id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090108.13 Rolnummer: 2007/AR/1941 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-03-11 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 18:55 Fiche Het rechtsmiddel van verzet staat niet open tegen een vonnis dat in toepassing van artikel 753 (oud) Ger.W. wordt verleend ‘als op tegenspraak'. De rechtsgeldige kennisgeving bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 753 (oud) B.W. en de eigen nalatigheid van de appellant verhinderen een beroep op overmacht in zijnen hoofde. De artikelen 6 en 13 EVRM worden niet miskend door de wettelijk vooropgestelde onontvankelijkheid van het rechtsmiddel van verzet tegen een vonnis ‘als op tegenspraak'. De gevolgde gerechtelijke procedure, met kennisgeving bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 753 (oud) Ger.W. van de verdere behandeling van de vordering, bouwde de nodige garanties in ten aanzien van de aan de appellant door het EVRM verleende rechten. De rechten vervat in artikel 6 EVRM kunnen er niet toe leiden dat de appellant ten allen tijde alsnog toegang dient te krijgen tot de rechter om aldaar zijn argumenten tegensprekelijk te formuleren. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Rechtsmiddel Vrije woorden: Onontvankelijkheid verzet en hoger beroep - toegang tot de rechter - overmacht - toetsing EVRM Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 08 januari 2009 ________ 2007/AR/1941 - In de zaak van: S.M., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. VAN STEENBRUGGE Walter, advocaat te 9820 MERELBEKE, Jozef Hebbelynckstraat 2 tegen :
- K.H., wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. GHEYSEN Kristof, advocaat te 9000 GENT, Tennisbaanstraat 38
- PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, wonende te 9000 GENT, Koophandelsplein 23, geïntimeerde die verschenen is in de persoon van de heer Louis Vandenberghe, advocaat-generaal, velt het hof het volgend arrest: Appellant heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 juli 2007 hoger beroep ingesteld tegen: - het op 17 maart 2005 uitgesproken vonnis van de 3de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (A.R. 04/2027/A), waarbij: · de vordering van tweede geïntimeerde ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond werd verklaard; · het huwelijk voltrokken op 23 juli 1998 te Piribeyli (Turkije) tussen appellant en eerste geïntimeerde nietig werd verklaard; · verstaan werd dat verder zal worden gehandeld overeenkomstig art. 1385 Ger. W.; · appellant en eerste geïntimeerde werden veroordeeld in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van tweede geïntimeerde. - het op 26 april 2007 uitgesproken vonnis van de 3de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waarbij het verzet van appellant tegen het vonnis van 17 maart 2005 (A.R. 06/550/A) niet ontvankelijk werd verklaard en appellant werd verwezen tot de kosten van de verzetsprocedure. In zijn beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies, neergelegd ter griffie op 24 april 2008, vorderde appellant dat het hof: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren; - het bestreden vonnis teniet zou doen en opnieuw wijzende; - de initiële vordering van de Procureur des Konings tot nietigverklaring van het huwelijk tussen hem en eerste geïntimeerde zou afwijzen als ongegrond; - tweede geïntimeerde zou veroordelen tot de kosten in beide instanties, nader begroot aan zijn zijde. Tweede geïntimeerde vroeg in syntheseconclusies, neergelegd ter griffie op 3 september 2008, dat het hof: - het hoger beroep tegen het vonnis als op tegenspraak ontoelaatbaar zou verklaren, wegens laattijdigheid; - het hoger beroep tegen het verzetvonnis ontvankelijk zou verklaren, doch af zou wijzen als ongegrond en het vonnis zou bevestigen; - in ondergeschikte orde: het hoger beroep ongegrond zou verklaren en de nietigverklaring van het huwelijk zou bevestigen; - appellant zou veroordelen tot de kosten, niet nader begroot aan zijn zijde. Eerste geïntimeerde legde geen conclusies neer. Op de openbare terechtzitting van 27 november 2008 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
- feitelijke en procedurele voorgaanden Op 23 juli 1998 trad appellant te Piribeyli (Turkije) in het huwelijk met eerste geïntimeerde. Dit huwelijk werd bij vonnis van 10 maart 2000 uitgesproken door de burgerlijke rechtbank te Emirdag (Turkije) ontbonden wegens diepgaande onenigheid tussen beide echtgenoten (st. 1 tweede geïntimeerde). Op 14 september 2000 (en niet op 28 augustus 2000 zoals vermeld door appellant), 10 maart 2002 en 16 december 2003 werd appellant verhoord door de cel schijnhuwelijken. Bij dagvaardingsexploten respectievelijk op 31 maart 2004 betekend aan appellant in persoon en op 1 april 2004 betekend aan eerste geïntimeerde, stelde tweede geïntimeerde een vordering tot nietigverklaring in van het huwelijk, voltrokken door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Piribeyli (Turkije) op 23 juli 1998 tussen appellant en eerste geïntimeerde (zaak gekend onder A.R. 04/2027/A). Appellant verscheen op de inleidingszitting van 3 juni 2004, terwijl eerste geïntimeerde niet verscheen. Op deze inleidingszitting werd de zaak naar de rol verwezen, teneinde de zaak op grond van art. 753 (oud) Ger. W. te laten vaststellen en de nodige kennisgevingen bij gerechtsbrief te laten versturen. Bij gerechtsbrief van 16 november 2004 werd appellant opgeroepen voor de terechtzitting van 17 februari 2005 om 9.15 uur (st. 4 procedurebundel A.R. 04/2027/A), gerechtsbrief die hem kennelijk heeft bereikt, nu hij niet betwist de "blauwe kaart" te hebben afgetekend. Ook eerste geïntimeerde ontving de gerechtsbrief aan haar op dezelfde datum toegestuurd. Op de terechtzitting van 17 februari 2005 verscheen noch appellant, noch eerste geïntimeerde, waarbij door tweede geïntimeerde ten aanzien van appellant en eerste geïntimeerde een vonnis "geacht op tegenspraak" werd gevorderd overeenkomstig artikel 753 (oud) Ger.W.. Bij het aangevochten vonnis van 17 maart 2005 dat werd uitgesproken "als op tegenspraak" heeft de eerste rechter onder meer het huwelijk voltrokken tussen appellant en eerste geïntimeerde op 23 juli 1998 te Piribeyli (Turkije) nietig verklaard. Dit uitgesproken vonnis werd bij deurwaardersexploot van 24 juni 2005 door Etienne Snoeck, gerechtsdeurwaarder met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Heidebloemstraat 3, aan appellant betekend waarbij het exploot overeenkomstig art. 35 al. 2 Ger. W. werd overhandigd aan diens broer S. E., die op dat ogenblik zijn woonplaats had op hetzelfde adres (st. 5 appellant). Na verloop van de beroepstermijn werd het vonnis tot nietigverklaring van het huwelijk, bij afwezigheid van het aanwenden van enig rechtsmiddel, overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand; Op 13 januari 2006 werd aan appellant een bevel tot het verlaten van het grondgebied betekend, met melding van het vonnis van 17 maart 2005 (st. 6 a appellant). Bij dagvaardingsexploot van 8 februari 2006 tekende appellant verzet aan tegen het vonnis van 17 maart
- Bij vonnis op verzet van de 3de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 26 april 2007 werd het verzet van appellant afgewezen als niet ontvankelijk.
- Grieven en argumenten van partijen Appellant stelt in zijn beroepsakte zich gegriefd te weten door het vonnis op verzet van 26 april 2007, waarbij het verzet onontvankelijk werd verklaard "omdat het werd betekend tegen een vonnis op tegenspraak gewezen, ondergeschikt omdat concluant zou hebben nagelaten om tijdig (binnen de termijn van de artt. 1047 en 1048 Ger. W.) hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis dd. 17.03.2005." Hij argumenteert daarbij dat de eerste rechter zijn argumentatie van betreffende de overmachtsituatie niet heeft gevolgd en evenmin een schending van het EVRM (inzonderheid van de artt. 6 § 1, 6 § 3 en 13) heeft vastgesteld, waarbij op de argumentatie ten gronde niet werd ingegaan. Hij voert aan dat hij nooit zijn verweermiddelen en argumenten ten gronde tegen de vordering tot nietigverklaring van zijn huwelijk met eerste geïntimeerde in rechte heeft kunnen aanwenden, minstens nooit heeft aangewend, waarbij hij zich beroept op "overmacht". Verder stelt hij dat door de (gebrekkige) wijze van betekening van het verstekvonnis, hem het recht werd ontnomen op toegang tot een rechter (art. 13 EVRM), alwaar hij zijn valabele argumenten ten grond kon/kan aanbrengen (miskenning van art. 6 § 1 EVRM). Hij houdt daarbij voor dat hij nooit effectief toegang kreeg tot een rechter, niet in de procedure die resulteerde in het bestreden vonnis, minstens niet in de verzetsprocedure, waarbij hij vordert dat deze vaststaande schending van zijn rechten zou worden tenietgedaan door huidig beroep ontvankelijk te verklaren. Ten gronde betwist appellant dat het geenszins de enige, noch de ultieme bedoeling van het huwelijk was om in België te kunnen verblijven en stelt hij te zijn gehuwd uit liefdesoverwegingen en dat hij daarbij hoopte op een duurzame relatie, teneinde een gezin te stichten en samen gelukkig te zijn. In ondergeschikte orde verzoekt appellant dat de rechtsplegingsvergoeding zou worden herleid tot 75,00 euro, te weten het minimumbedrag voor een niet in geld waardeerbare vordering. Tweede geïntimeerde erkent dat het hoger beroep, gericht tegen het vonnis op verzet van 26 april 2007 tijdig is. Hij betwist evenwel de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen het vonnis van 17 maart 2005, nu dit rechtsmiddel laattijdig werd ingesteld, gelet op de betekening van het vonnis aan appellant op 24 juni
- Tweede geïntimeerde betwist dat appellant zich op "overmacht" zou kunnen beroepen. Hij argumenteert dat de betekening van het vonnis van 17 maart 2005 rechtsgeldig is geschiedt, zeker nu uit het origineel blijkt dat de broer van appellant voor ontvangst heeft getekend, hetgeen door appellant in deze instantie niet (langer) wordt betwist. Bovendien blijkt uit de dagvaarding in verzet dat appellant kennis had van de betekening op 24 juni
- Integendeel blijkt uit de proceshouding van appellant (aan wie overeenkomstig art. 792, 1ste al. eveneens een ongetekend afschrift van het vonnis van 17 maart 2005 zou zijn toegestuurd), dat deze in feite niet geïnteresseerd was in de afloop van het geding. Tweede geïntimeerde weerlegt dat door de omstandigheden de rechten van appellant zoals bepaald in de artt. 6 en 13 EVRM zouden zijn miskend. Hij wijst er op dat ingevolge het standpunt van appellant een geschil met een onwillige partij nooit definitief zou kunnen worden beslecht. In totaal ondergeschikte orde argumenteert tweede geïntimeerde dat afdoende is aangetoond dat appellant en eerste geïntimeerde nooit de bedoeling hadden om een doelgebonden leefgemeenschap te stichten door het aangaan van het huwelijk. Volledigheidshalve besluit tweede geïntimeerde dat de kosten in eerste aanleg dienen te worden begroot overeenkomstig de geldende bepalingen ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg en dat hij instemt met het door appellant geformuleerde verzoek om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het minimumbedrag van 75,00 euro.
- Het hoger beroep tegen het vonnis van 26 april 2007 3.
- Het hoger beroep van de appellant voor zover gericht tegen het vonnis op verzet van 26 april 2007 is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep, voor zover gericht tegen het vonnis op verzet van 26 april 2007, derhalve ontvankelijk te verklaren. 3.
- Bij nalezing van het bestreden vonnis van 26 april 2007 dient het hof vast te stellen dat de eerste rechter het verzet onontvankelijk heeft verklaard op de enkele vaststelling dat het rechtsmiddel van verzet niet openstaat tegen een vonnis dat in toepassing van art. 753 (oud) B.W. wordt verleend "als op tegenspraak", waarbij deze beslissing bijkomend werd beoordeeld in het licht van de door appellant ingeroepen bepalingen van het EVRM. Ten onrechte meent appellant zich ten aanzien van het niet ontvankelijk verklaren van het verzet te kunnen beroepen op "overmacht". Er kan immers niet worden betwist - en appellant doet dit trouwens niet - dat hij bij gerechtsbrief overeenkomstig art. 753 (oud) Ger. W. in kennis werd gesteld van de verdere behandeling van de vordering van tweede geïntimeerde tot nietigverklaring van het huwelijk tussen hemzelf en eerste geïntimeerde op de terechtzitting van 17 februari 2005, noch dat hij deze gerechtsbrief heeft afgetekend voor ontvangst. De kennisgeving bij gerechtsbrief is dus regelmatig en rechtsgeldig gebeurd. Dat de inhoud van deze aangetekende zending aan appellant zou zijn voorbijgegaan - omdat hij veelvuldig aangetekende zendingen ontving in die tijd (die hij kennelijk evenmin opende (?)) - kan de rechtsgeldigheid van de kennisgeving niet in het gedrang brengen. Evenmin kan appellant zich op zijn eigen nalatigheid om kennis te nemen van de inhoud van de gerechtsbrief beroepen om navolgend het ontbreken van deze kennisname in te roepen als "overmacht". Hetzelfde geldt ten aanzien van zijn afwezigheid op de zitting van 17 februari 2005, onverschillig of deze te wijten is aan het gebrek aan kennisname van de hem overhandigde aangetekende zending van 16 november 2004, dan wel aan een navolgende nalatige houding, waarbij appellant het niet nodig vond zijn argumenten in rechte te formuleren, noch om ter terechtzitting te verschijnen. Dergelijke bewuste eigen nalatigheid kan immers geen "overmacht" met zich brengen. De beoordeling van de eerste rechter betreffende de onontvankelijkheid van het verzet is - in weerwil van hetgeen appellant wil voorhouden - daarbij niet ingegeven door het tijdstip waarop het verzet werd ingesteld, noch door het tijdsverloop tussen de betekening op 24 juni 2005 van het vonnis van 17 maart 2005 en de instelling van het verzet, doch enkel door de aard van het bestreden vonnis "als op tegenspraak", waartegen geen verzet mogelijk is. Eveneens terecht oordeelde de eerste rechter dat de bepalingen van het EVRM, inzonderheid van de artikelen 6 en 13, niet worden miskend door de wettelijk vooropgestelde onontvankelijkheid van het rechtsmiddel van verzet tegen een vonnis "als op tegenspraak". Er kan immers niet worden ontkend dat appellant in de mogelijkheid verkeerde om zijn argumenten tegensprekelijk te formuleren ten aanzien van de rechter in de procedure A.R. nr. 04/2027/A: het had volstaan (passend) gevolg te geven aan de gerechtsbrief van 16 november 2004, zodat de gevolgde gerechtelijke procedure de nodige garanties inbouwde ten aanzien van de rechten van appellant overeenkomstig de bepalingen van art. 6 EVRM. Appellant toont daarbij ook in huidige instantie niet aan dat het feit dat hij geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid om zijn verweermiddelen en argumenten ten gronde tegen de vordering in nietigverklaring aan te wenden, te wijten is aan "overmacht". Het enkel feit dat hij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, kan hij nu - kennelijk geconfronteerd met een bevel om het grondgebied te verlaten - niet inroepen als "overmacht", noch aanvoeren als een miskenning van de bepalingen van art. 6 en 13 EVRM. Bovendien stond ten aanzien van het vonnis van 17 maart 2005 het rechtsmiddel van hoger beroep open, waarbij appellant desgevallend (andermaal) de kans kon benutten zijn argumenten aan te voeren in een tegensprekelijk debat ten aanzien van zijn (beroeps-)rechter. Dat appellant navolgend aan de betekening op 13 januari 2006 van het bevel om het grondgebied te verlaten - niettegenstaande de bijstand van een raadsman die "het huwelijksdossier ging inzien ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent" (conclusies appellant p. 3 randnr. 7 al. 2) - alsnog verzet aantekende tegen een vonnis dat expliciet vermeldt dat het is verleend "als op tegenspraak" en dit "in de foutieve overtuiging dat het gewezen vonnis een verstekvonnis betrof" (conclusies appellant p. 3 randnr. 7, laatste al.), kan door hem evenmin worden ingeroepen als "overmacht". Afgezien van de vraag of appellant zich in de voorliggende zaak kan beroepen op de bescherming van art. 13 EVRM (nu huidige procedure geen betrekking heeft op het hem betekende bevel om het grondgebied te verlaten, doch enkel handelt over de vordering van tweede geïntimeerde tot nietigverklaring van het huwelijk en er desbetreffend geen "feitelijke" aantasting gebeurde door de overheid van zijn gegarandeerde fundamentele rechten, geformuleerd in het EVRM) kan hij het feit dat hij ten onrechte een niet openstaand rechtsmiddel aanwendde om het vonnis van 17 maart 2005 te bestrijden, niet aangrijpen om te stellen dat zijn rechten vervat in de artikelen 6 en 13 EVRM zouden zijn miskend. Er is dan ook niet voldaan aan de vereisten om de bepalingen van het gerechtelijk wetboek inzake het verzet buiten spel te zetten, teneinde een miskenning van de rechten verleend door het EVRM "in natura" te remediëren. Dat het verzet in ondergeschikte orde tevens onontvankelijk zou zijn verklaard "omdat concluant zou hebben nagelaten om tijdig (binnen de termijn van de artt. 1047 en 1048 Ger. W.) hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis dd. 17 maart 2005", kan - in weerwil van hetgeen appellant voorhoudt - in het bestreden vonnis niet worden gelezen. In deze instantie worden door appellant geen nieuwe elementen aangebracht die afbreuk doen aan de terechte beoordeling door de eerste rechter. Het hoger beroep - voor zover gericht tegen het vonnis op verzet van 26 april 2007 - is ongegrond.
- Het hoger beroep tegen het vonnis van 17 maart 2005 Appellant betwist in deze instantie niet dat het vonnis van 17 maart 2005 overeenkomstig art. 35 al. 2 Ger. W. op 24 juni 2005 werd betekend. Hij erkent daarbij dat de beroepstermijn overeenkomstig art. 1051 Ger. W. van één maand verstreek op 24 juli 2005, hetgeen ruimschoots de datum van de voorliggende beroepsakte van 27 juli 2007 voorafgaat. Hij argumenteert evenwel dat het verstrijken van de beroepstermijn in de voorliggende zaak evenwel niet mag leiden tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep wegens laattijdigheid, zich enerzijds beroepend op "overmacht" en anderzijds op zijn rechten geput uit de artikelen 6 en 13 EVRM. Vooreerst dient het hof op te merken dat appellant stelt dat de "overmacht" in zijnen hoofde erin bestaat dat zijn broer het betekeningsexploot van 24 juni 2005 niet zou hebben overgemaakt, waardoor hij geen kennis zou hebben gekregen van de inhoud van het betekende stuk, zonder dat hij deze loutere bewering op enigerlei wijze aannemelijk maakt, laat staan bewijst. Appellant kan immers niet worden gevolgd in zijn argument dat uit zijn proceshouding moet worden afgeleid dat zijn stilzitten na de betekening van het vonnis van 17 maart 2005 enkel kan verklaard worden door het feit dat hij onwetend was over het tussenkomen van dit vonnis en de inhoud ervan, aangezien hij voorafgaand aan het vonnis evenmin enig gevolg heeft verleend aan de door hem zelf voor ontvangst getekende kennisgeving van de rechtsdag overeenkomstig art. 753 (oud) Ger. W.. Dat appellant in de voorafgaande fase van de procedure heeft gehandeld zoals van ieder normaal voorzichtig en vooruitziend persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst mag worden verwacht, kan enkel worden gesteld ten aanzien van zijn verschijning op de inleidingszitting van de procedure gekend onder A.R. 04/2027/A, doch niet ten aanzien van zijn navolgende procedurele houding, noch voorafgaand, noch navolgend aan het vonnis van 17 maart 2005, verleend "als op tegenspraak". Kennelijk anticiperend op de vaststelling dat de betekening van het vonnis van 17 maart 2005 geschiedde overeenkomstig art. 35, lid 2 Ger. W. en er geen fout kan worden weerhouden in hoofde van hetzij de gerechtsdeurwaarder, hetzij tweede geïntimeerde, verwijst appellant bijkomend naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Czekallah/Portugal, EHRM, 10 oktober 2002, Njw, 2002, 383) om te stellen dat een fout door de overheid niet noodzakelijk is vooraleer verzet buiten de termijnen kan worden toegekend. In weerwil van hetgeen appellant voorhoudt is deze rechtspraak niet zomaar toepasselijk te verklaren op de voorliggende zaak, aangezien het arrest betrekking had op een strafzaak en de toegang tot de rechter werd ontzegd op grond van een vormfout in de inleidende akte, hetgeen fundamenteel afwijkend is van voorliggende zaak. Bovendien kan in deze evenmin worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat appellant - zelfs indien hij zou worden gevolgd in zijn stelling dat hij pas bij de betekening van het bevel om het grondgebied te verlaten kennis zou hebben gekregen van het vonnis van 17 maart 2005 - nà de kennisname van het bestaan van het vonnis en nadat de raadsman van zijn keuze het gerechtsdossier ter griffie heeft ingezien (conclusies p. 3, randnr. 7 al. 2 en p. 9 al. 6) - een niet ontvankelijk rechtsmiddel instelde (zie hoger onder 3). Vervolgens beroept appellant zich op de rechten vervat in de artikelen 6, 8 en 13 EVRM om te stellen dat hem hoe dan ook in deze instantie de mogelijkheid moet worden geboden tot een tegensprekelijk debat ten gronde. Hij stelt daarbij dat het Belgisch rechtssysteem faalt doordat het, door de (gebrekkige) wijze van betekening van het vonnis van 17 maart 2005 aan appellant, deze laatste het recht ontneemt op toegang tot een rechter alwaar hij zijn valabele argumenten ten gronde kan aanbrengen. De rechten vervat in art. 6 EVRM kunnen er immers niet toe leiden dat appellant ten allen tijde - nàdat hij niet reageerde op de door hem ontvangen gerechtsbrief overeenkomstig art. 753 (oud) B.W. houdende een vaststelling van de procedure ten gronde, nàdat hij de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel liet verstrijken en nàdat hij een niet ontvankelijk rechtsmiddel heeft uitgeput - alsnog toegang dient te krijgen tot de rechter om aldaar zijn argumenten tegensprekelijk te formuleren. Dit klemt des te meer nu het voorliggende geding ten gronde gestoeld is op de Belgische openbare orde exceptie ten aanzien van het huwelijk tussen appellant en eerste geïntimeerde, zodat de openbare orde vereist dat er (na verloop van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel) rechtszekerheid bestaat nopens het al dan niet geoorloofd karakter van het huwelijk, hetgeen enkel kan worden bewerkstelligd door het erkennen van het definitief en onaanvechtbaar karakter van de beoordeling vervat in het vonnis van 17 maart
- Het argument van appellant dat zijn recht op de eerbiediging van het gezins- en familieleven (art. 8 EVRM) werd geschonden door het aangevochten vonnis van 17 maart 2005 (A.R. 04/2027/A) en de wijze van betekening ervan, komt het hof onbegrijpelijk voor aangezien het huwelijk tussen appellant en eerste geïntimeerde reeds was ontbonden bij vonnis van 10 maart 2000 van de burgerlijke rechtbank te Emirdag (st. 1 tweede geïntimeerde). Voor zover de aanspraak van appellant op de rechten vervat in de artikelen 8 en 13 EVRM zou dienen te worden begrepen in het licht van de gedwongen uitwijzing van appellant en zijn huidige gezinsleden, dient het hof vast te stellen dat een betwisting inzake het bevel om het grondgebied te verlaten geen voorwerp kan uitmaken van voorliggende procedure. Appellant kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de schade die hem door dit (beweerde) falen van het Belgische rechtssysteem werd berokkend enkel kan ongedaan gemaakt worden door huidig beroep - alhoewel buiten termijn - ontvankelijk te verklaren, en zodoende de zaak ten gronde te beoordelen. Het hoger beroep voor zover gericht tegen het vonnis van 17 maart 2005 (A.R. 04/2027/A) is onontvankelijk, wegens laattijdigheid.
- De kosten De eerste rechter heeft terecht appellant veroordeeld tot de kosten van het geding in het bestreden vonnis van 26 april
- Er zijn in deze instantie geen elementen die ertoe nopen deze beslissing te hervormen. Nu het hoger beroep ten aanzien van dit vonnis wordt afgewezen als ongegrond en het hoger beroep gericht tegen het vonnis van 17 maart 2005 niet ontvankelijk is, dient appellant te worden veroordeeld tot de kosten van deze instantie. Tweede geïntimeerde vorderde in conclusies dat appellant zou worden veroordeeld tot de kosten, doch heeft deze aan zijn zijde niet begroot. Eerste geïntimeerde heeft desbetreffend in deze instantie geen vordering gesteld. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ten aanzien van het vonnis van 26 april 2007 ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; Bevestigt dat bestreden vonnis in al zijn onderdelen. Verklaart het hoger beroep ten aanzien van het vonnis van 17 maart 2005 niet ontvankelijk. Veroordeelt appellant tot betaling van de kosten van deze instantie gevallen aan de zijde van tweede geïntimeerde, niet te begroten bij gebreke aan opgave. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 8 januari 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div