← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090108.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090108.11 Rolnummer: 2005/AR/693 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 18:55 Fiche Schuldeisers van een medegerechtigde in een nalatenschap kunnen de pauliaanse vordering bepaald in artikel 1167, eerste lid B.W. niet uitoefenen tegen een buiten hen voltrokken verdeling, wanneer zij voordien tegen die verdeling geen verzet hebben gedaan, behalve dan wanneer de verdeling fictief blijkt of bedrieglijk werd voltrokken teneinde het in artikel 882 B.W. bepaalde verzet onmogelijk te maken. Artikel 882 B.W. is enkel van toepassing op verdeling van goederen die tot een nalatenschap of een huwelijksgoederengemeenschap behoren en derhalve niet op een verdeling van goederen die men in onverdeeldheid heeft aangekocht, ascendenten-verdelingen, verdelingen na schenkingen (‘dubbele akte'). Een uitonverdeeldheidtreding die geen band meer heeft met de verdeling van de nalatenschap kan bestreden worden door de actio pauliana. Om een pauliaanse vordering te kunnen instellen, moet aan vier voorwaarden worden voldaan: - de schuldvordering moet dateren van vóór de aangevochten handeling; - er moet benadeling zijn door een handeling die een verarming van de schuldenaar meebrengt; - er moet sprake zijn van bedrog van de schuldenaar; - er moet sprake zijn van medeplichtigheid van de derde die met de schuldenaar heeft gehandeld, behalve als het gaat om rechtshandelingen ten kostelozen titel. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT Vrije woorden: nalatenschap - verdeling - pauliaanse vordering - toepassingsvoorwaarden Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 08 januari 2009 ________ 2005/AR/693 - In de zaak van: D.N., appellante, hebbende als raadsman mr. DELLAERT Dirk, advocaat te 9900 EEKLO, Boelare 115 A tegen :

  1. ONDERLING BEROEPSKREDIET C.V.B.A., met vennootschapszetel te 9000 GENT, Graaf van Vlaanderenplein 19, destijds ingeschreven in het handelsregister te Gent, onder het nummer 98.638, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. SOETAERT Bie, advocaat te 9000 GENT, Rozemarijnstraat 94
  2. D.D., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DUMOLEIN Geert, advocaat te 8970 POPERINGE, Ieperstraat 112 velt het hof het volgend arrest: De appellante heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 maart 2005 hoger beroep ingesteld tegen het op 16 november 2004 uitgesproken vonnis van de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, waarbij: - de oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde ontvankelijk en gegrond werd verklaard; - derhalve voor recht werd gezegd dat de akte (bedoeld wordt de afstand) bij notariële akte verleden voor notaris Thiery te Rumbeke op 16 september 2002 van een gerechtigd deel in de woning gelegen aan de te , haar toebedeeld deels uit nalatenschap van haar overleden vader, H. D. en deels door een schenking van mevrouw S. V. aan N. en D. D. haar niet tegenwerpelijk is; - voor recht werd gezegd dat de griffier geen uitgifte van het vonnis mag afleveren dan nadat de inschrijving conform artikel 84 Hyp.W. gedaan is; - de appellante en de tweede geïntimeerde tot de gerechtskosten aan de zijde van de eerste geïntimeerde, zoals nader begroot, werden veroordeeld; - het vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard niettegenstaande elk rechtsmiddel. In haar beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies vorderde de appellante dat het hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis zou tenietdoen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde als onontvankelijk en ongegrond zou afwijzen. Tevens vorderde de appellante dat het hof voor recht zou zeggen dat de eerste geïntimeerde tot schrapping dient over te gaan van de kantmelding binnen de maand na datum van het tussenkomende arrest en het bewijs hieromtrent te laten voorleggen door de hypotheekbewaarder. Zij vroeg voorbehoud om nader te concluderen. Tenslotte vorderde ze dat de kosten, zoals aan haar zijde nader begroot, ten laste van de eerste geïntimeerde zouden worden gelegd. De eerste geïntimeerde vroeg in haar syntheseconclusies dat het hof het hoger beroep niet ontvankelijk, althans ongegrond zou verklaren, het bestreden vonnis zou bevestigen en de appellante zou veroordelen tot de kosten in deze instantie, zoals begroot. De tweede geïntimeerde vroeg in haar conclusies dat het hof het bestreden vonnis zou tenietdoen en opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van de eerste geïntimeerde zou afwijzen als ontoelaatbaar, minstens ongegrond en de kosten in beide instanties, zoals aan haar zijde nader begroot, ten laste van de eerste geïntimeerde zou leggen. Op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2008 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
  3. Het hoger beroep van de appellante is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. De eerste geïntimeerde deed ter terechtzitting van 30 oktober 2008 afstand van de in conclusies opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep. Bij gebrek aan een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.
  4. feitelijke voorgaanden Op 14 februari 1990 stond de eerste geïntimeerde een kredietopening van 148.736,11 EUR (6.000.000 BEF) toe aan de BVBA Aggiornato (stuk 1 eerste geïntimeerde). Zaakvoerders van deze BVBA waren de echtgenoot van de appellante, P. D. M., en A. C.. Op 10 december 1991 stond de eerste geïntimeerde aan de BVBA Aggiornato een kredietopening toe van 10.004,36 EUR (403.575 BEF) (stuk 2 eerste geïntimeerde). De appellante ondertekende hiertoe een akte van hoofdelijke en ondeelbare borgstelling op respectievelijk 15 februari 1990 (beperkt tot 74.368,06 EUR (3.000.000 BEF) (stuk 3 eerste geïntimeerde) en op 10 december 1991 (stuk 4 eerste geïntimeerde). De kredietopeningen werden beide op 5 juni 1992 door de eerste geïntimeerde opgezegd (stuk 5 eerste geïntimeerde). De BVBA Aggiornato werd op 30 juni 1992 failliet verklaard. Uit een brief van de curator d.d. 24 januari 1994 blijkt dat bij gebrek aan voldoende actief geen dividend aan de schuldeisers kon worden uitgekeerd (stuk 23 eerste geïntimeerde). Zowel de appellante als haar echtgenoot werden sedert de opzeg van de kredieten tot in 2002 diverse malen aangemaand om de kredieten aan te zuiveren (stukken 6, 7, 8, 10, 12 en 13 eerste geïntimeerde). De echtgenoot van de appellante is inmiddels overleden. Op 4 juli 2002 ging de eerste geïntimeerde over tot dagvaarding van de appellante voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op grond van haar hoofdelijke en ondeelbare borgstelling. Bij vonnis van de dertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 10 september 2003, aan de appellante betekend op 8 oktober 2003, werd de appellante in haar hoedanigheid van hoofdelijke en ondeelbare borg veroordeeld tot betaling aan de eerste geïntimeerde van 122.073,42 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interest sedert de dagvaarding en tot de kosten van het geding (stukken 19 en 20 eerste geïntimeerde). De heer H. D., vader van de appellante en de tweede geïntimeerde, is testamentloos overleden te op en liet als erfgenamen na zijn echtgenote, S. V. voor het vruchtgebruik, en zijn dochters, de appellante en de tweede geïntimeerde, voor elk één/vierde blote eigendom. Bij notariële akte, verleden voor notaris Thiery-Vander Heyde met standplaats te Rumbeke-Roeselare op 16 september 2002, schonk S. V. aan haar dochters, de appellante en de tweede geïntimeerde, elk voor de onverdeelde helft, de helft blote eigendom van een woonhuis met afhangen en erf te (stuk 16 eerste geïntimeerde). Bij notariële akte op dezelfde dag verleden voor dezelfde notaris deed de appellante afstand van alle onverdeelde rechten in voornoemd woonhuis, hetzij de helft blote eigendom, ten voordele van de tweede geïntimeerde, aan wie de overige helft in blote eigendom toebehoorde. Er werd een afstandsprijs van 37.679,81 EUR bepaald welke de appellante en de tweede geïntimeerde verklaarden onder elkaar te hebben vereffend in het kader van een familiale regeling waarvan volledige kwijting en ontlasting werd gegeven. De waarde van de volledige blote eigendom werd geraamd op 75.359,63 EUR (stuk 17 eerste geïntimeerde). Bij notariële akte verleden voor notaris Verhaegen met standplaats te Ijzendijke/Oostburg op 21 oktober 2002 schonk S. V. aan de appellante, onder voorbehoud van het vruchtgebruik, de (blote) eigendom van een partij effecten/aandelen en rechten. De tweede geïntimeerde verklaarde volledig en onherroepelijk in te stemmen met deze schenking. De schenking werd gedaan buiten erfdeel en als voorschot op erfenis (stuk 31 eerste geïntimeerde). Volgens verklaring van de notaris van 4 mei 2004 werd de waarde van het geschonkene door de partijen bepaald op 74.380,54 EUR (stuk 32 eerste geïntimeerde). Bij arrest van de twaalfde kamer van dit hof van 21 september 2005 werd het hoger beroep van de appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 10 september 2003 ongegrond verklaard en werd dit vonnis bevestigd.
  5. Volgens de appellante is de vordering van de eerste geïntimeerde onontvankelijk om reden dat de beweerde medeplichtige derde, zijnde S. V., niet in de procedure werd betrokken. Evenwel is het niet de moeder van de appellante die door de eerste geïntimeerde van medeplichtigheid wordt beticht, maar wel haar zus, de tweede geïntimeerde en oorspronkelijk tweede verweerster. In de akte afstand waartegen de eerste geïntimeerde ageert, komt de moeder trouwens niet ter sprake. Het volstaat dat de debiteur en de derde met wie de frauduleus handelende debiteur contracteerde in het geding worden betrokken, wat te dezen is gebeurd. De vordering is derhalve ontvankelijk.
  6. 4.
  7. Volgens de appellante kan te dezen geen actio pauliana worden ingesteld nu de verbintenisrechtelijke handeling d.d. 16 september 2002 kadert in een ouderlijke verdeling bij nalatenschap. Overeenkomstig artikel 1167 B.W. kunnen de schuldeisers in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen die hun schuldenaar verricht heeft met bedrieglijke benadeling van hun rechten. Niettemin, wat betreft hun rechten vermeld in de titel Erfenissen en in de titel Huwelijksvermogenstelsels in het Burgerlijk Wetboek, moeten zij zich naar de voorgeschreven regels dienaangaande gedragen. Artikel 882 B.W., zijnde één van de artikels uit de Titel "Erfenissen", bepaalt dat schuldenaars van een deelgenoot in een nalatenschap, om te beletten dat de verdeling met bedrieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich ertegen kunnen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid gedaan wordt; zij hebben het recht op eigen kosten in de verdeling tussen te komen. Tegen een voltrokken verdeling echter kunnen zij niet opkomen, behalve wanneer deze heeft plaatsgehad buiten hen om en met miskenning van een door hen gedaan verzet. Uit deze wetsbepalingen volgt dat de schuldeisers van een medegerechtigde in een nalatenschap de pauliaanse vordering bepaald in artikel 1167, eerste lid, B.W. niet kunnen uitoefenen tegen een buiten hen voltrokken verdeling, wanneer zij voordien tegen die verdeling geen verzet hebben gedaan, behalve dan wanneer de verdeling fictief blijkt of bedrieglijk werd voltrokken teneinde het in artikel 882 B.W. bepaalde verzet onmogelijk te maken (Cass. 3 december 1999, R.W., 1999-2000, met conclusie van advocaat-generaal X. De Riemaecker, 980-982). Artikel 882 B.W. is enkel van toepassing op verdeling van goederen die tot een nalatenschap of een huwelijksgoederengemeenschap behoren en derhalve niet op verdeling van goederen die men in onverdeeldheid heeft aangekocht, ascendenten-verdelingen, verdelingen na schenkingen (« dubbele akte »). 4.
  8. Waar de appellante vooreerst voorhoudt dat de nalatenschap van wijlen haar vader slechts bestond uit de echtelijke woning te en een aantal waardepapieren wordt dit niet bewezen. Er wordt geen aangifte van nalatenschap voorgelegd. De appellante toont evenmin aan dat de bedongen regeling op verzoek van wijlen haar vader gebeurde. De appellante leest de kwestieuze notariële akten trouwens verkeerd. Zo heeft de eerste notariële akte d.d. 16 september 2002 slechts betrekking op de schenking door de moeder van haar helft van de blote eigendom van de woning en is er in deze akte geen spoor te vinden van een voorgehouden schenking van haar aandeel in het roerend vermogen. Door deze schenking werden de appellante en de tweede geïntimeerde weliswaar ieder voor de helft eigenaar in blote eigendom van de woning, maar niet van het roerend vermogen dat volgens de wettelijke devolutie aan ieder van hen voor ¼ in blote eigendom toebehoorde en aan moeder voor de helft in volle eigendom en voor de helft in vruchtgebruik. De tweede notariële akte betreft enkel de afstand door de appellante van haar helft in blote eigendom van de woning. Hieruit blijkt op zich geen afstand door de tweede geïntimeerde van haar aandeel in het roerend actief (dit zou dan ¼ in blote eigendom zijn). Enkel wordt in deze akte een afstandprijs (wat betreft de blote eigendom van het onroerend goed) in het kader van een ‘familiale regeling' vermeld. De schenkingsakte van 21 oktober 2002 kan in principe enkel betrekking hebben op de helft van de waardepapieren die aan moeder in volle eigendom toebehoorden, zodat ¼ van de blote eigendom van deze papieren nog steeds in handen van de tweede geïntimeerde zou zijn... Hoe dan ook betreft de notariële akte waartegen de eerste geïntimeerde opkomt, geen voltrokken verdeling van een nalatenschap, tussen deelgerechtigden in een nalatenschap, maar een uitonverdeeldheidtreding tussen de appellante en de tweede geïntimeerde die na de schenking door hun moeder mede-eigenaars van het onroerend goed zijn geworden, en waarbij de appellante afstand deed van haar (blote) eigendomsrecht in het voordeel van haar zus. Dergelijke nieuwe verdeling heeft geen band meer met de verdeling van de nalatenschap en kan dus bestreden worden door de actio pauliana.
  9. Uit de tekst van art. 1167 B.W. volgt dat een schuldeiser om een pauliaanse vordering te kunnen instellen, moet aantonen dat aan vier voorwaarden is voldaan: - zijn schuldvordering moet dateren van vóór de aangevochten handeling; - hij dient benadeeld te worden door een handeling die een verarming van zijn schuldenaar meebrengt; - er moet sprake zijn van bedrog van de schuldenaar; - er moet sprake zijn van medeplichtigheid van de derde die met de schuldenaar heeft gehandeld, behalve als het gaat om rechtshandelingen ten kostelozen titel. 5.
  10. Te dezen wordt door de appellante niet betwist dat de (oorzaak van de) schuldvordering dateert van vóór de aangevochten handeling. De schuldvordering van de eerste geïntimeerde was reeds opeisbaar op het ogenblik dat de pauliaanse vordering werd ingesteld, weze het dat nog geen uitvoerbare titel was bekomen, wat op vandaag echter wel het geval is. Het louter feit dat de eerste geïntimeerde gebeurlijk nog een andere borg zou kunnen aanspreken, kan de actio pauliana tegen de appellante en de tweede geïntimeerde niet verhinderen. 5.
  11. De tweede toepassingsvoorwaarde voor het instellen van de pauliaanse vordering houdt in dat de schuldeiser benadeeld dient te worden door een handeling waardoor de schuldenaar zich verarmt in die zin dat de bestreden handeling zijn feitelijke insolvabiliteit moet hebben veroorzaakt of verergerd. Er kan sprake zijn van benadeling wanneer een schuldenaar een goed onttrekt aan de concrete mogelijkheden tot vervolging van zijn schuldeiser, zelfs indien de door hem gestelde handeling economisch gezien geen vermindering van zijn vermogen teweegbrengt. Eigenlijk volstaat voor het bestaan van de benadeling - die te beoordelen is op het ogenblik van het instellen van de pauliaanse vordering - het bemoeilijken van de verhaalsrechten van de schuldeiser als dusdanig. Waar de appellante na de schenking door haar moeder voor de helft blote eigenaar was van de echtelijke woning, is deze door de afstand van haar onverdeelde rechten hierin voorgoed uit haar patrimonium verdwenen. Evident kan de schuldeiser veel gemakkelijker beslag leggen op een onroerend goed dan op gelden of niet te traceren waardepapieren waaromtrent door de appellante overigens nog steeds geen enkele concrete beschrijving wordt gegeven. De eerste rechter verwijst hierbij terecht naar de eigenaardige bewoordingen van de kopie van de notariële akte van 21 oktober 2002, verleden voor een Nederlandse notaris, waarin een aantal cruciale passages werden weggelaten, en waardoor er niet de minste zekerheid bestaat over de waarde van de geschonken effecten. De rechten van de eerste geïntimeerde zijn derhalve wel degelijk aangetast zodat het vervuld zijn van deze tweede voorwaarde in de gegeven omstandigheden bezwaarlijk te betwisten valt. 5.
  12. Wat betreft het bedrog in hoofde van de debiteur kan de schuldeiser volstaan met het bewijs dat de schuldenaar handelde terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijze behoorde te weten, dat hij door de betwiste handelingen zichzelf verarmde, zijn insolvabiliteit vergrootte of de verhaalsmogelijkheden van de schuldeiser beknotte. Bewezen moet worden dat de handeling abnormaal was en dat de schuldenaar gehandeld heeft met de wetenschap dat de schuldeisers zouden worden benadeeld. Als abnormaal dient te worden beschouwd de handeling die niet kan verantwoord worden in het raam van een normaal beheer van een vermogen. De omstandigheden die de gewraakte handeling omringen, tonen wel degelijk het bedrog in hoofde van de appellante aan. De betwiste rechtshandeling sluit in de chronologie van de feiten naadloos aan op het ogenblik dat de eerste geïntimeerde overging tot dagvaarding van de appellante teneinde diens borgstelling te verzilveren. Daar waar vader D. reeds in mei 2000 is overleden, werd de schenkingsakte en de akte afstand immers pas meer dan twee jaar later, beweerdelijk in uitvoering van de wens van de vader, op 16 september 2002 verleden, dit is kort na de door de eerste geïntimeerde op 4 juli 2002 lastens de appellante uitgebrachte dagvaarding. Het tijdstip en de plotse haast waarmee de voornoemde rechtshandeling werd gesteld, namelijk toen de appellante in rechte door haar schuldeiser werd aangesproken, maakt dat deze in de concrete omstandigheden van onderhavige zaak als abnormaal valt te beschouwen en niet kan worden verklaard op grond van wettige motieven die geen uitstaans hebben met de beweerde benadeling van de rechten van de schuldeisers. De verdere werkwijze waarbij de schenking van de waardepapieren geregeld werd voor een Nederlandse notaris, en het feit dat de appellante tot op vandaag nalaat de kwestieuze roerende waarden aan te duiden, staaft slechts de abnormaliteit van de handeling. Derhalve dient het bedrog in hoofde van de appellante te worden weerhouden. 5.
  13. De wederpartij van de bedrieglijk handelende debiteur moet te kwader trouw zijn, d.w.z. dat hij op de hoogte was van het pauliaans bedrog, met name van het feit dat de desbetreffende handeling de schuldeiser van zijn wederpartij in zijn verhaalsmogelijkheden beperkte. In casu kan worden besloten dat de tweede geïntimeerde bewust heeft deelgenomen aan het pauliaans bedrog. De door de appellante voorgehouden gelijkwaardigheid van de verdeelde goederen, volgens de wens van haar vader, wordt vooreerst niet bewezen. De ‘derde' staat bovendien in een bijzondere relatie tot de debiteur, nu het zussen betreft, zodat niet kan worden aangenomen dat de tweede geïntimeerde niet op de hoogte was van de financiële verplichtingen van de appellante jegens de eerste geïntimeerde en van het werkelijke doel van de afstand. Ook de handelwijze met drie notariële akten, waarvan één verleden werd voor een Nederlandse notaris, noopt tot het besluit dat de tweede geïntimeerde van één en ander geenszins onwetend was en niet kan voorhouden van niets af te weten. De kwade trouw van de tweede geïntimeerde wordt wel degelijk bewezen. Zoals hoger reeds gesteld dient geen kwade trouw in hoofde van de moeder van de appellante te worden bewezen. 5.
  14. De toepassingsvoorwaarden van de actio pauliana zijn derhalve vervuld en de eerste rechter heeft dienaangaande juist beslist.
  15. De eerste rechter heeft de appellante en de tweede geïntimeerde terecht in de kosten verwezen. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep dient de appellante te worden verwezen in haar eigen kosten in deze instantie en in de kosten gevallen aan de zijde van de eerste geïntimeerde, waarbij de kosten gevallen aan de zijde van de tweede geïntimeerde - die het standpunt van de appellante volgt - deze ten laste blijven. Nu de vordering van de eerste geïntimeerde de niet-tegenwerpelijkheid van de notariële akte d.d. 16 september 2002 beoogt, betreft het een niet in geld waardeerbare vordering zodat de rechtsplegingsvergoeding 1.200,00 EUR bedraagt. De kosten van tenuitvoerlegging komen ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd zodat hiervoor geen titel dient te worden verleend. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst de appellante en de tweede geïntimeerde elk in hun eigen kosten van onderhavige beroepsprocedure, deze kosten derhalve niet nuttig nader te begroten, en verwijst de appellante in de kosten van deze instantie aan de zijde van de eerste geïntimeerde, begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 8 januari 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.