet uitspreken over de tegenvordering, zoals de appellante ze stelt. Deze tegenvordering strekt er immers toe de rechten van de partijen definitief vast te stellen. De appellante beseft dit trouwens, aangezien zij bij dagvaarding van 8 januari 2008 een vordering met hetzelfde voorwerp heeft ingesteld voor de rechter ten gronde (rechtbank van koophandel te Gent). III. 1. Wat de urgentie betreft, wijst de appellante erop dat de kredieten, die de geïntimeerden toestonden, reeds opeisbaar waren sedert 15 december 2005. Zij stelt vast dat de vordering in kort geding pas werd ingeleid op 16 november 2007 en dat er, na twee (en inmiddels drie) jaar, geen sprake meer kan zijn van urgentie. De vaststelling dat de eisende partij in een kort geding nalatig zou geweest zijn om tijdig de nodige initiatieven te nemen met het oog op het bekomen van de gevorderde maatregelen, is een omstandigheid waarmee rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de urgentie. De houding van de betrokkene zou in dat geval een soort vermoeden kunnen scheppen dat er geen urgentie is. Doch dit vermoeden is weerlegbaar. De essentiële vraag is immers of er daadwerkelijk urgentie is op het ogenblik dat de kortgeding-rechter de zaak behandelt. De eventuele nalatigheid van een procespartij neemt immers op zich het bestaan van de eventuele urgentie niet weg. De urgentie als gegrondheidsvereiste van het kort geding moet beoordeeld worden op het ogenblik van de uitspraak (vgl. CASS. 11 mei 1998, Arr .Cass. 1998, 505). 2. De integrale terugbetaling van de geleende hoofdsommen, vermeerderd met de vaste en variabele intresten, moest geschieden op 15 december 2005. Dit gebeurde niet, ondanks een ingebreke-stelling van 6 februari 2006, waarin verwezen werd naar een telefonisch onderhoud van de week voordien. Op 28 februari 2006 volgde een nieuwe ingebrekestelling. In deze aanmaning - en in alle volgende - vroegen de geïntimeerden onder meer een overzicht van de reeds afgesloten koopovereenkomsten en van de reeds van de kopers ontvangen bedragen. Volgens de geïntimeerden vond op 6 april 2006 een bespreking plaats. Op 24 mei 2006 en 1 juni 2006 voerde de appellante twee betalingen uit van respectievelijk 300.000 EUR en 200.000 EUR. De geïntimeerden stellen dat er op 28 juni 2006 een vergadering werd gehouden en dat de appellante toen beloofde om uiterlijk tegen 31 augustus 2006 de vervallen hoofdsommen te betalen. Op 27 september 2006 volgde een nieuwe aanmaning van de geïntimeerden. In een brief van 23 oktober 2006 sprak de appellante, die verwees naar een bespreking van 7 oktober 2007, dit tegen. Na een ingebrekestelling d.d. 16 februari 2007 van de geïntimeerden, verwees de appellante in een schrijven van 16 maart 2007 naar een bezoek dat F. D. G. op 14 en 15 november 2006 had gebracht op de site in Adeje. Zij stelde dat de heer D. G. daar een volledig overzicht van de stand van zaken had kunnen opmaken en kennis had kunnen nemen van alle stukken. In de brief van 16 maart 2007 kondigde de appellante aan dat in de loop van de daaropvolgende maand 24 villa's voltooid zouden zijn en dat vóór juli 2007 de notariële verkoopakten zouden kunnen ondertekend worden. In een brief d.d. 11 mei 2007 van hun raadsman betwistten de geïntimeerden de inhoud van de brief van 16 maart 2007 en maanden zij de appellante opnieuw aan tot betaling. In de daarop volgende maanden werden nog besprekingen gevoerd, die evenwel niet tot een minnelijk akkoord leidden. Uit een brief d.d. 4 september 2007 van de raadsman van de geïntimeerden blijkt dat zij ervan op de hoogte waren dat er nog aanzienlijke sommen verschuldigd waren aan de aannemer van de werken wegens zogenaamde meerwerken. Op 7 september 2007 richtten de geïntimeerden een verzoek tot arbitrage aan Cepina. Op 16 november 2007 werd de dagvaarding in kort geding betekend. 3. Aan de hand van een summier onderzoek en zonder zich daarover ten gronde uit te spreken, kan het hof niet met voldoende zekerheid besluiten dat een dading werd gesloten, waardoor een einde zou zijn gesteld aan alle geschillen tussen de partijen en dat om die reden de gevorderde maatregelen niet (meer) zouden kunnen bevolen worden. Er werd geen geschreven overeenkomst opgesteld en alle stukken die daaromtrent voorliggen gaan uit van de appellante of personen die met haar gelieerd zijn. 4. Toen hun vordering volledig opeisbaar was en, ondanks hun ingebrekestelling, onbetaald bleef, hebben de geïntimeerden het niet nodig geacht de arbitrageprocedure op te starten. Zij hebben gedurende een periode van bijna twee jaar - waarin zij gebeurlijk reeds een uitspraak over de grond van de zaak hadden kunnen bekomen - geen enkele bewarende maatregel gevraagd, noch genomen, om hun rechten te vrijwaren. Zij tonen niet aan dat er op het ogenblik dat zij, in november 2007, een vordering in kort geding instelden, of op enig tijdstip sedertdien en tot op heden, urgentie is of geweest is om de thans gevorderde maatregelen te bekomen. 4.1. Op het ogenblik van het instellen van het kort geding wisten de geïntimeerden niet enkel reeds bijna twee jaar dat er problemen waren, waardoor de appellante er niet in slaagde haar terugbetalingsverbintenis uit te voeren. Het was hen sedert februari 2006 bekend dat de appellante woningen verkocht had en daarvoor betalingen ontvangen had. Zij formuleerden daartegen geen bezwaar in hun aanmaningen, maar vroegen enkel om mededeling van precieze gegevens daarover. Bovendien kondigde de appellante reeds in haar brief van 16 maart 2007 aan dat zij de notariële verkoopakten zou laten verlijden vóór juli 2007. De geïntimeerden, die het aanvankelijk niet nodig achtten een verbod te horen opleggen aan de appellante om dit te doen, tonen niet aan waarom dit acht maanden later en tot op dit ogenblik wel noodzakelijk zou zijn. 4.2. Het is de stelling van de appellante dat zij in de onmogelijkheid is geweest om haar terugbetalingsverbintenis uit te voeren, omdat de aannemer ten onrechte aanzienlijke bijkomende sommen aanrekende voor zogezegde meerwerken. Zij betoogt dat zij genoodzaakt was een krediet aan te gaan om de bijkomende kosten te kunnen betalen. Zij wijst erop dat de notariële verkoopakten met betrekking tot de woningen pas konden ondertekend worden nadat ze waren opgeleverd en dit niet mogelijk was zonder het akkoord van de aannemer, die de werken nochtans gebrekkig had uitgevoerd. De geïntimeerden betwisten als zodanig niet dat zich problemen manifesteren met de aannemer. Zij verschillen wel van mening met de appellante over de oorzaken daarvan en over de gevolgen op de uitvoering van de verbintenissen van de appellante op grond van de kredietovereenkomsten. Het hof kan zich in het kader van dit kort geding niet uit spreken over de rechten ten gronde van de partijen. Wel stelt het vast dat, op het eerste gezicht niet blijkt dat andere redenen oorzaak zijn van het in gebreke blijven van de appellante ten aanzien van de geïntimeerden. Meer bepaald tonen zij niet aan en maken zij, aan de hand van de voorliggende stukken en de uiteenzetting van de partijen, niet aannemelijk dat de appellante opbrengsten uit het vastgoedproject, waarvoor de geïntimeerden geld ter beschikking hebben gesteld, in haar eigen voordeel of deze van haar vennoten zou aangewend hebben of, in het algemeen, voor andere doeleinden dan de realisatie van het project. 4.3. Voorts is het allesbehalve waarschijnlijk dat de toekenning van het door de geïntimeerden gevraagde verbod noodzakelijk of zelfs wenselijk is om schade van enige omvang te voorkomen. Een dergelijk verbod zou wellicht eerder het tegenovergestelde effect hebben. Uit de tekst van de inleidende dagvaarding in kort geding blijkt dat het de geïntimeerden bekend was dat er betwisting bestond met de aannemer van de werken, die nog een belangrijke openstaande factuur had, en dat de appellante een bijkomend krediet had aangevraagd. De geïntimeerden wisten of moesten weten dat een vervreemdingsverbod de verdere uitvoering van het project zou blokkeren en tot gevolg zou hebben dat de appellante daaruit geen inkomsten meer verwierf, dat zij haar financiële verplichtingen niet meer zou kunnen naleven en dat zij geconfronteerd dreigde te worden met schade-eisen van de aannemer en van kopers. Zij legt in dit verband trouwens een aantal aanmaningen voor. Mede gelet op de daardoor te verwachten toename van de schulden van de appellante en op de vaststelling dat op de woningen, die deel uitmaken van het project, blijkbaar een hypotheek werd gevestigd in het voordeel van de Banco Santander, valt te betwijfelen of het blokkeren van de vervreemding van deze woningen de recuperatie van de vordering van de geïntimeerden beter vrijwaart dan de verkoop ervan. Op het eerste gezicht dreigt de toekenning van het gevorderde verbod dan ook eerder schade te doen ontstaan of te doen toenemen in hoofde van de geïntimeerden, dan ze te vermijden of beperken. 4.4. Evenmin tonen de geïntimeerden de urgentie aan van hun vordering om zich de stukken en documenten te laten voorleggen, die zij opsommen in hun conclusies. Uit het feitenrelaas blijkt dat er bij herhaling besprekingen zijn gevoerd tussen de partijen. Bovendien werd hen bij brief d.d. 30 oktober 2007 van de raadsman van de appellante uitdrukkelijk aangeboden om de boekhouding en alle andere documenten waarvan zij kennis wilden nemen, in te zien. Bij die gelegenheid zouden hen bovendien alle gewenste documenten worden overhandigd. Enerzijds blijkt niet dat zij op dit aanbod zijn ingegaan en anderzijds tonen de geïntimeerden niet aan dat de appellante hen niet toeliet kennis te nemen van alle relevante stukken. Zij falen volledig in hun bewijslast dat er op enig ogenblik urgentie bestaan heeft om een maatregel tot overlegging te bevelen onder verbeurte van aanzienlijke dwangsommen. Uit de uiteenzetting in de conclusies van de geïntimeerden en uit de stukken die zij voorleggen blijkt trouwens dat zij zeer goed geïnformeerd zijn over de stand van het project dat zij mee gefinancierd hebben. 5. Naast een gebrek aan urgentie is er volgens het hof - althans wat het gevorderde verbod tot vervreemden of bezwaren betreft - bovendien niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 1039 van het gerechtelijk wetboek. Wanneer de geïntimeerden vorderden dat aan de appellante verboden wordt om de woningen te vervreemden, zolang zij niet betaald zijn, vorderen zij in werkelijkheid de uitvoering van een essentiële verbintenis uit de kredietovereenkomsten van 4 september 2003. De kortgeding-rechter kan, mits belangenafweging, ingeval van onverwijlde spoed, voorlopig de uitvoering bevelen van een contractuele verbintenis, wanneer de aanspraken van de eisende partij in overeenstemming zijn met haar ogenschijnlijk recht (vgl.: CASS., 22 februari 1991, T.B.H., 1991, 672; CASS. 13 mei 1991, Arr. Cass., 1990-91, 910). Daartoe is vereist dat de ingeroepen rechten niet op ernstige wijze (kunnen) worden betwist noch tegengesproken. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat een andersluidende beslissing van de rechter ten gronde de voorlopige maatregel en de gevolgen daarvan, zoals de eventueel verbeurde dwangsommen, niet kan teniet doen (vgl.: VAN OEVELEN A. en LINDEMANS, J., Het kort geding. Herstel en schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter, T.P.R., 1985, p. 1053, nr. 4). De partij die in kort geding veroordeeld wordt, maar ten gronde voldoening krijgt, zal niet meer kunnen bekomen dan het doen verdwijnen vanaf de beslissing door de bodemrechter van de voordien in kort geding genomen maatregel. Voor de schade die voortvloeit uit de nakoming van het in kort geding opgelegd bevel, zal deze partij slechts een vergoedingsaanspraak kunnen laten gelden bij de tenuitvoerlegging van een "kennelijk" onjuiste beslissing in kort geding. Dit betekent dat de kortgeding-rechter door middel van een "summier" onderzoek van de zaak, eigen aan de behandeling in kort geding, een beslissing neemt die door de bodemrechter niet meer kan worden vernietigd, ook niet impliciet, wat de kortgeding-rechter tot grote waakzaamheid moet aanzetten in kort gedingen waarvan het voorwerp in feite het zelfde is als dit van de rechter ten gronde. Hoe verregaander de gevorderde maatregel, des te duidelijker de rechten van de partijen moeten vaststaan (BEERNAERT, S., Algemene principes van het civiele kort geding, R.W., 2001-2002, 1348). Zonder zich ten gronde uit te spreken, stelt het hof vast dat de argumenten die de appellante aanhaalt om te stellen dat zij - ingevolge problemen met de aannemer - niet in de mogelijkheid was om haar betalingsverbintenis na te komen, vooraleer de woningen te verkopen , niet van meet af aan van alle grond ontbloot zijn. De instantie die uitspraak zal doen ten gronde zal dienen te beoordelen in welke mate deze argumenten de uitoefening door de geïntimeerden van hun rechten kunnen beïnvloeden. In die omstandigheden kan het hof, als kortgeding-rechter, de gevorderde verbodsmaatregel, gepaard gaande met een dwangsom, niet opleggen aangezien daardoor op definitieve en onherroepelijke wijze de rechten, respectievelijk plichten van de partijen op grond van de betreffende verbintenis uit de overeenkomst zouden worden vastgelegd. 6. Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat het hoger beroep van de appellante gegrond is. De vordering van de geïntimeerden dient afgewezen te worden. Dit geldt meteen ook voor hun incidenteel hoger beroep, hun eisuitbreiding in hoger beroep en hun in graad van hoger beroep gestelde vordering aangaande de dwangsommen. IV. Rekening houdend met de ongegrondheid van zowel de oorspronkelijke hoofdvordering als van de tegenvordering, komt het passend voor de gerechtskosten in eerste aanleg om te slaan tussen partijen, waarbij elk van hen haar eigen kosten draagt. Aangezien het hoger beroep van de appellante deels gegrond is en het incidenteel hoger beroep, evenals de eisuitbreiding van de geïntimeerden en hun vordering aangaande de dwangsommen ongegrond, worden de gedingkosten in hoger beroep te hunnen laste gelegd. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Weert de conclusies, door Habitats El Duque Societad Limitada neergelegd op 13 augustus 2008 en 12 november 2008, evenals haar stukken genummerd 24 tot en met 39, uit de debatten. Wijst het verzoek van Habitats El Duque Sociedad Limitada tot heropening der debatten af als ontvankelijk, doch ongegrond; Verklaart het hoger beroep van Habitats El Duque Societad Limitada en het incidenteel hoger beroep van C. D. G. en F. D. G. ontvankelijk; wijst het laatste af als ongegrond en verklaart het eerste als volgt gegrond; Bevestigt de bestreden beschikking, in zover zij de vorderingen van C. D. G. en F. D. G. ontvankelijk verklaarde en de vordering van Habitats El Duque Societad Limitada afwees als ongegrond; Vernietigt de bestreden beschikking voor het overige en, daaromtrent opnieuw recht doende, wijst de vorderingen van C. D. G. en F. D. Gr. af als ongegrond; Verklaart de eisuitbreidingen door C. D. G. en F. D. G. en hun vordering aangaande de dwangsommen, ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt elke partij tot haar gedingkosten in eerste aanleg, die aldus niet dienen begroot te worden; Veroordeelt C. D. G. en F. D. G. tot de gedingkosten in hoger beroep, die aan hun zijde niet dienen begroot te worden aangezien zij te hunnen laste blijven en die aan de zijde van Habitats El Duque Societad Limitada begroot worden op 186,00 EUR rolrecht in hoger beroep en 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 7-1-2009. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div